Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer
Chapter 8
Een der veelvuldigst voorkomende en gevaarlijkste vijanden van de kamerplanten is zeker wel de Thrips (Thrips hæmorrhoidalis). Dit is een zeer klein, zwart, gevleugeld diertje van langwerpigen vorm. Het blijft gewoonlijk voor het oog verborgen, daar het zich steeds aan de onderzijde van het blad ophoudt, waar het heen en weer loopt. Meer nog dan het in vele soorten optredende diertje, vallen kleine zwarte vlekjes in het oog; dit zijn de uitwerpselen dezer diertjes. De Thrips beschadigt de planten, doordat zij met haar scherpe monddeelen de opperhuid der bladeren afschaaft en dan haar voedsel uit het blad zuigt. Veel last van dit insect hebben Aralia's, Azalea's, Varens, Palmen en Ficussen. De aangetaste bladeren krijgen eerst zwarte vlekken aan de onderzijden, worden daarna geel en vallen ten slotte af.
Een andere, niet minder gevaarlijke vijand is de Roode-spin (Tetranychus telarius). Dit kleine spinachtige diertje is ook zóó klein, dat men het nauwelijks kan zien. In jongen toestand is dit diertje grijs, later rood van kleur. Het beweegt zich vooral des nachts zeer snel over een fijn webachtig spinsel, op de onderzijde van het blad. Naast de Thrips is de Roode-spin een der gevaarlijkste plantenvijanden, omdat zij aan de bladeren het bladgroen onttrekt en zoodoende de directe oorzaak van hun afsterven is. Fig. 54 toont duidelijk hoe een door Roode-spin aangetast blad er aan de achterzijde uitziet. Dergelijke sterk aangetaste bladeren worden spoedig geel en sterven af; bij vele planten rollen zij zich op, om dan te verdorren.
Minder gevaarlijk, maar toch altijd nog zeer schadelijk zijn de verschillende soorten van schildluizen. Deze treden bij voorkeur op het oude hout op; dikwijls echter vindt men ze ook op de bladeren, en dan wel aan beide zijden; ook op de jonge scheuten komen zij wel voor. De schildluis heeft den vorm van ronde of langwerpige schildjes, die als kleine verhevenheden op de bladeren voorkomen en maar al te dikwijls de kleur bezitten der aangetaste organen. Zeer veel last van schildluizen hebben de Oleander en Laurus (Laurier), waarvan de bladeren dikwijls aan de onderzijden met witachtige schildluizen als bezaaid zijn. De schildluizen, waarvan de beide geslachten in voorkomen en levenswijze zeer sterk verschillen, zuigen zich op een bepaalde plaats vast en sterven daar ook. Zij bevatten bij haar dood een zeer groot aantal eieren, die door het doode diertje als met een hard schild gedekt worden. Uit deze eieren ontwikkelen zich later de larven. Op verschillende cultuurplanten vindt men verschillende soorten van schildluizen. De wetenschappelijke namen van al deze soorten op te geven, achten wij nutteloos, daar zij alle direct als schildluizen zijn te herkennen en dan ook op dezelfde wijze moeten bestreden worden. Fig. 55 toont een jong blad van een Palm, dat zich juist aan het ontplooien is, en dat sterk door schildluizen is aangetast.
De insecten, waarvan men bij kamerplanten wel het meeste last heeft, zijn ongetwijfeld de verschillende soorten van Bladluizen. Zij komen meestal voor op jonge scheuten, waaraan zij de sappen onttrekken en die zij door haar honigachtige, kleverige uitwerpselen daarenboven zeer benadeelen. Deze uitwerpselen toch verstoppen de microscopische openingetjes, die zich in de bladopperhuid bevinden en beletten daardoor de ademhaling der planten.
Treft men vaak de bladluis aan, niet minder is dit het geval met de Wolluis, een door een wit, wolachtig voorkomen zich onderscheidende bladluis, die zich veel in de bladoksels ophoudt. Fig. 56 toont het blad eener Sagittaria (Pijlkruid), sterk met bladluizen bezet, en Fig. 57 een gedeelte van een Cactus (Echinopsis), waarop talrijke wolluizen voorkomen.
