Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer

Chapter 4

Chapter 43,849 wordsPublic domain

Talrijke kamerplanten kunnen veel beter, spoediger en zekerder langs ongeslachtelijken weg voortgekweekt worden, dan door zaaien. Hierbij moet ook niet uit het oog verloren worden, dat vele en vooral de teedere kamerplanten, hier te lande geen zaden voortbrengen; dat van uit het vaderland van velen geen kiemkrachtige zaden kunnen ontvangen worden en ten laatste, dat zeer vele der in de kweekerijen gewonnen hybriden, zich niet constant uit zaden laten voortkweeken. Wanneer men bij voorbeeld van een fraaie Pelargonium, Fuchsia of Anjelier zaden oogst en die uitzaait, dan behoeft men in de meeste gevallen er niet aan te denken, dat de jonge zaailingen weder de goede eigenschappen der moederplant zullen bezitten. Deze zaailingen slaan terug, d.w.z. zij toonen neiging om weder tot hun oorspronkelijken vorm terug te gaan. Onder de kamerplanten, met dubbele bloemen, zijn er daarenboven niet weinig die onvruchtbaar zijn. Daar het dubbel worden der bloemen gewoonlijk ten koste der geslachtsorganen plaats heeft, ziet men niet zelden, dat bij de dubbele bloemen de meeldraden geheel zijn verdwenen, terwijl er maar al te vaak ook van den stamper niet veel meer te vinden is, aangezien ook deze vergroeide.

Het voortkweeken van planten is voor iederen liefhebber zeer belangwekkend. Het wekt niet weinig de belangstelling op, om de kieming der zaadkorrel en het zich ontwikkelen van den zaailing te volgen; om te zien, hoe de pas kort geleden gesneden stek wortels maakt en in betrekkelijk korten tijd tot een zeer schoone plant doorgroeit. Het voortkweeken en vooral het voortkweeken langs kunstmatigen weg, is ook lang geen gemakkelijk werk, dat, wil men goede resultaten verkrijgen, vaak veel tijd vereischt. Ook moet de liefhebber bij deze bewerking zeer veel zorg en oplettendheid voor zijn plantjes overhebben. Lastiger, dan de geslachtelijke voortkweeking, is voor een liefhebber zeker de ongeslachtelijke. De bloemkweeker, die in de modern ingerichte kassen, onder het genot van warmte en vochtige lucht, duizenden stekken goed aan het wortelen brengt, heeft veel minder moeilijkheden te overwinnen dan de liefhebber, die de technische hulpmiddelen, waarover een kweeker van beroep thans beschikt, niet tot zijn beschikking heeft. Zich dikwijls met de meest primitieve hulpmiddelen behelpende, zoekt de liefhebber zijn doel te bereiken en in zeer veel gevallen gelukt het hem, zeer goed bewortelde planten te verkrijgen. Maar wanneer men een bewortelde stekplant heeft, dan is men pas halverwege, want zulk een plantje verlangt nog een zeer zorgvuldige verpleging, om tot een goed gezond exemplaar door te groeien. Al de inrichtingen, waarover zelfs de kleinste kweeker beschikt, zooals lage kweekkasjes en broeibakken, die men al, naar de behoeften, meer of minder warm kan aanleggen, ontbreken den liefhebber. Met deze hulpmiddelen is een goed resultaat tamelijk zeker; ook al heeft de kweeker niet die zorg voor zijn planten, welke de liefhebber er aan wijdt. Deze is aangewezen zijn planten in de kamer of voor het venster te kweeken; hij kan aan zijn stekplantjes noch bodemwarmte, noch vochtige lucht geven. Hoe dikwijls komt het voor, dat een liefhebber, zelfs aan zijn jonge plantjes geen geregelde temperatuur, of zelfs gunstig licht kan geven; zoodat hij dus met mindere resultaten tevreden moet zijn, dan de kweekers verkrijgen.

Uit al het medegedeelde kan men bemerken, dat het kunstmatig voortkweeken van planten in de kamer slechts een liefhebberij kan zijn voor hem, die gaarne interessante zaken wil leeren kennen, waarvan hij veel genoegen kan beleven, doch die hem ook teleurstellingen bereiden. Indien men dus in een kamer planten wil voortkweeken, moet men er zich op voorbereiden pas na langere cultuur, zulke goede resultaten te verkrijgen, als een kweeker van beroep in betrekkelijk korten tijd bereikt.

