Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer
Chapter 5
Voor de kamer is ook het veredelen van Cacteeën heel aardig. Om Cactussen in de kamer te veredelen, moet men natuurlijk soorten bezitten, die men zoodoende voortkweeken wil, en ook daartoe geschikte wildstammetjes. Als wildstammetjes gebruikt men meestal snel groeiende Zuilencactussen, vertegenwoordigers van het geslacht Cereus. Goede wildstammetjes, die bij kweekers wel te verkrijgen zijn, zijn o.m. Cereus Spachianus, C. peruvianus, C. macrogonus, C. rostratus; verder verschillende soorten van het geslacht Opuntia en ten laatste Pereskia aculeata en P. calandrinifolia. De beide laatstgenoemde Cactussen zijn groenbladerige, dunstelige plantjes, die eerder aan koffieboompjes dan aan Cactussen zouden doen denken. Deze beide soorten zijn vooral geschikt om Bladcactussen (Epiphyllum) op te veredelen, De Epiphyllums vormen hierop zeer fraaie kroontjes, die tegen Kerstmis met de bekende purperen bloemen zeer rijk bloeien. De Pereskia, wordt om als onderstam voor Epiphyllums te dienen, door sommige kweekers in grooten getale aangekweekt. Deze veredeling wordt verricht door zoogenaamd spleetgriffelen. Nadat men den kop van een krachtige Pereskia op de verlangde hoogte heeft afgesneden, wordt dit snijvlak van dit ingesneden boompje, ongeveer 1 cM. diep, met een scherp mesje gespleten. Men neemt dan een gezonde, uit twee of drie bladeren bestaande, Epiphyllum-twijg en snijdt deze door twee schuine sneden, één links en één rechts, platpuntig toe, zoodat de kern de punt vormt. De zoo puntig toegesneden twijg, zet men dan met de punt in de spleet van den wildstam. Gewoonlijk zet men op een Pereskia-stammetje verscheidene twijgen te gelijk, om op die wijze spoedig grootere boompjes te verkrijgen. In het stammetje van de Pereskia kan men ook nog eenige twijgen griffelen. Hiertoe maakt men op de bestemde plaats tot in het hart van het stammetje een schuine snede, neemt dan een Epiphyllum-twijg, op de aangegeven wijze afgesneden, en zet deze in de gemaakte snede. Natuurlijk moeten ook bij deze veredeling de wonden goed met bast dicht gebonden worden. Bij Pereskia en Epiphyllum duurt het aangroeien gewoonlijk niet zeer lang, soms is dit slechts een zaak van enkele dagen.
Een zeer weinig bekende wijze van veredelen is die van kogelvormige Cactussen op Pereskia-stammetjes. Deze worden daartoe aan een klein stokje gebonden, daarna eerst afgesneden en dan een weinig spits toegesneden. De Cactus, die men hierop enten wil, wordt voorzichtig van de moederplant afgesneden. Met een scherp, puntig mesje snijdt men nu een gaatje onder in deze spruit en wel zoo, dat dit niet grooter is dan het spitsje van den onderstam. Beide stukken worden nu op elkander gezet en de ontstane spleet met entwas dichtgesmeerd. Natuurlijk moet deze veredeling tot samengroeiing goed verbonden worden. Het beste doet men dit, door boven op de kogelvormige Cactus een kluitje watten te leggen en dan door middel van bindbast een stevig verband te maken. Het bindsel wordt onder den pot doorgehaald, over de Cactus heengelegd en dan vastgebonden. Men moet er vooral om denken, dat, past men deze veredeling toe, de Pereskia steeds aan een stevig stokje moet gebonden worden.
De groei van de kogelvormige Cactus is toch veel sneller, dan die, van den onderstam, zoodat deze laatste zijn zwaren last ten langen leste niet meer zou kunnen dragen, en dus zou moeten afbreken.
Beter dan op Pereskia veredelt men zware Cactus-soorten op Cereus. De afbeelding stelt een op Cereus veredelde Cactus voor (Fig. 36). Met een scherp mes snijdt men de, als onderstam dienende, Zuilencactus den kop af en van de daarop te plaatsen kogelvormige Cactus snijdt men de onderzijde zóó af, dat, zet men de laatste op de eerste, de beide snijvlakken elkander volkomen bedekken en de middelpunten van beide juist op elkander sluiten. De geheele bewerking bestaat dus uit het met zekerheid uitvoeren van twee sneden.
