Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer

Chapter 30

Chapter 303,625 wordsPublic domain

Onder de fraaiste groen blijvende potplanten, die, jammer genoeg, maar weinig en dan nog meestal niet fraai worden aangetroffen, behooren zeker wel de Citrussen (Oranjeboompjes). Een miniatuur Oranjeboompje of een klein struikje, dat rijkelijk met vruchten beladen is, biedt inderdaad een fraaien aanblik. Tegen de sappig groene bladeren komen de oranje vruchten, die meer dan negen maanden het boompje versieren, zeer fraai uit. Ook een bloeiend exemplaar met de welriekende, witte bloemen is zeer aantrekkelijk.

Hoewel de Oranjeboom in Italië zeer welig groeit, behoort hij tot die planten, die nòch in de kas, nòch in de kamer veel warmte willen hebben. Wel kweekt een bloemist de jonge oranjeboompjes in een warmen bak, doch hij doet dit slechts om ze wat snel te laten doorgroeien, daar hij ze slechts in den beginne onder glas houdt; gedurende den winter zet hij ze echter in een kas, die slechts even vorstvrij gehouden wordt. Een liefhebber doet het best zijn Oranjeboompjes des winters voor het vensters van een zonnig, dan slechts hoognoodig verwarmd, doch rijkelijk gelucht wordende kamer te zetten. Wel groeit de plant hier des winters niet, maar zij vormt, met haar blijvende bladeren en fraaie vruchten, een mooi en interessant kamersieraad. Eetbaar worden de vruchten niet, daar zij steeds een sterk zuur-bitteren smaak behouden, doch nog groene, zeer onrijpe vruchten zijn voor het maken van een bowl zeer geschikt.

Naast een koele, doch vorstvrije standplaats is het voorzichtige gieten des winters een hoofdvereischte. De meeste Oranjeboomen sterven door te groote warmte en te veel vocht. Men moet des winters slechts zeer zelden gieten, en eerst dan, wanneer de aarde meer droog dan vochtig is. In het voorjaar worden de boompjes, wanneer dit noodig blijkt, ingesneden en zoodra zij beginnen te groeien, moet men ze verplanten. Bij dit verplanten gebruikt men steeds betrekkelijk kleine potten, en een grondmengsel van 2 deelen broeiaarde, 1 deel blad-, en 1 deel graszodengrond, waaraan 1/2 deel grof zand wordt toegevoegd.

Heeft men wortelzieke planten, dan is het nuttig aan dit mengsel nog wat grof gestooten houtskool toe te voegen. Totdat de plant begint te groeien, moet men met het gieten zeer voorzichtig zijn. Des zomers d.w.z. van het laatst van Mei af, geeft men den Oranjeboompjes een plaats op een zonnig balkon of op een zonnige plek in den tuin; in den herfst moet men ze echter tegen zwaren regen kunnen beschermen.

De voortkweeking geschiedt door zaden en ook door stekken, die slechts in een kweekkas, bij een gelijkmatige bodemwarmte, na een week of zes wortel maken. De zaden kiemen ook in de kamer vrij goed, maar leveren slechts gedoornde, wilde planten, die veredeld moeten worden, wat men het best door middel van oculatie doet (Fig. 32). In het tweede jaar zijn de zaailingen sterk genoeg om op den wortelhals of dicht boven de aarde geoculeerd te kunnen worden. De veredelingen groeien voor het raam, na eenige weken, zeer goed aan, wanneer men ze onder glas houdt, door er bijv. een stolp of inmaakglas overheen te zetten. Is de veredeling sterk genoeg geworden, dan moet men het wildstammetje, dat toch reeds ingesneden was, tot aan de oculatie afsnijden.

Voor kamercultuur zijn het meest geschikt de vormen van de Citrus Aurantium, een soort met gevleugelde bladstelen. De dankbaarste is de Citrus japonica (Citrus chinensis), een zeer gedrongen groeiende variëteit. Een nog sierlijker vorm, waarvan de bladeren gelijken op groote Mirtebladeren, is de Citrus myrtifolia. Deze beide Oranjeboompjes hebben slechts kleine, doch zeer sierlijke vruchtjes.