De beste wijze om planten in een kamer voort te kweeken, is zeker door middel van stekken. Een kort twijgje, dat men in de meeste gevallen met een scherp mesje, vlak onder een oog afsnijdt (Fig. 20) en daarna in den grond steekt, wortelt na korteren of langeren tijd en is dan een zelfstandige plant geworden. Gewoonlijk snijdt men een stek dicht onder een oog af, omdat de ervaring geleerd heeft, dat op deze wijze afgesneden stekken, vooral bij kruidachtige planten, het gemakkelijkste wortel slaan. Er zijn echter ook uitzonderingen. Fig. 21 toont een Pelargonium-stek, die vlak onder het oog is afgesneden, en een Ficus-stek, die tusschen twee oogen is afgesneden. De laatste bestaat slechts uit één blad, met het daarbij behoorende stengeldeel, en wordt zóó geplant, dat zij tot aan den bladvoet in de aarde komt te staan. Fig. 22 toont stekken van Anjelieren, waarbij in het snijvlak nog een kruissnede wordt gemaakt. De ondervinding toch heeft geleerd, dat dusdanig gekruiste stekken, veel sneller groeien dan oningesnedene. Fig. 23 toont verschillende soorten van stekken en wel: 1 bladstek van een Ficus, 2 stek van een klimopbladerige Pelargonium, 3 bewortelde bladstek van een Peperomia, 4 Rozestek en 5 stek van een Anjelier. De verschillende wijzen van snijden zijn op de gravure duidelijk te zien; terwijl ook de Fig. 21 en 22 goed aantoonen op welke wijze de stekken moeten gesneden worden. Het beste groeien de stekken van kruidachtige gewassen, en wel in het bijzonder van die soorten, welke des winters haar blad verliezen. Deze plantensoorten, die men in een koudere kamer, ja zelfs in den kelder kan overwinteren, brengt men in Februari aan den groei; zij worden dan goed gesnoeid, regelmatig gegoten en op een goed lichte plaats gezet. Het resultaat zal zijn, dat zij spoedig overal gaan uitgroeien. Van deze planten willen wij slechts vermelden de Fuchsia's, Heliotropen en Hortensia's.

Onder den invloed van meer warmte en licht, ontwaken deze planten uit haar winterslaap en beginnen overal uit te botten. De scheuten die dan ontstaan, laat men doorgroeien, tot zij drie of vier bladeren hebben, waarop zij worden afgesneden en als stekken behandeld. Het afsnijden der stek doet men dan, zooals reeds gezegd is met een scherp mesje, vlak onder een blad. Ten einde de stek beter te kunnen planten, is het nuttig het onderste blad, of de twee onderste bladeren, af te snijden, en, om het inrotten te voorkomen, is het bij stekken van zeer zachte stengels raadzaam, ze te laten opdrogen, waartoe men ze eenigen tijd op een plek, waar de zon ze niet kan bereiken, laat liggen. Is de snijvlakte geheel opgedroogd, dan kan de stek geplant worden.