Na beide soorten op elkander gezet te hebben, legt men het verband.
Het aangroeien heeft bij Cactussen zeer snel, meestal in weinige dagen plaats.
Een bekend Cactusliefhebber, de heer Walter Mundt, te Pankow, bij Berlijn, zegt over het veredelen van Cactussen het volgende: "als onderstam gebruik ik bij voorkeur twee- of driejarige zaailingen of ook wel stekplanten van groene Cereus-soorten; de blauwachtige Cereus-soorten, zooals Cer. azureus, C. Seidelii en andere, gebruik ik bij voorkeur niet, daar deze niet goed aangroeien en dikwijls na eenigen tijd den entkop weder afwerpen. Zaailingen, van in het eind van Maart of begin April gezaaide zaden, kunnen hoewel dan heel weinig gedoornd, reeds in Juli tot veredeling dienen [1]. Zijn onderstam en entkop beide zeer jong, dan is het resultaat tamelijk zeker, de plantensappen schijnen zich dan goed te vermengen. Men neemt den entkop tusschen duim en wijsvinger en drukt dien, terwijl men een eenigszins draaiende beweging maakt, nogal stevig met de snijvlakte op die van den onderstam, waarop men de plant goed verbindt".
Het verbinden is, bij het veredelen van kogelvormige Cactussen op zuilenvormige, het moeilijkste werk en bij kleine entkopjes, niet grooter dan de kop van een lucifer, is het zelfs een kunststuk; doch ook hier geldt het spreekwoord: "Al doende leert men". Nadat ik den uit den zaadpot genomen entkop, op de bovenvermelde wijze, op het onderstammetje heb geplaatst, neem ik een wollen draad, dien ik aan twee einden strak aantrek, zoo doende, dat ik tusschen beide handen een ruimte van twee tot drie duim heb. Ik leg nu dezen draad voorzichtig in horizontale richting over het entkopje, dat toch reeds door zijn eigen sappen vastgekleefd zit. Beide uiteinden van den draad haal ik nu voorzichtig naar beneden, er voor zorgende, dat de druk aan beide zijden juist gelijk is. Bij den potrand gekomen, trek ik den draad voorzichtig een weinig aan, leg hem dan eerst langs den pot heen, trek hem er vervolgens voorzichtig onderdoor, en knoop dan de beide einden aan elkander vast. De druk van den draad moet aan beide zijden juist dezelfde zijn. Er moet nog opgepast worden, dat de snijvlakken niet rond zijn, waarom het mes, waarmede men snijdt, zoo dun mogelijk moet wezen.
Zijn de entkoppen van de grootte van een boon, of nog grooter, dan gebruik ik een tweeden draad overkruis en ook bij plantjes, die ten gevolge van haar naar onder gerichte doorns, gemakkelijk van het onderstammetje worden afgetild, dan verdrogen en niet aangroeien, zijn kruisdraden zeer aan te bevelen. Om geheel zeker te zijn en afstooten met opdrogen te voorkomen, bezwaar ik de draden met een metalen ring. Hiertoe schuif ik het ringetje van boven over de plant en haal het zoover naar beneden, totdat de draden sterk genoeg aangehaald zijn. Den volgenden dag leg ik, al naar de zwaarte van den ring er nog een tweeden bovenop. Fig. 37 verduidelijkt deze handelwijze.
De jonge zaailingen, die als onderstam dienst doen en dus bij het aanbinden licht ombuigen, moeten eenigszins versterkt worden, door er twee of drie kleine stokjes omheen te zetten en deze aan elkander te binden.
De veredelde plantjes zet ik in een gesloten, beschaduwde, maar toch warme ruimte, de kleinere plantjes in een groote schaal of in een kistje, dat, met een door middel van krijt en water witgemaakte ruit, wordt gedekt.
Wanneer de kleine patiënten acht dagen in zulk een kastje staan, is dit meestal voldoende. Gedurende dien tijd mogen zij in het geheel niet gegoten en gespoten, en moet elk vochtig worden der wond zorgvuldig vermeden worden.
