Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer

Chapter 3

Chapter 33,922 wordsPublic domain

Belangrijker, dan de genoemde lichte grondsoorten, is voor den liefhebber, de zeer voedzame broeiaarde. De broeiaarde wordt verkregen door den paardemest, die in het najaar uit afgekoelde warme bakken wordt gestoken en die reeds grootendeels verrot is, op een hoop te zetten. Wordt deze hoop in den loop van den winter en der lente een keer of drie-, viermaal goed omgezet, dan verandert de oude mest in den loop van het jaar in zwarte aarde. In dezen grond, die zeer voedzaam is, groeien snel ontwikkelende planten uitstekend.

Nog voedzamer is een soort van mestaarde, die men verkrijgt door stroovrijen koe- en schapemest op een hoop te zetten en zoo te laten verteren.

Broei- en mestaarde kan men beschouwen als middelmatig zware grondsoorten. Bij het kweeken van planten heeft men echter ook zwaren grond noodig, en daarvoor komt in de eerste plaats de kleigrond in aanmerking. Hiertoe neemt men de klei, die onder de graszoden van weilanden gevonden wordt, zet die los op een hoop en laat ze des winters, wanneer de vorst het eenigszins toelaat, enkele malen flink omzetten, zoodat zij goed kan doorvriezen. Is deze grond goed doorgevroren en wil men, in het voorjaar, een der grootere stukken in de hand nemen, dan valt dat uit elkander, zoo los is het geworden.

Hetzelfde doel, dat men met den kleigrond bereikt, bereikt men ook met graszodengrond. Om graszodengrond te maken, neemt men zoden van goed beweid weiland, en zet die met het gras naar onderen op een hoop. Zulk een hoop laat men een jaar staan, om hem in het voorjaar van het volgend jaar flink om te zetten. Deze bewerking herhaalt men des zomers en in het najaar nog eens. Vriest de hoop dan in den daarop volgenden winter goed door, dan is hij in het voorjaar voor gebruik geschikt. Is men niet zeker graszoden van weilanden te verkrijgen, die goed beweid zijn, dan doet men het beste een laag zoden neer te leggen van ± 10 cM. dikte, hierop een laag koemest van ongeveer 5 à 6 cM. dikte, dan weder een laag zoden en zoo doorgaande tot de hoop klaar is. De bewerking is dezelfde als die zoo juist genoemd. Is deze grond gereed, dan heeft men niet alleen een zeer zwaren, doch ook een zeer voedzamen grond. Een zeer goede aarde van hetzelfde gehalte verkrijgt men ook, door in weilanden de mollenhoopen te verzamelen. Deze grond is meestal zeer goed en vrij van ongedierte en dergelijke plagen.

In den laatsten tijd wordt ook veel gebruik gemaakt van turfstrooisel. Turfstrooisel, goed fijn gemaakt, is zeer geschikt om in te kweeken en kan ook dienen, om te zwaren grond lichter te maken. Beter daartoe geschikt is echter de aarde, die men verkrijgt, door turfstrooiselmest langen tijd op een hoop te laten staan. Turfstrooisel komt tegenwoordig bij wijze van groote balen in den handel voor, en is niet duur.

Een zeer belangrijk bestanddeel der grondmengsels is ook het zand. Nooit is een grondmengsel goed om planten in te verpotten, wanneer het niet minstens 1/6-1/12 zand bevat. Het zand houdt de aarde rul en frisch, terwijl het ook een goede afwatering bevordert. Het beste zand, dat men gebruiken kan, is grof rivierzand, ook wel bekend onder den naam van scherpzand. Minder geschikt is z.g.n. duinzand, daar dit te fijn is, waardoor de aarde, na lang gieten, zich te veel sluit en een goede waterafvoer dan niet meer mogelijk is.

De liefhebber, die slechts enkele planten in de kamer kweekt, en niet over een tuin beschikt, waar hij een hoekje, goed aan alle weersinvloeden blootgesteld, kan afzonderen voor bergplaats van aardsoorten, doet het beste deze, wanneer hij ze noodig heeft, bij een goeden kweeker te koopen. Hij, die er echter een bergplaats voor aarde op na kan houden, behoeft geen moeite te doen zich alle, hier behandelde, aardsoorten aan te schaffen. Voldoende is het, wanneer men een lichte grondsoort, broeiaarde en klei- of graszodengrond heeft, waarbij het zand zeker niet vergeten mag worden.