Tegen al deze vijanden worden wel maatregelen genomen, doch het wijste is zeker, hun optreden te voorkomen. Het beste doet men dit door den planten een goede standplaats te geven. Den harden, kouden planten geeft men de noodige frissche lucht, en men zorgt er des winters vooral voor, dat zij niet in een vertrek staan, dat hooger verwarmd wordt dan noodzakelijk is. De teerdere warme planten, die het meeste te lijden hebben van de aanvallen van insecten, moet men beschermen tegen te groote schommelingen in de temperatuur, tegen tocht en vooral tegen te droge lucht. Dit alleen is echter niet voldoende, maar men zorge er ook voor, dat deze planten op warme, lichte dagen minstens een paar keer met de handspuit of den rafraîchisseur bespoten worden, zoowel aan de boven- als aan de onderzijde der bladeren, terwijl zij ook minstens één keer per week met lauw warm water moeten worden afgewasschen. Het beste doet men, in dit water zooveel groene zeep op te lossen, dat het melkwit gekleurd wordt. Het gebruik van zulk zeepsop is reeds aan te bevelen, om de jonge, bijna onzichtbare insecten te dooden. Een paar uur na het gebruik moeten de planten, die er mede gewasschen zijn, echter met zuiver water afgespoten worden.
Wanneer men bemerkt, dat de insecten de overhand beginnen te krijgen, dan moeten krachtiger maatregelen genomen worden. Vele middelen vindt men hiervoor aanbevolen; de meeste gaan echter aan één groot gebrek mank, namelijk: dat zij niet alleen de insecten vernielen, doch ook zeer veel schade aan de planten berokkenen, waardoor al te vaak het geneesmiddel erger is dan de kwaal. Het meest aanbevelenswaardig is wel een aftreksel van tabaksbladeren, dat men zelf gemakkelijk kan maken en dat ook in den handel verkrijgbaar is. Men maakt zulk een tabaksextract van de zwaarste Kentucky- of Virginia-tabak; zulk extract heeft een nicotine-gehalte van 7-8% en is vrij van minerale vergiften. Om bijna alle planten-parasieten te dooden is het voldoende de planten een of twee keer goed te bespuiten met dit extract, vermengd met 60 tot 100 keer de hoeveelheid water. Heeft men zeer teere planten, dan moet men het nog meer verdunnen; wil men het op planten met dikke, lederachtige bladeren toepassen, dan kan het iets minder verdund worden. Moet men grootbladige planten er mede behandelen, dan is het beter ze er niet mede te bespuiten, maar de bladeren met een zachte spons er mede af te wasschen. Heeft men kleinbladige planten met niet al te groote kronen, dan is het eenvoudigste, deze met de kronen in een emmer met zulk een oplossing te dompelen.
Heeft men een kleine, goed sluitende, leegstaande ruimte tot zijn beschikking, bijv. een klein kamertje, dan kan men door middel van tabak het ongedierte nog op een andere wijze verdelgen.
Men zet de planten des avonds in het kamertje; hierin brengt men een komfoor met gloeiende kolen, waarop men, al naar de grootte der kamer, een handvol of meer van de ordinairste tabaksbladeren legt, die eerst een weinig vochtig gemaakt zijn.
De vochtige tabaksbladeren zullen nu gaan smeulen en een dichten tabaksrook ontwikkelen, die al de insecten op de planten doodt. Dezelfde uitwerking verkrijgt men door een aftreksel van tabaksbladeren op een schaal te gieten en het in de kamer boven een spiritusvlam te laten verdampen. Wij moeten echter opmerken, dat verscheidene zachtere planten, vooral Palmen en Gesneriaceeën, zeer sterk lijden van den tabaksrook, zoodat dit middel in geen geval op deze planten mag worden toegepast. Hebben de planten een nacht in het volgerookte vertrek gestaan, dan moet men ze den volgenden morgen dadelijk weder in de versche lucht brengen en ze direct hierna goed afspuiten. Was de berooking niet zwaar genoeg, dan liggen de luizen bedwelmd en met opgezwollen lichamen op de aarde en den vloer; men moet ze in dit geval verzamelen en verbranden. Tallooze proeven hebben wij genomen met verschillende soorten insectenpoeders, die voor het verdrijven van ongedierte op planten worden aanbevolen. Deze proeven leverden steeds de ongunstigste resultaten. De in Fig. 54 en Fig. 56 afgebeelde bladeren zijn afkomstig van planten, die gedurende één zomer zeker wel twintig keer met echt Zächerlin zijn bepoederd. Grootere insecten zooals, pissebedden en kakkerlakken, worden door dergelijke insectenpoeders vernield, de kleinere ongedierten, die op planten leven, echter niet.
