Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer
Chapter 33
Een bekende in het aquarium even dankbare, als in de slooten lastige waterplant is de Elodea canadensis of Waterpest. Zooals de naam aanduidt, is deze plant afkomstig uit Canada. Tegenwoordig wordt zij echter bijna overal aangetroffen. Zeer fraaie planten voor het aquarium zijn de Fontinalis-soorten. Het zijn wortellooze bladmossen, met lange stengels en zeer sierlijke blaadjes. Zij worden veel in stroomend water gevonden. Fig. 256 toont de Fontinalis antipyretica. Deze plant houdt het jarenlang in een aquarium uit. Men bindt ze door middel van looddraad aan elkander, de zwaarte van het lood houdt ze dan in den juisten stand. Zoo samengebonden, kunnen ze geplant of ook los in het water geworpen worden. Op deze wijze behandeld, groeien zij jarenlang, wanneer men ieder voorjaar de bosjes uit elkander neemt, onderaan van de scheuten een stukje afsnijdt en ze daarna weder te zamen bindt en in het water brengt. Een zeer sierlijke inlandsche, onder water groeiende plant is de Hottonia palustris. Fig. 257 toont deze fraaie maar lastige plant, gekweekt in elementglas. Zij draagt sierlijk, kamvormig verdeelde bladeren. De bloemen, welke veel overeenkomst hebben met die van de Primula, zijn wit en staan op krachtige stelen boven het water uit. De bloeitijd valt in de maand Juni.
Zeer schoon voor het aquarium is ook de in Duitschland inheemsche Isoëtes lacustris. Deze plant komt voor in de bergmeren van het Schwarzwald, Böhmerwald en het Reuzengebergte. Zij vormt een knolachtigen stengel en heeft grasachtige bladeren. Zij is zeer sterk en vereischt weinig zorg. Veel schooner zijn enkele uitheemsche soorten, die, jammer genoeg, slechts in enkele Botanische Tuinen worden aangetroffen. Niet vergeten mogen worden de Myriophyllums, waarvan enkele soorten haar bloemaartjes boven het water uitsteken. Als zeer geschikt voor het aquarium kunnen wij aanbevelen de Myriophyllum verticillatum en de Myriophyllum spicatum.
Waterplanten met drijvende bladeren.
Naast de in het vorige hoofdstuk behandelde planten, die onder water groeien, staan, wat betreft de geringe zorgen, die met drijvende bladeren. Deze planten vormen meestal zeer lange bladstelen, die tot aan het wateroppervlak groeien, waarna zij de vlak op het water drijvende bladeren ontwikkelen. De bijna altijd schoone, dikwijls zelfs imposante bloemen drijven ook op het watervlak of heffen zich daar slechts een weinig bovenuit. Veel dezer planten zijn echter gevoelig voor de droge kamerlucht; staan zij daarin, dan worden de bladeren spoedig door bladluizen aangetast. De beste wijze om deze ongenoode gasten te verwijderen is het blad voorzichtig uit het water te nemen en het met verdund tabaksextract in te smeren. De meeste waterplanten met drijvende bladeren vermenigvuldigen zich, evenals de onder water groeiende, door uitloopers, terwijl andere zich gemakkelijk uit zaad laten kweeken. Des winters sterven de hiertoe behoorende planten meer of minder terug, veel sterven zelfs geheel in. In het voorjaar groeien zij echter, bij een weinig warmte, weder zeer spoedig uit. Staan deze planten in een stoffige kamer, dan moet men niet vergeten de bovenzijden der bladeren nu en dan met een sponsje af te vegen. Bespuiten der bladeren is dàn slechts wenschelijk, wanneer het goed helder weer is; bij donker weer doet men er meer kwaad dan goed mee, wijl er dan gemakkelijk rotplekken in de bladeren ontstaan.
a. Uitheemsche soorten.