Wat nu de verschillende grondmengsels betreft, kan men als algemeenen regel tamelijk wel aannemen, dat planten met zeer zwak ontwikkeld wortelgestel, of die met zeer fijne wortels, een lichten grond moeten hebben. Tot deze planten behooren o.m. de Varens en al die teere plantjes, welke in het kamerkasje worden gekweekt. Een weinig zwaarderen en ook voedzameren grond, een mengsel dus van ongeveer gelijke deelen, blad-, broei- en graszodengrond, verkiezen de niet zeer zwaar bewortelde, maar snel groeiende zomerbloemplanten, waartoe o.a. de Fuchsia's, Heliotropen en Pelargonium's behooren. In zwaren grond, derhalve in een mengsel van 1/2 tot 2/3 graszodengrond, groeien voor het meerendeel alle planten met vleezige wortels, die somtijds zeer omvangrijk kunnen worden, zooals bij voorbeeld de Palmen en Bolgewassen. Bij het kiezen der grondsoort moet men ook nog letten op den leeftijd der planten. Aan een jongen Palm geeft men een tamelijk lichten grond, maar wanneer hij grooter wordt en verpot moet worden, zorgt men er voor, de aarde telkenmale wat zwaarder te nemen. Bij het gebruik van zwaren grond moet men er ten slotte nog op letten, dat hij niet te veel pakt. Is dit het geval, dan moet hij met wat lichteren grond en een weinig zand vermengd worden. Ook is het zaak, dat de aarde bij het gebruik niet te vochtig is. Beter doet men iets te droge, dan iets te vochtige aarde te gebruiken, terwijl deze altijd de temperatuur moet hebben van het vertrek, waarin de planten zich bevinden. Het gebruik van te vochtige en te koude aarde is allernadeeligst voor den groei der planten.

Het zaaien en uitplanten.

Het aangenaamste en meest loonende werk, waarmede de plantenliefhebber zich kan bezighouden, is ongetwijfeld wel het vermenigvuldigen van zijn lievelingen en het interessantste is dan zeker wel, dit te doen langs den natuurlijken of geslachtelijken weg, namelijk door zaaien. Deze wijze van vermenigvuldigen is zeker wel de dankbaarste; want, indien men haar goed kan volvoeren, geeft zij een duidelijk overzicht van het zoo belangrijke gebied der tuinbouwkunde.

Om met succes planten door middel van zaad te vermenigvuldigen, heeft men in de eerste plaats goed, kiemkrachtig zaad noodig en een der eerste zorgen moet dus zijn, zich dit aan te schaffen. Weinige zaken zijn op zulk een volkomen vertrouwen gebaseerd als een zaadhandel, want niet alleen kan men aan de meeste zaadsoorten met het bloote oog onmogelijk zien, of zij al dan niet kiemkrachtig zijn; maar van de meeste soorten kan men zelfs niet met zekerheid zeggen of het wel die zijn, welke men heeft besteld. De zaden van de verschillende soorten en variëteiten van één geslacht zijn dikwerf niet uit elkander te kennen. Het is daarom zaak, de zaden steeds van een der meest betrouwbare firma's te betrekken; in welk geval men omtrent kiemkracht en juistheid der verlangde soort tamelijk wel verzekerd is.

Van groot belang is in de eerste plaats de keuze van den juisten tijd om te zaaien. Uitgezonderd voor die zaden, welke zeer langzaam kiemen en welke men het beste doet in de maanden Januari tot Maart in een warme kamer te zaaien, zijn de maanden April en Mei daartoe het meest geschikt. Zaait men te vroeg, dan zal het vrij sterke vallen der temperatuur gedurende den nacht een zeer ongunstigen invloed op de kieming uitoefenen, terwijl ook de jonge kiemplantjes zullen lijden door de onvermijdelijke temperatuurswisselingen. Het te laat zaaien is ook niet aan te bevelen, daar de zaadplanten dan vóór den herfst zich niet meer volkomen kunnen ontwikkelen.

Een goede kiemkrachtige zaadkorrel heeft voor haar eerste ontwikkeling behoefte aan warmte en vochtigheid, terwijl het kiemingsproces veel zekerder zal plaats hebben, wanneer dit in volkomen donker kan geschieden. Om aan dit eerste vereischte der kieming te voldoen, brengt men de zaadkorrels in den grond en bedekt men ze ook in den regel met een laagje aarde. Op deze wijze uitgezaaid, ligt de zaadkorrel vochtig en warm en is tegelijkertijd van het licht afgesloten.

