Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer
Chapter 32
Dit turfstrooisel vormt tegenwoordig, in balen geperst, een zeer belangrijk handelsartikel; het wordt veel in stallen gebruikt in plaats van stroo en is daardoor gemakkelijk te verkrijgen. Het turfstrooisel wordt eerst in stukjes ter grootte van een noot gebroken en daar het kurkdroog is, waardoor het op het water drijft, moet men het eerst 24 uur weeken, daarna tusschen de handen uitwringen en dan met droog zand vermengen. Iedere grondsoort moet met minstens 1/10 zand vermengd worden. Hoewel bagger, veenaarde en turfstrooisel ieder op zichzelf bijna alle bestanddeelen bevatten, die waterplanten noodig hebben, doet men toch voorzichtig er, wanneer er sterk groeiende gewassen in geplant moeten worden, ongeveer 1/10 goede klei of graszodengrond aan toe te voegen. Van groote waarde is het ook, wanneer men de te gebruiken aarde in het najaar reeds gereed kan maken, om die dan buiten te laten liggen. Zij bevriest dan des winters, wat op de samenstelling er van een zeer gunstigen invloed heeft, daar zij er veel muller door wordt.
De onder water groeiende planten, die slechts betrekkelijk weinig voedsel noodig hebben, worden hier en daar wel in enkel zand geplant. Aanbevelenswaardig is dit echter niet en men doet wèl, ook haar een grondmengsel te geven. Zand is echter voor alle aquariums en vooral voor die, waarin men aarde gebruikt, hoognoodig, daar de dieren, welke men er in houdt, steeds de aarde een weinig loswoelen en daardoor niet alleen de planten beschadigen, doch ook het water troebel maken.
Na het beplanten bedekt men daarom de aarde met een laagje zand, dat men op de hieronder opgegeven wijze bereidt, alvorens het te gebruiken. Het best daartoe is zeer fijn kiezelzand; heeft men dit niet, dan is zeer fijn zilverzand beter dan scherp zand. Het zand of kiezel moet zeer goed gewasschen worden. Onder krachtig omroeren wascht men het 10-20-maal goed uit, zoodat het waschwater ten laatste in het geheel niet troebel meer wordt. Voor het gebruik moet men het dan eerst drogen en uitgloeien. Men moet ook zorgen, dat de voor de beplanting noodige gewassen voor de hand liggen. Zij worden òf uit een oud aquarium genomen, òf men gebruikt nieuw aangeschafte planten. Eerst worden zij goed uitgewasschen, waartoe men begint met ze in lauw water flink af te spoelen, waarna de bladeren van alle onreinheden worden gezuiverd. Daar de waterplanten niet lang droog mogen liggen, legt men ze vóór het gebruik in een schotel met water.
Heeft men de hier opgegeven voorbereidingen gemaakt, dan wordt de aarde in het aquarium gebracht, waarbij men moet oppassen de ruiten niet vuil te maken. Voor de weinig eischende, onder water groeiende planten moet het aardlaagje minstens 5 cM. dik zijn; beter is echter een aardlaag van ongeveer 10 cM. dikte. Voor sterk wortelende, boven het water uitgroeiende en voor van groote drijvende bladeren voorziene planten moet de aardlaag minstens 20 cM. bedragen. Men kan nu de aarde gelijkmatig over den bodem verdeelen; beter is het echter ze aan de kanten wat op te hoogen en naar het midden te laten vallen, of ze aan de eene zijde hooger te leggen dan aan de andere, zooals dit op de plaat "Gesloten aquarium met onder water groeiende planten" zichtbaar is. Deze ongelijk liggende bodem is oorzaak, dat alle vuil zich op het diepste punt verzamelt, van waar men het betrekkelijk gemakkelijk kan verwijderen. Heeft men een groot aquarium, dan stelt de ongelijke bodem den liefhebber in de gelegenheid er planten met verschillende eischen in te kweeken. Hebben wij er bijv. een van 100 cM. lengte tegen 40 cM. diepte, dan kunnen wij daarin zeer verschillende moeras- en waterplanten kweeken, wanneer wij aan de eene smalle zijde de aardlaag 30 cM. dik maken en die langzaam laten minderen, zoodat zij aan de tegenoverliggende smalle zijde nog slechts een dikte van 8 à 10 cM. heeft. Op het hoogste punt, waar zich de dikste aardlaag en bij gevolg het minste water bevindt, zet men de sterk groeiende moerasplanten, in het midden de planten met drijvende bladeren en op het laagste punt vinden de onder water groeiende planten een plaatsje. Heeft men de aarde op deze wijze verdeeld en is zij matig vastgedrukt, dan begint de beplanting. Bij het planten, moet men er op letten, dat de wortels gelijkmatig in de aarde worden verdeeld. Men moet er dus de planten maar niet eenvoudig instoppen, zooals dit maar al te vaak gebeurt, omdat de wortelspitsen dan meestal naar boven in plaats van naar beneden gericht zijn, wat allicht het afsterven ten gevolge heeft.