Om nu een goed wortelen der stekken te bevorderen, moeten zij besloten staan. Het beste doet men, een houten bakje, ter grootte van een sigarenkistje, te maken. In den bodem van het kistje moeten enkele drainagegaten geboord worden, waarop scherven, met de holle zijden naar onder; worden gelegd. Hierop legt men nog een laagje scherven en daaroverheen een dun laagje turfmolm. Op de turfmolmlaag wordt nu de aarde, waarin de stekken gestoken worden, gebracht. Als aarde gebruikt men goed gezeefden blad- of heidegrond. Voor stekken, die spoedig uitgeplant kunnen worden, is het nog beter, in plaats van aarde, zuiver zand te gebruiken. De stekken wortelen in zand zeer goed en kunnen er, bij het uitplanten, zeer gemakkelijk uitgenomen worden, terwijl de wortels dan zuiver blijven. Lang kan men bewortelde stekken echter niet in zand laten staan, daar dit geen voedingsstoffen bevat en de jonge plantjes er dus in zouden verarmen. De grond, of het zand, wordt, na in het kistje gebracht te zijn, gelijkgemaakt en zacht aangedrukt. In het zoo klaargemaakte kistje worden nu de stekken, tamelijk dicht bij elkander, geplaatst. Hiertoe bedient men zich van een puntig stokje, waarmede putjes in de aarde worden gestoken. Men neemt dan de stek tusschen duim, wijs- en middelvinger der rechterhand, houdt haar in het gaatje en drukt ze daarna flink aan, zoodat zij stevig vaststaat. Het is nogal van belang, dat een stek niet te diep in de aarde, maar toch goed vast staat. Is het geheele kistje met stekken gevuld, dan wordt het met een broesgietertje goed aangegoten, op een lichte plaats gezet en met een stolp of glasplaat bedekt (Fig. 24). De verzorging bestaat nu hoofdzakelijk in het gelijkmatig vochtig houden der aarde, wat men bereikt, door de stekken geregeld met water, dat de temperatuur van het vertrek heeft, te besproeien. Al naar het weer is, geschiedt dit besproeien een tot driemaal per dag. Aangezien de aarde water uitdampt, dat zich als droppels aan de stolp of glasplaat afzet, moet deze minstens twee keer per dag met een spons of drogen doek afgeveegd worden; de koude waterdruppels vallen anders op de stekken en veroorzaken daar licht rottende plekken, wat zeer slecht is. Vooral moet, zoolang de stekken niet beworteld zijn, opgepast worden, dat de zon er niet op schijnt. Schijnt de zon door het venster, op de stolp of de glasplaat, dan worden deze laatsten met een stuk papier gedekt. Beginnen de stekken te groeien, wat men vrij wel als een teeken mag beschouwen dat zij wortel geslagen hebben, dan begint men met gedurig een weinig meer te luchten, totdat de stolp of glasplaat geheel verwijderd kan worden. Ook het voor de zon schermen kan langzamerhand nagelaten worden.

In plaats van houten kistjes kan men ook gewone bloempotten, van 10 cM. middellijn, tot het steken van stekken gebruiken. De ondervinding heeft geleerd, dat van in potten gestoken stekken, die het snelste groeien, welke het dichtst bij den potrand staan; reden waarom de stekken dan ook in de potten, die zeer goed van drainage moeten voorzien zijn, zoo dicht mogelijk bij den rand worden gestoken (Fig. 25 en 26). De gesloten warme lucht krijgt men, wanneer potten gebruikt worden, door die met een stolp te bedekken. Het aanbevelenswaardigste is een stolp in den vorm van een kaasstolp, maar wat hooger en wijder, daar men er dan verscheidene potten te gelijk onder kan zetten. Ook wanneer men in potten stekt, moeten natuurlijk de daarover staande stolpen geregeld afgedroogd worden. Kleinere en ook hangplanten, die gemakkelijk wortelen, kunnen direct in den pot worden gestekt, waarin zij tot ontwikkeling moeten komen, en liefst verscheidene stekken te zamen, opdat de pot goed volgroeit. Fig. 26 stelt een pot met Tradescantia-stekken voor, een der meest verspreide en geliefde hangplanten.

Het bewortelen geschiedt ook zeer ongelijk. Tradescantia's slaan meestal reeds na drie of vier dagen wortel; andere kruidachtige planten, eerst na acht of tien dagen. Er zijn echter ook planten, waarbij dit langer duurt en die, in de kamer gestoken, pas na een of twee maanden wortel maken. Enkele planten wortelen zeer goed, wanneer de stekken in water worden gezet; zoo kan men onder anderen kopstekken,--dit zijn de bovenste stekken van een plant, met de hartbladeren er nog aan--van den Oleander en van den Ficus, zeer goed aan den groei krijgen, door iedere stek in een met water gevuld fleschje te zetten, en de halsopening met warme was dicht te maken. Deze wijze van behandelen is bij de genoemde planten wel zoo zeker, als de gewone manier van stekken. Wanneer men stekken in water steekt, dan moeten deze echter zooveel mogelijk in de zon staan, om te voorkomen dat zij beginnen te rotten. Er zijn nog verscheidene andere wijzen om stekken te steken, zooals door bladstekken. Van verscheidene planten en vooral van vetplanten, is het voldoende, een blad in den bodem te zetten, om een plant te verkrijgen. Een zich aan den bladvoet bevindende knop gaat dan ontwikkelen, en men ziet aan den voet jonge wortels en een plantje te voorschijn komen, terwijl het oude blad langzaam afsterft. Zeer gemakkelijk gaat het voortkweeken van bladstekken bij de Bladbegonia's. Van een goed ontwikkeld Begonia-blad snijdt men de hoofdnerven met een mesje door, hierop legt men het op den daartoe gereedgemaakten pot en wel zoo, dat de dikke nerven alle in den grond komen te liggen; dan legt men eenige steentjes op het blad, ten einde te voorkomen, dat het opwipt. Geeft men nu de noodige warmte en verzorgt men het goed, door er op te passen, dat de grond matig vochtig blijft en geen zon het treft, dan zal het blad niet alleen aan den bladsteel, maar overal, waar men het heeft ingesneden, kleine plantjes vormen, die, zoodra zij wortel hebben, afgesneden en opgepot kunnen worden.