De Nertera depressa is een maar weinige centimeters hoog wordend plantje, afkomstig van Nieuw-Zeeland, met zeer kleine blaadjes en groene bloempjes, die gevolgd worden door aardige oranjekleurige besjes, welke tot diep in den winter goed blijven en de bladeren ten laatste geheel bedekken. Dit sierlijke plantje moet gekweekt worden in platte schalen, die goed gedraineerd zijn. Als aarde gebruikt men zandigen veen- of heidegrond. De voortkweeking geschiedt in het voorjaar, bij het verplanten, door middel van scheuren. De Nertera depressa verlangt tamelijk veel water; men moet haar koel, doch vorstvrij laten overwinteren en des zomers buiten zetten. Zeer geschikt is zij, om, wanneer men in een terrarium een rotsje heeft van tufsteen, dit er mede te beplanten.

Een zeer aardig struikje voor de kamer is ook de uit Amerika afkomstige Rivina humilis. De bladeren hiervan gelijken in vorm eenigszins op die van een Fuchsia, doch zijn, in plaats van glad, donsachtig behaard. Des zomers ontwikkelen zich aan dunne steeltjes onbeduidende bloempjes, waarop zeer sierlijke, koraalroode bessen volgen. De Rivina groeit zeer gemakkelijk; het is echter een warmte-minnende plant, zoodat zij het geheele jaar door in de kamer moet gekweekt worden. Voor flink ontwikkelde planten zijn potten van 10 cM. wijdte groot genoeg. Het best groeit zij in lichten, zandigen bladgrond.

De vermenigvuldiging geschiedt in het voorjaar door zaden en ook door stekken. Wanneer men van de Rivina pleizier wil hebben, dan moet men geregeld jonge planten aankweeken, daar de oudere haar bladeren verliezen, gemakkelijk door insecten worden aangetast en dan allesbehalve sierlijk zijn.

Onder de planten, die zeer fraaie vruchten voortbrengen, behooren zeker ook de Solanums (Nachtschaden). Een zeer goede, hiertoe behoorende soort is de Solanum Pseudo-Capsicum, die sierlijke, ronde, schitterend roode bessen draagt. Zeer fraaie, groote, wit- of blauwachtige vruchten geeft de Solanum Melongena (Eierplant). Dit is ook een nuttige plant, die hier te lande echter niet gebruikt wordt.

De Solanum Melongena is éénjarig, terwijl men het best doet, ook de Solanum Pseudo-Capsicum als zoodanig te behandelen [4]; zij worden in het voorjaar gezaaid en juist zóó behandeld als wij vermeldden voor de Spaansche peper, die zeer nauw aan haar verwant is. Ook aan de Eierplant laat men slechts twee tot vier vruchten zich ontwikkelen; bij de Solanum Pseudo-Capsicum houdt men echter de vruchtzetting niet tegen, daar die zich zeer fraai met roode bessen kan bedekken.

Coniferen.

De Coniferen worden vaak als decoratieplanten in kuipen gekweekt. Voor deze cultuur zijn talrijke soorten geschikt, die door haar fraai voorkomen uitstekende diensten bewijzen bij de versiering van balkons en terrassen. Men zoekt daartoe fraaie planten uit en laat ze met een flinke kluit in een kuip zetten, of, wat nog beter is, men koopt direct in kuipen gekweekte planten. Des zomers moet men ze 's morgens en 's avonds besproeien en ook zeer rijkelijk begieten. De overwintering geschiedt zeer goed in een vestibule of in een luchtigen kelder. Het zal om de paar jaar noodig zijn ze te verplanten, waartoe men een mengsel neemt, bestaande uit gelijke deelen compost-, broei- en graszodengrond. In den laatsten tijd worden verscheidene soorten Coniferen, meest Juniperus- en Thuja-soorten, in potten gekweekt als kamerplanten aanbevolen, en hoewel dit heel aardige plantjes zijn, zijn zij voor dit doel toch minder geschikt; slechts des winters kan men ze met succes in een koude kamer kweeken.

