Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer

Chapter 6

Chapter 63,862 wordsPublic domain

Er doen zich wel eens gevallen voor, waarin niet goed van wortels voorziene planten toch verplant moeten worden. Dit kan gebeuren, wanneer uit den slechten reuk der aarde blijkt, dat deze zuur is, of wel, wanneer men uit het slecht groeien der planten opmaakt dat de wortels ziek zijn. Wortelziekte is in de meeste gevallen het gevolg van ondoordacht gieten, van het gebruik van te koud of slecht water, of van het gebruik, voor zwak bewortelde planten, van een te grooten pot. Wortelzieke planten worden uit den pot genomen en al de aarde tusschen de wortels uitgeschud. De wortels worden hierna goed afgewasschen en alle zieke deelen met een scherp mes afgesneden. Verkrijgt men zoodoende groote snijvlakken, dan worden deze met houtskoolpoeder bestrooid. Om planten, die erg wortelziek zijn, nog te redden, doet men het beste, ze in een zoo klein mogelijke pot te zetten, een pot, die dikwijls veel kleiner moet zijn dan die, waar zij uitkwam. Een vereischte bij het oppotten van zulk een plant is dan, dat men voor een zeer goede drainage zorgt, zoo mogelijk lichten grond gebruikt, en dezen rijkelijk met zand en in enkele gevallen met fijne houtskool vermengt.

De behandeling van pas opgepotte of verpotte planten.

Na het oppotten of verpotten worden de planten dadelijk aangegoten; vooral bij teedere en grootbladerige planten, die neiging hebben om spoedig slap te hangen, moet dit zoo gauw mogelijk geschieden. Palmen en eenige andere plantensoorten, waaronder ook Vetplanten, kunnen, wanneer men bij het verpotten donker weer heeft, daarentegen enkele dagen onaangegoten blijven staan. Of men echter dadelijk aangiet, dan wel, daarmede nog wat wacht, wanneer men het doet, moet men het goed doen. Bij het verplanten, heeft men er natuurlijk voor gezorgd een behoorlijken gietrand te houden, d.w.z. dat men niet den geheelen pot met aarde heeft gevuld, maar er voor zorgde, dat het bovenvlak der aarde een weinig onder den rand van den pot bleef. Deze ruimte, die noodzakelijk is om te beletten, dat bij het gieten het water dadelijk van den pot afloopt, noemt men den gietrand. Bij het gewone gieten, is het voldoende, dezen gietrand eens met water te vullen, bij het aangieten gaat men echter anders te werk. Men neemt een fijnen broes-gieter en besproeit daarmede de aarde, er voor zorgende, dat er geen water op blijft staan. Deze bewerking herhaalt men, al naar de grootte van den pot, drie-, vier- of vijfmaal, ten einde te zorgen, dat de geheele kluit behoorlijk vochtig wordt. Door op deze wijze aan te gieten, blijft het oppervlak der aarde los en poreus, terwijl dit zich anders direct zou sluiten en er dan een harde korst ontstaat, die het zoo noodige doordringen der lucht in de aarde verhindert. In den beginne zijn de pas opgepotte of verpotte planten zeer gevoelig voor te veel water, daar zij veel minder snel opdrogen, dan goed doorwortelde planten. De versche grond blijft toch vochtig, zoolang daar geen jonge worteltjes in doorgedrongen zijn. Het beste is dan ook deze planten eerder iets te droog dan te vochtig te houden; men voorkomt daardoor, dat de versche aarde zuur wordt en prikkelt de plant tot vernieuwde wortelvorming. Zijn de jonge worteltjes eenmaal goed in den nieuwen grond doorgedrongen, dan is deze voorzichtigheidsmaatregel niet meer noodig. Om te voorkomen dat bij het gieten te veel water in den verschen, nog niet met wortels doordrongen, grond dringt, hoogt men bij het verplanten de aarde een weinig naar den rand van den pot op. Er ontstaat hierdoor rondom den stengel een soort kom, waar het water naar toe zakt, dat zoodoende in de oude kluit dringt. Vooral moet er op gelet worden, dat de kluit, bij het verplanten, behoorlijk vochtig is, daar deze anders moeilijk water opneemt, terwijl bij het aangieten het water door de versche aarde wegzakt, waardoor de kluit zou verdrogen en de wortels ziek zouden worden. Pas geplante gewassen moeten den eersten tijd steeds met een broesgietertje en nooit met een pijpgieter gegoten worden, door den laatste wordt de nog losse aarde van haar plaats gespoeld; er ontstaan dan kuiltjes in de oppervlakte der aarde, waardoor zeer licht wortels komen bloot te liggen. Zijn de planten na het verpotten goed doorgegroeid, zoodat men kan veronderstellen dat zij talrijke wortels langs den potwand hebben gemaakt, dan brengt men om den stam heen een weinig aarde, waardoor nu het bovenvlak eenigszins naar buiten toe afhelt. Dit is noodig, omdat nu de buitenkant van de kluit het meeste uitdroogt en het gietwater zoodoende daarheen geleid wordt. Zeer dikwijls lijden de planten door het verpotten; de wortels toch worden er door gestoord en nu en dan nogal beschadigd. De kweeker heeft hier tegen verschillende hulpmiddelen, hetzij dat hij de planten in de gesloten, warme, vochtige lucht van een kas brengt, hetzij dat hij ze een warmen voet geeft, door ze met de potten in een broeibak te graven. Dergelijke middelen staan den liefhebber echter niet ten dienste; deze moet dan ook zijn planten, gedurende dezen overgangstijd, meer of min als patiënten beschouwen. Warme planten vooral moeten op een zoo licht en warm mogelijke plaats gezet worden; tegen de zon moet zorgvuldig geschermd worden en vooral moet men de planten dikwijls spuiten. Het voorkomen van tocht en van sterke schommelingen in de temperatuur zal aan de planten, vooral in dit critieke tijdperk, zeer ten goede komen.

