Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer
Chapter 7
Daar de meeste meststoffen eenigszins scherp werken en daar de meeste planten haar voedsel slechts in zeer zwakke oplossingen opnemen, moet men er zeer voorzichtig mede wezen. De vloeibare mest dringt zeer snel door de geheele kluit tot aan de fijnste haarworteltjes, en bij een te sterke dosis kan dit zeer gevaarlijk worden. Het beste is dus, slechts zeer zwakke oplossingen te gebruiken en dan enkele keeren meer toe te dienen. Midden in den zomer, wanneer de planten in vollen groei zijn, gebruiken zij de meeste voedingsstoffen; van het begin van den rusttijd echter tot den hernieuwden groei in het volgend voorjaar, hebben zij weinig of geen voedsel noodig en de bemesting moet dàn ook geheel achterwege blijven.
In den handel komen enkele soorten bloemenmest voor, meest in een nette verpakking, welke bij de meeste zaadhandelaars verkrijgbaar zijn. Deze meststoffen hebben somtijds een zeer goede werking en bevelen zich ook aan, wijl zij in het geheel niet rieken. Bij ondervinding weten wij, dat er door enkele vertrouwde handelaren in hulpmeststoffen tegenwoordig zeer goede mengsels in den handel worden gebracht. Van deze meststoffen geeft men, met tusschenpoozen van enkele weken, al naar de grootte der planten, een grootere of kleinere hoeveelheid droog op iederen pot. Op dezelfde wijze kan ook Guano of hoornmeel toegediend worden. Men verwijdert daartoe om den potrand een weinig aarde, strooit in het gemaakte gleufje den mest en bedekt dat weder met aarde, waarna de plant flink gegoten wordt.
Maar al te dikwijls wordt door onze dames koffiedik als meststof gebruikt, terwijl talrijke heeren een zwak hebben, daarvoor sigarenasch te doen dienen. Beide stoffen zijn wel onschadelijk, maar hebben niet den minsten invloed op de ontwikkeling der planten. Men doet dus beter, beide stoffen maar niet op de potten te brengen, daar zij deze slechts verontreinigen.
Vatten wij de hoofdregelen voor de bemesting nog eens in het kort samen, dan zien wij, dat men steeds zwak, maar liever enkele keeren meer moet bemesten. Men diene nooit mest toe aan zieke of pas verplante gewassen, maar doe dit slechts, wanneer zij goed gezond en doorgeworteld zijn. De toediening moge nooit geschieden, wanneer de plant droog is of in de zon staat, maar men doe dit uitsluitend des avonds of op donkere dagen. Zeer langzaam groeiende of teere planten bemeste men bij voorkeur nooit, of, zoo dit al noodig is, dan in geen geval met sterke, veel stikstof bevattende meststoffen.
Het snoeien der potplanten.
Maar al te vaak vindt men in de kamers en voor de vensters planten, hetzij groenblijvende of bloemplanten, die een zeer treurigen indruk maken. Dit is niet altijd het gevolg van een slechte behandeling, maar van het feit, dat de onkundige bezitter ze niet behoorlijk snoeide. Terwijl tuinman zoowel als liefhebber, door onverstandig snoeien van vruchtboomen en bloemheesters, dikwijls meer bederven dan zij goedmaken, wordt bij kamerplanten de meeste schade aangericht, doordat in het geheel niet gesnoeid wordt. Men vergete niet, dat de potplanten eenigszins als gevangenen kunnen beschouwd worden. De wortels zijn tot den pot beperkt, en kunnen hun natuurlijke ontwikkeling niet verkrijgen, en daar vele planten uit een gunstiger klimaat stammen, kunnen zij natuurlijk niet zulke forsche scheuten ontwikkelen, als zij dit in de vrije natuur van haar moederland doen. De betrekkelijk zwakke scheuten der potplanten groeien, wanneer zij niet