Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer

Chapter 36

Chapter 363,683 wordsPublic domain

Scilla. De Scilla-soorten zijn allerliefste, kleine plantjes, met stervormige kleine blauwe bloempjes, die reukeloos zijn en met meerdere te zamen aan kleine steeltjes zitten. Iedere bol brengt drie, vier of meer van deze bloemtrosjes voort.

Men plant de bolletjes (Fig. 293), vier à vijf te zamen, in een potje van 10 cM. wijdte, in het grondmengsel, dat ook voor Hyacinten gebruikt wordt. De potten kunnen, totdat het begint te vriezen, op een beschutte plek in den tuin blijven en dan in den kelder gezet worden; men kan ze echter ook, evenals de Hyacinten, ondergraven; zij moeten dan echter in de eerste helft van Januari opgenomen worden, om ze, wanneer men ze nog niet warm wil zetten, verder in den kelder of een koude kamer te plaatsen, daar de scheuten anders te lang en geel worden.

De soort, die het meest voor forceeren gebruikt wordt, is de Scilla sibirica met fraaie, donker blauwe bloemen. Wanneer zij op tijd wordt geplant, kan men midden December reeds beginnen haar te forceeren en zij bloeit dan in Januari. Aanvankelijk zet men ze in een matig warme kamer; zoodra zij dan teeken van leven begint te geven, wordt zij voor het venster van een warmere kamer gezet. Heeft men een kamer, die op het Zuiden ligt en waarin de zon nu en dan eens schijnt, dan is dit voor een goede ontwikkeling zeer voordeelig. Gewoonlijk willen bij het forceeren de vast aaneengesloten blaadjes niet loslaten en de bloem heeft niet de noodige kracht, ze van elkander te wringen, en zou dus bederven, wanneer men haar niet een weinig hielp. Om dit te doen, maakt men voorzichtig de bladeren aan de spitsen een weinig los; zij gaan dan, wanneer het goed gedaan is, vanzelf verder uit elkander.

Wil men de Scilla later in bloei hebben, dan is daarvoor beter geschikt de Scilla bifolia, een lieve, in Duitschland en Frankrijk te huis behoorende voorjaarsbloeister, met blauwe bloemen. Van deze soort zijn ook witte, vleeschkleurige, roode en lichtblauwe variëteiten bekend. Ook de Scilla campanulata uit Spanje en Portugal is voor dit doel zeer goed geschikt. Van deze soort is ook een wit bloeiende variëteit in den handel.

Naast de besproken bolgewassen komen er nog één knol- en één wortelgewas meer in het bijzonder voor het forceeren in aanmerking n.l.:

Crocus vernus (Krokus). Onder de planten, geschikt tot forceeren, nemen de Krokussen een voorname plaats in. Buiten uitgeplant, bloeien zij slechts even later dan de Sneeuwklokjes. De tamelijk groote bloemen prijken in alle kleurnuancen tusschen wit, blauw en geel; dikwijls zijn zij ook fraai gestreept of anders geteekend. Zeer duidelijk toont Fig. 294 het voorkomen van den gewonen Krokus.

Een mooie soort is ook nog de Crocus Imperati (Fig. 295), met fraai geaderde bloemen. De kleine knolletjes (Fig. 296), die met een taai, droog omhulsel zijn omgeven, gelijken in voorkomen zeer veel op Gladiolus-knollen en evenals bij deze kan men ook bij de Krokus-knollen de eigenaardigheid waarnemen, dat zij nooit ouder worden dan één jaar.