Werkelijk goede kamerplanten levert het geslacht Araucaria, dat dien naam te danken heeft aan Arauca, een landstreek in Zuidelijk Chili. De bekendste en meest aanbevelenswaardige soort is de Araucaria excelsa (Fig. 242). Wanneer de lezer de gravure slechts even vluchtig bekijkt, dan zal deze plant hem zeker bekend voorkomen. Niettegenstaande haar zeer regelmatigen vorm, bestaande uit verschillende verdiepingen, is deze Araucaria toch een zeer elegante plant, bij uitstek geschikt ter versiering der kamers. Deze fraaie Conifeer hoort op het eiland Norfolk te huis. In den handel zijn vele, jammer genoeg ook zeer dure, variëteiten der Araucaria excelsa te verkrijgen, waarvan de Araucaria excelsa glauca, met blauwgroene naalden, nog het meest voorkomt. Ook andere soorten van dit geslacht, die echter meerendeels zeer kostbaar zijn, kunnen als salonplanten uitstekend dienst doen.

Al de Araucaria's verlangen dezelfde behandeling. Gewoonlijk beleven de liefhebbers van deze plant er niet zeer veel pleizier van, daar haar vreemd voorkomen er al zeer licht toe leidt haar in een warm vertrek te kweeken. Zij houdt echter volstrekt niet van warmte; des zomers wil zij buiten of voor een veel geopend venster staan, waarbij zij niet alleen regelmatig begoten, maar ook des morgens en des avonds besproeid moet worden. De overwintering geschiedt op een lichte standplaats in een koel, doch vorstvrij vertrek. Des winters mag zij slechts matig begoten worden, hoewel de aarde niet geheel mag uitdrogen. Het gemakkelijkst kan men deze planten bederven door ze een te warme standplaats te geven; zij hebben dan des winters geen voldoende rust, de scheuten worden zwak, de twijgen der onderste verdiepingen gaan slap hangen en verdorren ten slotte geheel. Is er slechts in één etage een gat gekomen of is zij in haar geheel afgevallen, dan is het mooie voorkomen der plant bedorven.

De Araucaria's verlangen over het algemeen een lichten grond; het best is een mengsel van blad- en veengrond, waaraan rijkelijk zand is toegevoegd. Jaarlijks verplanten is onnoodig, het is voldoende dit om het andere jaar te doen; men moet er zeer op letten, dat bij het verplanten de stam geheel vrijblijft. Komt toch door onvoorzichtigheid de stam slechts één centimeter in de aarde, dan zal de plant daardoor zeer lijden, omdat de Coniferen diep planten geenszins verdragen.

Na het verplanten moet men de Coniferen half beschaduwd zetten en ze dikwijls bespuiten; kan men ze gedurende den geheelen zomer een goede plaats buiten geven, dan zullen zij zich daarbij zeker zeer wel bevinden. De voortkweeking der Araucaria's geschiedt door kopstekken en door zaden, doch in de kamer kan men dat niet doen, waarom een liefhebber het best doet, jonge, krachtig ontwikkelde planten te koopen.

Voor hen, die de Araucaria's te kostbaar vinden en toch gaarne een Conifeer in de kamer hebben, durven wij met gerustheid aanbevelen de Cryptomeria japonica, die in de tuinen als jonge plant ook wel Cryptomeria elegans genoemd wordt. Deze geelgroene plant vormt sierlijke boompjes met bijna horizontale takken. De cultuur is dezelfde als die van de Araucaria.

Varens.

De Varens behooren door de groote verscheidenheid van haar loof zeker wel tot de fraaiste planten, die bekend zijn. Zelfs in onze bosschen kan men reeds den rijkdom van vormen dezer planten waarnemen; zij groeien hier en daar op vochtige plekken zeer welig in de schaduw der groote boomen. Zeer rijk aan Varens zijn echter de tropische wouden. De vochtige warmte van het tropische woud, waarin zulke schoone Orchideeën en bladplanten groeien, is ook de oorzaak van de zeer groote verscheidenheid, aan Varens die hier worden aangetroffen. Daar groeien zij niet alleen in den humusrijken bodem, of op de stammen der boomen, maar talrijke soorten vormen er op zichzelf statige kronen. Deze boomachtige Varens hebben slechts een betrekkelijk zwakke kern; de tronk wordt voor het grootste gedeelte gevormd door talrijke luchtwortels, die over elkander heen liggen. Het loof kan somtijds zeer zware kronen vormen. Bij de tropische Varens treft men het fijnste loof aan, dat bij sommige ook zeer fraai gekleurd of geteekend is. Bij onderscheidene soorten zijn ook de bladstelen en is de achterzijde van het loof dicht bepoeierd, alsof zij met goud- of zilverstof waren bedekt. De fraaie vormen van het Varenloof stellen ons in alle opzichten schadeloos voor haar geheel gemis aan bloemen.