Een der beste aquarium-planten met drijvende bladeren is de Aponogeton distachyon; deze is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop en heeft een knolachtigen wortelstok. De Aponogeton is een dankbare bloeister en ontwikkelt haar bloemen zeer geregeld in de kamer. De
bloemen zijn tweerijig, zuiver wit en welriekend; daarbij duren zij zeer lang. De bloei duurt bijna het geheele jaar door, en de harde zaden rijpen niet alleen zeer goed in de kamer, maar kiemen er meestal zonder eenige hulp, somtijds zelfs reeds aan den bloemstengel. De langwerpige, drijvende bladeren kunnen vrij groot worden. Indien men wil, dat de Aponogeton zich goed ontwikkelt, dan moet men haar planten in een ruim aquarium, en daarbij goeden graszodengrond gebruiken. Bijzondere eischen, wat warmte aangaat, stelt deze plant niet; zelfs kan zij bij een niet al te strenge vorst ons winterklimaat verdragen. In den laatsten tijd heeft een Fransch kweeker van de typische soort een variëteit, de Aponogeton distachyon Lagrangeï gewonnen, die zich kenmerkt door een krachtigen groei en rose bloemen. In Oost-Indië komt nog een andere soort met slechts één bloemaar, de Aponogeton monostachyon, voor. Een zeer interessante hiertoe behoorende plant is ook de Aponogeton fenestralis, afkomstig uit Madagascar. Haar bladeren bevatten geen bladmoes en bestaan slechts uit de nerven en aders; daarbij komen zij nooit boven water. Jammer is het, dat zij behoefte heeft aan warm water, en daarbij zóó lastig in de cultuur is, dat men haar slechts zeer zelden aantreft. Een heel aardige aquarium-plant is de Limnocharis Humboldtii, ook wel Hydrocleis nympheoides genaamd; zij is afkomstig uit Caracas en heeft veel overeenkomst met een kleine Nymph. Midden in den zomer ontwikkelt zij een groot aantal alleen staande, citroengele bloemen, die uit drie bloemblaadjes bestaan. Zij vormt een aantal drijvende stengels, die aan de knoopen wortels maken; deze kunnen afgesneden worden en vormen dan zelfstandige planten. Een goede plant is ook de Limnanthemum indicum of Villarsia Humboldtiana. Deze éénjarige plant komt voor in de wateren van Azië, Australië en Afrika. Zij vormt boschachtige stengels, die in het najaar zinken; hieruit ontwikkelen zich dan in de lente, wanneer de moederplant reeds afgestorven is, een aantal jonge plantjes. De bladeren zijn rond-hartvormig, de bloemen wit, ongeveer 2 cM. in doorsnede; de bloembladeren zijn aan de randen fijn gefranjed. Er zijn nog verscheidene soorten van bekend, waarvan de Limnanthemum crenatum, afkomstig uit Australië, de meest bekende is. Deze soort heeft rondachtige, onregelmatig ingesneden bladeren en een weinig grootere, gele, eveneens gefranjede bloemen.
De Limnanthemums houden van een goeden grond en voldoende warmte, verder stellen zij geen eischen. Lastig is de voortkweeking uit zaden, die direct na het rijpen moeten gezaaid worden, doch meestal eerst in de volgende lente kiemen. Voor grootere aquariums zijn ook Nymphæa's aan te bevelen. De schoonste tropische soorten, die zich kenmerken door prachtig gekleurde bloemen, zijn voor kamercultuur niet geschikt, daar zij veel te groot worden en ook een zeer vochtige lucht en warm water verlangen. De schoonste uitheemsche Nymph voor kleinere aquariums is de Nymphæa pygmæa, afkomstig uit Oost-Siberië en China. Deze soort heeft bladeren, die slechts 4-5 cM. doorsnede hebben en bijna gevulde, witte bloemen met een diameter van ongeveer 4 cM.