gesnoeid worden, gewoonlijk slechts aan de toppen der twijgjes uit; van onder blijven zij dus kaal. Door het gewicht der, in het tweede jaar, ontstane twijgen worden de eersten nu zoo bezwaard, dat zij gaan overbuigen en in de plaats van fraai rechtgroeiende planten, verkrijgt men dan kromme, vergroeide exemplaren. De potplanten moeten dus gesnoeid worden, en wanneer men ze in een bepaalden vorm wil kweeken, moet dit zelfs zeer goed geschieden. De struikvorm is de meest natuurlijke vorm voor het met bloemplanten beoogde doel. De kroon-, pyramide, zuil- of kogelvorm, waarin men zeer veel planten ziet, kunnen slechts door snoeiing verkregen worden. Wij willen het aankweeken van dergelijke kunstmatige vormen niet in de hand werken, want zonder twijfel zijn de stijve pyramide- en kogelvormen even onnatuurlijk als leelijk. Over het juiste snoeien der kamerplanten moeten wij echter nog het een en ander zeggen. Men moet met snoeien reeds beginnen bij de jonge, pas opgepotte stekken. Reeds dadelijk moeten wij met zulke jonge plantjes weten of wij ze in struik- of stamvorm willen voortkweeken. In het eerste geval moet men dadelijk beginnen met de koppen uit de stekken te snijden. Een jonge stek, die in een warmen bak aan alle kanten uitgroeit en dus uit ieder bladoksel een twijg ontwikkelt, doet dit, in de kamer gekweekt, meestal niet; hier groeit zij slechts recht naar boven. Het uitsnijden van den kop is dus noodig, om zoodoende de nog slapende oogen tot uitgroeien te nopen. Wil men daarentegen van een stek een stamboompje kweeken, dan mag de kop er in het geheel niet uitgesneden worden. Voor dit doel moet men steeds goed groeiende stekken gebruiken. Bij deze worden dan stokjes gezet en de stekken, naarmate zij groeien, daaraan gebonden, terwijl men alle zijscheuten, die zich ontwikkelen, zoo spoedig mogelijk, vóórdat zij kunnen doorgroeien, wegneemt. Heeft de plant eindelijk de verlangde hoogte bereikt, dan wordt de kop eruit gesneden. Spoedig zullen zich nu zijtakjes ontwikkelen, van welke men er drie tot vijf laat staan, die ook weder, zoodra zij eenige bladeren verkregen hebben, worden ingesneden. Het insnijden der zich achtereenvolgens ontwikkelende scheuten wordt zoo lang voortgezet, totdat de kroon een voldoenden vorm verkregen heeft. Ook de jonge struikplanten moeten, zoolang zij nog in haar groeiperiode zijn, ingesneden worden, en wel zoo vaak, totdat zij een mooien, goed gevulden, doch niet stijven vorm aangenomen hebben. Zeer dikwijls moet dit insnijden geschieden met opoffering van den bloei. Hierdoor late men zich echter niet van streek brengen, daar men veel beter doet de jonge planten nog niet te laten bloeien, wijl dit haar veel te veel verzwakt.
Het spreekt van zelf, dat niet alle planten op dezelfde wijze en even dikwijls gesnoeid moeten worden. Er zijn zeer veel planten, die, wanneer men, toen zij jong waren, voor een goede vertakking heeft gezorgd, van zelf een gedrongen vorm behouden, zonder dat het later noodig is, ze meer in te snijden. Andere planten echter, waaronder de meeste groenblijvende, die men slechts als decoratieplanten kweekt, zooals: Evonymus, Eugenia, Viburnum Tinus, Laurus nobillis en Myrtus, nemen het lang niet kwalijk, wanneer men in den loop van den zomer haar jonge scheuten een paar keeren insnijdt. Dit insnijden behoeft men niet met een mesje te doen, men knijpt het kopje eenvoudig met de nagels van duim en wijsvinger der rechterhand af. In alle gevallen heeft dit dikwerf insnijden een gevulden groei ten gevolge.