Wanneer een liefhebber eens in de kassen van een kweeker goed gekweekte Varens heeft gezien, dan zal hij direct van deze planten gaan houden. Jammer is het daarom, dat zij in de kamer niet al te best willen groeien. In de vochtige warmte van een kas houden zij zich uitstekend, en vestigen zich wel als gansche kolonies op de vochtige muren, maar in de droge kamerlucht gaan zij meestal achteruit; het loof verdroogt en ten slotte sterven zij.

Deze mislukking is het directe gevolg van de levensvoorwaarden der Varens. Zij verlangen toch, in de eerste plaats, geheele scherming tegen de zon en, in de tweede plaats, een zeer met vocht bezwangerde atmosfeer. Het eerste kan men ze in een kamer vrij goed geven, het laatste gaat echter veel moeilijker, en dit is dan ook de oorzaak, dat de meeste Varens het in de kamer niet zeer lang uithouden.

Voor de bloemtafel of de vensterbank zijn de Varens over het algemeen niet aan te bevelen; zij zijn daarentegen zeer goed geschikt ter beplanting van het kamerkasje of het terrarium.

Een klein, voor het venster staand kamerkasje, dat met verschillende Varens goed beplant is, kan voor een zeer fraaie kamerversiering doorgaan. Hoewel de Varens schaduwplanten zijn, hebben zij toch, evenals alle fijnbladerige planten, behoefte aan tamelijk veel licht, waarom het kasje of terrarium dan ook dicht bij het venster moet staan. Het best doet men een venster te kiezen, dat morgen- of avondzon heeft en het kasje, zoodra de zon er op schijnt, met dun linnen te schermen.

Van groot belang is voor deze planten ook het tijdig gieten en spuiten. Zij groeien slechts in zeer lichte aarde, die gemakkelijk geheel uitdroogt, en dan zeer moeilijk weder water opneemt. Daarbij verdragen zij in het geheel geen droog-worden. Het loof verdort, wanneer de plant droog wordt of in de zon staat, zeer spoedig of wel het krijgt dorre punten, en aan herstellen is in dit geval niet meer te denken, zoodat een plant, die men eens veronachtzaamd heeft, voor langen tijd bedorven is. Om dit te voorkomen moet men geregeld, zoo mogelijk met kalkvrij water gieten. Er moet echter op gelet worden, dat de aarde niet overdadig nat is, wat niet wegneemt, dat zij des zomers vochtiger mag zijn dan 's winters. De zoo noodige vochtige lucht verkrijgt men in het kasje door voortdurend spuiten. Er zijn slechts enkele soorten, die het spuiten niet verdragen, en die zijn dan ook ten eenenmale voor kamercultuur ongeschikt. Tot deze soorten behooren, jammer genoeg, ook de Goud- en Zilver-Varens (Gymnogramme). Bij donker weer spuit men natuurlijk niet of hoogstens slechts één keer, bij helder weer daarentegen moet het 3-5 keer per dag geschieden.

Voor het spuiten moet men bij voorkeur gebruik maken van den rafraîchisseur. Naast vochtigheid hebben de Varens ook behoefte aan versche lucht en het kamerkasje moet dan ook, op heldere dagen, wanneer behoorlijk gespoten wordt, meer of minder gelucht worden. Vergeet men dit luchten, dan bestaat er veel kans, dat op het jong ontwikkelde loof schimmel voorkomt, wat het afsterven daarvan ten gevolge heeft. Dit kwaad kan men, wanneer het eenmaal opgetreden is, slechts bestrijden, door de plant eenigen tijd in een droge lucht te kweeken, doch het geneesmiddel is dan al niet veel minder erg dan de kwaal. De Varens, die voor kamercultuur geschikt zijn, kunnen ook voor een groot gedeelte des zomers buiten gekweekt worden, bij voorkeur op een beschutte plaats, in de schaduw van groote boomen. Bij warm weer moeten dan niet slechts de planten herhaaldelijk bespoten worden, doch ook de bodem er omheen moet enkele keeren worden nat gegoten, ten einde een vochtige lucht te verwekken.