Maken veel waterplanten in dit geval toch jonge wortels, en groeien zij bijgevolg door, dan is dit wel een bewijs voor haar taaiheid, doch niet voor de geschiktheid der wijze van planten. Knollen, wortelstokken en planten met stijf opstaande bladeren worden zonder eenige voorbereiding geplant; onder water groeiende planten en die met drijvende bladeren worden echter, vóór het planten, tot aan den wortelhals in papier gewikkeld, opdat de bladeren door de aanraking met de aarde niet vuil worden. Het planten moet zóó diep geschieden, dat de wortelhals juist in het water komt te staan. Gewoonlijk wordt een groote fout begaan, doordat men te dicht plant. Deze fout moet men vooral vermijden, en de planten zóó wijd uit elkander zetten, dat ieder op zichzelf ruimte genoeg heeft om zich flink te ontwikkelen. Is men met planten gereed, dan wordt de aarde goed gelijkgemaakt, behoorlijk aangedrukt en daarna met het klaarliggende zand bedekt. De zandlaag moet overal ongeveer 3-5 cM. dik zijn; komt zij te hoog te liggen, dan moet men vooral de kruidachtige planten voorzichtig een weinig optrekken, ten einde te zorgen, dat zij niet te diep onder het zand komen te staan. Dadelijk na het opbrengen van het zand wordt het papier van de bladeren verwijderd. Al deze bewerkingen moeten vlug op elkander volgen, opdat de planten niet te lang buiten het water blijven, en daardoor lijden; reden waarom alles vooraf klaargemaakt moet worden.
Voor het vullen van het aquarium gebruikt men het best zuiver regen-, bron- of leidingwater; vóór het gebruik moet het eenigen tijd in het vertrek gestaan hebben, ten einde behoorlijk op temperatuur te komen. Het gebruik van kalk- of ijzerhoudend bronwater moet vermeden worden, daar dit voor planten noch dieren gezond is. Het ingieten van het water moet zeer voorzichtig geschieden, omdat nòch het zand, nòch de planten losgespoeld mogen worden. Men gebruikt voor het vullen een fijnen broesgieter of wel men giet op een schoteltje, dat van te voren op het zand wordt gezet; is de waterstand wat hooger geworden, dan giet men in de onder water gehouden vlakke hand. Heeft het water de verlangde hoogte, dan laat men het aquarium eenige dagen onaangeroerd staan. Is het water niet volkomen helder geworden, dan moet men het voorzichtig afscheppen of afhevelen en door ander vervangen; is het echter helder, dan kan men er de visschen en andere dieren in brengen.
De versiering van het aquarium.
Zooals wij reeds opgemerkt hebben, moet het aquarium zelf zoo eenvoudig mogelijk gemaakt zijn, omdat de waarde er van niet gelegen moet zijn in de aangebrachte versieringen, doch wel in de planten en dieren, die men er in houdt. Evenals het uitwendig moet het ook inwendig zeer eenvoudig zijn, en in de meeste gevallen moet de versiering met het beplanten en het ingebrachte zand eindigen.
Een versiering, die door den eenen liefhebber zeer hoog word geschat en door den anderen geheel verworpen, is een rotsje van tufsteen. Wil men een dergelijk rotsje in het aquarium aanbrengen, dan moet dit vóór de beplanting geschieden. Is het rotsje niet te groot, heeft het niet het gekunstelde voorkomen van een ruïne, steekt het slechts weinig boven water uit en is het van holten voorzien, die zich ter beplanting zeer goed leenen, dan verhoogt het zeer zeker de waarde van het aquarium. Wel is waar heeft een dergelijk rotsje ook zijn schaduwzijden; het neemt nogal veel ruimte in, ontneemt aan veel planten het licht en daar het zich door zijn ruwheid niet behoorlijk laat reinigen, wordt het spoedig een broeinest voor de wel niet schadelijke, doch lastige algen.
