Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer
Chapter 29
Goed gezonde en bewortelde Palmen kan men des zomers minstens één keer per week gieren. Verdunde koemest is hiertoe zeker het meest geschikt; levert het gebruik hiervan in de kamers bezwaar op, dan moet men zich met kunstmeststoffen behelpen.
Terwijl jongere Palmen ieder voorjaar moeten verpot worden, kunnen de oude exemplaren, wanneer zij voldoende bemest worden, drie tot vier jaren in denzelfden pot of kuip blijven staan. Bij het verplanten moet men zeer voorzichtig zijn. De Palmen toch bezitten een zeer sterk wortelgestel, lange zware hoofdwortels, die soms tien of vijftien maal in den pot rondgegroeid zijn, zij hebben daarbij betrekkelijk zeer weinig haarwortels. Nadat men den te verplanten Palm uit den pot genomen heeft, wordt de kluit voorzichtig losgemaakt; men mag echter aan de gezonde wortels in het geheel niet snijden, daar de ingesneden Palmwortels zich meestal niet vertakken, doch geheel afsterven. Daar deze lange hoofdwortels zich altijd onder aan de kluit ophoopen, en er zich in het midden slechts weinig wortels bevinden, wordt het gebruik van potten, die hooger zijn dan wijd, wel eens noodig. Men vermijde het gebruik van zulke potten echter zooveel mogelijk, en gebruike in geen geval de leelijke buisvormige potten, die wel in den handel voorkomen. Sommige Palmsoorten ontwikkelen wortels uit den stam, die dezen ten laatste uit de kluit tillen, zoodat zij dan geheel vrij in de lucht staan. Zulke wortels behoeft men bij het verplanten niet onder de aarde te brengen, daar zij zich na korten tijd met een kurkhuid bedekken; wil men ze toch voedsel doen opnemen, dan bedekt men ze met een laagje mos, dat goed vochtig gehouden wordt.
Voor het bevestigen van dit mos gebruikt men het best dun koper- of looddraad. Van veel belang is de grondsoort, die men bij het verplanten gebruikt, daar deze geregeld moet worden naar den gezondheidstoestand, den leeftijd en de sterkte der plant. Heeft men jongere of zieke Palmen, dan wordt lichtere, heeft men oudere en gezonde planten, dan wordt zwaardere aarde gebruikt.
Drie- à vierjarige Palmen worden geplant in een mengsel van twee deelen blad- of heide-aarde en één deel broeiaarde. Is de plant ouder, dan gebruikt men meer broeiaarde en voegt, al naar de grootte van het exemplaar, meer of minder graszodengrond aan het aardmengsel toe. Heeft men planten in kuipen, dan kan dit mengsel bestaan uit gelijke deelen bladaarde, broeiaarde en graszodengrond. Aan het grondmengsel worden nog een hoeveelheid zand en eenige hoornspaanders toegevoegd. Daar de Palmen in de kamer slechts langzaam groeien, moet men niet te groote potten gebruiken. Bij het verplanten moet de aarde tamelijk vast aangedrukt worden. Na het verplanten worden ze goed aangegoten en voorloopig gesloten gehouden, d.w.z. volstrekt niet voor een geopend venster gezet. Totdat zij beginnen door te groeien, moet men matig zijn met gieten, doch des te meer spuiten.
De meeste Palmen zijn boomachtig; zij vertakken zich niet, men kan ze dus niet door stekken, maar slechts langs den natuurlijken weg, door middel van zaden, voortkweeken. Daar de Palmen in de grootere kassen slechts zeer zeldzaam bloeien, en deze nog lang niet altijd vrucht dragen, moeten de zaden dus uit het land van oorsprong worden ingevoerd. Gewoonlijk ontvangt men de zaden nog omgeven met het verdroogde vruchtvleesch. Daar de Palmzaden tamelijk spoedig hun kiemkracht verliezen, moeten zij dadelijk na ontvangst in den grond gebracht worden. Wil men ze in de kamer zaaien, dan doet men het best een platten schotel of anders een 10 cM. wijden pot te nemen. Nadat men den pot goed van drainage voorzien heeft, wordt het te gebruiken grondmengsel niet te vast daarop gelegd en de pot daarmede bijna tot den rand toe gevuld. In plaats van aarde, die niet erg voor warmte toegankelijk is, gebruikt men bij voorkeur turfmolm, zaagsel of kokos-vezel om in te zaaien, welk materiaal vóór het gebruik goed vochtig moet gemaakt worden.
