Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer

Chapter 35

Chapter 353,995 wordsPublic domain

Het forceeren van Hyacinten in potten. Voor het forceeren van Hyacinten in potten moet men als regel slechts zeer fraaie soorten gebruiken, die ieder afzonderlijk in potten van 10 cM. wijdte worden geplant. Van de kleinbollige Romeinsche Hyacint, die, alleenstaande, weinig indruk maakt, plant men er in den regel 3 tot 6 in een weinig grooteren pot (Fig. 272). Voor het forceeren van Hyacinten, die later in bloei moeten zijn, gebruikt men de zoogenaamde "rommel-bollen"; dit zijn minder sterke, vroeg bloeiende soorten zonder namen, die slechts volgens de kleuren gesorteerd zijn. Van dezen "rommel" kan men gewoonlijk drie bollen in een wat grooteren pot planten. Plant men er meer in één pot, dan moet die zóó groot zijn, dat zij elkander nóch raken, nóch drukken. Daar de Hyacinten slechts lange, witte wortels en geen haarwortels maken, plant men ze wel eens in hooge pijpvormige potten (Fig. 102). Dergelijke potten zijn echter zeer leelijk en doen volstrekt geen dienst. De aarde, die men voor de Hyacinten en ook voor de andere bolgewassen gebruikt, moet zandig en niet al te vet zijn. Daar de bollen het voedsel, dat zij voor den bloei noodig hebben, zelf reeds grootendeels verzamelden, is een goede, zandige tuingrond voor hen voldoende. Gewoonlijk gebruikt men een mengsel van twee deelen kleivrije tuinaarde, één deel oude broei- of compostaarde en een half deel zand. Daar de bollen slechts betrekkelijk korten tijd in den pot blijven, behoeft men van drainage niet heel veel werk te maken; enkele scherven onder in den pot zijn voldoende. Men vult bij het oppotten den pot tot over den rand los met aarde, zet den bol daar zóó op, dat hij midden in den pot staat, en drukt hem dan met beide handen in de aarde (Fig. 274) [5]. De aarde moet goed vast om den bol heengedrukt worden, zoodat men, na het indrukken van den bol, hieraan meestal nog wat moet toevoegen. Is men met het oppotten klaar, dan moet de bol zóó geplant zijn, dat zijn z.g.n. neus niet boven den potrand uitsteekt. Plant men hem te hoog, dan is dat wel niet direct schadelijk, maar het ziet er niet netjes uit. Fig. 275 toont een drogen Hyacinten-bol, een goed opgepotten en een te hoog opgepotten bol. Het oppotten van de vroegste soorten begint in de tweede helft van Augustus; het begin van September is echter nog vroeg genoeg. De middelmatige soorten kunnen nog in October, op zijn allerlaatst zelfs in het begin van November opgepot worden. Is men hiermede gereed en heeft men de potten van etiquetten voorzien, die de namen der soorten dragen, dan worden zij verscheidene keeren goed aangegoten. Hierna graaft men de potten, op de medegedeelde wijze onder den grond, of men zet ze op een donkere plek in den kelder. Doet men het laatste, dan brengt men over de tegen elkander gezette potten een handdikte aarde of wel, men zet over iederen beplanten een kleineren ledigen pot (Fig. 276); in het eerste geval moet men de aardbedekking nu en dan aangieten, opdat zij matig vochtig blijft; in het laatste geval moet nu en dan gegoten worden. Aan de bedekking met aarde is de voorkeur te geven, daar door den druk hiervan voorkomen wordt, dat de zich ontwikkelende wortels den bol uit de aarde lichten. In ieder geval moeten de opgepotte bollen donker en gelijkmatig vochtig staan.