Het gieten.

Een van de moeilijkste werken, zoo niet het moeilijkste werk, is voor den liefhebber zeker wel het gieten der potgewassen. Hij, die hiermede goed overweg kan, mag zich gerust een eenigszins ervaren plantenkweeker noemen. In de meeste gevallen worden de kamerplanten ziek, door de lichtvaardigheid waarmede ze gegoten worden. In plaats dat de liefhebber dan pleizier heeft van zijn planten, ze ziet groeien, in omvang toenemen en ten slotte ziet bloeien, gebeurt juist het tegenovergestelde. Hij ziet het ééne blad na het andere verwelken en afvallen; hij ziet de twijgjes verdrogen en de wortels ziek worden, totdat ten laatste zijn kweekelingen sterven en de eigenlijke oorzaak daarvan kan hij maar niet bevroeden.

Den minsten last heeft men, wat gieten betreft, met die planten, welke het minst in de kamer gekweekt worden; namelijk met de water en moerasplanten. Bij de waterplanten vervallen alle moeilijkheden dienaangaande; daar men slechts behoeft te zorgen, dat zij voldoende diep in het water staan en dus nu en dan voor het verdampte water versch behoeft bij te vullen. Moerasplanten, die niet direct in water, doch in een moerassigen en dus zeer waterrijken bodem groeien, behoeft men slechts in schaaltjes of schoteltjes te zetten en er voor te zorgen, dat deze steeds voldoende met water gevuld blijven.

Voor alle overige planten is het gieten lang zoo eenvoudig niet.

Men moet hierbij rekening houden met het jaargetijde, zoowel als met den gezondheidstoestand en den groei der planten. Ook moet de grootte der potten of kuipjes in het oog gehouden worden en ook, of men met pas verpotte gewassen te doen heeft, of niet. In de eerste plaats moet men er op rekenen, dat bij alle planten op een periode van flinken groei een periode van rust volgt; tijdperken, welke niet sterk begrensd zijn, maar langzaam in elkander overgaan.

Talrijke planten zijn er, die gedurende haar groeitijd bijna niet genoeg water kunnen krijgen, terwijl diezelfde planten in den rusttijd zeer gevoelig voor te veel water zijn. In de groeiperiode komt het vaak voor, dat planten, die des morgens flink gegoten zijn, des avonds weder behoefte hebben aan water. Dit wil nu niet zeggen, dat de planten gedurende dezen korten tijd al dit water verbruikt hebben, doch men moet niet vergeten, dat vooral gedurende den zomer, de zon en de heerschende droge lucht de aarde der potten ook niet weinig doet uitdrogen. Voordat men een plant giet, moet men zich overtuigen of zij wel water noodig heeft. Er zijn verscheidene kenteekenen waaraan een leek de behoefte aan water kan waarnemen.