Als voorbeeld van een goed resultaat, wil ik het volgende vermelden. In het voorjaar entte ik den geheel vlak afgesneden nog gezonden kop van een zeer zeldzame Echinocactus-soort op een zaailing van Cereus peruvianus als onderstam. Het kopje zou zeker verloren geweest zijn, daar het van den moederstam afgestooten was. Het entkopje, dat niet grooter was dan een kleine erwt, had in het najaar de grootte van een walnoot gekregen, zóó sterk was het gegroeid. Voor halfverloren planten is enten nog dikwijls een vrij zeker redmiddel.
Het oppotten en verplanten.
Wanneer wij de planten in de kamer kweeken, dan moet er al spoedig na het zaaien of na het langs ongeslachtelijken weg voortkweeken aan het oppotten der zaailingen of stekken gedacht worden.
Deze bewerking is zeker gemakkelijker uit te voeren, dan het verplanten.
Dit laatste behoeft alleen die liefhebber te doen, die zich niet met het voortkweeken van planten bezighoudt, maar die de door hem gekochte planten, zoo mogelijk, in goeden staat wil onderhouden. Over de verschillende aardsoorten, die bij het oppotten en het verplanten dienst moeten doen, hebben wij reeds vroeger gesproken. Van veel belang is echter ook het gebruik van goede bloempotten. Een goede bloempot moet van gebakken klei zijn; hij mag niet te zwaar wezen, zoodat dunne wanden een vereischte zijn; ook niet te hard gebakken, daar hij poreus moet zijn. Wat nu den vorm aangaat, is men teruggekomen van het hooge, smalle model, dat vroeger gebruikt werd; toch mag hij ook niet te plat wezen. De beste afmeting is, dat een pot even hoog is, als hij op zijn grootste wijdte middellijn heeft. Zeer platte potten, die meer van schalen of schotels hebben, zijn slechts in enkele gevallen, voor planten met weinig wortels aan te bevelen. In den bodem van iederen pot, moet zich een drainagegaatje bevinden en al naarmate de potten grooter worden, moeten er drie of vijf zulke gaatjes in zijn. Gewoonlijk maken de pottenbakkers deze gaatjes van buiten naar binnen in den pot. Dit is zeer verkeerd, daar dan om het gaatje zich een eenigszins verhoogde rand bevindt, die het afloopen van het water belet. Ieder, die dan ook potten koopt, moet daar zeer op letten en er bij den pottenbakker op aandringen, dat hij het gaatje van binnen naar buiten in den pot steekt. In de kamers treft men dikwijls verglaasde potten aan, of ook wel min of meer fraaie porseleinen potten, ja zelfs ziet men ze wel eens van metaal. In dergelijke potten is het onmogelijk dat een plant goed kan groeien, omdat zij niet poreus zijn. De lucht kan door dergelijke potten niet heendringen, waardoor het opdrogen der aarde bemoeilijkt, zoo niet geheel onmogelijk gemaakt wordt, hetgeen natuurlijk tot gevolg heeft, dat deze verzuurt, waardoor dan ziekte in de wortels ontstaat. Wil men dergelijke fraaie potten toch gebruiken, dan gaat dit zeer goed, wanneer men de plant in haar oorspronkelijken pot laat staan en ze daarmede in den fraaieren zet. Het is echter zaak, dan eerst een paar steentjes of stukjes hout in den buiten pot te leggen, om daar de plant op te zetten, daar deze anders licht in het doorgeloopen gietwater komt te staan. Goede potten moeten dus zoo eenvoudig mogelijk zijn. Heeft men echter grootere planten, die in kuipjes moeten gezet worden, dan kan men deze zoo fraai en elegant maken als men wil. Voor grootere planten, die in kuipjes gekweekt moeten worden, is het zelfs geraden, die wat fraaier te laten vervaardigen, of wel, de eenvoudige kuipjes met kurk of boomschors te doen bekleeden. Fig. 38 stelt twee zulke kuipjes voor, die in den handel voor matigen prijs te verkrijgen zijn. De rechtsche kuip is zeer eenvoudig, de linksche daarentegen fraaier afgewerkt; deze laatste is ook practischer, omdat door den uitgestoken rand van den bodem, de lucht beter kan toetreden, terwijl het overvloedige gietwater beter kan wegloopen.