Een juist tijdstip, waarop de stekken moeten gestoken worden, laat zich niet aangeven. De gewone planten, met kruidachtige stengels, groeien het best in Februari en Maart; verscheidene andere planten echter, vooral die, met hardere, houtachtige stengels, laten zich beter in Augustus stekken. Zoodra de stekken beworteld zijn, neemt men ze uit den pot, waarin zij gestoken zijn. Dit moet echter zeer voorzichtig geschieden, opdat de jonge worteltjes zoo weinig mogelijk beschadigd worden. Kan men het zóó doen, dat zij kluit houden, d.w.z. dat de aarde tusschen de worteltjes in blijft zitten, dan is dit nog veel beter. De jonge plantjes worden ieder afzonderlijk in een potje gezet. Na op het drainage-gaatje een scherf gelegd te hebben, doet men in het potje een weinig aarde; met de linkerhand houdt men dan het bewortelde stekje in het midden van het potje en wel zóó, dat het niet te diep komt te staan, vult het hierop verder met aarde aan en drukt het met de rechterhand matig vast.

Nog gemakkelijker gaat het oppotten van weinig bewortelde stekken; men kan dan het potje dadelijk geheel met aarde vullen, waarna men in het midden met den wijsvinger een juist diep genoeg gaatje maakt; met de linkerhand wordt het stekje daarin gehouden, en hierop het gaatje dichtgemaakt en matig aangedrukt. Heeft men de stekken op deze wijze opgepot, dan moeten zij direct, met een broesgietertje, flink aangegoten worden, opdat de aarde goed doorvochtig wordt. Totdat de stekken zich tot volwassen planten hebben ontwikkeld, moeten zij natuurlijk nog verscheidene malen verplant worden. Na dit verplanten moeten zij, evenals toen zij pas opgepot werden, den eersten tijd voor de zon beschermd worden, om het slaphangen, waarmede men licht bladeren verliest, te voorkomen.

Een andere wijze, om planten kunstmatig te vermenigvuldigen, is door middel van afleggers. Deze bewerking wordt hoofdzakelijk toegepast op fijne Anjelieren, en wanneer men een weinig zorgzaam is, zijn de kansen op goede resultaten zeer groot. De Anjelieren ontwikkelen des zomers, nevens de bloeibare stengels, nog een aantal met blad bezette scheuten, die in het tweede jaar pas bloeibaar worden. Deze scheuten leveren gedurende en na den bloeitijd, de afleggers. Allereerst moet men zorgen voldoende potruimte voor het afleggen te hebben, waarom men de Anjelier eerst in een grooteren pot verplant, wat men zoo doet, dat de oppervlakte der aarde eenigszins losblijft. Men neemt nu de sterkste van de af te leggen scheuten, en maakt onder een blad een overlangsche insnede, zoodanig, dat deze eindigt onder het inplantingspunt van het volgende bladpaar, en de scheut ongeveer tot de helft is ingesneden. Men buigt nu dezen scheut naar beneden en legt hem met de insnijding in de aarde. Om te zorgen, dat hij zich niet weer opricht, bevestigt men hem in den grond met een houten haakje. Van iedere plant kan men zooveel afleggers maken, als er goede scheuten aan zijn en als er ruimte in den pot is. Na verloop van vier à zes weken is de aflegger, d.w.z. het ingesneden gedeelte van den scheut, beworteld. Men neemt nu den scheut, die nog steeds gedeeltelijk door de moederplant wordt gevoed, voorzichtig uit den grond, snijdt het bewortelde stengeldeel van de moederplant af en plant het, als zelfstandige plant, in een potje. Fig. 27 stelt de vermenigvuldiging van een buiten uitgeplante Anjelier voor. Natuurlijk moeten pas opgepotte afleggers niet minder voorzichtig behandeld worden dan pas opgepotte stekken.