De oude knol droogt in den loop van den groeitijd geheel in, maar onder aan de jonge scheuten, die zich uit hem ontwikkelden, vormen zich de dadelijk bloeibaar zijnde jonge knollen. Neemt men een afgestorven Krokus uit den grond, dan vindt men één tot drie krachtige jonge knolletjes en aan hun voet den ouden, ingedroogden knol. In de catalogi der kweekers worden tegenwoordig talrijke fraaie variëteiten vermeld, die ieder op zichzelf toch nog te klein zijn om afzonderlijk te worden opgepot. Van de Krokus worden zooveel mogelijk knolletjes in den pot of de schaal geplant, zonder dat zij elkander aanraken; zij moeten 2-3 cM. diep onder de aarde geplant worden. Zeer geschikt om ze in te planten is zandige compost- of tuinaarde. Heeft men de potten of schalen beplant, dan worden zij aangegoten en in den tuin ingegraven of in den kelder gezet. Met het in bloei trekken moet men niet vóór Februari beginnen en dit doen voor een zonnig gelegen venster van een koude kamer. Door kunstmatige warmte kan men bij deze planten niets bereiken, vooral niet, wanneer men gebrek heeft aan zon. In dit geval groeien de Krokussen krachtig door en vormen groote lange bladeren, de bloemen verdwijnen echter, zonder tot ontwikkeling te komen. Kweekt men deze planten voorzichtig, dan zorgt men, dat de temperatuur bij zonnig weer een weinig stijgt en daarentegen bij donker weer daalt. Brengt men goed bewortelde Krokussen voor een venster, dan zullen, bij zonnig weer, de bloemen zich reeds na enkele dagen ontplooien. Iedere knol vormt meerdere scheuten en uit iederen scheut ontspruiten weer verscheidene bloemen. De bloemen zijn in gesloten toestand verreweg het mooist. Geregeld sluiten zij zich des avonds, maar blijven ook bij donker weer overdag gesloten; geheel openen doen zij zich slechts onder helderen zonneschijn. Heeft men ze op een koele standplaats staan, dan laten de bloeiende Krokussen zich van 4 tot 6 weken lang goedhouden; zet men ze daarentegen op een warme plaats, dan zijn zij reeds na 8 of 10 dagen uitgebloeid. De Krokus, die in een pot is uitgebloeid, heeft meestal nog slechts zeer weinig waarde, omdat de jonge scheuten zich dan zwak ontwikkelden. Wil men er nog plezier van hebben, dan plant men ze na den bloei in den tuin uit, waar zij dan het volgend jaar weder zullen bloeien.

Convallaria majalis (Lelietje der dalen). Er wordt wellicht geen enkele plant in zóó grooten getale in bloei getrokken als deze, en te verwonderen is dit zeker niet. Zoowel om haar lief voorkomen als om haar heerlijken geur is het Lelietje algemeen bemind; men vindt het in de bruidsbouquet en in den grafkrans, en een pot met bloeiende Convallaria's is, vooral des winters, overal een aangenaam geschenk.

Het is niet zeker of de in het wild voorkomende Convallaria het type is van de zooveel gekweekte soort. Deze laatste overtreft de eerste verreweg in schoonheid, zij heeft breedere bladeren, een krachtiger bloeiwijs en grootere bloemen; ook is zij zeer geschikt om in bloei te trekken, wat de eerste niet is. De natuurlijke bloeitijd van het Lelietje valt in de maanden Mei en Juni; in bloei getrokken, bloeit zij reeds in November en men kan den ganschen winter door bloeiende planten er van hebben. Tot het in bloei trekken worden meestal driejarige kiemen gebruikt (Fig. 298), met een weinig oefening kan men aan de grootte en den vorm van de kiem dadelijk zien of zij bloeibaar is of niet. Snijdt men een bloeibare kiem door, dan vindt men er niet alleen de bladeren, maar in het hart ook den aanleg van de bloem in. In enkele streken van Holland worden de Convallaria's bij millioenen gekweekt en vooral die zijn aan te bevelen, welke door haar blanke wortels toonen op zandgrond gekweekt te zijn.