Het rotsje mag in geen geval meer ruimte innemen dan de helft van het aquarium; ook moet het onder water eenigszins gelijken op een brug, opdat de visschen een gang hebben om door te zwemmen. Men kan òf een rotsje kant en klaar koopen, òf wel men koopt een aantal stukken tufsteen van verschillende afmetingen, die men met cement aan elkander metselt. Wil men het rotsje met grootere waterplanten beplanten, dan kan men er kleine potjes inmetselen, die echter geheel met tufsteen moeten bedekt worden, zoodat zij niet zichtbaar zijn. Is het rotsje klaar en goed droog, dan moet men het met een stijven borstel goed afschrobben, zoodat alle vuil en losse cementdeelen er van verwijderd zijn; hierna wordt het beplant en in het aquarium gezet. Voor de beplanting van grootere spleten en der ingemetselde potjes leenen zich het best Cyperus-, Carex- en Juncus-soorten; voor het gedeelte, dat boven het water uitsteekt, zijn Varens zeer geschikt, terwijl Selaginella's en Bladmossen er zeer goed op groeien. De Varens en Mossen moeten echter geheel boven water blijven. Is het rotsje beplant, dan wordt het met een broesgieter goed aangegoten en daarna in het aquarium gezet. Is men hiermede gereed, dan kan men de aarde in het aquarium brengen en dit verder beplanten. Veel liefhebbers houden er van den bodem van het aquarium met goed gewasschen schelpen of steenen te versieren, waartegen geen bezwaren bestaan. Anderen versieren het met kleine molentjes, drijvende eilandjes of eenden en visschen van porselein. Dit is natuurlijk geheel onnut speelgoed, hetwelk het natuurlijke karakter van het aquarium wegneemt, dit moet dus in ieder geval vermeden worden.
De verzorging van het beplante aquarium.
Is het aquarium geheel klaar en beplant en blijft het water volkomen helder, zoodat het niet meer behoeft afgegoten en ververscht te worden, dan veroorzaakt de verzorging betrekkelijk weinig moeite. In de eerste plaats moet men het een goede, lichte plaats geven, zoodat het nu en dan ook door de zon beschenen wordt. Heeft men er niet alleen planten, maar ook dieren in, dan moet men er veel meer moeite aan besteden. De dieren worden toch dikwijls door ziekten aangetast, waarom men steeds op hen letten moet, terwijl ook voor een geregelde voedering moet gezorgd worden. Des winters, wanneer het aquarium op een koude plaats staat, is het voldoende twee keer in de week te voederen; des zomers moet men dit echter dagelijks en bij zeer warm weer zelfs twee keer per dag doen. Men moet er op letten niet meer voedsel te geven dan direct opgegeten wordt, daar overblijfselen er van het water verontreinigen. Het beste vischvoeder zijn lagere waterdiertjes, die men met een gazen netje in stilstaand water kan vangen; ook stukjes gesneden regenwormen of fijn gesneden mager vleesch. Des zomers kan men ook met succes versche mierenpoppen gebruiken.
De waterplanten, die door haar snellen en interessanten groei den liefhebber dagelijks nieuwe verrassingen bereiden, vereischen niet zeer veel verzorging. Het voornaamste werk toch bij de plantencultuur, het gieten, vervalt vanzelf. Het gemakkelijkst zijn de onder water groeiende planten, die zich ook zonder zon zeer goed ontwikkelen; bij deze behoeft men slechts nu en dan de rotte bladeren te verwijderen.