De opgepotte vroege soorten laat men nu twee à drie maanden op deze donkere plaats staan, de latere soorten blijven daar nog aanmerkelijk langer. Men kan eerst dan met het forceeren beginnen, wanneer de Hyacint een vier à vijf centimeter langen scheut gevormd heeft en zij rijkelijk wortels heeft gemaakt; wat men, door en paar voorzichtig uit den pot te kloppen, gemakkelijk kan waarnemen. Het eigenlijke forceeren der Hyacinten gaat gemakkelijk en zonder veel moeite. Men graaft de potten op of haalt ze uit den kelder, waarna zij, na behoorlijk afgewasschen te zijn, een paar dagen in een koel vertrek worden gezet; eerst dan zet men ze op de vensterbank van de warme kamer. Men moet er nu op letten, dat de aarde steeds behoorlijk vochtig blijft en dat zij niet aan tocht of koude buitenlucht worden blootgesteld. In den beginne zet men de uit het donker gehaalde potten niet dadelijk in het volle daglicht, maar men bedekt ze met papieren peperhuisjes of leege potten (Fig. 276) en neemt deze bedekking er na 6 of 8 dagen af. De eerst gele, aangesloten bladeren krijgen, in het licht gezet, reeds na 24 uren een lichtgroene kleur, wijken van elkander af en de bloemtros komt te voorschijn. Zet men de bollen niet te vroeg warm, en doet men dit pas na een voldoende voorbereiding, dan zullen de bloemen en bladeren zich in de juiste verhouding ontwikkelen. Deze ontwikkeling gaat bij de vroege soorten zeer snel. Drie of vijf weken, nadat zij warm gezet zijn, ontluiken de eerste knoppen en de bloemtros moet dan geheel vrij boven de gootvormige bladeren uitsteken. Afgezien van de Romeinsche Hyacinten, die men reeds in November warm kan zetten, moet men met het forceeren der vroegste soorten niet vóór den eersten December beginnen. Daar de kale potten op de vensterbank niet erg mooi staan, en het tapijt door het veelvuldige gieten licht bemorst wordt, doet men beter de Hyacinten in daarvoor vervaardigde bakjes te zetten (Fig. 277). In deze bakjes moet zich een zinken bak bevinden, voorzien van een afvoerbuisje, waardoor men het overvloedige gietwater, zoo noodig kan aftappen. De bloeiende Hyacinten maken, met andere in bloei getrokken planten voor het venster gezet, een prachtig figuur. Zet men de Hyacinten te vroeg warm, voordat zij voldoende beworteld zijn en een goeden scheut gemaakt hebben, dan krijgt men in den regel een zeer treurig resultaat. In veel gevallen begint het hart te rotten en krijgt men in het geheel geen bloem of wel de bladeren groeien buitengewoon krachtig door en de bloemtros blijft, door gebrek aan voedsel, achter en komt niet boven de bladeren uit; de knoppen verdrogen of ontwikkelen zich slechts onvoldoende, zoodat in beide gevallen de plant haar waarde heeft verloren. Nu en dan komt het ook wel voor, dat oogenschijnlijk gezonde bollen een slechten, kleurloozen scheut ontwikkelen of wel, dat de bloem niet wil doorgroeien. In dit geval heeft de verzorger, wanneer hij onze wenken in acht genomen heeft, er geen schuld aan. De fout schuilt dan in den bol en zulke gevallen zijn zelfs door den knapsten vakman lang niet altijd te voorzien.

Forceert men late Hyacinten, dan mogen die niet te warm gezet worden, daar dan de bloemen en bladeren te zwak worden. Het schoonst is gewoonlijk de vroeg geforceerde Hyacint, die haar bloemsteng zonder steun flink rechtop draagt. Dit laatste is echter niet altijd het geval en dan moet deze aangebonden worden. Hiertoe bedient men zich het best van een metalen staafje, zooals in Fig. 278 is afgebeeld, dat zóó ingericht is, dat men het bij den bol kan steken zonder dien te beschadigen. Dit staafje bestaat uit dubbel gedraaid koperdraad, dat van onder zóó gebogen is, dat het tegen den potrand bevestigd kan worden. Ieder bekwaam koperslager kan deze staafjes vervaardigen.

Een bloeiende Hyacint is, in de warme kamer geplaatst, slechts betrekkelijk kort van duur. Wil men lang genot van zijn planten hebben, dan moet men ze, nadat de eerste bloemen ontloken zijn, in een koele kamer zetten; de bloei duurt dan veel langer. Men moet er echter voor zorgen, dat de bloeiende Hyacinten niet in een kamer gezet worden, waar het kan vriezen, aangezien zij daarvoor zeer gevoelig zijn.

Uitgebloeide Hyacinten hebben haar waarde verloren; zij geven echter het volgend jaar nog een bescheiden bloempje, wanneer men ze na den bloei langzaam laat afsterven, dan uit de potten neemt, ze schoonmaakt en tot het begin van den planttijd droog en luchtig bewaart.