Voor het in bloei trekken der Lelietjes moet men, wil men ze vroeg hebben, over een temperatuur kunnen beschikken van minstens 80° Fahr., in de meeste gevallen geven de kweekers ze een bodemwarmte van 85°-90° Fahr. Daar men in de kamer gewoonlijk over een dergelijke warmte niet kan beschikken, doet men beter het zeer vroeg in bloei trekken niet te beproeven en er niet vóór midden Januari mede te beginnen. De Convallaria heeft, bij het in bloei trekken, een zeer bijzondere eigenschap; zij vormt toch geen nieuwe wortels, maar neemt door haar oude wortels de noodige vochtigheid op. Warmte en vocht zijn bij het forceeren dezer planten de voornaamste factoren. De kiemen, die men noodig heeft, moet men zich in October of November aanschaffen; men kan ze dan in den tuin ingraven of dadelijk opplanten. Voor het oppotten kan men iedere grondsoort, zelfs zuiver zand gebruiken; het best gebruikt men er potten voor van 10-12 cM. wijdte. In iederen pot plant men, al naar de grootte, van 8-12 kiemen, waarvan de wortels voor het planten op ongeveer 10 cM. lengte teruggesneden moeten worden. Hierop neemt men den pot, legt enkele scherven op den bodem, waarna er een laagje aarde op wordt gebracht, dat een weinig wordt aangedrukt. Is men zoover klaar, dan neemt men het aantal kiemen, dat men planten wil, zóó in de hand, dat de neuzen op gelijke hoogte liggen en houdt ze dan zóó in den pot, dat zij juist even boven den potrand uitsteken; de overblijvende ruimte wordt dan niet verder met aarde opgevuld. Nu drukt men de kiemen uit elkander, zoodat zij even ver van elkander verwijderd zijn, waarop de openingen met aarde worden aangevuld, waarbij men er op moet letten, dat de aarde goed tusschen de wortels in komt, en dat zij stevig genoeg wordt aangedrukt. Geraken enkele neuzen hierdoor onder de aarde, dan moet men die weder een weinig oplichten. De hoofdzaak bij het opplanten is, dat de kiemen geheel vrij liggen, dat de aarde goed tusschen de wortels wordt aangedrukt, en dat de neuzen niet onder de aarde komen te liggen. Fig. 297 toont opgepotte kiemen in verschillende stadiën van ontwikkeling.

In plaats van ze in potten te planten, kan men ook van negen tot vijftien kiemen zoodanig in gewoon mos wikkelen, dat de neuzen vrijblijven, doch de wortels alle in het mos komen te liggen. Het geheel wordt ten slotte met een flinken band tot een bundel stevig samengebonden. Nadat men de kiemen opgepot of ingewikkeld heeft, worden zij goed aangegoten en, totdat met het forceeren begonnen wordt, in den kelder bewaard.

Heel aardig is het in bloei trekken in zoogenaamde piramiden. Deze piramiden (Fig. 299) zijn steenen potten, die veel overeenkomst hebben met de potten, die men wel eens gebruikt ziet om Pieterselie-wortels te laten overwinteren; alleen zijn zij wat kleiner en van meer gaten voorzien; iedere pottenbakker kan ze vervaardigen. Het planten der kiemen in de piramide is zeer eenvoudig. De wortels der te planten kiemen worden op 10 cM. lengte teruggesneden. Men doet dan, tot aan de onderste gaatjes, aarde in de piramide en legt door ieder gaatje op die hoogte, een kiem en wel zoodanig, dat de neus geheel uit het gaatje steekt. Zijn op deze wijze al de onderste gaatjes gevuld, dan brengt men er een laagje aarde op tot aan de tweede rij. Nadat de aarde met de hand behoorlijk is vastgedrukt, wordt de tweede rij gaatjes gevuld en zoo gaat men door tot zij alle van kiemen voorzien zijn, waarop men er bovenop ook nog eenige plant. Is men met beplanten klaar, dan wordt het geheel zóó lang onder water gedompeld, totdat er geen luchtblaasjes meer aan ontsnappen; ook later moet het gieten geheel op dezelfde wijze geschieden. Wordt de beplante piramide in bloei getrokken, dan richten al de uitgroeiende kiemen zich naar boven, zoodat het geheel er ten slotte uitziet, zooals in Fig. 299 is afgebeeld.