Een aardige Nymph, die echter reeds vrij omvangrijk wordt, is de uit Noord-Amerika afkomstige en bij ons winterharde Nymphæa odorata, met zeer welriekende, witte bloemen. Een variëteit van den lateren tijd, de Nymphæa odorata rosea, heeft zacht roode bloemen. Er bestaat van deze soort ook een witte variëteit met zeer kleine bloemen, de Nymphæa odorata minor. Een zeer fraaie, geel bloeiende Nymph is de Nymphæa Marliacea chromatella (Fig. 260). Deze mooie plant is beter geschikt voor grootere tuin-bassins dan voor een kamer-aquarium. De Nymphæa's verlangen een zwaren, zeer voedzamen grond; het best is baggergrond, vermengd met graszodengrond en zand. Den grooteren soorten moet men een aardlaag van minstens 20 cM. dikte geven. Des winters zijn deze planten bijna of geheel bladerloos; in het voorjaar beginnen zij echter reeds vroegtijdig uit te groeien. De voortkweeking geschiedt door verdeeling van den wortelstok, beter echter door zaden, die van hun rijping tot het uitzaaien in gesloten, met water gevulde fleschjes moeten bewaard worden. De kiembladeren der Nymphæa's hebben een anderen vorm dan de volwassen bladeren, en blijven steeds onder water. Als een zeer sierlijke plant met drijvende bladeren moet nog vermeld worden de Sagittaria natans (Fig. 261), die naast de Vallisneria als een der beste waterplanten is te beschouwen. De jonge bladeren van deze soort gelijken sprekend op die van de Vallisneria; een goed groeiende plant vormt echter spoedig draadvormige bladstelen, die drijvende, ovale bladeren dragen; na korten tijd verschijnen nu ook de op het water drijvende, lieve, driebladerige, witte bloempjes, waarvan steeds enkele te zamen vereenigd zijn. De Sagittaria natans stelt geen bijzondere eischen en kweekt uit zichzelf door uitloopers gemakkelijk voort. Een zeer interessante soort, die in Polen wordt aangetroffen, doch daar blijkbaar aan het uitsterven is, is de Trapa natans. Dit is een éénjarige plant, die drijvende rozetten vormt, welke door een in den bodem gewortelden, draadvormigen stengel worden vastgehouden. De bladeren hebben een zeer eigenaardigen, vierhoekigen vorm. De bloemen zijn onbeduidend, de zaden, waaruit eertijds de arme landbewoners een soort meel bereidden, zijn tamelijk groot, vreemd gevormd en van twee of drie groote horens voorzien. Nadat de zaden rijp geworden zijn, drijven zij eenigen tijd op het water. Tot het voorjaar bewaart men ze in water op een koele plaats; zij worden dan in het aquarium geworpen, waarna de kieming spoedig volgt.
b. Inlandsche soorten.
Een der dankbaarste inlandsche aquarium-planten is zeker wel de Alisma natans, die in jongen toestand lange, onder water groeiende bladeren heeft. De plant brengt stengels voort, die tot aan de oppervlakte van het water doorgroeien en in een knop eindigen; uit dezen knop ontspruiten de ovale, drijvende bladeren en ook de lieve, op het water drijvende, witte bloemen. In een kamer-aquarium beginnen deze bloemen reeds vroeg in het voorjaar, omstreeks Maart of April, te ontluiken. De voortkweeking geschiedt zeer gemakkelijk langs kunstmatigen weg. Men snijdt den aan de oppervlakte drijvenden stengel onder den knop af en plant dezen afzonderlijk op. Na korten tijd zal hij wortel hebben en doorgroeien. Naast de reeds genoemde uitheemsche Limnanthemum komt ook de inlandsche, de Limnanthemum nymphæoïdes (Fig. 262), als een fraaie aquariumplant in aanmerking. Zij wordt het meest aangetroffen in stilstaande of zacht stroomende waters en bloeit daar meestal omstreeks Juli en Augustus. De vorm der bladeren is juist zooals de gravure dien aantoont; de bloemen zijn helder geel. Deze fraaie, zeer weinig eischende plant, kweekt zeer gemakkelijk voort door uitloopers, die door te weinig ruimte vaak in den bodem verstikken. Deze Limnanthemum sterft, des winters in een kamer gehouden, niet geheel af. Door vele liefhebbers van waterplanten, worden ook jonge inlandsche Nymphæa's in hun kamer-aquariums gekweekt. Zij blijven er wel goed, doch komen er uiterst zelden tot bloei. Plant men deze Nymphen echter in groote middendoor gezaagde vaten, die half met goede, vette aarde en half met water gevuld zijn, dan groeien en bloeien zij uitstekend. Men moet er op letten, goede gave wortelstokken te planten. De meest voorkomende soort is de Nymphæa alba, een onzer schoonste inlandsche waterplanten, die men overal in stilstaand water aantreft.