Men doet het beste, bij het verplanten steeds nieuwe potten te gebruiken; deze moeten echter vóór het gebruik eerst gewaterd worden, d.w.z. men moet ze tien à twintig minuten in het water leggen, opdat de poriën van het steen met water voltrekken. Vergeet men dit, dan zal na eenigen tijd de aardkluit zich zóó vast met den pot verbinden, dat bij het verplanten de plant onmogelijk uit den pot te krijgen is, zonder haar te beschadigen of den pot stuk te slaan. Dit laatste is natuurlijk schade voor de hand. De oude gebruikte potten moet men natuurlijk niet wegwerpen, daar deze nog zeer goed gebruikt kunnen worden. In de meeste gevallen zijn deze potten vuil; aan den buitenkant zit mos of zwarte aanslag, wat de poreusiteit tegengaat en aan de binnenzijde zit meestal oude aarde. Deze oude potten kunnen dus slechts gebruikt worden, wanneer zij eerst goed schoongemaakt zijn. Hiertoe worden zij, met een harden boenborstel, aan den binnen- en buitenkant goed afgeschrobd, waartoe men bij voorkeur warm water gebruikt. Hierna laat men ze goed opdrogen. Zijn de potten sterk met mos bezet geweest, dan is het raadzaam, ze vóór het gebruik eenigen tijd in kokend water te leggen, ten einde zoodoende alle kiemen en mossporen te dooden. Gebruikte kuipjes moeten vóór het weder in gebruik nemen ook goed met warm water uitgeschrobd worden, om ze volkomen schoon te maken.
Vóórdat men met het planten of verplanten begint, moet op een tafel de noodige aarde klaargemaakt worden. Behalve aarde heeft men ook drainage-materiaal noodig. Wanneer bij het verplanten een pot breekt, dan behoeft men dien niet weg te werpen. Hij wordt in kleine stukjes geslagen, die, als drainage in de potten, gebruikt kunnen worden, mits men ze van te voren goed afwascht. Op het drainage-gaatje, dat zich, zooals wij gezien hebben, in iederen goeden pot bevindt; legt men een scherf, en wel zóó, dat de holle zijde naar onder en de bolle dus naar boven gekeerd is. Heeft men kleine potjes te draineeren, dan is het voldoende op deze grootere scherf nog enkele kleinere te leggen. Moet men grootere potten gebruiken, dan is verstopping der drainage gevaarlijker. De aarde hierin droogt natuurlijk veel langzamer uit en heeft dus meer kans om te verzuren; terwijl grootere planten in den regel veel kostbaarder zijn en het verlies er van dus grooter is. Op ieder drainage-gaatje legt men dan een potscherf en hierboven een flinke laag kleinere scherven. Heeft men zooveel kleinere scherven niet voorhanden, dan kan men ook stukjes baksteen, cokes of houtskool gebruiken. De aarde zal natuurlijk, door het gieten, zeer gemakkelijk tusschen de drainage-scherven of steentjes indringen en dit moet zoo mogelijk voorkomen worden. Hiertoe legt men boven de scherven een laagje moerasmos (sphagnum) of wel zeer grof turfstrooisel. In den regel is de drainage slechts gedurende betrekkelijk korten tijd werkzaam. De wortels toch dringen spoedig in de versche aarde en dan door het moslaagje tusschen de scherven. Wanneer men bij het verplanten de plant uit den pot neemt, dan zal men meestal zien, dat haar wortels langs den pot een dicht netwerk hebben gevormd, waarin de geheele drainage besloten is. Bij sterk groeiende planten dringen de wortels zelfs in het drainage-gaatje en staan de planten op een vochtigen bodem of op aarde, dan dringen zij daar zelfs doorheen. Het is maar goed, dat in bovengenoemd geval de plant meestal veel water noodig heeft en dus al het gietwater spoedig verbruikt en ook, dat het overvloedige water tusschen de wortels door, gemakkelijk wegzakt, wanneer men maar zorgt, dat het gaatje goed geopend blijft. Is het gaatje toevallig door aarde of wortels verstopt, dan moet men dit, door er een stokje in te steken, weer vrijmaken.
Gemakkelijk om te leeren en te doen is het oppotten van planten. Men heeft hierbij meestal te doen met kleine zaad- of stekplantjes, die tot nu toe in een pan te zamen stonden, en die, voor een beteren groei, ieder afzonderlijk in een potje moeten gezet worden. Hiertoe bedient men zich van het kleinste model potjes, die onder den naam stekpotjes voorkomen. Bij het opplanten in zulke kleine potjes, waarin de planten natuurlijk slechts korten tijd staan, behoeft men niet zoo heel veel werk van de drainage te maken; één scherf op het drainage-gaatje is voldoende.