Het in bloei trekken der Lelietjes doet men, in een kamer, het best op de volgende manier. De potten of bundeltjes Convallaria's worden in een tamelijk hoog kistje met mos ingegraven, zoodanig, dat de neuzen ook eenige centimeters met mos bedekt zijn. Het mos wordt nu met een broesgieter met lauw warm water behoorlijk aangegoten, waarop het kistje met een paar glasruiten bedekt en dicht bij de kachel gezet wordt. Men moet er op letten, dat zij niet al te warm staan en dat de kachel, zoo mogelijk, gelijkmatig warm blijft. De kiemen worden nu dagelijks met lauw water begoten, waarbij dan tegelijkertijd de ruiten met een drogen doek worden afgeveegd. Zijn de kiemen zóó ver uitgegroeid, dat zij de ruiten raken, dan worden deze er afgenomen. Voordat de bloemen openkomen, neemt men de potten uit het kistje, verwijdert het mos en zet ze voor het venster of op de bloemtafel. Het geheele in bloei trekken der kiemen vordert ongeveer van 20-25 dagen. Heeft men de kiemen zeer vroeg geforceerd, dan zullen zij wel bloemen, maar geen bladeren ontwikkelen. Om dan aan het geheel wat meer leven te geven, en de witte bloempjes wat beter te doen uitkomen, legt men tusschen de bloemtrosjes levend sphagnum, of wel, men plant er kleine Varens tusschen. Het mooiste resultaat verkrijgt men, door in de eerste helft van Februari te forceeren, daar dan de bladeren en bloemen zich ongeveer te gelijk ontwikkelen (Fig. 300). Hoe verder wij nu het voorjaar ingaan, des te sterker worden bij het forceeren de bladeren; ten laatste verdringen zij geheel de bloemen, die dan niet meer tot ontwikkeling komen. Men kan dit bezwaar eenigszins voorkomen, wanneer men bij iedere kiem slechts één blad laat doorgroeien en de andere tijdig, in ieder geval vóór zij zich ontrollen, met een scherp mesje wegsnijdt. Bij het in bloei trekken der Lelietjes hangt alles èn van voldoende warmte èn van een behoorlijk vochtige lucht af, zoodat er zeer op het gieten en het spuiten moet gelet worden. Men doet het best, steeds lauw water te gebruiken. De grootste vijand van getrokken Convallaria's is de zon; laat men ze in de zon staan, dan hangen zij binnen korten tijd slap en zij richten zich niet weder op. Wil men van de bloeiende Lelietjes veel genoegen hebben en ze langen tijd goedhouden, dan moet men ze in een frissche, koele kamer zetten. De uitgebloeide kiemen sterven af en hebben alle waarde verloren.

Met het in bloei trekken van vaste-planten en bloemheestertjes in de kamer hebben wij vaak proeven zien nemen, die gewoonlijk mislukten. Wij raden ieder plantenliefhebber dan ook aan zijn tijd hiermede niet te verspillen; hij voorkomt op deze wijze tevens teleurstellingen.

IV. KALENDER DER MAANDELIJKSCHE WERKZAAMHEDEN.

Januari.