Het beste middel om dergelijke insecten te verdelgen is tabak in iederen vorm. Tabakspoeder is ook met goed succes aan te wenden; men strooit het op de achterzijde der van te voren vochtig gemaakte bladeren. Kan men de bladluizen niet met de vingers verwijderen, dan is tabak verreweg het beste middel. Grootbladige planten, die door Roode-spin of Thrips geteisterd worden, wascht men het beste met niet te sterk zeepsop af. Wil men zekerheid hebben ze te vernietigen, dan worden de bladeren met zeepsop ingesmeerd en den volgenden dag met zuiver water afgewasschen. Heeft men kleinbladige planten, zooals Azalea's en Myrten, die aan deze kwaal lijden, dan bestaat er ook een afdoend middel. Men maakt een zeepsop van water, dat tot 100° Fahr. verwarmd is. In dit mengsel worden de kronen der planten enkele seconden goed ondergedompeld; de kroon wordt hierna naar beneden gehouden en goed afgeschud, opdat het zeepsop niet op de aarde zal loopen. Zoo laat men de planten een dag staan en spuit ze den volgenden dag met zuiver water goed af. Zoo noodig moet deze behandeling twee- of driemaal met tusschenruimten van 8 dagen herhaald worden. Schild- en wolluizen worden eerst voorzichtig met een kwastje verwijderd, waarop men de planten op de aangegeven wijze met tabak of zeepsop behandelt.
Naast de opgegeven plantenvijanden zijn er nog vele andere, die schade kunnen berokkenen, zoo bijv. de Smeerluis, die slechts zelden en dan op weeke bladeren optreedt. Heeft men last van deze diertjes, dan wordt het blad, waar zij op huizen, afgesneden en verbrand.
Verder heeft men nog larven, die in het inwendige van het blad leven.
Deze treft men veel aan bij Chrysanthemums, die in een te warme droge lucht gekweekt worden. Ook heeft men nog larven, die het merg van Rozescheuten uitvreten. Op deze komen wij later, bij het bespreken der Rozen, nog nader terug.
Verscheidene vijanden der planten leven ook in de aarde. Het menigvuldigst treedt de Regenworm op, hoewel deze niet als eigenlijke plantenvijand mag beschouwd worden. De regenworm toch voedt zich niet, zooals algemeen geloofd wordt, met levende plantenwortels, doch slechts met rottende stoffen. Gewoonlijk wijst het aanwezig zijn van regenwormen op een verzuurden grond en men doet het best de planten in dit geval te verpotten in versche aarde. Is de aarde echter nog goed, dan kan men toch den regenworm niet dulden, daar hij, door de gangen, die hij in de aarde boort, de wortels beschadigt en daardoor schade veroorzaakt. Ook wil het vaak voorkomen, dat het gietwater door deze gangen wegloopt, voordat het de aarde behoorlijk heeft kunnen bevochtigen. Men kan de regenwormen zeer gemakkelijk verdrijven, door de planten een- of tweemaal met goed warm water--echter geen heet water--te begieten.
Een nog onschuldiger middel is de planten een paar maal met een aftreksel van notebladeren of wilde kastanjes te begieten. Bij de aanwending van deze drie middelen kruipt de regenworm uit de aarde en kan gemakkelijk verwijderd worden.
Veel schadelijker, maar gelukkig niet zoo vaak in de potten voorkomend, is de zoogenaamde Draadworm, de larf van den hoornkever, waarvan verscheidene soorten bekend zijn. De draadworm leeft drie à vier jaren als larf; hij heeft oppervlakkig bezien het voorkomen van een meelworm en doet veel schade door het afvreten der wortels. Men vangt de draadwormen door des avonds saladestronken met de snijvlakte op den pot te leggen; hierdoor worden de wormen gelokt en des morgens kan men ze dan onder deze stronken vinden en verwijderen.