Het oppotten geschiedt op de volgende wijze. Men vult het potje geheel met aarde, maakt daar, in het midden, met den wijsvinger van de rechterhand een vrij ruim putje in, waarin men het op te potten plantje met de linkerhand houdt. Met duim en wijsvinger van de rechterhand, wordt nu de aarde rondom de wortels goed vastgedrukt, zoodat het plantje stevig vaststaat. Is men zoover gevorderd, dan wordt de aarde in het potje nog een weinig aangedrukt, terwijl er zoo noodig, nog wat aarde bijgevoegd wordt. (Fig. 19). Wat het plantje zelf betreft, dit wordt van te voren zeer voorzichtig uit de pan of den pot, waarin het gerepikeerd stond, genomen en indien de wortels wat lang zijn, worden deze ingekort. Dit inkorten is voor de ontwikkeling van talrijke haarworteltjes zeer bevorderlijk.
Omslachtiger en ook veel moeilijker dan het oppotten is het verplanten. De beste tijd om te verplanten is voor de meeste planten zeker wel het voorjaar, wanneer zij weder tot ontwikkeling beginnen te komen. Planten, die in het voorjaar bloeien, moeten pas na den bloei verplant worden, omdat zij dan in haar ontwikkeling niet gestoord mogen worden. Snel groeiende en dus veel voedsel behoevende planten, moeten in den loop van den zomer nogmaals verplant worden. Fijne bladplanten en andere, die zich minder snel ontwikkelen, behoeven slechts eens per jaar verplant te worden, terwijl grootere kuipplanten daaraan geen behoefte hebben in perioden, afwisselende tusschen vier en tien jaar; vooral wanneer men niet te spaarzaam is met vloeibaren mest. (Zie het hoofdstuk "De bemesting"). Vóór men nu een plant in een grooteren pot zet, moet men onderzoeken of de pot, waarin zij staat, goed volgeworteld is; daar een gezonde plant niet verplant behoeft te worden, voordat dit het geval is. Het onderzoek, naar den toestand der wortels geschiedt door het uit den pot slaan. Men neemt de plant in de linkerhand en wel zoo, dat de stam zich tusschen den wijs- en den middelvinger of tusschen den middel- en den ringvinger bevindt. Men keert nu plant met pot ten ondersteboven, neemt de onderzijde van den pot in de rechterhand en slaat daarop zijn rand een paar keer flink op dien van de verplanttafel. Men zal zien, dat de aardkluit nu van den pot loslaat, welke laatste daarop gemakkelijk van de eerste kan afgenomen worden (Fig. 39). Men heeft nu de plant met haar geheel wortelgestel vóór zich, zoodat men het laatste op zijn gemak kan bekijken. Zijn de wortels overal goed om den pot gegroeid, of hebben zij zich zóó sterk ontwikkeld, dat zij een viltachtig netvormig weefsel om de geheele kluit heen vormen, dan is de tijd om te verplanten daar. Men kiest nu den pot uit, dien men wil gebruiken. In de eerste plaats moet er op gelet worden, dat de te gebruiken pot niet te groot is, wijl de aarde daarin dikwijls reeds zuur wordt, vóórdat de jonge wortels er in hebben kunnen doordringen. De pot, dien men wil gebruiken, moet zóó groot zijn, dat de kluit der plant er in past en er dan rondom haar, al naar de grootte der plant, een ruimte van één tot drie centimeter overblijft. Voordat men tot het verplanten overgaat, moet nu de kluit losgemaakt worden. Met een spits stokje, waartoe men het beste een puntig toegesneden plantenstokje gebruikt, wordt dit werk verricht. Eerst wordt de aarde om den rand van de kluit een weinig afgebroken en daarna worden de in elkander gegroeide wortels voorzichtig losgemaakt. Het beste geschiedt dit door met de punt van het stokje van boven naar beneden--d.w.z. van den onderrand der kluit naar de plant toe--voorzichtig langs den buitenkant van de kluit te steken. Dit moet echter zeer voorzichtig geschieden, daar men anders te diep in haar steekt, waardoor de wortels beschadigd zouden worden en zij te veel aarde zou verliezen (Fig. 40). De losgemaakte wortels hangen nu langs de kluit.