Andere soorten van bloemplanten, die haar blad des winters verliezen, zooals: Fuchsia's, Hortensia's, Rozen, Heliotropen, Pelargoniums en meer dergelijke, worden in den regel slechts één keer 's jaars gesnoeid, en wel in het voorjaar bij het begin van den nieuwen groei, of wel kort vóór of na het verpotten (Fig. 48 en 49). Bij de meeste dezer planten gaat men volgenderwijze te werk. Eerst verwijdert men de doode en zeer zwakke twijgjes, door ze bij de hoofdtakken af te snijden. Hierna worden die twijgjes geheel verwijderd, welke merkbaar te veel zijn en waardoor de plant te dicht zou worden. De overblijvende takken worden nu gemiddeld met een derde hunner lengte ingekort, waarbij men er op moet letten, dat het uiterste, dus het dichtst bij de snede staande oog, zoo mogelijk naar buiten of tenminste zijwaarts gericht is; nooit mag dit oog echter naar binnen staan. Uit het uiterste oog ontwikkelt zich toch de krachtigste twijg en men moet voorkomen, dat deze naar binnen groeit, daar de kroon anders niet voldoende in omvang toeneemt. Het spreekt wel vanzelf, dat niet alle planten op dezelfde wijze behandeld kunnen en mogen worden. Met het snoeien moet er dan ook vooral op gelet worden, of de planten bloeien op de jonge scheuten dan wel op die, welke in den vorigen zomer ontwikkeld zijn. Een voorbeeld van dit laatste levert ons de Hortensia, welke bloeit uit de scheuten, die zich uit de eindknoppen der voorjarige krachtige twijgen ontwikkelen. Snijdt men nu deze twijgen in het voorjaar terug, dan ligt vóór de hand, dat zij des zomers niet zal bloeien. De Hortensia is dus een voorbeeld van die planten, waarvan de krachtige scheuten in het voorjaar in het geheel niet gesnoeid mogen worden; men bepaalt zich tot het verwijderen der doode en te dichtstaande twijgen. Worden zulke heesters te wild, dan moeten zij, zoodra ze uitgebloeid zijn, teruggesneden worden. Ook de Sering levert hiervan een duidelijk voorbeeld. De Roos behoort ook tot de planten, die niet juist als een Fuchsia gesnoeid mogen worden. Onder de Rozen bevinden zich eenige soorten, zooals de bekende Maréchal Niel, waarvan de krachtige scheuten in het geheel niet gesnoeid mogen worden; men verwijdert slechts het doode en te zwakke hout. Gewoonlijk snoeit men naar den groei der bepaalde soorten. Thee- en andere zwak groeiende rozensoorten, moeten diep ingesneden worden d.w.z. zoodanig, dat aan de sterkste scheuten slechts 3-5 oogen blijven. De sterk groeiende soorten worden tot op 6-8 oogen ingesneden. Snoeit men een Roos te kort, dan wordt te diep in het rijpe hout gesneden, en het gevolg is een arme bloei; snoeit men ze echter te lang, dan komen de onderste oogen der te lang gesnoeide twijgen niet tot ontwikkeling en de struiken of kroonboompjes blijven dan van onderen geheel kaal, wat niet erg mooi is. In de meeste gevallen zal een opmerkzaam, plantenliefhebber zeer spoedig zien, hoe hij zijn planten moet snoeien. Aan de ontwikkeling laat zich spoedig waarnemen of men een plant te lang of wel te kort gesnoeid heeft en men zal dan zeker niet nalaten, in het volgende jaar, rekening te houden met de opgedane ondervinding.
Men gebruikt voor het snoeien, wanneer men kleine, dunne of zachte takjes moet afsnijden, een scherp mesje; moet echter een plant met dikkere houtachtige stengels gesnoeid worden, dan is het beter van een zoogenaamde Rozenschaar, van klein model, gebruik te maken (Fig. 50). Om er voor te zorgen, dat de schaar niet knijpt, lette men er op, dat de scherpe schaar steeds naar boven gericht is. De snede moet zoo dicht mogelijk bij een oog plaats vinden, daar er anders een eind dood hout ontstaat, dat de plant zeer ontsiert. Dikwijls zal ook zulk een dood eind inkankeren en het ziek worden der plant ten gevolge hebben.
Het opbinden der potplanten.