Het forceeren van Hyacinthen op water. Een liefhebberij, die om haar zindelijkheid en eenvoud zeer in trek is, is het forceeren van Hyacinthen op water. Om dit te doen bedient men zich van zoogenaamde Hyacintenglazen. Deze glazen zijn in verschillende vormen en prijzen te verkrijgen. Enkele van onze gravures toonen eenvoudige glazen, die in verschillende kleuren overal te koop zijn. Men heeft in den laatsten tijd ook andere glazen vervaardigd, die het bijvullen van het water gemakkelijk maken. Ook het ververschen van het water, hoewel niet dikwijls noodig, kan met deze glazen zeer gemakkelijk geschieden. Het nieuwste en doelmatigste Hyacintenglas is door J. C. Schmidt, te Erfurt, in den handel gebracht. Over de geheele lengte van dit glas loopen gootjes (Fig. 279). Door deze kan, zooals onze gravure aantoont, het eventueele vuile water zeer gemakkelijk afgegoten worden, daar men den bol met zijn wortels niet uit het glas behoeft te nemen; hij wordt zelfs, wanneer men het water voorzichtig afgiet, niet eens vochtig. Dicht onder den hals van dit glas bevindt zich tusschen iedere twee gootjes een glazen uitsteeksel. Deze uitsteeksels maken het mogelijk bollen van iedere grootte er op te zetten, terwijl de bollen er ook luchtig door staan, waardoor het ontstaan van rotting wordt voorkomen. Het gewone Hyacintenglas echter is ook in alle opzichten voldoende, daar men, om er water af of bij te gieten, slechts den bol even behoeft op te lichten. Wij moeten nog opmerken, dat men in den laatsten tijd ook zeer fraaie, elegante glazen in den handel heeft gebracht.

De Hyacinten, die men op glazen forceert, komen lang niet zoo vroeg in bloei als die, welke in potten geplant zijn. Men moet, wil men voorkomen dat de bollen rotten, ze niet vóór October op de glazen zetten. Daar de wortels in het water zoo goed als geen voedingstoffen vinden, kan men voor het forceeren op glazen slechts bollen van eerste qualiteit gebruiken. Enkelbloemige soorten zijn veel beter voor dit doel geschikt dan dubbele. Bij het aankoopen moet men uitdrukkelijk te kennen geven, dat men bollen verlangt, die op glazen moeten gezet worden. Wanneer in October de tijd voor het op glazen zetten gekomen is, dan worden deze, na eerst zeer goed schoongemaakt te zijn, tot vrij dicht onder den hals met helder regen- of leidingwater gevuld. Op ieder glas kan men zooveel keukenzout toevoegen, als op de punt van een ontbijtmes liggen kan; dat moet dienen om het water eenigszins vrij van groene Wieren te houden. Heeft men de glazen gevuld, dan kunnen de bollen er op gezet worden; zij moeten goed in den hals passen en dus vastzitten. De wortelhals van den bol moet dicht boven het water zijn, doch mag dit niet aanraken, daar hij dan begint te rotten. Fig. 280 toont een pas opgezetten bol; men kan daaraan duidelijk zien, hoe hoog het water staan mag. Den waterstand moet men natuurlijk, regelen na het opzetten van den bol. Op ieder glas plakt men een etiquetje met den naam van den opgezetten bol.

Evenals de in potten geplante Hyacinten, moeten ook de op glazen gezette minstens een paar maanden in donker staan. Het best zet men ze in den kelder of in een niet te warme kast. Kan men geen van beide doen, dan zet men ze op de donkerste plek van de kamer en bedekt iederen bol met een papieren peperhuis. In den loop van een paar maanden zullen de meeste bollen rijkelijk wortel gemaakt en een krachtige spruit gevormd hebben. Binnen dezen tijd zal een paar keer bijvullen der glazen noodig zijn. De wortels nemen water op en ook verdampt er een weinig, zoodat men telkens, wanneer het een paar centimeters gezakt is, de glazen opnieuw moet bijvullen. Fig. 280 toont, hoe een Hyacint er vier weken na het op water staan uitziet. Natuurlijk ontwikkelen niet alle bollen zich even goed, enkele rotten en hebben dan hun waarde verloren, weer andere werken volstrekt niet, hoewel de bol gezond blijft. Men doet het best deze laatste van de glazen te nemen en ze in potten te planten, waarin zij dan meestal spoedig wortelen en nog goed terechtkomen. Hebben de wortels den bodem van de glazen bereikt, dan zet men ze voor het venster; de scheuten mogen dan echter nog niet direct aan het licht blootgesteld worden, maar men bedekt die nog enkele dagen met een peperhuis.