Zeer schadelijk zijn ook de Wortelluizen. Deze heb ik tot heden slechts aangetroffen bij grassoorten en ook bij de Adiantum. Zij zien er wit en wollig uit, verspreiden zich snel over het geheele wortelnet en richten daar veel schade aan. Zijn het minder kostbare planten, die er door aangetast zijn, dan doet men verreweg het beste, die eenvoudig op te ruimen. Heeft men er last van bij kostbaarder planten, dan kan men beproeven ze door het begieten met goed warm water te vernietigen.
Als groote vijanden van kamerplanten moeten wij ten slotte nog de Pissebedden en Melkslakken vermelden. Deze algemeen bekende diertjes doen het meeste schade aan de planten, welke des zomers buiten in de schaduw worden gekweekt. In de kamer zal men er weinig last van hebben, tenzij zij er door gekochte planten ingebracht worden. De pissebedden, die vooral in jonge en zachte bladeren gaten vreten, worden gemakkelijk gevangen met doorgesneden rauwe en uitgeholde bieten of aardappels. Deze stukken worden tusschen de planten gelegd, de diertjes kruipen daar bij voorkeur des nachts onder, zoodat zij den volgenden morgen gemakkelijk te vangen zijn. De melkslakken, die gedurende vochtige zomers bij voorkeur in tuinen met zwaren grond leven, richten door het stukvreten van alle teere bladeren zeer veel schade aan. Het beste doet men, ze des avonds met een lantaarn op te zoeken, wat men gemakkelijk doet door slabladeren neer te leggen op de plekken, waar zij optreden. Ziet men deze des avonds laat na, dan zal men er verscheidene van deze ongenoode gasten op vinden.
De kamerplanten hebben ook vijanden in het plantenrijk. Het optreden van deze woekerplanten zou men kryptogamische ziekte kunnen noemen. Een der lastigste is wel een draadalg, die hoofdzakelijk in stekpotten optreedt, alsook de Honigdauw. De Honigdauw is zèker een der lastigste vijanden van potplanten. Zij treedt, afgezien van den Wijnstok, hoofdzakelijk bij Rozen en Chrysanthemums op. Het ontstaan van den Honigdauw wordt zeer begunstigd en dikwijls zelfs veroorzaakt door tocht en sterke temperatuur-schommelingen. De Honigdauw is gemakkelijk waarneembaar door de witte stof, waarmede hij de bladeren en jonge scheuten bedekt; deze groeien dan krom en krijgen een leelijk voorkomen. Meer nog dan iedere dierlijke vijand kan de Honigdauw de aangetaste planten beschadigen. Er worden talrijke middelen tegen Honigdauw aanbevolen; het eenvoudigste en beste blijft toch zeker de bloem van zwavel. De aangetaste planten worden bij helder, zonnig weer goed bevochtigd en daarna flink bepoederd met bloem van zwavel. Het is niet de bloem van zwavel zelf, die den Honigdauw doodt, maar het is het zwavelzuur, dat daaruit door de inwerking van de zon en het water ontstaat.
Een zeer kwaadaardige ziekte, die bij verschillende planten voorkomt is de Roest. De Roestalg kenmerkt zich door een zeer gecompliceerde ontwikkeling; zij heeft in de verschillende stadiën daarvan een zoo verschillend voorkomen, dat men vroeger de Roest op rozen bij voorbeeld in haar ontwikkeling voor verschillende algen heeft aangezien. Dikwijls kan men op een blad de ontwikkeling zeer goed waarnemen. De Roest treedt bij verscheidene planten op, o.a. bij Rozen, Camellia's, Palmen, Anjelieren, enz. Het eenige middel tegen dezen vijand is: de aangetaste bladeren zoo spoedig mogelijk af te snijden en te verbranden; de geheele plant moet dan verder met bloem van zwavel behandeld worden, op dezelfde wijze als wij tegen den Honigdauw opgaven.