Onder de planten, die in een kamer gekweekt worden, bevinden zich verscheidene, die een stevigen steun behoeven, welken men haar in den vorm van een plantenstokje geeft. Zonder zulk een steunsel laten zich b.v. de Palmen kweeken, daar deze in de kamer wel nooit een stam zullen vormen; ook de planten met een stevigen houtachtigen stengel, de lage kruidachtige planten en de meeste Cactussen en vele vetplanten zullen wel geen steun behoeven. Bij zeer veel planten moet men met het aanbinden al zeer spoedig beginnen, bij andere kan men zoolang wachten, totdat de kroon een bepaalden omvang verkregen heeft. Voor het opbinden gebruikt men gewoonlijk uit vurenhout vervaardigde stokjes. Deze stokjes worden tegenwoordig fabriekmatig gemaakt, en zijn in iedere kweekerij voor matigen prijs in alle verlangde afmetingen te verkregen. Daar het niet mooi staat, wanneer het stokje te veel in 't oog loopt, is het geraden, dit voor het gebruik groen te laten verven. Het gebruik van mooie, gedraaide stokjes met bont gekleurde knoppen is niet aan te bevelen, omdat deze stokken meestal veel te dik zijn. Het opbinden moet zóó geschieden, dat de plant zoo min mogelijk haar natuurlijk voorkomen verliest, zoodat dan ook de takken niet dicht in elkander gebonden mogen worden. Het opbinden aan waaier-, ballon- of pyramidevormige ijzerdraadfiguren moet daarom zooveel mogelijk vermeden worden, slechts met klimplanten kan men hierop een uitzondering maken. Een plant, in een kunstmatigen vorm gebonden, ziet er altijd onnatuurlijk en bijgevolg ook leelijk uit. Het stokje wordt op de meest geschikte plaats, bij voorkeur aan die zijde der plant, welke het minst ontwikkeld is, kaarsrecht in de aarde gestoken. Men moet er ook op letten, dat het zoo dicht mogelijk bij den hoofdstam staat. Men bindt nu dezen van onderen stevig aan het stokje vast, en doet dit nog enkele keeren op gelijke afstanden. Eerst wanneer de hoofdstam goed aangebonden is, kan men de kleinere takjes gaan binden. Het komt vaak voor, dat één enkel stokje voor een plant voldoende is, doch ook wel, dat men er meerderen gebruiken moet. Hortensia's bijvoorbeeld, die dikwijls zes tot tien krachtige scheuten ontwikkelen, die elk een groot bloemscherm te dragen krijgen, moeten aan meerdere stokjes gebonden worden, wil de plant er natuurlijk en los uitzien. Toch is het raadzaam, zoo min mogelijk stokjes te gebruiken. Een liefhebber, die goed toeziet, zal echter spoedig genoeg begrijpen op welke wijze zijn planten opgebonden moeten worden. Kan men het zonder stokje doen, dan is dit steeds het raadzaamste. De meeste moeite veroorzaken zeker wel de klimplanten, die ter versiering van balkons en waranda's worden aangewend. Wanneer de gelegenheden, waar zij tegen op moeten klimmen, niet eenigszins met de natuur der planten overeenstemmen--en dit is meestal het geval--, dan moet iedere tak op zichzelf aangebonden worden. Laat men de takken of scheuten van klimplanten, die zonder hulp geen steun vinden, neerhangen, dan ontstaat er vaak stremming in den sappenloop en een langzame groei is daar het gevolg van. Fraai bloeiende klimplanten bloeien evenwel, wanneer men ze aanbindt, zeer ondankbaar, terwijl de afhangende takken juist door de sapstremming rijk gaan bloeien.
Het opbinden geschiedt door het aanleggen van een gewonen band of wel, men kruist het band eerst, zooals Fig. 51 aantoont. De liefhebbers gebruiken voor het opbinden niet zelden draden, bandjes of touwtjes. Al dit bindmateriaal is niet aanbevelenswaardig, eerstens wijl het leelijk staat, ten tweede omdat het vaak, door de scherpte, de weeke twijgjes beschadigt en ten derde omdat het meestal spoedig verteert. Het beste materiaal, om planten op te binden, is zeker wel het zoogenaamde bind- of moscovischbast, dat in den vorm van matten wordt verkocht. Dit bast is zacht en zeer duurzaam. Jammer daarom, dat het niet overal even gemakkelijk te verkrijgen is. Door verscheidene kweekers en zaadhandelaars wordt in groote vlechten het zoogenaamde Raffiabast verkocht. Dit heeft vele goede eigenschappen; het is zacht, bindt gemakkelijk, is sterk en ziet er netjes uit, doch het is niet duurzaam, vooral niet, wanneer het buiten of op vochtige plaatsen gebruikt moet worden. De duurzaamheid van bindbast wordt aanmerkelijk verhoogd en de band minder zichtbaar, wanneer men dezen, vóór het gebruik, een weinig draait, zoodat hij het voorkomen van een touwtje krijgt. Naar de zwaarte der plant moet men ook de zwaarte van den band nemen. Bindbast laat zich zeer gemakkelijk in de lengte splijten, en voor kleine planten heeft men slechts een dun bandje noodig. Het opbinden der planten moet eenige malen 's jaars geschieden. In de eerste plaats moet men het doen direct na de verplanting. Dit moet gebeuren, omdat het stokje, in de meeste gevallen, bij de verplanting losraakt en dan natuurlijk geen voldoenden steun meer voor de plant biedt. Daar de in den handel zijnde stokjes steeds uit z.g.n. vurenhout zijn vervaardigd, rotten zij spoedig aan de punt weg; alvorens dus oude stokjes te gebruiken, moet men zich overtuigen of zij nog wel voldoende gaaf zijn. Langer dan negen maanden of een jaar houdt een stokje het meestal niet uit, en natuurlijk moet dan de plant opnieuw aangebonden worden. Aangezien ook het bast niet zeer lang duurt, kan men als regel aannemen twee of drie keer per jaar de planten te moeten opbinden.