Voor het zaaien in de kamer bedient men zich van kleine zaadpotjes, van platte schalen, of ook wel van houten kistjes. Welke van deze voorwerpen men ook gebruikt, steeds moet er op gelet worden, dat zich in den bodem de noodige drainagegaatjes bevinden.

Heeft men zeer platte schalen, dan is het voldoende op ieder gaatje één scherf te leggen met de holle zijde naar onder; bij hoogere schalen of potten is dit echter lang niet voldoende, men moet deze minstens l/3 der hoogte met scherven vullen. Ook stukjes houtkool, cokes en ook wel steentjes kunnen hiervoor gebruikt worden. Deze schervenlaag heeft ten doel een geregelden waterafvoer te verzekeren. Het overvloedige water kan dan gemakkelijk wegzakken. Waar de drainage niet voldoende verzekerd is, daar wordt de aarde in korten tijd zuur en het beste zaad kan dan geen goede, gezonde zaadplantjes geven.

Van evenveel belang als het is voor een goeden pot te zorgen, is het ook, de juiste soort van aarde te kiezen, waarin men zaait. De ondervinding heeft geleerd, dat men te dien opzichte voorzichtig moet zijn, daar vele teere planten uitsluitend in lichte aarde willen kiemen. Dit ligt ook eenigszins voor de hand. Zware grond is voor warmte moeilijk toegankelijk, hij neemt te veel water in zich op en biedt aan het jonge kiemplantje te veel weerstand, zoodat die moeilijk of in het geheel niet aan het daglicht zou kunnen treden. De beste grond, om in te zaaien, is in de meeste gevallen zeer zuivere, goed verteerde bladgrond, die door een fijne zeef is gewreven; ook heidegrond is zeer goed bruikbaar. Deze grondsoorten moeten, vóór ze gebruikt worden, met 1/3 tot 1/4 zand vermengd worden. In den laatsten tijd wordt ook met goed succes zeer fijn turfstrooisel gebruikt. Turfstrooisel is zeer poreus, het wordt niet vast en blijft vochtig. Het heeft tegen, dat het een grond is, zeer arm aan voedende bestanddeelen, zoodat de jonge plantjes er spoedig uitgenomen moeten worden. Moeten, hetzelfde door welke omstandigheid, de jonge kiemplantjes eenigszins lang in den zaadpot blijven staan, dan is turfstrooisel niet aan te bevelen. Vóór alles moet men er op letten, dat de aarde, waarin men zaait, een voldoenden vochtigheidsgraad bezit; zij mag noch te droog, noch te vochtig zijn. De zaadpotten worden nu met de klaargemaakte aarde gevuld; hierop worden zij gladgemaakt en met een plankje of de palm van de hand zacht aangedrukt. Naar de grootte der zaden, moet men het zoo inrichten, dat er tusschen het bovenvlak der aangedrukte aarde en den rand van den pot een ruimte van 1 tot 4 cM. overblijft. Zijn de zaadpannen of -potten op deze wijze geheel klaargemaakt, dan gaat men tot het eigenlijke zaaien over. Het gemakkelijkste is het zaaien van groote zaden: deze worden eenvoudig, maar vooral niet te dicht, over de oppervlakte van den pot verdeeld. Onder de kamerplanten, die grootere zaden bezitten, zijn er vele, waarvan de zaden pas na een voorafgaande bewerking gezaaid kunnen worden. Het zijn vooral die zaden, welke zeer harde schillen hebben, die men, indien zij eenigszins spoedig moeten kiemen, niet maar zoo zaaien kan. Dikwijls wordt dan die harde buitenschaal een weinig losgemaakt; deze bewerking is echter niet aan te bevelen, omdat daardoor maar al te vaak de kiem beschadigd wordt. Beter doet men, zulke zaden vooraf 2 of 3 dagen in lauw water te weeken. De harde schaal wordt door het weeken zacht, de vochtigheid kan gemakkelijker tot aan de kiem doordringen en als gevolg kiemt het zaad veel spoediger. Een hoofdzaak is het echter, dat men er op let, vooral niet te dicht te zaaien; slechts zeer groote zaden, zooals die van Palmen en Bananen, kunnen tegen elkander worden gelegd. Dikwijls is het echter in zulke gevallen beter, de zaden ieder afzonderlijk in een klein potje te zaaien. Fig. 13 toont een Banaan-korrel vóór en na de kieming en een ontwikkelde kiemplant in een zaadpotje.