Een andere wijze van voortkweeken, die met het afleggen wel eenige overeenkomst heeft, wordt dikwijls toegepast bij bladplanten, in hoofdzaak bij Dracaena's, die haar onderste bladeren verloren hebben, en daardoor leelijk zijn geworden. Deze bewerking wordt het ringen genoemd. Een eindje van het onderste blad verwijderd, maakt men een schuin oploopende snede in den stam tot ongeveer halverwege de dikte. Door in de snede een stokje te steken, houdt men de snijvlakken een eindje van elkander verwijderd. Om de insnede brengt men nu een goede hoeveelheid mos, dat er stevig omheen gebonden wordt; of, wat nog beter is, men vervaardigt een soort blikken bloempot, die in twee overlangsche helften uit elkander genomen kan worden; deze twee helften brengt men ter plaatse van de snede om den stam, bindt ze te zamen en vult daarna den pot met aarde op (Fig. 28).

Een andere wijze van insnijden is, dat men rondom den geheelen stam een snede maakt, tot ongeveer een derde der stamdikte; men snijdt er dus als het ware een ring omheen. Bij zeer groote planten snijdt men om den geheelen stam heen een wigvormigen ring uit. Na op eenige, onverschillig welke wijze, ingesneden te zijn, wordt de stam steeds op de boven omschreven manier omwoeld. In de meeste gevallen zijn de kronen van dergelijke planten te groot, om als stekken te worden behandeld; past men echter het ringen toe, dan is men vrij zeker, dat ze wortel slaan. Men moet er na het insnijden goed voor zorgen, dat het mos om de wonde behoorlijk vochtig blijft en ook de plant zelf moet dikwijls bespoten en vooral uit de zon gehouden worden, om te voorkomen, dat zij bladeren verliest. Is de kroon beworteld, dan kan zij afgesneden en afzonderlijk opgepot worden. De eerste dagen, na het afsnijden, moet de jonge plant vooral dikwijls bespoten worden, zoodat de bladeren als het ware constant vochtig blijven. Doet men dit niet, dan zullen de onderste bladeren dadelijk geel worden en zal de plant een gedeelte van haar schoon voorkomen verliezen.

De stam, die nu zijn kroon kwijt is, moet men niet wegwerpen, maar aanvankelijk een weinig droger houden. Spoedig zal men dan zien, dat hij van boven een jonge scheut maakt, die, als hij een viertal blaadjes heeft, afgesneden en als stek behandeld kan worden. Ook kan men den stam eener Dracæna even onder iederen knoop afsnijden en de zoo verkregen stukjes in vochtig zand leggen. Bij vele soorten levert ieder stukje een scheut op, die wortel slaat en een afzonderlijke plant vormt. In de kamer zal dit echter wel niet al te best gaan, bij gebrek aan warmte.

Van de verschillende wijzen van voortkweeken is voor de kamercultuur ook het scheuren zeer geschikt. Veel kruidachtige planten ontwikkelen haar bladeren of scheuten uit een wortelstok en kunnen dan, als de bekende Cyperus en Plectogyne, een tamelijke afmeting bereiken. Deze planten zijn zeer geschikt om te scheuren. Hiertoe neemt men ze, bij voorkeur in het voorjaar, uit den pot en verdeelt ze, d.w.z. snijdt ze, in zooveel stukken als men planten verlangt te hebben (Fig. 29). Bij grassoorten en ook bij het bekende Venushaar (Adiantum) gaat dit verdeelen zeer gemakkelijk; bij andere planten echter, zooals de reeds genoemde Plectogyne, die een meer of minder harden wortelstek bezitten, gaat dit zoo gemakkelijk niet; men moet hierbij een stevig mes gebruiken, om den wortelstok door te snijden.

Ook knollen kan men op dezelfde wijze, namelijk door ze in stukken te snijden, vermeerderen; men moet er dan echter op letten, dat ieder stuk een of meer oogen houdt; zoodat het kan doorgroeien (Fig. 30). Het wil wel eens voorkomen, dat de snijvlakken, zoodra het afgesneden stuk in den grond wordt gebracht, beginnen in te rotten; om dit te voorkomen, bestrooit men ze vóór het opplanten goed met houtskoolpoeder. Vóór het verdeelen worden de knollen eerst in goeden lichten grond aan den groei gebracht, zij maken dan scheuten en wortels; het is dan pas mogelijk met juistheid de plant te verdeelen. De beste tijd om knollen te verdeelen is het voorjaar. Verschillende knolgewassen voor de warme kas, zooals b.v. Caladiums kan men op deze wijze behandelen.