Planten, die teer van bouw zijn, laten, zoodra zij gebrek aan water krijgen, al spoedig de bladeren hangen, maar ook planten van krachtiger bouw, krijgen, wanneer zij gebrek aan water hebben, een matte tint en gaan daarop slap hangen. Een plant, die slap hangt, moet natuurlijk dadelijk gegoten worden. Het is echter zeer gewenscht, dat men niet wacht met gieten, totdat de planten slap gaan hangen, zoodat het kennen van andere kenmerken zeer noodig is. Een eenvoudig kenteeken is de eigenschap die allen aardsoorten, ook den zwarten, eigen is, namelijk om in drogen toestand lichter gekleurd te zijn dan in vochtigen. Zware leemachtige aardsoorten bersten ook nog, als ze droog zijn. Zeer dikwijls komt het echter voor, dat de bovenlaag der aarde er droog uitziet, terwijl het inwendige, waar zich juist de wortels bevinden, nog voldoende vochtig is. In zulke gevallen kan men echter toch ook tamelijk gemakkelijk weten of men al dan niet gieten moet. Een zeer juist kenteeken heeft men, in zulke gevallen, in het gewicht der plant. Terwijl toch vochtige planten eenigszins zwaar aanvoelen, kenmerken droge planten van dezelfde afmeting zich door een veel lichter gewicht.

Natuurlijk behoort er eenige oefening toe, om aan het gewicht te onderscheiden of een plant behoefte heeft aan water. Bij een weinig practijk krijgt men deze echter spoedig.

Gedurende den groeitijd, dus midden in den zomer, heeft het niet veel te beteekenen of men al een keer te veel giet; gedurende den winter is dit echter iets anders; één fout, in het gieten begaan, kan dan voor de plant noodlottig worden. Dikwijls verloopen er weken, voordat een in haar rusttijd te veel gegoten plant weer opdroogt.

Voor in kleine potjes staande planten is te veel gieten ook niet zoo nadeelig als voor die, welke in grootere potten of kuipjes worden gekweekt. Bij het gieten van grootere pot- en kuipplanten, moet men dus met bijzondere voorzichtigheid te werk gaan; men kan zich hier niet meer verlaten op de kleur der aardoppervlakte, maar men moet door kloppen tegen den pot- of kuipwand den vochtigheidsgraad bepalen. Verkrijgt men door te kloppen een doffen toon, dan is de aarde droog.

Het is een merkwaardig verschijnsel, dat de eigenlijke water- en moerasplanten slechts betrekkelijk weinig vocht in haar weefsel opzamelen, terwijl de in droge landstreken groeiende planten veel meer water bevatten. Juist dààrdoor zijn deze laatste dan ook in staat langen tijd droogte te verdragen. Inderdaad hebben de wortels slechts zeer weinig behoefte aan water en zijn het hoofdzakelijk de in het water opgeloste voedingsstoffen, die de plant opneemt. Uit dit oogpunt beschouwd, moet het dus wel schadelijk werken, wanneer de aarde met water oververzadigd is. De aarde moet los en poreus zijn, zoodat het water gemakkelijk kan doorzakken. Heeft men staand water, dan ontstaat er rotting in den bodem, de lucht wordt daaraan en ook aan de wortels onttrokken, en het is zoodoende de onmiddellijke oorzaak van den dood van alle landplanten. Deze hoogst ongunstige werking is de reden, waarom de schaaltjes of schoteltjes, die uit zindelijkheid dikwijls onder de planten gezet worden, zooveel mogelijk moeten vermeden worden. Wil men ze toch gebruiken, dan moeten zij, zoodra het doorgeloopen gietwater zich er in verzameld heeft, leeggegoten worden. Alleen wanneer men planten heeft, die in een zeer lichte, doorlatende aarde staan, mag men ze een half uur na het gieten pas leegmaken, daar in dit geval het water dikwijls wegloopt zonder de aarde voldoende bevochtigd te hebben. Een groote fout zou dit echter wezen, er met het gieten op te rekenen, dat het water niet door den pot loopt.