Er zijn nog talrijke zaken, waar men bij het opbinden op te letten heeft. Bij het opbinden van een kroonboompje mag de stok niet in de kroon steken, zoodat hij in geen geval langer dan de stam mag wezen. Als regel moet ook aangenomen worden, dat het stokje nooit boven de plant mag uitsteken. Er zijn enkele planten met zeer zware kronen, waarvan de takken zouden afbreken, wanneer zij niet gesteund werden; onder deze planten behoort o.a. de reeds vermelde Epiphyllum, een Cactussoort, die vaak op stam gekweekt wordt. In zulke gevallen gebruikt men een ring van ijzerdraad, die onder de takken aangebracht wordt en die door een drie- of een vijftal stokjes in positie wordt gehouden. Bij het opbinden moet men ook acht geven, dat de band niet te sterk om de plant wordt aangehaald. Door het groeien toch neemt de stengel in dikte toe, heeft men den band te sterk aangehaald, dan kan dit uitzetten daar plaatselijk niet gebeuren, waardoor de band in den stengel groeit. Dit is zeer nadeelig, daar de sapbeweging er door gestremd wordt: ook ontstaat er een inkerving, die nooit meer verdwijnt. Lage, kruidachtige planten staan vaak zeer los, doordat de wortelhals te zwak is, bij Chineesche Primula's komt dit o.a. veel voor. Zulke planten worden niet opgebonden, doch er worden twee of drie zeer kleine stokjes als steun langs den wortelhals geplaatst.
Zindelijkheid bij het kweeken van planten.
Menige veeboer verklaart, dat zindelijkheid het halve voedsel voor zijn vee is, en met evenveel recht kan een plantenkweeker beweren, dat zindelijkheid de halve cultuur uitmaakt. Vuile potplanten zien er niet alleen onsmakelijk uit, doch zij kunnen ook onmogelijk goed groeien. De zindelijkheid bij het kweeken van planten moet reeds met den pot aanvangen. Wij hebben reeds gezien, dat vuile potten bij het verplanten niet gebruikt mogen worden. De geheel nieuwe en schoone pot verliest echter ook spoedig zijn zindelijk voorkomen; na eenige weken of maanden wordt hij vuil, want door het vocht ontwikkelen er zich spoedig mossen en andere lagere planten op. Een zoodanig begroeide pot verliest zijn poreusiteit; het doordringen der lucht tot de aarde heeft niet meer in voldoende mate plaats en deze wordt zuur. Om dit te voorkomen is het noodig, dat men de potten minstens twee keer per jaar, in het voorjaar en in het najaar, met een stijven boenborstel afschropt. De oppervlakte van de aarde wordt ook meestal onzindelijk. Door de vochtigheid ontwikkelt zich daar ook mos op; bevat het gietwater kalk, dan wordt de oppervlakte langzamerhand wit. Ook dit moet minstens twee keer per jaar verwijderd worden. Men bedient zich hiertoe van een etiquetje, dat men dun afsnijdt en waarmede het bovenlaagje der aarde zoo zuinig mogelijk afgeschrapt wordt.
Naast het mos ontwikkelen zich in de aarde dikwijls verschillende onkruiden, waarvan de zaden in het grondmengsel aanwezig waren. Deze onkruiden groeien sneller dan de gekweekte planten en zuigen den bodem uit; reden waarom zij, zoodra men ze kan vatten, uitgetrokken moeten worden.
De planten zelf en in hoofdzaak de bladeren en takken, tracht men, door ze des zomers te bespuiten, schoon te houden. Het spuiten is echter niet voldoende, daar het gebruikte water, al ziet het ook nog zoo helder, nooit geheel zuiver is, waardoor het altijd, al is het ook nog zoo weinig, vuil achterlaat. Slechts voor planten met kleine blaadjes of wel voor kruidachtige planten, wier bladeren slechts van korten duur zijn, is het spuiten voldoende. Fraaie bladplanten, zooals Palmen, Ficus, Philodendron Aspidistra en anderen, die bij een goede behandeling jaren haar bladeren behouden, moeten anders gereinigd worden. De bladeren zijn, zooals bekend is, de longen der planten, en zij kunnen dus onmogelijk gezond groeien, wanneer zij geen schoone bladeren bezitten.