De Honigdauw en de Roest kunnen als de voornaamste vijanden der Rozen beschouwd worden. Deze lievelingsbloemen worden echter ook door tal van dierlijke vijanden bezocht. Onder deze vijanden, die ook wel in de kamer optreden, behooren ook de Rupsen. De vlinder dezer rups legt haar eieren tegen de rozetakjes en wel bij voorkeur tegen de droge of gestorven twijgjes; reden waarom men deze in den herfst moet afsnijden en verbranden. Uit deze eieren komen reeds vroegtijdig rupsjes, die groen of grijs gekleurd zijn. Deze rupsjes omspinnen de bladeren, zoodat deze zich oprollen; zij vreten dan de opgerolde bladeren en de jonge twijgjes op. Ook de bloemknop valt dikwijls als offer dezer rups. Waar deze rups verschijnt, moeten de planten dagelijks nagezien, de omgekrulde bladeren afgeplukt en verbrand en de overige rupsen verwijderd worden. Zeer schadelijk is ook de Ringrups, de rups van de Ringspin, die haar eieren ringvormig om de scheuten legt (Fig. 58). Deze rups is ook zeer schadelijk voor vruchtboomen. In Mei ontwikkelen zich uit de eieren kleine rupsen, die zich direct in de bladeren inspinnen. Deze rupsen zijn zóó vraatzuchtig, dat zij in enkele dagen een geheele bladkroon kunnen vernielen. Beter nog dan het zoeken naar de rupsen, is het op tijd verwijderen der eieren. Gevaarlijke vijanden der Rozen hebben wij ten slotte nog in de Rozebladwespen. Deze volvoeren haar werk geheel in het verborgene. Zij boren een gaatje in den onderkant der scheuten en leggen daar tusschen de veertig en vijftig eieren in. De aangestoken scheuten krommen zich om, in welk geval zij direct afgesneden en verbrand moeten worden. De larf van deze wesp tast het merg der rozetwijgen aan.
Zieke kamerplanten.
Welke bloemenliefhebber heeft niet eens met groote spijt een zijner planten ziek zien worden en ten laatste zien doodgaan? Evenals onder de menschen en dieren, heerschen er ook onder de planten verschillende ziekten, welke dikwijls in het begin slechts voor vakmannen waarneembaar zijn, door leeken meestal pas bemerkt worden, wanneer het voor genezing te laat is.
De zoogenaamde één- en tweejarige planten, die regelmatig na de vruchtdraging afsterven, buiten rekening gelaten, sterven wel de meeste planten door ziekten en invloeden van buiten, zooals vorst, droogte, storm, enz. Sterven, zooals bij menschen en dieren, door ouderdom, komt waarschijnlijk bij planten niet voor. Het kan bijvoorbeeld gebeuren, dat een bliksemstraal, die een tak uit een eeuwenouden boom slaat, te gelijk de indirecte oorzaak van zijn dood is. Het hout begint aan de wonde te rotten, de stam wordt aangestoken en na verloop van eenige tientallen van jaren geheel uitgehold en ten slotte is er slechts een krachtige windstoot noodig om den trotschen reus, die zoovele eeuwen over zijn kruin zag gaan, tegen den grond te werpen.
De planten, die in een kamer gekweekt worden, zijn voor dergelijke invloeden, waaraan de planten in de vrije natuur zijn blootgesteld, beschut; ook zijn zij verzekerd tegen de dikwijls noodlottige aanvallen van grootere dieren, maar toch worden zij door de meest verschillende ziekten overvallen. De kamerplanten kan men als gevangenen beschouwen; evenals de vogel in een kooi, zitten zij met haar wortels in den pot gevangen en deze belet maar al te dikwijls haar krachtigen groei. Evenals de wortel in den pot, is dus ook de plant in de kamer gevangen. Hoe dikwijls is het vertrek gevuld met droge, stoffige lucht; hoe vaak wordt het toetreden van behoorlijk licht niet verhinderd? Onze kamerplanten zijn echter niet alleen gevangenen, het zijn ook bannelingen uit de meest verschillende landen, en wij moeten ze niet alleen goed verzorgen, maar ook haar vaderlandsche toestanden trachten na te bootsen en haar zoo mogelijk datgene geven, wat zij in haar land van herkomst kunnen vinden.
Heel veel liefhebbers, die met een plant van de markt komen of er een in de kweekerij gekocht hebben, vermoeden weinig, dat die plant reeds de kiem des doods bevat. Het zou onjuist zijn, te beweren, dat vele kweekers opzettelijk zieke planten verkoopen, maar er zijn er toch wel, die in warme kassen opgekweekte planten zoo aan de markt brengen, of die vergeten, wanneer een liefhebber een plant wil koopen, die als kamerplant ongeschikt is, hem daarop opmerkzaam te maken.