Zeer veel last veroorzaken, wanneer men deze planten kweekt, de algen en lagere mossen, die niet zelden de andere planten volkomen overgroeien. Men moet ze met de vingers zorgvuldig verwijderen, en wordt het water daardoor troebel, dan giet men het af en vervangt het door versch. Heeft men drijvende planten, planten met drijvende bladeren, of die boven het water uitgroeien, dan moet men er ook voor zorgen de rottende deelen tijdig te verwijderen. Het meest lijden vooral de inlandsche planten, in een gesloten kamer, door gebrek aan licht en lucht; zij groeien dikwijls slap op en worden door zeer verschillend ongedierte aangetast. Een herhaalde bewassching met zeepsop of tabaksextract moet dan toegepast worden om deze plaag te bestrijden. Met dit afwasschen moet men zeer voorzichtig zijn, daar niets van het giftige extract in het water mag komen. Het best doet men het met een zachte, niet te vochtige spons. Wanneer men niet van plan is zaden te verzamelen, dan moeten de uitgebloeide bloemstengels zoo spoedig mogelijk weggesneden worden. In het najaar moet men goed toezien op de afstervende éénjarige planten; deze worden met wortel en al uitgetrokken en weggeworpen. Terzelfder tijd let men ook op de planten met knollen of wortelstokken; zij beginnen dan langzaam af te sterven en de doode gedeelten moeten dadelijk verwijderd worden.
Eenige waterplanten hebben de eigenaardigheid zich door kweekknolletjes en uitloopers zóó sterk te vermenigvuldigen, dat zonder tusschenkomst het water na eenige maanden geheel met stengels en bladeren gevuld zou zijn. Deze overgroote vermenigvuldiging moeten wij tijdig voorkomen, door de jonge plantjes dadelijk dáár te verwijderen, waar zij merkbaar te veel zijn.
Lastig is het dikwijls de ruiten inwendig goed schoon te houden. Er vormt zich op de waterlijn een vuile streep, en ook zetten zich groene algen af, die wel niet schadelijk, ja eerder nuttig zijn, daar zij, evenals de grootere planten, zuurstof afscheiden en het water dus gezond houden, doch het glas ondoorzichtig maken. Men kan dan het inwendige van het aquarium niet meer zien, waardoor het veel van zijn aantrekkelijkheid verliest. Om een en ander te voorkomen, moet men de ruiten een paar keeren per week met een tandenborstel of met een met laken omwoeld latje afborstelen. Dikwijls verschijnt ook een vlies op het water, dat schijnbaar door stof veroorzaakt wordt, doch dat bij microscopisch onderzoek bijna uitsluitend uit bacterieën blijkt te bestaan. Zulk een vlies ontwikkelt zich alleen op voortdurend stilstaand water; dus bij aquariums, waarin men dieren houdt, of waarin men voor een geregelden toevloed en afvoer van water zorgt, heeft men er geen last van. Schadelijk zijn deze bacterieën niet. De excrementen der visschen en ander vuil zakken op den bodem van het water. Men kan deze gemakkelijk door een soort hevel verwijderen. Zulk een hevel bestaat uit een glazen buisje, aan de onderzijde iets verwijd en in het midden voorzien van een ballonachtige verwijding. Men plaatst het wijdste gedeelte der buis boven het vuil en zuigt daarna de lucht uit den hevel. Dit zal nu door den luchtdruk op het buitenwater in de buis opstijgen en zich in het ballonnetje verzamelen. Door het buisje van boven met den duim te sluiten, kan men het zoodoende uit het water verwijderen.
Het is een tamelijk verspreid en toch geheel verkeerd denkbeeld, dat het water van een aquarium wekelijks, ja zelfs dagelijks moet ververscht worden. Heeft men het goed ingericht en beplant, en niet met visschen overbevolkt, dan blijft het water langen tijd helder, en behoeft niet ververscht te worden. Men moet echter den waterspiegel, op een zelfde hoogte houden, en dus nu en dan, voor het verdampte, wat versch water bijvullen. Is het aquarium uitsluitend met onder water groeiende planten en gewassen met op het water drijvende bladeren beplant, dan behoeft men dikwijls in één jaar tijd het water niet te vernieuwen. Heeft men het met sterk groeiende moerasplanten bezet, die de aarde uitputten en zich boven het water verheffen, dan is het raadzaam het ieder voorjaar goed onder handen te nemen, flink te reinigen, er nieuwe aarde in te brengen en het opnieuw te beplanten. Indien men prijs stelt op een net voorkomen van het aquarium, dan is dit verplanten niet te voorkomen, daar veel moerasplanten een kruipenden wortelstok hebben, dus niet op haar plaats blijven staan, doch zich vrij spoedig op plaatsen bevinden, waar men ze niet gebruiken kan.
Inheemsche en uitheemsche waterplanten.