De maand Januari is voor de Kamerplanten nog een zeer slechte maand. Wel beginnen de dagen reeds een weinig langer te worden en breekt de zon reeds nu en dan door de wolken, maar het kan nog zeer koud zijn en wij moeten er dus op letten, dat de vertrekken, waarin wij planten kweeken, behoorlijk verwarmd worden. Is het zeer koud, dan moet men, wanneer in de kamers geen vulreguleerkachels staan, de kachels des avonds laat nog eens goed laten doorbranden, daar de temperatuur des nachts wel wat lager mag zijn dan overdag, maar dit verschil toch niet al te groot moet wezen. Ook moet men des avonds de planten van het venster verwijderen en ze verder in de kamer zetten. In koude nachten heerscht er bij de vensters altijd een zeer lage temperatuur; de warmtegraad daalt er aanmerkelijk, somtijds zóó sterk, dat de aarde in de potten bevriest en de teere planten doodgaan. De Primula's, die op de vensterbank of tusschen de dubbele ramen staan, kunnen, wanneer zij overdag niet in de zon staan, wel eenige graden vorst verdragen, maar men doet toch beter ze in de kamer te zetten, daar door het bevriezen de potten wel eens kunnen springen. Heeft men in Januari zachte dagen, dan moeten de kamers gelucht worden, waartoe men de teere planten eerst in een ander vertrek zet. Bijzonder voorzichtig moet men gedurende deze maand met het gieten zijn. Met uitzondering van eenige winterbloeisters en de in bloei getrokken planten, bevinden zich alle kamerplanten nog in haar rustperiode. De rustende planten moeten eer droog dan vochtig gehouden worden, maar men mag ze niet geheel laten uitdrogen, met uitzondering van de Cactussen en andere vetplanten, die men kurkdroog kan laten worden. Er wordt dus in het algemeen slechts weinig gegoten; wanneer men echter giet, moet men goed gieten, d.w.z. zóó dat het water goed door de geheele kluit heendringt en ten slotte door het drainage-gaatje wegloopt. Men moet nooit met versch, koud water, doch altijd met lauw water gieten. De potplanten moet men goed zindelijk houden, doode twijgjes en verrotte of verdroogde bladeren moeten steeds tijdig afgesneden worden. Zeer licht ontwikkelen zich, wanneer men daarop niet let, verschillende ongedierten, of wel, er zet zich op de bladplanten een laagje stof af. Beide moet men voorkomen, door iedere week de bladeren aan de boven- en onderzijde met een spons en lauw water goed af te wasschen. Krijgt het ongedierte toch de overhand, dan moet men die middelen toepassen, welke in het hoofdstuk "De vijanden der Kamerplanten" zijn opgegeven, ten einde ze zoodoende met vrucht te kunnen bestreden. Men moet gedurende deze maand de hardere planten, die in den kelder overwinteren, niet vergeten, en er op letten, dat zij nòch verdrogen, nòch bevriezen. Heerscht er zacht weer, dan moet de kelder, door het openzetten van het keldervenster, gelucht worden. Heeft men rustende bollen of knollen, dan ziet men die van tijd tot tijd na en vertoonen zij rotplekken, zoo worden die dadelijk weggesneden en de wonden met houtskoolpoeder bestrooid.

Het forceeren der planten is nu in vollen gang. In de warme kamer trekt men Hyacinten, Tulpen, Lelietjes der dalen. Al deze planten moeten gelijkmatig vochtig gehouden en slechts met lauw water begoten worden. Ook moet men goed letten op de tusschen de dubbele vensters staande Hyacinten op glazen; heerscht er langdurige vorst, dan doet men beter ze in een verwarmde kamer te zetten, daar zij anders licht zouden bevriezen en daardoor bederven.

Februari.

Gedurende deze maand kunnen de kamerplanten voor het meerendeel nog behandeld worden zooals voor Januari is opgegeven. Meestal heerscht er ook nu nog strenge vorst, de tuin ligt nog onder de sneeuw bedolven en de ruiten zijn vaak nog met ijsbloemen beschilderd. De zon begint echter langzamerhand meer te schijnen, zij krijgt meer kracht en de temperatuur stijgt dan ook gedurende de middaguren aanmerkelijk. Bij de kamerplanten begint het langzamerhand reeds lente te worden, voor het venster bloeien talrijke geforceerde bolgewassen en in de bladplanten begint wat leven te komen. Vooral moet men letten op de harde planten, die in een koude kamer overwinteren. Deze hebben toch neiging om zwakke, kleurlooze scheuten te vormen en daarom moet de groei zooveel mogelijk tegengehouden worden. Het vertrek, waarin zij staan, moet zeer koel, doch vorstvrij gehouden en van nu af aan zoo dikwijls en zoo rijkelijk mogelijk gelucht worden. De bladplanten, die in de woonkamer staan, kunnen in deze maand langzamerhand aan den groei gebracht worden, waartoe men ze wat meer begiet, en bij helder, zonnig weer nu en dan bespuit. Palmen, grootbladerige bladplanten en Varens kunnen tegen het eind van deze maand reeds verplant worden, doch men moet dan, totdat zij weder vaststaan, zeer voorzichtig met het begieten zijn. Verscheidene bol- en knolgewassen, zooals Liliums, Canna's en Gesneriaceeën, kunnen reeds opgepot en langzaam aan den groei gebracht worden. Met het voortkweeken kan men langzamerhand beginnen. Men zaait nu de zaden van Palmen en Bananen, verder die, welke langzaam kiemen, zooals die van Acacia's, Canna's, Mimosa's en ook de zeer fijne zaden waaruit zich slechts langzaam groote planten ontwikkelen, zooals die van Gesneriaceeën en Begonia's. Ook wordt het tijd de sporen van Varens uit te zaaien. De noodige aanwijzingen daartoe vindt men in de hoofdstukken "Het zaaien en uitplanten" en "De kunstmatige of ongeslachtelijke voortkweeking van Kamerplanten." Over het vrij moeilijke uitzaaien der Varensporen vindt men de noodige gegevens in het hoofdstuk "De Varens." De potten met uitgebloeide bolgewassen worden koel gezet, men geeft dezen laatsten allengs minder water, ten einde ze te laten opdrogen. De bollen, die reeds geheel rusten, worden uit de potten genomen, schoongemaakt en droog weggeborgen. Uitgebloeide Cineraria's, Primula's en Convallaria's hebben geen waarde meer en kunnen dus weggeworpen worden. De geforceerde planten staan nu in vollen bloei. Alle, besproken planten kunnen in deze maand geforceerd worden; men moet er echter om denken, die, welke geen hooge temperatuur kunnen verdragen, slechts voor het zonnige venster van een koel vertrek te zetten.