Zijn de groote zaden uitgestrooid, dan moeten zij met een beetje overleg met aarde bedekt worden. De zaadkorrel moet ongeveer zoo hoog gedekt worden als zij dik is. Na het dekken wordt de aarde weer gelijkmatig aangedrukt. Nog moet opgemerkt worden, dat de zaadkorrels met zwaren grond minder gedekt moeten worden dan met lichten. Aangezien wij er echter reeds op gewezen hebben, dat men voor het zaaien in de kamer beter lichte aarde dan zware gebruikt, zoo zal men het beste doen als regel aan te nemen het zaad juist zoo diep te zaaien als het dik is. Bij te zware bedekking, wil de kiem wel eens rotten, voor zij aan het daglicht is kunnen treden; bij te lichte bedekking echter, heft het jonge worteltje de zaadkorrel uit den grond, wat ook niet wenschelijk is, daar de kiemplantjes dan te spoedig moeten verplant worden. Palmen en planten, die dadelijk een zwaren wortel maken, worden veelal te ondiep gezaaid, zij kunnen gerust eenige centimeters onder de oppervlakte der aarde gelegd worden.

Het moeielijkste is het uitzaaien van stoffijne zaden, zooals die van vele onzer meest geliefde kamerplanten o.a. Gloxinia's, Begonia's, enz. Deze fijne, meestal dure zaden, worden in kleine zakjes verkocht, die door de zaadhandelaren veelal weder in een grooter zakje worden gevouwen. De kleine zakjes moeten zeer voorzichtig geopend worden. Het gevouwen papier vormt dan een zoogenaamd schuifje. Dit schuifje neemt men zoo tusschen duim en middelsten vinger der rechterhand, dat men het papier met den wijsvinger van elkander verwijderd kan houden. (Fig. 14). Men beweegt nu het zoo vastgehouden papiertje van den éénen kant van den zaadpot naar den anderen en doet het zoo, dat de zaden langzaam van het schuifje glijden en zoo mogelijk gelijkmatig over de aardoppervlakte verdeeld worden. Het geldt als gewoonte, dat stoffijne zaden niet met aarde bedekt, maar slechts zeer voorzichtig aangedrukt worden, waardoor zij voldoende in de aarde komen te liggen.

Iedere zaadpot wordt nu voorzien van een etiquette, waarop de naam staat van het gezaaide zaad. Is men zoo ver gereed, dan worden de potten dadelijk aangegoten. Slechts voor die potten, waarin grootere zaden liggen, gebruikt men, bij het aangieten, een broesgieter; voor die, welke zeer fijne onbedekte zaden bevatten, gebruikt men den rafraichisseur. Dezen moet men echter nog zeer voorzichtig behandelen, en er vooral op letten, dat de zaden niet naar één zijde van den pot gespoeld worden. Heeft men de zaadpotten aangegoten, dan zet men ze op de bestemde plaats.

Voor zaden, die vroeg in het voorjaar moeten ontkiemen, is het voorzichtig de potten met een glasplaat te bedekken (Fig. 15). Deze glasplaat wordt dagelijks éénmaal van den pot afgenomen, en dan met een spons of doek goed droog afgeveegd. Deze zaadpotten zet men zoo warm mogelijk, bij voorkeur in een geregeld gestookte kamer, niet te ver van de kachel. Heeft men echter zaden, die minder warmte noodig hebben, dan is het beter, ze voor het venster te zetten. Zij behoeven dan niet met een glasplaat bedekt te worden, maar het is voorzichtig, wanneer de zon ze beschijnt, er een stukje papier op te leggen, ten einde het te sterke uitdrogen te voorkomen.

Indien men bij het zaaien de noodige voorzichtigheid in acht genomen heeft, dan behoeft men aanvankelijk niets te doen, dan de aarde behoorlijk vochtig te houden. Is men zeker, kiemkrachtige zaden gebruikt te hebben, dan kan, mits men bij het begieten de noodige voorzichtigheid betracht, het resultaat niet uitblijven. Bij het gieten der zaden, moet men er op letten, dat dit steeds geschiedt, voordat de oppervlakte zeer uitgedroogd is. Door het opdrogen, wordt het kiemingsproces gestoord, en één enkelen keer uitdrogen, op den tijd, dat het jonge worteltje zich ontwikkelt, kan het ten gronde gaan der kiemplanten veroorzaken.