De liefhebber, die geen ondervinding heeft met betrekking tot het aquarium en zich waterplanten wil aanschaffen, staat al dadelijk voor de vraag of hij uitheemsche gewassen zal koopen of wel uit de naburige vaarten of slooten die planten voorzichtig zal opnemen en in zijn aquarium planten, welke hem het meest aanstaan. Deze vraag is niet zoo heel gemakkelijk te beantwoorden. Langjarige ondervinding op het gebied der cultuur van waterplanten heeft geleerd, dat voor het beplanten van vijver en bassins in tuinen de inlandsche waterplanten verre de voorkeur verdienen; voor het kweeken in de kamer komen echter in de eerste plaats de uitheemsche gewassen in aanmerking. Het gaat hiermede juist als met de potplanten: Palmen en andere uitheemsche planten groeien in de kamer zeer goed, inheemsche echter worden er slap en gaan er dood. De tropische waterplant, die een hoogere temperatuur verlangt, groeit jaar in, jaar uit zeer goed in een kamer; de inlandsche echter, die frissche, vrije lucht noodig heeft, groeit meestal slap, trekt naar het licht en wordt geregeld door lastig te verdreven ongedierte aangetast. Voor kamercultuur zijn van onze inlandsche Flora het meest geschikt de onder water groeiende planten; minder goed zijn, op enkele uitzonderingen na, de planten met drijvende bladeren of de geheel drijvende planten, en het minst deugen de inlandsche moerasplanten, vooral die, welke met haar bladeren en stengels boven het water uitsteken. De inlandsche waterplanten staan echter ook nog in ander opzicht bij de uitheemsche ten achter. Deze laatste toch, die zich bij ons ingeburgerd hebben, hebben bijna alle geen volmaakte rustperiode; zij blijven dus het geheele jaar door groen. Met de inlandsche planten is dit echter heel wat anders. Onze slooten en vaarten bevriezen des winters nu en dan tot bijna op den bodem; elk actief plantenleven houdt daarbij op, waarom dan ook bijna alle tegen den winter afsterven. Veel onzer inlandsche waterplanten zijn overjarig; zij sterven tot op den wortelstok of den knol in, die dan bij het intreden der lente weder begint uit te groeien. Veel andere soorten zijn éénjarig; zij ontwikkelen vóór het afsterven zaden, sporen en kweekknolletjes; slechts zeer weinig soorten echter blijven ook gedurende den winter groen. Een liefhebber, die des winters weinig genot van zijn tuin kan hebben, en daarom gaarne zijn vertrekken met groene planten versiert, wil ook des winters zijn aquarium groen zien, en moet daartoe, door den nood gedrongen, zijn toevlucht wel nemen tot uitheemsche waterplanten. Dat niet alle uitheemsche dezelfde waarde hebben, spreekt wel vanzelf. In de tropen komt een waterflora voor, waarvan de bloemen, wat houding, afmeting en kleur aangaat, tot de fraaiste in het geheele plantenrijk moeten gerekend worden. Het zijn echter voor het meerendeel reusachtige planten, die zulke bloemen voortbrengen, zooals de Victoria regia, tropische Nymphæa's, de Nelumbium, enz. Deze planten stellen meestal zeer hooge eischen aan de temperatuur van het water, zoodat dit ook des zomers moet verwarmd worden, en daarbij hebben zij vaak zulk een omvang, dat men reusachtige bassins moet bezitten om ze te kunnen bevatten. Zulke planten zijn natuurlijk voor het kamer-aquarium geheel ongeschikt. Al kan men echter de fraaiste tropische waterplanten niet in het aquarium kweeken, toch blijven er nog zeer veel soorten over, die door schoonen bloei en kleurenpracht bijna alle inlandsche overtreffen. Het zou ons veel te ver voeren, indien wij een juist beeld wilden geven der geheele waterflora; wij kunnen de lezers slechts met de belangrijkste der hiertoe behoorende planten doen kennis maken. De afbeeldingen zullen onze beschrijvingen nog verduidelijken.
De beste planten voor het kamer-aquarium.
Onder water groeiende planten.