De Varens houden over het algemeen van een lichte, poreuze en zandige aarde. Jonge planten kweekt men bij voorkeur in groven boschgrond, heide- of bladaarde, waaraan voldoende zand is toegevoegd. Ook een mengsel van deze grondsoorten is zeer geschikt. Heeft men sterk ontwikkelde planten, dan kan men aan dit grondmengsel wat ruwen graszodengrond toevoegen. Hoe sterker de planten zijn, hoe grooter potten men gebruikt en hoe grover de aarde kan zijn. Het verplanten geschiedt in het voorjaar; sterk groeiende planten worden in den zomer nogmaals verpot. De Varens hebben fijne, teere wortels, waaraan niet gesneden mag worden, zoodat men slechts met een houtje de kluit een weinig losmaakt. De potten, die men gebruikt, moeten niet te groot zijn en ook moet de aarde niet te vast worden aangedrukt. Men moet er ook op letten goed poreuze, dunwandige, niet te hard gebakken potten te gebruiken. Dadelijk na het verpotten worden de planten eenige malen aangegoten.

Vergeet men dit aangieten, dan wordt het jonge loof direct dor en de plant verliest veel van haar waarde. Het bemesten der Varens is onnoodig. Heeft men echter sterk bewortelde planten, die om de een of andere reden niet verpot kunnen worden, dan is het raadzaam ze met dunne koegier te begieten; chemische meststoffen zijn echter in geen geval aan te raden.

Het voortkweeken der Varens geschiedt op verschillende wijzen.

De gemakkelijkste manier is: ze bij het verplanten te scheuren.

Eenige soorten, o.a. sommige Aspleniums, vormen op het loof jonge plantjes. Deze plantjes worden voorzichtig van de moederplant afgenomen, in lichte aarde geplant en als jonge zaadplantjes behandeld. De voornaamste voortkweeking geschiedt echter door middel van sporen. Deze vormen zich aan de achterzijden van het sporenloof, dat zich dikwijls reeds door den vorm van het gewone loof onderscheidt. Is dit sporenloof geheel rijp geworden, dan wordt het afgesneden en op wit papier in de zon gelegd. De sporangieën, die de sporen bevatten, vallen nu af en worden in kleine zakjes of doosjes verzameld. Bij eenige soorten verliezen de sporen vrij snel haar kiemkracht; andere daarentegen blijven zeer lang, somtijds tientallen van jaren, goed. Het zaaien van Varens is zeer interessant, maar in de kamer niet zeer dankbaar; daarbij eischt het zeer veel geduld.

Het best bedient men zich hiertoe van glad afgesneden stukjes turf, die goed natgemaakt, vierkant afgesneden en in nogal diepe schoteltjes gelegd worden. Kan men over geen turf beschikken, dan kan men ook goede, zandige heide-aarde gebruiken. Op deze stukjes turf worden de sporen gezaaid. Het is nu zaak, de schoteltjes warm en zeer vochtig te zetten. Van boven mag men niet gieten, ten einde het optreden van schimmel en het wegspoelen der sporen te voorkomen. Het vierkant toegesneden stukje turf vult natuurlijk het ronde schoteltje niet geheel; er blijft aan de kanten ruimte over, en hier heeft men dan gelegenheid om te gieten. Laat men steeds wat water in het schoteltje staan, dan zuigt de turf het vanzelf op. Daar de turf gewoonlijk sporen bevat van inlandsche mossen en varens, die veel eerder dan de gezaaide zouden kiemen, doet men voorzichtig de stukjes vóór het gebruik eenigen tijd in kokend water te leggen, ten einde alle kiemkrachtige sporen er in te dooden. De schotels behoeven, wanneer men gezaaid heeft, niet op een lichte plaats gezet te worden; eerst wanneer de stukjes turf groen beginnen te worden, een bewijs, dat het kiemingsproces is aangevangen, moet men ze meer licht geven. In geen geval mogen de sporen met aarde bedekt worden; nuttig is het echter de schotels of potten met een glasplaat te bedekken, die 's morgens en 's avonds met een doek goed afgedroogd moet worden.