Afgezien van die planten, welke des winters door kunstmatige warmte in bloei worden getrokken, maar die toch zoo hard zijn, dat zij onze winters zonder nadeeligen invloed buiten kunnen verdragen, hetzij gedekt of ongedekt, leveren ons de tropische streken de beste kamerplanten. Onder deze vindt men het meerendeel der bladplanten, zooals alle Palmen, die onze kamers versieren. Een handelskweeker moet deze planten in een warme kas, dikwijls ook in een verwarmden bodem kweeken, want het is er hem om te doen in den kortst mogelijken tijd fraaie exemplaren te verkrijgen. De zoo opgekweekte planten echter zijn verwend, en het is een liefhebber niet geraden ze zoo uit de warme kas in zijn woonvertrekken te plaatsen. Zeer raadzaam is het, zulke planten nog een dag of veertien bij den kweeker te laten, die ze dan langzaam aan een minder warme temperatuur kan doen gewennen. De planten worden zoodoende gehard en zullen veel gezonder in de kamer blijven.
Het meeste nadeel ondervinden de bladplanten van de droge lucht, die in de kamers heerscht; hoe meer er gestookt wordt en hoe hooger de temperatuur stijgt, des te meer lijden de planten. Onder de inwerking der droge lucht verdorren de spitsen der Palm- en andere bladeren. Men snijdt deze dorre punten dan af, doch daarmede is het kwaad niet gestuit, want de bladranden drogen weer in en ten slotte blijft er van het geheele fraaie Palmblad weinig meer over dan de steel, die natuurlijk ook afgesneden moet worden. Een gevolg van de droge lucht is bij tropische planten ook het optreden der, in het vorige hoofdstuk besproken, insecten. Deze vestigen zich meestal op de onderzijde van het blad. In den beginne zijn zij voor het ongewapende oog bijna onzichtbaar, maar hoe zieker de aangetaste plant wordt, des te meer nemen zij in aantal toe.
Evengoed als zich de dorre bladpunten laten afsnijden, kan men ook het ongedierte verwijderen; een geheele genezing der planten wordt daarmede echter niet bereikt; deze verkrijgt men slechts door de oorzaak der ziekte weg te nemen, en dus in dit geval door te trachten een eenigszins vochtige lucht in het vertrek, waar men zijn planten heeft, te verwekken. Zeer droog en derhalve ook zeer schadelijk voor de planten is de kamerlucht gedurende den winter, wanneer de kachels worden gestookt. Dit kwaad is tamelijk gemakkelijk te voorkomen, door een vlakke schaal, met water gevuld, op de kachel zetten; ook kan men een paar van zulke schalen tusschen de planten zetten. Het water zal langzaam verdampen en zoodoende de lucht vochtig maken. Een nog beter middel is, een zelfwerkend fonteintje in de kamer te plaatsen. Ik wil er hier tegelijkertijd de aandacht op vestigen, dat een eenigszins vochtige lucht niet alleen voor de planten, doch ook voor de menschen zeer nuttig en gezond is, daar zij veel zuiverder en stofvrijer blijft.
Men moet vooral ook niet verzuimen de bladeren der bladplanten minstens een keer per week met een zachte spons en lauw water af te wasschen, daar zich op de groote bladvlakten licht stof en ander vuil afzet. De bladeren vervullen met hunne talrijke, voor het ongewapende oog onzichtbare openingetjes, dezelfde functie als de longen bij de menschen; reden waarom men dus moet zorgen, dat deze openingetjes niet verstopt geraken, afgezien nog van het feit, dat een stoffige en vuile plant nooit een aangenamen indruk kan maken.
Zeer vele der teedere kamerplanten sterven, om het juist uit te drukken, aan gevatte koude. Men moet er vooral voor zorgen, dat de planten niet op de tocht staan, daar zij dit evenmin kunnen verdragen als de vogels. Zeer veel schade veroorzaken ook de schommelingen in de temperatuur; men moet er dus op letten, dat deze zoo gelijkmatig mogelijk is, wat niet wegneemt, dat de temperatuur des nachts altijd eenige graden lager moet wezen dan overdag, iets wat in de natuur ook altijd het geval is. Wanneer een kamer schoongemaakt moet worden, en daarom alle vensters worden geopend, zet men de planten tijdelijk in een ander verwarmd vertrek; men brengt ze vooral niet eerder op haar plaats, vóórdat het vertrek geheel gereed is en weder de gewone temperatuur heeft verkregen.