Een zeer schoone variëteit is de Nymphæa alba rosea, met karmijnroode bloemen, roode knoppen en roode blad- en bloemstelen. Deze variëteit is in een Zweedsch meer gevonden. Jammer is het echter, dat zij nog betrekkelijk weinig voorkomt en daarbij zeer duur is. Een andere schoone soort is de Nymphæa candida. Deze heeft kleinere bloemen, die echter bijna geheel gevuld zijn.
Als kleine plant wordt ook wel in de aquariums gekweekt de Nuphar luteum, evenals de kleinere en zeldzamere Nuphar pumilum. De Nuphars groeien echter beter buiten in tonnen; in een betrekkelijk klein aquarium zullen zij nooit haar goudgele bloemen kunnen ontwikkelen. De behandeling der inlandsche Nymphæa-soorten is juist dezelfde als die, welke in het vorige hoofdstuk voor de uitheemsche is opgegeven. Een aardige plant met drijvende bladeren is ook de Potamogeton natans met een langen drijvenden stengel en lancetvormige bladeren. De tamelijk onbeduidende bloemaartjes steken boven het water uit. Deze is een zeer veel voorkomende plant, die men veel in greppels vindt en drogen die uit, dan verandert zij in een landplant. De voortkweeking geschiedt door stekken, van den stengel gesneden.
Drijvende waterplanten.
Tot de drijvende waterplanten behooren al die gewassen, welke niet in de aarde wortelen, doch op het wateroppervlak drijven en waarvan de vaak lange wortels vrij in het water hangen.
De drijvende waterplanten dragen veel bij tot de versiering der oppervlakte van het water; zij laten zich echter niet zeer gemakkelijk kweeken, daar de droge, stoffige kamerlucht zeer nadeelig voor haar is. Zeer goed groeien eenige inlandsche soorten, de overige zal men beter in een gesloten aquarium kweeken, of wel, in een met een glasplaat bedekten schotel. Deze schotels moeten bij warm weder behoorlijk gelucht en de glasplaat moet dagelijks goed met een doek afgeveegd worden. Verscheidene onzer inlandsche drijvende waterplanten zijn éénjarig; zij vormen voor het afsterven winterknoppen of sporen die men in vlakke schotels met een weinig aarde op den bodem, zoo mogelijk vorstvrij moet laten overwinteren. In het voorjaar ontwikkelen deze plantjes zich eerst onder water, spoedig komen zij echter aan de oppervlakte, en blijven daarop drijven met behulp van haar met lucht gevulde bladeren of bladstelen.
De uitheemsche drijvende planten zijn voor het meerendeel meerjarig; tegen den herfst worden zij echter zeer gevoelig, zij moeten dan uit het aquarium genomen en voorzichtig in potten met gehakt sphagnum opgeplant worden. De opgepotte planten moet men vochtig en warm, het best in een woonvertrek onder glas, laten overwinteren.
Vele drijvende planten laten zich zeer gemakkelijk, door haar dikwijls zeer talrijke uitloopers, voortkweeken.
Het dikwijls slechte groeien der drijvende waterplanten is te wijten aan het te heldere water in het aquarium, wijl dit te arm aan voedende bestanddeelen is. Het fraaist ontwikkelen de drijvende planten zich in vlakke schotels met een weinig aarde op den bodem. De wortels dringen in deze aarde door en vinden daar rijkelijk voedsel voor een goeden groei.
a. Uitheemsche soorten.