Maart.

De maand Maart is voor hem, die planten in de kamer kweekt, een echte lentemaand, welke voortdurend werk geeft. Het verplanten, waarmede men in de vorige maand begonnen is, wordt geregeld voortgezet en zoo mogelijk beëindigd, zoodat nog in deze maand alle planten, die er behoefte aan hadden, versche aarde verkrijgen. De zon, die nu meer en meer kracht begint te krijgen, maakt een geregeld en zeer oplettend gieten noodzakelijk; ook moeten, bij helder weer, de in warme vertrekken staande planten een paar keer per dag met den rafraîchisseur bespoten worden. De koele vertrekken moeten van nu af, bijna dagelijks, gelucht worden, ten einde de daarin staande harde planten zooveel mogelijk terug te houden. Wanneer deze, om een regelmatiger vorm te verkrijgen, ingesneden moeten worden, moet men dit nu doen, voordat de nieuwe groei begint. Een uitzondering hierop maken de Acacia's en andere bloemplanten, die nu met knoppen bezet zijn; deze toch mogen eerst na den bloei ingesneden worden. De potplanten, die haar blad laten vallen en die men in den herfst in den kelder heeft gezet, zooals Hortensia's, Fuchsia's, Rozen, enz. worden in de eerste dagen van deze maand voor den dag gehaald, verplant, ingesneden en voor het zonnige venster aan den groei gebracht. Zooals reeds gezegd is, mogen de Hortensia's, wil men mooie bloemschermen verkrijgen, niet ingesneden worden. Deze planten moeten meermalen bespoten worden, ten einde te voorkomen, dat er zich ongedierte op nestelt. De jonge scheuten, die nu verschijnen, kan men ook zeer goed als stekken gebruiken. Alle gedurende den herfst rustende bol- en knolgewassen, die nog niet opgeplant zijn, moeten thans aan den groei gebracht worden. De uitgebloeide Cyclamen gaat men droger houden, opdat zij langzamerhand haar bladeren verliezen. De rusttijd van dit knolgewas duurt tot midden in den zomer; het is echter geen volmaakte rusttijd, daar de wortels in het leven blijven; vandaar dat men de knollen niet uit den pot moet nemen en ze ook niet geheel moet laten uitdrogen. De reeds aan den groei gebrachte bol- en knolgewassen worden, zoo noodig, verplant en de bewortelde stekken opgepot, terwijl de zaailingen gerepikeerd worden. Deze maand is ook nog zeer geschikt om zaden te zaaien of stekken te steken. De planten, die warm en licht staan, niet verplant zijn, en sterk groeien, kan men reeds nu en dan een weinig gieren. Heeft men in bloei getrokken planten, die uitgebloeid zijn, dan behandelt men die op de wijze, welke in het desbetreffende hoofdstuk is opgegeven. Al de vermelde bol- en knolgewassen, staan thans in bloei; men moet er echter op letten, dat zij tijdig geschermd worden, daar zij anders veel te snel uitbloeien. Tusschen de dubbele vensters bloeien nu ook de Hyacinten op glazen, die bij zonnig weer zooveel water noodig hebben, dat zij wekelijks bijgevuld moeten worden.

April.