Om een goed resultaat te verkrijgen, moet men zich met een goede dosis geduld wapenen. Hij, die het afwachten nog niet geleerd heeft, leert het zeker, bij het behandelen van zaadpotten. Het is toch een groote fout om in de zaadpotten te wroeten, ten einde te zien of het zaad nog niet kiemt. Men moet de potten onaangeroerd laten staan, om het spoedigste tot het doel te geraken. Eenige soorten zaad zijn er, die een of ook wel twee jaar noodig hebben om te kiemen, deze zijn echter gelukkig zeldzaam. Slechts enkele zaden en wel hoofdzakelijk die van Palmen, hebben verscheidene maanden noodig om te kiemen, de meeste kamerplanten echter doen dit reeds binnen een of twee weken en verscheidene zelfs al na enkele dagen. Tusschen het verschijnen der eerste en der laatste kiemplant in één pot, kan somtijds een aanmerkelijke tijd verloopen. Bij eenige soorten is deze onregelmatigheid in de kieming zeer opmerkenswaardig, zoo bij voorbeeld bij Musa Ensete, de reeds vermelde Banaan, een zeer bekende sierplant. Bij deze soort kan het voorkomen, dat de eerste kiemplant reeds na veertien dagen verschijnt, terwijl andere van vier tot zes maanden op zich laten wachten. Hetzelfde is het geval met de zaden van een, tot de Winde behoorende, klimplant, de Mina lobata. De eerste kiemplanten van deze soort verschenen acht en veertig uren na het uitzaaien, terwijl er acht maanden later nog opkwamen.

Bij de Japansche Hop, Humulus japonicus, heeft men ondervonden, dat de meeste zaden binnen één maand kiemen, maar dat sommige meer dan een jaar blijven slapen, om dan pas te verschijnen. De aangevoerde voorbeelden zullen wel voldoende zijn om te toonen, dat de liefhebber, die zich met zaaien bezighoudt, geduld, zelfs veel geduld, moet bezitten en ook, dat hij vooral niet te vlug moet zijn met een oordeel over het gekochte zaad. Hoeveel zaadpotten, met zeer goede zaden bezaaid, worden niet weggeworpen, alleen, omdat de bezitter geen geduld genoeg heeft om op de kieming te wachten.

Er zijn slechts zeer weinige zaadplanten, die men in den pot, waarin zij gezaaid zijn, kan laten staan, om daarin tot volkomen ontwikkeling te komen. De meeste kiemplantjes moeten spoedig, nadat zij opgekomen zijn, wijder uit elkander geplant worden; een bewerking, welke men aanduidt door het woord repikeeren of verspenen. Heeft men niet zóó dicht gezaaid, dat de jonge plantjes elkander dadelijk raken, dan behoeft dat repikeeren niet direct na het opkomen te geschieden. Heeft men echter te dicht gezaaid, dan kan men, indien het geen zeldzame planten zijn, de zwakste voorzichtig uittrekken en wegwerpen, om zoodoende den sterkeren meer ruimte te geven, of wel, men moet zoo spoedig mogelijk uitplanten.

Zeer lastig is het uitplanten der zaailingen, die uit zeer fijne zaden ontspruiten, daar deze dikwijls, met het ongewapend oog, nauwelijks te zien zijn. Voor deze kiemplantjes, die verscheidene malen gerepikeerd moeten worden, voordat zij sterk genoeg zijn om afzonderlijk in een potje te worden geplant, gebruikt men potten van ongeveer 10 cM. wijdte, of wel platte schalen of kistjes. Deze potten of schalen worden ter halver hoogte met scherven gevuld, hierop legt men een laagje ruw turfstrooisel en daarbovenop de aarde. Als aarde gebruikt men fijn gezeefden lichten grond, vermengd met zand. Alvorens te planten, wordt de aarde gelijkgemaakt en zacht aangedrukt. Voor het uitplanten van zaailingen heeft men twee hulpmiddelen noodig, die men echter zelf kan maken; te weten: een klein stokje, dat men aan de ééne zijde spits en aan de andere zijde vlak afsnijdt, het repikeer-stokje, en ten tweede een pincet (Fig. 16 van onder). Om een pincet te maken, neemt men een dun stokje, dat men aan de eene zijde, met een lange punt, afsnijdt; hierop splijt men de spits met een scherp mesje en steekt in het einde der spleet een klein dwarshoutje. Dit pincet neemt men in de linkerhand, tusschen duim en wijsvinger, waarmede men het spleetje open en toe kan drukken; in de rechterhand neemt men het repikeer-stokje.