Een zeer lief drijvend waterplantje is de Azolla caroliniana, afkomstig uit Noord-Amerika en dat blijkt hier te lande winterhard te wezen. Deze plant, ook wel bekend onder den naam van "Rood Kroos," is in sommige slooten zóó sterk ontwikkeld, dat zij er last veroorzaakt. Zij heeft de eigenaardigheid, binnen gehouden, levendig groen, doch buiten, vooral in de zon, donkerrood van kleur te worden. Zoowel buiten als in een kas groeit de Azolla zeer snel en bedekt het water in korten tijd met een levendig groene laag. In droge kamerlucht daarentegen groeit zij slecht. Ook wordt zij veel door de visschen opgegeten. In den herfst ontwikkelt de Azolla zeer kleine sporenhoopjes, die naar den bodem zakken.
Een andere, zeer fraaie plant is de Pistia Stratiotes (Fig. 263). Deze plant is een ware cosmopoliet, daar zij overal in stilstaand water der warmere landen wordt aangetroffen. Dit geelgroene plantje, dat met zijn aan den voet sterk verdikte bladeren een rozet vormt, behoort tot de familie der Aroïdeeën, de bloemen zijn echter zeer onbeduidend.
Een eigenaardig verschijnsel is het, dat deze plant, onder water gedompeld, als met zilver overtogen schijnt, terwijl zij dan weder bovenkomende, geheel droog blijkt te zijn. Dit wordt veroorzaakt door zeer talrijke kleine haartjes, die het blad bedekken. De lucht blijft tusschen deze haartjes hangen, waardoor de zilveren tint ontstaat, terwijl het water dadelijk van de haartjes afloopt. De voortkweeking geschiedt zeer gemakkelijk door middel van uitloopers. Des zomers, wanneer het zeer warm is, groeit de Pistia ook goed buiten, in het najaar moet men haar echter uit het water nemen, in mos opplanten en zoo warm laten overwinteren. Een zeer fraaie rozetvormige plant met niervormige bladeren, dik opgezwollen bladstelen en blauwe bloemen is de Pontederia of Eichhornia crassipes, afkomstig uit Brazilië. Deze plant is een uiterst dankbare bloeister. Zij laat zich gemakkelijk door uitloopers voortkweeken. De overwintering moet warm geschieden en op dezelfde wijze als met de Pistia. Een eveneens mooie waterplant is de Salvinia elegans (Fig. 264), afkomstig uit Mexico. Zij behoort onder de fraaiste waterplantjes. In den herfst sterft zij af, doch vormt dan talrijke sporenhoopjes; zet men ze echter in vlakke schalen met de wortels in goede, vochtige veenaarde, dan is zij overblijvend en blijft, wanneer men haar op een warme plek zet, den geheelen winter door groen. Als laatste drijvende waterplant willen wij nog de Trianea bogotensis (Fig. 265), afkomstig uit Columbia, vermelden. De Trianea groeit goed in een kamer, zij laat zich zeer gemakkelijk door uitloopers voortkweeken en vormt aardige rozetten, die, wanneer men ze in een ondiepen schotel met wat aarde op den bodem kweekt, zich zeer goed ontwikkelen. Onze gravure vertoont een plantje in zijn geheel en de achterzijde van een der sponsachtige bladeren. De overwintering geschiedt in vlakke schotels, die met een glasplaat moeten bedekt en goed warm gezet worden. Ook des winters moet de aarde, waarin zij met haar wortels staan, goed vochtig gehouden worden.
b. Inlandsche soorten.