Daar de Hyacinten op glazen langzaam groeien en meestal pas in Maart bloeien, moet men ze niet dadelijk aan een te hooge temperatuur blootstellen. De beste plaats voor Hyacinten op glazen is tusschen de dubbele vensters van een verwarmd woonvertrek; zij staan daar zeer goed en ontwikkelen er zich langzaam maar zeker. Zijn de scheuten ongeveer zoover uitgegroeid als Fig. 281 aanduidt, dan kan men ze in het volle licht zetten, en neemt men dus de peperhuizen weg. De verzorging is zeer eenvoudig, en bepaalt zich tot het bijvullen van het verbruikte water. Geheel ververschen van het water is slechts noodig, wanneer de bollen wortelziek zijn geworden, daar gezonde wortels ook het water tamelijk zuiver houden. Heeft men zeer koude nachten, waarin het water in de glazen voor het venster zou kunnen bevriezen, dan neemt men ze des avonds weg en zet ze midden in de kamer. Enkele bollen ontwikkelen kweekbolletjes, die men tijdig moet wegsnijden. Begint met de lente de zon meer en meer krachtig te schijnen, dan groeien de bloemen der Hyacinten zeer welig door. Daar de bollen, door het gewicht van den bloemtros, dan niet erg vast meer staan en de bloemtrossen zelf gaan overhangen, gebruikt men het in Fig. 278 afgebeelde staafje om ze hieraan op te binden. Fig. 282 toont aan, hoe men dit staafje aan het glas kan bevestigen. Wanneer de Hyacinten zich op de glazen niet goed ontwikkelen, wanneer zij te lange bladeren vormen en de bloemen blijven steken, dan is dit meestal een gevolg van het te vroeg in het licht zetten, of van een te warme standplaats.

Zijn de bollen op glazen uitgebloeid, dan zijn zij ook geheel uitgeput. Men kan ze wel langzaam laten afsterven, droog bewaren en in het najaar in potten of in den tuin planten, maar een voldoenden bloei zullen zij in geen geval meer geven, zoodat men beter doet ze direct na den bloei weg te werpen.

Het kweeken van Hyacinten op dubbele glazen. Zeer interessant is het kweeken van Hyacinten op de in Fig. 283 afgebeelde dubbele glazen. Zulk een glas bestaat uit twee deelen: het onderste fleschvormige gedeelte, dat een voet heeft, en het bovenste tulpvormige gedeelte, dat los op het eerste past. Tot het beplanten van zulk een glas behooren twee bollen; gewoonlijk neemt men een roode en een witte of blauwe variëteit die te gelijk bloeien. Nadat men het bovenste gedeelte van het onderste heeft afgenomen, zet men de roode Hyacint met de spruit naar onder in den hals ervan, waarin de bol goed moet passen, zoodat er geen openingen blijven. Hierop wordt het geheele bovenste gedeelte met het reeds vermelde grondmengsel gevuld, en daarin de blauw bloeiende soort met de spruit naar boven geplant. Heeft men dit gedaan, dan zet men het bovenste gedeelte weder op het onderste, zet het geheel donker en zorgt er voor, dat de aarde gelijkmatig vochtig blijft. Beginnen de bollen goed te wortelen, dan zet men de glazen op een lichte standplaats in de kamer en vult het onderste fleschvormige gedeelte met helder water.

De onderste Hyacint blijft nu naar beneden groeien en bloeit in het water, terwijl de bovenste zich als iedere andere Hyacint ontwikkelt. Altijd gelukt het niet, beide te gelijk in bloei te hebben; het wil wel voorkomen, dat de bovenste bol te vroeg bloeit; dit bezwaar is echter te voorkomen door den uitgebloeiden bol door een anderen te vervangen. Erger is het, wanneer de onderste bol begint te rotten, in welk geval het geheel verloren is, daar deze niet door een ander vervangen kan worden. Het geheel maakt, wanneer het goed gelukt, een alleraardigsten indruk.

Tulipa (Tulp). Naast de Hyacint is de Tulp ontegenzeglijk het meest gezochte bolgewas, en daar de meeste soorten òf reukeloos zijn, òf slechts zeer zacht geuren, wordt zij door vele liefhebbers boven eerstgenoemde verkozen, daar deze hun veel te sterk riekt.