Wanneer men giet, dan moet dit, onverschillig welk jaargetijde het is, goed geschieden, zoodat het water de geheele kluit doortrekt en ten slotte door het drainage-gaatje in den bodem wegloopt. Fig. 44 toont naast het gewone plantenschoteltje een tweetal, die sinds eenigen tijd in den handel gebracht zijn. Deze laatste zijn voor den liefhebber zeer gemakkelijk, daar zij niet dadelijk na het gieten leeggemaakt behoeven te worden. Een tweede voordeel is het ook nog, dat, blijft het water er in staan, dit langzaam verdampt, en zoodoende de planten met een vochtige atmosfeer omringt, terwijl deze toch niet met den pot in het water staan. Iedere pottenbakker kan, wanneer hij deze schoteltjes niet heeft, ze gemakkelijk naar de afbeelding vervaardigen. Vaste regels kunnen voor het gieten onmogelijk gegeven worden; dit hangt, zooals wij reeds opmerkten, veel af van het jaargetijde, van den gezondheidstoestand der planten en de afmeting der potten waarin zij staan.

Naast de hoeveelheid water, die men geeft, is het ook van belang met welk water er gegoten wordt. Het meest geschikt is zeker wel vijver- of regenwater. Rivierwater is meestal ook zeer goed te gebruiken, mits men zeker is, dat dit niet door loozingswater van fabrieken verontreinigd is. Leidingwater is ook niet schadelijk, doch dit is in de meeste gevallen zeer arm aan voedende bestanddeelen. Het minst geschikt is bron- of welwater, daar dit in den regel te hard is en daarbij maar al te dikwijls kalk en andere minerale stoffen bevat, die vaak zeer schadelijk kunnen werken op de ontwikkeling der planten. Water, dat te veel kalk bevat, moet men in geen geval gebruiken; is het gebruik daarvan echter niet te vermijden, dan laat men het een paar dagen vóór het gebruik in een kuip zetten en voegt men er een weinig koolzure kali of potasch aan toe, die dan de kalk neerslaat.

Een factor, die ook niet uit het oog verloren mag worden, is de temperatuur van het water. Vele mooie, sterke planten worden wortelziek, doordat zij met te koud water werden begoten. Niet alleen voor teedere planten is het koude water nadeelig, maar zelfs de hardste planten hebben daarvan te lijden. In ieder jaargetijde, hetzij zomer of winter, moet men voor het gieten geen ander water gebruiken, dan dat minstens twaalf uren in hetzelfde vertrek heeft gestaan als de planten, en zoodoende de temperatuur van dit vertrek heeft aangenomen. Een voorname rol speelt ook het tijdstip waarop gegoten wordt. Des zomers giet men het beste 's avonds, 's winters daarentegen des morgens.

Indien het eenigszins mogelijk is, moet het gieten van in de zon staande planten vermeden worden. Is het niet voldoende, gedurende het warme seizoen uitsluitend des avonds te gieten, dan doet men dit 's morgens voor den tweeden keer, terwijl men dan in den namiddag de planten verfrisschen kan, door ze licht te besproeien. Gewoonlijk houdt zware kleiachtige grond het water lang vast en planten, die daarin staan, behoeven dus niet zoo dikwijls gegoten te worden. Het is echter onmogelijk om alle kamerplanten in zware aarde te kweeken; de teerste verlangen daarentegen juist lichten grond, zooals blad- of boschgrond. Deze aardsoorten hebben niet alleen de eigenschap bij warm weer sterk uit te drogen, maar, en hier moet vooràl op gelet worden, zijn zij eenmaal goed uitgedroogd, dan nemen zij niet zoo heel gemakkelijk het water op. Is een in deze aarde geplaatste plant eens goed droog en giet men haar, dan loopt het water tusschen de kluit en den potwand weg, zonder de kluit, waarin de wortels zich bevinden, te bevochtigen. Hoogstens de oppervlakte wordt dan even nat. Hetzelfde gebeurt ook, wanneer, door te sterk uitdrogen, de kluit van den potwand heeft losgelaten en men haar, vóór het gieten, niet eerst goed aangedrukt heeft.