Een blad heeft voor de plant zeer veel functies waar te nemen, en wordt het niet goed schoongehouden, dan kan het die onmogelijk vervullen. Een blad waarvan de poriën verstopt zijn, kan zijn natuurlijke werking niet verrichten. Bij de cultuur van alle bladplanten in de kamer is het dan ook van het grootste belang, dat de bladeren minstens één keer per week aan de boven- en onderzijde goed afgewasschen worden. Men bedient zich hiertoe van zuiver, slechts even warm water, en een zachte spons (Fig. 52).
Dit afwasschen moet bedaard en voorzichtig geschieden, omdat vele bladeren zeer teêr zijn en door deze behandeling spoedig gewond zouden worden. Hebben wij met planten te doen, waarvan de bladeren door nalatigheid met een dikke, hard geworden laag vuil geheel of gedeeltelijk bedekt zijn, dan is het gebruik van zuiver water niet meer voldoende. In zulke gevallen moet men iets warmer water nemen, waarin een weinig groene zeep is opgelost. Dit zeepsop heeft ook het voordeel, dat talrijke jonge insecten, die men niet ziet, er door gedood worden. Lastig om te wasschen zijn de gegolfde bladeren van Waaier- en Vederpalmen. Tegen de nerven dezer bladeren hoopt zich toch al te dikwerf vuil op, dat niet gemakkelijk te verwijderen is. Het beste gelukt dit met een zacht kwastje, dat men telkens in het water uitspoelt (Fig. 53). Zijn de planten door de onder te vermelden ongedierten bezocht, dan is een zorgvuldige behandeling met de op te geven middelen noodwendig.
Op de schors van oudere houtachtige planten, die reeds verscheidene jaren in de kamer gekweekt worden, vormen zich dikwijls langzaam en onbemerkt een dikke laag vuil. De op deze wijze vuil geworden takken reinigt men het best met een hard kwastje.
Ook Cactussen, die men door hare stekels niet met een spons kan schoonmaken, worden het best met een zachten kwast gereinigd.
Wil men de planten goed zuiver houden, dan moeten ook de gele, verdorde of zieke bladeren verwijderd worden, alsmede de doode twijgen en takjes. Dergelijke afgestorven of zieke plantendeelen, evenals de uitgebloeide bloemen, moet men op tijd verwijderen, waartoe men zich van een scherp mesje bedient. Veel te weinig wordt gelet op het tijdig wegsnijden der verwelkte bloemen of oude bloemstelen. Is men niet voornemens zaden der planten te verzamelen, dan moeten de uitgebloeide bloemen zoo spoedig mogelijk verwijderd worden, daar zij anders onnoodig voedingsstoffen aan de plant onttrekken.
De vijanden der kamerplanten.
De strijd om het bestaan, dien alle schepselen moeten strijden, blijft ook aan de in de kamer gekweekte planten niet gespaard. De vijanden, die het plantenleven in de vrije natuur in gevaar brengen, en die, wanneer zij nu en dan zeer talrijk optreden, geheele plantengeslachten kunnen ten gronde richten, treden echter lang niet allen bij de gekweekte planten op. De vijanden der planten, die zich onder de zoogdieren en vogels bevinden, kunnen natuurlijk tot de in de kamer gekweekte planten niet doordringen, en van niet weinig schadelijke insecten, die buiten in den grond leven en de wortels aanvreten en vernielen, bleven zij hier verschoond. Toch blijven er nog vijanden genoeg over, die onze kamerplanten beschadigen en den liefhebber vrij wat moeite kunnen veroorzaken. Het zijn hoofdzakelijk insecten, die zich op onze kamerplanten nestelen, en het is merkwaardig, dat, hoe zieker de planten zijn, hoe ondoelmatiger de behandeling is, die wij haar geven, hoe droger en stoffiger de atmosfeer is, waarin wij ze kweeken, deze plagen zich des te sterker vermenigvuldigen. Bij de kamerplanten zijn juist de kleinste insecten de gevaarlijkste vijanden. Zij treden vaak in zoo grooten getale op, en gelijken in kleur dikwijls zoo sterk op de bezochte planten, dat de liefhebber, die niet scherp toeziet, ze eerst dán bemerkt, wanneer een niet onaanzienlijke schade is toegebracht.