In de vijftiende eeuw kwam de Tulp uit Perzië in Turkije, waar zij spoedig zeer bemind werd, zóó zelfs, dat men jaarlijks ter harer eere een groot feest vierde. Nog heden ten dage bestaat deze gewoonte en de Sultan beschouwt het als een groot blijk van liefde wanneer de bewoonsters van den harem jaarlijks dit feest voor hem bereiden. In 1559 kwamen de Tulpen in Duitschland, en in het begin der zeventiende eeuw werden ze hier te lande ingevoerd. Nergens heeft de Tulp zoo'n opgang gemaakt als in ons land, en nergens heeft zij tot zulke dolzinnige speculaties aanleiding gegeven. Van af 1634-1637 waren het de meest in trek zijnde handelsartikelen op de markten van Amsterdam, Utrecht, Leiden, Rotterdam, enz. Als geboren koopman maakte men toen ter tijd de Tulp tot een gewild handelsartikel. Het volk werd als het ware met een Tulpenkoorts besmet en de werkelijke handel veranderde in de grootste zwendelarij. Iedereen hield er een grootere of kleinere Tulpenkweekerij op na, in de hoop spoedig rijk te worden. De voornaamste zwendelarij bestond in het verkoopen van Tulpen, die in het geheel niet bestonden. Door de groote vraag werden de prijzen buitengewoon opgedreven en voor zeldzame soorten werden fabelachtige sommen besteed. Zoo werd o.a. voor één enkelen bol van de "Semper Augustus" de som van 14.600 gulden besteed; een openbare verkoop van 120 Tulpen bracht in 1637 op de markt te Alkmaar 90.000 gulden op, en te Amsterdam werd in één week voor 10 millioen gulden aan Tulpenbollen verkocht. Op den duur was deze zwendelarij onhoudbaar, zoodat de Staten Generaal er den 27sten April 1637 een wet tegen uitvaardigden. Ten gevolge hiervan geraakte de Tulpenhandel spoedig weder in zijn natuurlijk spoor, en de zwendelaars verlieten met gevulde zakken het tooneel hunner speculaties. Hoewel de Tulpenzwendelarij verdwenen is, bestaat er hier te lande tusschen den Nieuwen Waterweg en het Amsterdamsche Noordzee-kanaal toch nog een zeer uitgebreide Tulpencultuur.

Van af einde Augustus tot aan November kan men de Tulpen, die men wil forceeren, opplanten. Soorten echter, die men vroegtijdig in bloei wil hebben, moeten ook tijdig opgepot worden. Het beste plant men de Tulpen in een grondmengsel, dat bestaat uit gelijke deelen broei- en tuinaarde, waarbij men rijkelijk zand voegt; ieder ander zandig, doch niet te kleiachtig of vet grondmengsel kan men echter ook voor het oppotten van Tulpen gebruiken. Het best doet men drie bollen in een pot te planten, die maar juist zóó groot mag zijn, dat zij elkander niet raken. Nadat men den pot met aarde gevuld heeft, worden de bollen er in gedrukt (Fig. 286) en wel zóó diep, dat hun neuzen in één lijn liggen met den rand van den pot of er slechts even bovenuit steken. Het best doet men de beplante potten met Tulpen in den kelder te zetten en ze een centimeter of drie met aarde te bedekken. Men moet echter goed op deze bollen letten, daar zij bij voorkeur door muizen worden afgeknaagd. Graaft men de potten in den tuin onder, dan mag men vooral de vroegere soorten niet te lang zoo laten staan, daar de scheuten dan na een paar maanden reeds een buitengewone lengte hebben bereikt, waardoor de bloemen zich later niet mooi zouden ontwikkelen. Hierbij komt nog, dat de langstengelige Tulpen dan niet rechtop blijven staan en daardoor veel van haar schoonheid verliezen. Bij het forceeren in de kamer stelt de Tulp even weinig eischen als de Hyacint; de vroege soorten verdragen ook, wanneer zij vroeg geforceerd worden, tamelijk veel warmte. De vroegste soorten zijn de enkele Duc-van-Thol. De vroegste en kleinste van deze soort is de rood met gele, dan volgen de scharlaken, rose, gele, goudbonte, maximus en vermiljoen-variëteiten. De meeste van deze verspreiden een zachten geur. Ook onder de talrijke niet-riekende Tulpen bevinden zich verscheidene vroegere soorten. De eerste Duc-van-Thol's kunnen omstreeks St. Nicolaas bloeien. Fig. 287 toont een pot met enkele, Fig. 288 een met de minder aanbevelenswaardige, dubbele Tulpen. De vroege Tulpen moeten ook vroeg in December en Januari geforceerd worden, daar bij een later in bloei trekken de bladeren zich buitengewoon ontwikkelen en de bloemknoppen verdorren. Bij het forceeren van vroege Tulpen wil het wel voorkomen, dat de bladeren zóó stijf in elkander gerold zitten, dat de knop er niet door kan breken; is dit het geval, dan moet men de bladeren voorzichtig uit elkander rollen.