De onder water groeiende planten mogen in geen enkel kamer-aquarium ontbreken; zij verwekken veel zuurstof en maken daardoor het water zeer gezond voor de dieren, die men er in heeft. Ook geven zij een eigenaardig voorkomen aan het aquarium. De uitheemsche soorten zijn alle ook des winters groen, met de inlandsche is dit niet het geval. De behandeling der onder water groeiende planten is al hoogst eenvoudig. Zij worden niet door insecten aangetast en hebben alleen te lijden van algen, die zich op de bladeren vertoonen. De door algen bezette bladeren reinigt men met de vingers, waarop het troebele water ververscht wordt; een zeer afdoend middel daartegen zijn de larven van kikvorschen; brengt men deze in het aquarium, dan zijn de algen spoedig opgeruimd. De onder water groeiende planten hebben voor een goede ontwikkeling een hoogen waterstand noodig. De vermenigvuldiging door zaden is in de kamer niet aan te raden; veel soorten kweeken zichzelf echter gemakkelijk voort door uitloopers en broedknolletjes; langs kunstmatigen weg kan men ze vermenigvuldigen door stekken. De broedknolletjes doet men het best in het najaar te verzamelen en in inmaakflesschen, waarin op den bodem een weinig aarde is gebracht, te laten overwinteren, daar zij anders wellicht door de visschen opgegeten worden. Het best geschiedt de overwintering in een koel vertrek; zet men de glazen in het voorjaar op een zonnige plaats, dan ontwikkelen de knolletjes zich zeer snel.
a. Uitheemsche soorten.
Drie plantengeslachten leveren ons zeer fraaie, uitheemsche, onder water groeiende planten, namelijk de geslachten Cabomba, Myriophyllum en Vallisneria. Nieuwere Amerikaansche, ingevoerde soorten zijn de Cabomba's met drijvende stengels en fraai gedeelde bladeren. De bekendste soort is Cabomba caroliniana (Fig. 252). Zeer veel gelijkt op deze soort de zeldzamere Cabomba rosæfolia met zacht rozerood gekleurde bladeren en stengels; zij is veel mooier maar ook gevoeliger en teerder. Hoewel zij een geheel ander voorkomen hebben, behooren de Cabomba's toch tot de familie der Nymphæa's. Onze afbeelding toont een jonge plant; later in haar bloeitijd ontwikkelen zich ook kleine, drijvende blaadjes. De plant draagt kleine, witte bloempjes. Van de Myriophyllum-soorten waren tot voor korten tijd geen onder water groeiende bekend; in den laatsten tijd zijn er echter twee uit Amerika ingevoerd. Een dezer soorten is de Myriophyllum prismatum (Fig. 253). De tweede, nog niet bestemde, soort heeft een krachtiger en voller aanzien, ook zijn haar smalle blaadjes veel langer. De beste en meest verspreide der uitheemsche onder water groeiende planten is de Vallisneria spiralis, die ook wel in Zuid-Europa wordt aangetroffen. Deze plant heeft lange, smalle bladeren. Fig. 254 toont een mannelijk en een vrouwelijk exemplaar van deze beste aller aquariumplanten. De bloei van deze planten en vooral het overbrengen van het stuifmeel geschiedt op een zeer interessante wijze. Het zou ons te ver voeren, die geheel te beschreven; voor hen, die er belang in stellen, verwezen wij naar ieder boek over botanie. Al de genoemde soorten hebben geen behoefte aan warmte; hoewel zij in een verwarmde kamer goed groeien, kunnen zij in een onverwarmd, doch vorstvrij vertrek zeer goed overwinteren; zelfs de Cabomba heeft reeds met succes buiten overwinterd.
b. Inlandsche soorten.
Bij de inlandsche onder water groeiende gewassen treft men voortreffelijke aquarium-planten aan. De Batrachium fluitans (Ranunculus aquatilis) heeft zeer fijn verdeelde bladeren en daardoor wel eenige overeenkomst met de Cabomba. De Callitriche heeft een zeer fraai bebladerden stengel, die daardoor nog aan schoonheid wint, wijl de bovenste blaadjes dikwijls dicht opeenzitten en zoodoende een aardige rozet vormen.
Fig. 255 toont de Callitriche verna. Zeer goed groeit in het aquarium de Ceratophyllum met fijn verdeelde blaadjes. In het water worden meestal twee zeer op elkander gelijkende soorten aangetroffen, namelijk de Ceratophyllum demersum en de Ceratophyllum submersum.