Zeer doelmatig is het voor alle planten met een sterk ontwikkeld wortelgestel, en vooral voor die met veel haarwortels, de afhangende wortels, met een scherp mesje, behoorlijk in te snijden (Fig. 41 en 42). Heeft men echter Palmen, Bol- of Knolgewassen te verplanten en in het algemeen gewassen met sterk ontwikkelde hoofd- en weinig haarwortels, dan moet er aan de gezonde wortels in het geheel niet gesneden worden; alleen de zieke of beschadigde wortels snijdt men dan met een scherp mesje af. Ook aan de planten met weinig of zeer zwakke wortels mag niet gesneden worden; het losmaken van de kluit moet echter steeds geschieden. Opgemerkt moet nog worden, dat er enkele planten zijn, die van nature slechts zeer zwak ontwikkelde wortels hebben, zoodat zij, wat men noemt, geen kluit houden, d.w.z. dat de aarde na het verwijderen van den pot van de wortels afvalt. Bij dergelijke planten behoeft men zich daar echter niet ongerust over te maken, het heeft geen nadeelige gevolgen.
Heeft men de kluit losgemaakt en de wortels behoorlijk ingesneden, dan kan het verplanten beginnen. In den gekozen pot wordt nu eerst op de voorgeschreven wijze de drainage aangebracht. Op deze drainage wordt dan een laag aarde gelegd en deze aarde een weinig aangedrukt met den rug van de rechterhand. Op deze aarde zet men nu de kluit en let er op, of die diep genoeg staat. De kluit toch mag niet te ondiep staan, omdat dan de wortels boven den pot zouden uitsteken of met te weinig aarde bedekt zouden worden. Zet men de kluit echter te diep, dan komt een gedeelte van den stam onder de aarde, en dit is in verscheidene gevallen ook zeer nadeelig, omdat daar wel eens rotting van stam of stengel het gevolg van kan zijn. Er moet dus goed toegezien worden, dat de bovenkant der kluit één, hoogsten twee vingerbreedte diep onder den rand van den pot komt te staan, zoodat zij behoorlijk met aarde kan worden bedekt. Men zet de kluit zóó in den pot, dat de stam of stengel juist in het midden komt te staan. Met de linkerhand wordt nu de plant op haar plaats gehouden, terwijl men met de rechterhand den pot verder met aarde aanvult. Om nu de aarde behoorlijk onder in den pot aan te drukken, gebruikt men een verplantstok. Dit is een plat stokje, dat men aan één zijde dun afsnijdt, zoodat het den vorm van een lange wig verkrijgt. Met het verplantstokje wordt de aarde nu voorzichtig tusschen de kluit en den wand van den pot aangedrukt. Hierbij moet men vooral oppassen niet met het verplantstokje in de kluit te stooten, daar dan de wortels gekneusd zouden worden; het beste is zooveel mogelijk langs den rand van den pot te drukken (Fig. 43).
De aarde moet zeer gelijkmatig worden aangedrukt. Is de ruimte tusschen kluit en pot tot aan den bovenrand gevuld, dan stoot men den pot eenige malen flink op de tafel om het geheel nog een weinig te doen inzakken. Hierna wordt een laagje aarde op de kluit gebracht, dat men met de vingers matig aandrukt, er voor zorgende, dat het bovenvlak steeds goed losblijft. Heeft men kleine plantjes te verplanten, dan behoeft men geen verplantstokje te gebruiken; de aarde kan dan met den wijsvinger aangedrukt worden. Het is lang zoo gemakkelijk niet als het wel schijnt, een plant zóó te verplanten, dat zij goed in het midden van den pot staat en de aarde overal om de kluit goed aangedrukt is. Om dit goed te doen, moet men er zich veel in oefenen, maar ieder liefhebber, die het met ware liefhebberij doet, zal het spoedig genoeg leeren. Van veel belang is het, dat men bij het aandrukken van de aarde geen holen doet ontstaan, ze niet te vast en ook niet te los aandrukt. Laat men holen tusschen de aarde, of drukt men te los aan, dan loopt het gietwater dadelijk weg, zonder de kluit behoorlijk te bevochtigen. Heeft men te vast geplant, dan kunnen de wortels van vele planten slechts moeielijk in de aarde doordringen. Zeer weinige teerdere planten, zooals Selaginella's en enkele Varen-soorten, willen los opgepot worden.