Late Tulpen zijn voor het forceeren minder geschikt, daar zij tegen het voorjaar haar waarde voor de kamer verliezen. De Tulpen zijn het fraaist, wanneer de bloemen gesloten zijn; des winters blijven zij dit in een koel vertrek zeer lang en duren dan ook geruimen tijd; in het voorjaar gaan zij, onder den invloed van de zon, openstaan en bloeien daardoor zeer snel uit. Iedere Tulpen-bol brengt als regel één, slechts zelden twee bloemen voort.

Narcissus (Narcis). Door de kweekers worden de hiertoe behoorende soorten, met meestal zeer welriekende bloemen, verdeeld in drie groepen: Narcissen, Tazetten en Jonquilles. De Narcissen dragen slechts één of twee, de Tazetten daarentegen een aantal bloemen op één steng; zij hebben smalle, grasachtige bladeren en sterke bollen. De Jonquilles dragen minstens twee of drie, meestal echter meer bloemen op één steng; zij hebben smalle, grijsachtige bladeren en kleine bollen (Fig. 289); het zijn over het algemeen zeer sierlijke plantjes. De Narcissen behooren te huis in Spanje, Portugal, Italië en Griekenland, doch blijven hier te lande des winters onder bedekking zeer goed buiten over.

Al de hiertoe behoorende bollen worden tegen het einde van Augustus in potten geplant. Men gebruikt hiertoe zandige broeiaarde, waaraan een weinig tuingrond kan worden toegevoegd. In iederen pot worden gewoonlijk drie bollen geplant en daar zij elkander niet mogen aanraken, moet men voor Narcissen en Tazetten potten gebruiken van ongeveer 15 cM. wijdte, terwijl voor Jonquilles, die kleinere bollen hebben, potten van 10 cM. groot genoeg zijn. De bollen worden geheel in de aarde geplant; slechts de lange neus mag er een eindje bovenuit steken en mag zelfs iets boven den potrand uitkomen. Men kan nu de beplante potten, hetzij ondergraven, hetzij op een schaduwrijke plek in den tuin zetten, totdat de vorst begint in te treden; zij moeten dan voorloopig in den kelder worden geplaatst. In het eerste geval mag men de potten hoogstens tot midden Januari ondergegraven laten staan, opdat de bladeren, door het te vroeg warm zetten niet te lang worden; in het tweede geval moet men niet vergeten de potten gelijkmatig vochtig te houden. Van het begin van het forceeren tot den bloei verloopen 4-6 weken.

Al de verschillende soorten Narcissen laten zich zeer goed in bloei trekken, wanneer men daarmede niet vóór half Januari begint; zij zijn dan in dien tijd goed beworteld en hebben zich flink ontwikkeld. Het in bloei trekken moet niet al te snel gaan. Men brengt deze planten eerst in een vertrek, waarin niet gestookt wordt, doch dat vorstvrij is; acht à tien dagen later zet men ze dan in een temperatuur van 50° à 55° Fahr. Zooals steeds bij het in bloei trekken, moet men er ook bij deze planten op letten, dat de aarde nooit uitdroogt, doch gelijkmatig vochtig blijft. Fig. 289 toont de bollen van een paar Jonquillen-soorten; Fig. 290 die van twee verschillende Narcissen-soorten, en Fig. 291 die van drie Tazetten-soorten, terwijl Fig. 292 een pot met een bloeiende Narcis vertoont. Bij het inkoopen van deze bollen moet men ze goed bekijken; zij worden toch door de larven van twee verschillende vliegen bewoond, toonen dan ronde gaten en komen niet tot bloei. Niet al de tot het geslacht Narcissus behoorende planten laten zich forceeren, verscheidene soorten hebben slechts waarde ter versiering van den tuin. De vroegste soort om in bloei te trekken is de niet zeer schoone Marseiller Tazette, die reeds in December warm gezet kan worden en zeer goed een hooge temperatuur verdraagt. Andere Narcissen moet men voor het zonnige venster van een warme kamer langzamerhand tot ontwikkeling laten komen. De Jonquilles mogen niet vóór Maart in de kamer worden gezet.