Niet weinig kamerplanten gaan door dit uitdrogen ten gronde. Een plant, waarvan de kluit inwendig droog is, begint te kwijnen; zij verdort, zonder dat de onervaren liefhebber er achter kan komen, wat de ware oorzaak daarvan is. Een meer geoefend liefhebber behoeft den pot slechts even op te lichten, om aan het gewicht te bemerken, waar de fout schuilt. In twijfelachtige gevallen zal men wijs doen, de plant voorzichtig uit den pot te nemen, om te onderzoeken of zij ook uitgedroogd kan zijn. Is de plant werkelijk geheel uitgedroogd, dan bestaat er slechts een radicaal middel, namelijk haar in een emmer met water te zetten. Het kan voorkomen, dat zij zóó licht is geworden, dat zij op het water blijft drijven. Meestal heeft een plant meer dan een half uur noodig om zoodoende tot haar vocht te komen; het wil echter wel gebeuren, dat daar vijf à zes uren voor noodig zijn.

Het ligt vóór de hand, dat het te weinig gieten ook zeer schadelijk voor den groei der planten is. Maar dit is niet de groote fout van de meeste liefhebbers; de meesten gaan aan het euvel mank, dat ze den planten te veel van het goede geven en daardoor veel te rijkelijk gieten. Wij hebben reeds gezegd, waardoor het te veel gieten schadelijk is voor de planten en het is nog zeer de vraag, wat noodlottiger is, het te veel of te weinig gieten. Als zeker kan men aannemen, dat het te weinig gieten minder gevaarlijk is, daar men dit den planten, die aan droogte lijden, direct kan aanzien en ook, omdat deze, wanneer men ze gegoten heeft, zich tamelijk snel weder herstellen. Een plant echter, dien men te veel water geeft, toont aanvankelijk geen verandering; begint zij eindelijk ziekelijk te worden, dan kan men met tamelijke zekerheid aannemen, dat de wortels ziek zijn, en in de meeste gevallen zullen zij dan wel reeds tot verrotting zijn overgegaan.

Een groote fout begaan vele liefhebbers, vooral bij de buitenstaande planten, doordat zij te wild met het water omgaan en in plaats van de tuit des gieters op den rand van den pot te leggen en dan langzaam het water op de plant te gieten (Fig. 45), die er ver van verwijderd houden en er het water op laten stroomen, zoodat de aarde met het opspringende water medegevoerd wordt. Door deze wijze van gieten, ontstaan er gaten in de kluit en worden er wortels bloot gelegd, wat natuurlijk moet voorkomen worden (Fig. 46). In woonkamers, waar men alle morsing zooveel mogelijk tracht te voorkomen, wordt meestal voorzichtiger gegoten. In Fig. 47 geven wij nog een afbeelding van een door J. C. Heinemann, te Erfurt, in den handel gebracht kamergietertje, dat het bemorsen der woonvertrekken zooveel mogelijk voorkomt. In plaats van een tuit is er aan dezen gieter een gutta-percha slangetje verbonden met een glazen mondstukje. Bij het gieten, neemt men het einde der slang in de hand, houdt het glazen mondstukje op den pot en regelt door in de slang te knijpen den toevoer van het water. Na afloop van het gieten, wordt het slangetje in den gieter gelegd.

Let men bij het gieten goed op, dan is dit niet zoo moeilijk als het zich wel laat aanzien. Een liefhebber, die werkelijk hart voor zijn planten heeft, zal spoedig den rechten weg vinden, indien hij niet slechts oogen heeft, maar daar ook goed mede kan zien. Uit kleine veranderingen, die zijn planten ondergaan en welke een gewoon mensch niet ziet, zal hij al heel spoedig de behoeften van zijn kweekelingen leeren kennen en zal hij al gauw raad weten, hoe daarin te voorzien.

De bemesting der potplanten.

Bij het kweeken van planten geldt het tamelijk wel als regel, dat men verplanten moet, wanneer de pot met wortels volgegroeid is en de aarde dus geen voldoend voedsel meer bevat. Het verplanten is echter niet ten allen tijde even raadzaam. Heeft men teere planten, dan is het, door het verre seizoen, dikwijls onmogelijk geworden; bij grootere planten, vooral kuipplanten, is het vaak te kostbaar en te lastig en bij de, in het voorjaar, met bloemplanten bezette waranda- en balkonbakjes is het meestal onmogelijk. Groeien de planten in al deze gevallen goed en wil men ze gaarne wat goed doen, dan is het raadzaam om mest te gebruiken.