Een veel in stilstaand of langzaam vlietend water voorkomende drijvende waterplant is de Hydrocharis Morsus-ranæ, die aardige, cirkelronde blaadjes en witte bloempjes draagt. De voortkweeking geschiedt door zaden, meer echter nog door uitloopers, die sterke exemplaren naar alle zijden ontwikkelen. Met het begin van den winter sterven deze planten af, zij vormen echter eerst winterknoppen, die tot de lente op den bodem blijven rusten. De Hydrocharis verdraagt de kamerlucht zeer goed en is daardoor een zeer aanbevelenswaardige aquarium-plant. De meest bekende der inlandsche waterplanten is zeker wel de Lemna (Eendenkroos), een klein plantje, dat in de stilstaande wateren zeer algemeen in meerdere soorten voorkomt en dikwijls geheele slooten met een groene laag overdekt. De voortkweeking geschiedt door de knopvorming zóó snel, dat de Lemna in korten tijd alle andere planten overgroeit, wanneer men er niet voor zorgt nu en dan eens wat te verwijderen. Dit plantje, dat zich ook in de kamer zeer goed houdt, wordt door talrijke visschen gaarne gegeten. De fraaiste drijvende waterplant is de in ons land slechts zeldzaam voorkomende Salvinia natans. Op een paar plaatsen van ons land wordt zij in stilstaand water aangetroffen. Deze plant komt in een open aquarium niet al te best vooruit, daar zij de droge kamerlucht niet kan verdragen. Het best groeit zij in een met een glasplaat bedekte vlakke schaal, die voldoende gelucht wordt. In den herfst vormt deze Salvinia sporenhoopjes, waarna zij afsterft. Fig. 266 toont een Salvinia, aan de bovenzijde gezien, en Fig. 267 dezelfde aan de onderzijde. Op deze laatste zijn de sporenhoopjes duidelijk zichtbaar.
Een veelvuldig voorkomende inlandsche waterplant is de Stratiotes aloïdes (Wateraloë); zij vormt in stilstaand water groote bossen, die door de lange, gezaagde bladeren een zeer eigenaardig voorkomen hebben. De voortkweeking geschiedt hoofdzakelijk door uitloopers. In haar bloeitijd verheffen deze planten zich boven het water uit. Laat in den herfst zinkt de Stratiotes op den bodem en blijft daarin dan met haar wortels vastzitten. In de kamer ontwikkelt deze plant zich even goed, doch verkrijgt niet die fraai groene kleur, welke zij buiten heeft. Zij verdraagt de kamerlucht overigens goed en blijft ook des winters groen. Een aardig éénjarig plantje, dat vóór het afsterven winterknoppen vormt, is de Utricularia. Zij behoort tot de insecten-etende planten en is geheel wortelloos. De bladeren zijn schubachtig en de zich boven het water verheffende bloemen geel. Deze plant wordt vooral in veenachtige streken aangetroffen. Als laatste inlandsche waterplant willen wij nog vermelden de Riccia; deze is éénjarig, ziet er mosachtig uit en behoort tot de levermossen. Op zichzelf onbeteekenend, vormt deze plant lange, te zamen hangende, op het water drijvende bossen, die ook als zuurstofverwekkers groote waarde hebben.
Het terrarium.
Een der schoonste inrichtingen voor het kweeken van planten hebben wij in het terrarium. Het terrarium, dat hoofdzakelijk tot het kweeken van planten moet dienen, gelijkt uiterlijk volkomen op een kamerkasje. Terwijl men daarin echter slechts in potten staande planten kweekt, tracht men in het terrarium een stukje landschap na te bootsen, doordat men de planten er vrij in uitplant, rotspartijtjes of ook wel met klimplanten omwonden boomstammetjes er in zet en er een kleinen vijver, een bassintje, niet in laat ontbreken, in welken laatste dan weder water- en moerasplanten kunnen gekweekt worden. Wil men een betrekkelijk groote inrichting maken, dan kan het terrarium met het aquarium vereenigd worden, in welk geval men van een terra-aquarium spreekt. Zulke terra-aquariums hebben vooral groote waarde voor dierenliefhebbers, die er niet alleen visschen, doch ook amphibieën in willen houden.