Met de punt van het repikeer-stokje maakt men het jonge zaadplantje los, waarop men het voorzichtig met het pincet opneemt. Heeft men het plantje tusschen het pincet, dan maakt men in den gereedstaanden pot, met de punt van het repikeer-stokje, een klein gaatje, dat vooral niet te diep mag zijn. In dit gaatje houdt men nu het plantje, zoodanig, dat de kiemblaadjes op de aarde komen te liggen, waarop men het gaatje met de platte zijde van het repikeer-stokje dichtdrukt, waardoor het plantje vast komt te staan (Fig. 16). Men moet de jonge plantjes nooit al te wijd uit elkander planten en ze, wat men met een technischen term noemt, in het verband zetten; d.w.z. dat het eerste plantje in de tweede rij tusschen de beide eerste in de eerste rij komt te staan, zooals de hiernevens staande puntjes aanduiden : . : . : . : Deze plantwijze heeft het voordeel, dat alle plantjes even wijd uit elkander komen te staan en de ruimte in den pot geheel gebruikt kan worden. Fig. 17 stelt een pot met goed opgekomen en daarnaast een pot met uitgeplante of gerepikeerde plantjes voor. Heeft men een pot op deze wijze vol geplant, dan worden de plantjes met den rafraichisseur voorzichtig aangegoten, en wanneer het warme planten zijn, met een glasplaat bedekt. Wil men dit laatste doen, dan moet er voor gezorgd worden, dat de pot niet tot aan den rand met aarde wordt gevuld; daar de jonge plantjes de glasplaat niet mogen aanraken. Zijn de zaailingen boven den rand van den pot uitgegroeid, en moeten zij nog met glas bedekt blijven, dan steekt men eenige stokjes op gelijke hoogte in den pot en legt daarop de glasplaat. (Fig. 18).

Heeft men gewone éénjarige zomerbloemen gezaaid, dan kan men die dadelijk repikeeren in den pot, waarin zij moeten bloeien, alleen moet men er dan op letten, ze niet te dicht op elkander te planten; niet te veel plantjes in één pot te zetten en in plaats van lichten grond wat zwaarderen en voedzameren te nemen.

De kiemplanten, die uit grootere zaden ontspruiten, worden niet eerst gerepikeerd, maar direct in kleine potjes geplant. Indien men zaailingen van kruidachtige planten heeft, kort men den penwortel een weinig in. Hierna vult men het potje met aarde (in de meeste gevallen met zand gemengde broeiaarde) en neemt daarna den zaailing dicht onder de zaadlobben in de linkerhand. Met den wijsvinger van de rechterhand maakt men nu een flink gaatje midden in de aarde van het gevulde potje; hierin houdt men het plantje zoodanig, dat de worteltjes de aarde raken, en de zaadlobben zoo dicht mogelijk op de oppervlakte van de aarde komen te liggen. Met den duim en wijsvinger van de rechterhand wordt dan het gaatje dichtgemaakt en de aarde matig vast aangedrukt (Fig. 19).

Zaailingen, met zeer veel worteltjes, moeten direct verplant worden. Hiertoe doet men, na de noodige drainage, slechts een weinig aarde in den pot. Men houdt dan den zaailing in den pot, dien men hierop met aarde vult en daarna, niet te vast, aandrukt. De verplante zaailingen moeten zoo spoedig mogelijk, in elk geval voordat zij gaan slap hangen, aangegoten worden en wel zoo, dat het gietwater al de aarde in den pot behoorlijk vochtig maakt.

Als jonge plantjes verlangen de zaailingen natuurlijk de noodige zorg. Na het verplanten moeten zij tegen de directe inwerking van de zon en ook tegen tocht beschermd worden, en vooral op het gieten moet zeer goed gelet worden, daar de kleine potjes, gevuld met lichten grond, natuurlijk tamelijk spoedig uitdrogen. Na betrekkelijk korten tijd maken de jonge plantjes, indien zij goed verzorgd worden, nieuwe worteltjes; zij gaan dan doorgroeien en het duurt niet lang of men moet aan het repikeeren voor de tweede maal, of aan het oppotten gaan denken.

Hij, die zijn kamerplanten, maar vooral zijn zomerplanten, voor het balkon en de waranda bestemd, op boven aangegeven wijze uitzaait en verpleegt, zal flinke, stevige, rijk bloeiende planten verkrijgen, die de vergelijking met de dadelijk op haar plaats uitgezaaide planten schitterend zullen doorstaan.

De kunstmatige of ongeslachtelijke voortkweeking van kamerplanten.