Wil men van de bemesting een goede werking verwachten, dan moet men er voorzichtig mede zijn en haar slechts toepassen bij gezonde, goed bewortelde planten. Zieke planten of gewassen, die in haar rusttijd zijn, mogen nooit bemest worden. Fraai bloeiende planten mogen pas dán bemest worden, wanneer de bloemknoppen zich beginnen te ontwikkelen; doet men dit vroeger, dan zal men wel een sterke bladontwikkeling, doch geen bloemen krijgen. Gewoonlijk begint men met de bemesting in de maanden Mei en Juni, en, al naar den aard der te behandelen planten en van den te gebruiken mest, herhaalt men dit met tusschenruimten van vier tot veertien dagen. Bij potgewassen gebruikt men in den regel slechts vloeibaren mest, die dadelijk na de toediening begint te werken. De bemesting doet men het best op donkere dagen of tegen den avond. De mest heeft slechts dán invloed, wanneer geen ongunstige omstandigheden den groei der plant beletten en er geen fouten in de behandeling worden begaan. Ook moet men niet vergeten, dat door de bemesting het verplanten slechts verdaagd wordt, daar deze bewerking, vroeger of later, toch moet geschieden, indien men niet wil, dat de elkander verdringende wortels tot rotting overgaan.

In den laatsten tijd worden de chemische hulpmeststoffen zeer aanbevolen. Deze zijn uit verschillende zouten en minerale bestanddeelen samengesteld. Wij durven echter deze meststoffen den liefhebber niet aanraden. Hij toch kan moeilijk, of in het geheel niet nagaan, welke bouwstoffen een plant noodig heeft, en de meeste dezer chemische meststoffen zijn bij verkeerde aanwending zeer gevaarlijk, terwijl bij juiste aanwending de resultaten toch altijd bij vele plantengeslachten zeer twijfelachtig zijn.

Een liefhebber doet verreweg het beste, meststoffen te gebruiken, bestaande uit plantaardigen en dierlijken afval; deze bevatten evenals goede aardsoorten al die voedingsstoffen, welke de planten voor een goeden groei noodig hebben.

Een der beste meststoffen is zeker wel de koemest. Op een afgelegen plek van het huis of den tuin zet men een vaatje neer, dat men met water laat vullen. Door dit water wordt zooveel koemest geroerd, dat het een donker troebel voorkomen krijgt. Op dezelfde wijze behandelt men den zeer goed bruikbaren schapenmest. Het mengsel, dat men met deze mestsoorten laat bereiden, is bekend onder den naam van gier. Door den minder aangenamen reuk laat deze gier zich natuurlijk niet best in een kamer gebruiken. Voor in den tuin of de waranda staande planten is zij echter zeer aan te bevelen.

Voor bemesting in de kamer gebruikt men Peru of Vischguano, kippen- of duivenmest. Deze mestsoorten vermengt men met koud water, welk mengsel dan voor het gebruik een paar dagen moet staan, of wel, men lost het in kokend water op; in dit geval kan men het na het koud worden toedienen. Het is niet raadzaam de oplossingen van deze droge meststoffen te sterk te nemen, 2 à 3 gram op een Liter water is voldoende. Op dezelfde wijze wordt ook beender- en hoornmeel aangewend, beide zijn zeer stikstofrijke en goede meststoffen. Ook Salmiak kan als een stikstofhoudende meststof gebruikt worden, mits men er voorzichtig mede is en niet meer gebruikt, dan enkele druppels op een gieter water. Bij het gebruik van vloeibare meststoffen moet men er op letten nooit te bemesten, wanneer de planten droog zijn. Is dit het geval, dan worden de potten eerst met gewoon water gegoten, daarna bemest en is men wellicht bang, te sterk gemest te hebben, dan kan men met water nog eens nagieten. Bij het verplanten van sterk groeiende planten kan men ook enkele hoornspanen (afval van hoorndraaierijen en kammenfabrieken) door de aarde heenmengen. Deze meststof werkt zeer langzaam, daar zij pas na enkele maanden verteert. Bij den, op genoemde wijzen bereiden vloeibaren mest, kan men nog wat houtasch of schoorsteenroet voegen, wat de werking nog een weinig verhoogt.