Veel planten laten zich ook door wortelscheuten vermenigvuldigen. Deze ontstaan in den pot, en kunnen bij het verplanten afgesneden en afzonderlijk opgepot worden. Het is geraden zulke scheuten altijd zóó af te snijden, dat zij voldoende wortel behouden om door te groeien. Fig. 31 stelt een zeer bekende kamerplant voor, Curculigo recurvata, die men uit den pot heeft genomen om de wortelscheuten er af te snijden.

Een der interessantste en meest voldoening gevende wijzen van voortkweeken is het veredelen. Er zijn echter niet heel veel planten, die zich met succes in een kamer laten veredelen, en de meeste liefhebbers, die het veredelen willen toepassen, doen dat dan ook op hun Rozen. Om dit te kunnen doen, moet men echter in zijn tuin of wel in potten rozenwildelingen gekweekt hebben. Deze wildelingen kan men het beste veredelen gedurende den zomer, door de meestal toegepaste wijze, het oculeeren. De te gebruiken wildelingen kan men als z.g.n. wildstammetjes bij iederen kweeker voor betrekkelijk weinig geld koopen. Deze worden opgeplant en dienen dan voor het kweeken van stamrozen. Wil men struikrozen kweeken, dan gebruikt men wildstammetjes, niet dikker dan een potlood, die op den wortelhals, dus zoo dicht mogelijk bij den wortel, worden veredeld.

Men kan op tweeërlei wijzen veredelen, namelijk met een doorgroeiend of met een slapend oog. Bij een vroege oculatie, dat is van Juni tot Augustus, groeien de oogen in hetzelfde jaar nog uit, terwijl zij bij de September-oculatie wèl voor het begin van den winter vastgroeien, doch pas in het voorjaar van het volgend jaar uitgroeien. Het is voorzichtig, op ieder wildstammetje, naar verschillende kanten twee of drie oogen te oculeeren. De wildstam is geschikt om gebruikt te worden, zoodra hij zooveel sap heeft, dat bast en hout zich gemakkelijk laten scheiden. Met een scherp geslepen, zoogenaamd oculeermesje geeft men dan twee sneden in den vorm van een T, en wel zóó, dat de bast tot op het hout doorgesneden is. De bast wordt nu met de rugzijde van het hiertoe ingerichte mes, of nog beter met het heft, dat daartoe in den vorm van een vouwbeen toeloopt, opgelicht en het oog tusschen hout en bast ingeschoven. De oogen neemt men van voldoend volgroeide scheuten. Aan den voet van iederen bladsteel bevindt zich een oog, dat, onder gunstige omstandigheden, zich tot een twijg kan ontwikkelen. Nadat men het blad, tot op een stukje van den steel na, heeft weggenomen, wordt het oog in den vorm van een driehoekig schildje uit den tak gesneden. Heeft men het oog klaar, dan wordt, met het reeds vermelde heft van het mes, de T-vormige insnede in den wildstam een weinig opengebogen en het oog daarin geschoven. Is men hiermede klaar, dan neemt men een eindje bindbast en bindt de oculatie goed stevig vast, waarbij vooral moet gezorgd worden, dat het ingeschoven oog vrijblijft. Is men zoover klaar, dan worden de meeste takjes van den wildstam weggesneden, opdat deze niet te veel sappen tot zich zouden trekken. Beginnen de oculaties zich goed te ontwikkelen, dan wordt de omgelegde band weggenomen en ook de wildstam tot even boven de oculatie afgesneden. Bij Fig. 32 kan men duidelijk zien, op welke wijze een oculatie moet volvoerd worden; ook een afzonderlijk oog staat er bij; bij Fig. 33 ziet men dan een veredeld wildstammetje, waarbij de wijze van omwinden duidelijk zichtbaar is. Geheel op dezelfde wijze; veredelt men in de kamer de kleine Oranjeboompjes, die zeer gemakkelijk uit gezaaide pitten opkomen (Fig. 34). Bij Oranjeboompjes moeten echter de oculaties met een stolp bedekt en zeer warm gehouden worden; daar zij anders heel moeielijk uitgroeien.