Spoedig na het uitzaaien ontwikkelen zich kleine, groene lichaampjes, zoogenaamde voorkiemen, die een groene laag over de turf of aarde vormen. Aan de onderzijden ontwikkelen deze teere lichaampjes microscopisch kleine mannelijke en vrouwelijke organen, Antheridieën en Archegonieën genaamd. De vrouwelijke organen of Archegonieën worden door, uit de mannelijke organen spruitende, zwermsporen of Spermatozoïden bevrucht. Deze Spermatozoïden vertegenwoordigen bij de Varens het stuifmeel der zichtbaar bloeiende planten. Spoedig na de bevruchting ontstaat uit de voorkiemen het eerste, nog niet volkomen ontwikkelde varenloof. Zoodra dit het geval is, is de tijd daar, om de kiemplantjes te repikeeren. Men gebruikt daartoe weder vlakke schotels, die, na van een behoorlijke drainage voorzien te zijn, met fijn gezeefden heide- of boschgrond gevuld worden. Men neemt nu de geheele groene laag, die de voorkiemen gevormd hebben, uit den zaadschotel, scheurt haar zeer voorzichtig in kleine stukjes, die dan met de noodige voorzorgen geplant worden. Daar ieder klein stukje nog uit talrijke voorkiemen bestaat, en zich in de aarde spoedig mossen ontwikkelen, die de jonge Varenplantjes dreigen te verstikken, moet men verscheidene malen repikeeren, waarbij men de voorkiemen telkens verdeelt, tot men ten slotte ieder plantje afzonderlijk heeft staan.

Zaait men fijne Varens, dan duurt de kieming dikwijls 2-4 maanden, terwijl er dan weder verscheidene maanden verloopen eer de plantjes in afzonderlijke potjes gezet kunnen worden. Gedurende dezen geheelen tijd moet men de plantjes zeer zorgvuldig behandelen; zij moeten gelijkmatig begoten worden, opdat de aarde niet uitdroogt; daarbij moeten zij van tijd tot tijd besproeid en tegen de zon geschermd worden.

Alleen volledigheidshalve hebben wij de lastige voortkweeking der Varens meer uitvoerig medegedeeld; den liefhebber deze bewerking aanbevelen, mogen wij echter niet; immers slechts zij, die veel ondervinding met plantencultuur hebben opgedaan en hiervoor veel tijd beschikbaar kunnen stellen, zullen eenige kans van slagen hebben.

De familie der Varens is zeer rijk aan geslachten en soorten. Het is ons onmogelijk, alle op te noemen, die bij een zorgvuldige behandeling als kamerplanten te gebruiken zijn. Wij bepalen ons tot enkele bekende; geen hooge temperatuur verlangende soorten, en merken er bij op, dat deze alle dezelfde, reeds vermelde, behandeling verlangen. De fraaiste en meest bekende Varensoorten zijn de Adiantums. Deze Varens vindt men in alle kweekerijen door talrijke soorten vertegenwoordigd. De meest bekende is de Adiantum cuneatum (Fig. 243); een andere, zeer schoone, hooger groeiende soort is de Adiantum fragrantissimum (Fig. 244), terwijl de Adiantum gracillimum door zeer fijn loof en groote sierlijkheid uitmunt. Al deze soorten worden tegenwoordig zeer veel gebruikt voor het opvullen van bloemenmandjes.

Zeer goede kamerplanten bevat ook het geslacht Asplenium. Als uiterst dankbaar willen wij vermelden de Asplenium Belangeri (Fig. 245). Deze soort is ook daardoor interessant, omdat zich op het loof steeds jonge plantjes ontwikkelen, die later, ter voortkweeking kunnen dienen. Een aardige, kleine boomachtige Varen voor de kamer is de Lomaria gibba, een boschvaren uit Australië, met zeer hard loof en een donker slank stammetje, dat steeds vochtig gehouden, dus dikwijls bespoten moet worden. Zeer elegant loof hebben de Nephrolepis-soorten uit Mexico en Brazilië, welke ook zeer vaak het karakter van ampelplanten aannemen. Een fraaie, zeer bekende soort is de Nephrolepis exaltata (Fig. 246), alsmede de talrijke, vooral in den laatsten tijd uit Amerika ingevoerde verscheidenheden.

Ten laatste willen wij nog het geslacht Pteris vermelden, waarvan tegenwoordig veel soorten gekweekt worden. Een der meest voorkomende soorten is de Pteris cretica albo-lineata (Fig. 247) met fraai wit omzoomd loof. Andere mooie soorten zijn de Pteris serrulata, Pteris tremula en Pteris argyræa, welke laatste een der schoonste bonte Varens is.

Mossen of Lycopodiaceeën.