Heeft men de zaden van het hen omgevende vruchtvleesch ontdaan, dan worden zij één voor één, dicht tegen elkaar in den grond gelegd, daarna nog met een laagje gedekt en ten slotte flink aangedrukt. De zaadpotten worden nu steeds matig vochtig en zeer warm gehouden; het best zet men ze in het kamerkasje; heeft men een warmere plaats dan daar, ook al is die minder licht, wat geen bezwaar is, daar de zaden toch tamelijk lang werk hebben voordat zij kiemen, dan is dit nog veel beter. Fig. 227 vertoont een enkelen pot met goed opgekomen Palmzaden, alsook twee opgenomen zaailingen. Hebben de zaailingen de grootte, zooals op de gravure staat, bereikt, dan worden zij uit den pot genomen en afzonderlijk in kleine potjes opgepot. Voor dit eerste oppotten gebruikt men zandige blad- of heide-aarde. Men moet nu vooral voorzichtig zijn, dat de zaadkorrel niet afbreekt, daar deze de jonge plant gedurende den eersten tijd nog gedeeltelijk voedt. Men neemt een niet te klein stekpotje, brengt daarin drainage, doet er wat aarde in en houdt dan den zaailing er zóó in, dat de zaadkorrel onder den rand komt te liggen. Het potje wordt nu geheel met aarde aangevuld, die goed aangedrukt moet worden, waarna de opgepotte zaailing goed wordt aangegoten.
Het kweeken van Palmen uit zaden is, wanneer men het in de kamer moet doen, wel zeer interessant, maar niet erg loonend. Afgezien nog daarvan, dat onder de betrekkelijk ongunstige omstandigheden de kieming zeer lang duurt of wel geheel mislukt, moeten de jonge zaailingen noodzakelijk in het kamerkasje worden gezet, waarin zij zich nog zeer langzaam ontwikkelen. Bij slechts zeer weinig soorten brengen de Palmzaailingen direct hun gekarakteriseerde bladeren voort; de meeste maken de eerste twee, drie jaren lange smalle bladeren, zooals op onze gravure zijn te zien, en die, al naar de soorten, wat smaller of wat breeder zijn. Men moet bij in de kamer gekweekte zaailingen veel langer op het eerste goed ontwikkelde blad wachten dan bij in de kas gekweekte.
De Palmen worden in twee groepen verdeeld: die met vedervormige en die met waaiervormige bladeren. Uit beide groepen willen wij slechts die soorten vermelden, welke voor de kamer geschikt zijn en die men overal goedkoop kan verkrijgen. De schoonste en dankbaarste Vederpalmen voor de kamer behooren tot het geslacht Kentia.
De Kentia's behooren in Nieuw-Holland te huis. Ongeveer vijftig jaar geleden werden zij nog tot de duurste soorten gerekend; sedert dien tijd zijn er echter groote massa's goede zaden van ingevoerd, waardoor zij veel goedkooper zijn geworden. Een der meest bekende en gezochte soorten is de Kentia Balmoreana, (Fig. 228). Men kan op de gravure de meest kenmerkende eigenschappen van het gansche geslacht zien, namelijk de fraaie, licht gebogen bladeren, met de naar beide zijden afhangende zijblaadjes en het flinke, krachtige voorkomen der geheele plant. Naast deze soort wordt de Kentia Forsteriana het meest aangetroffen, en zij verdient deze onderscheiding ten volle, daar zij door haar lange bladstelen een zeer elegante verschijning is. Veel gelijkenis met de Kentia's hebben de Areca's. Is de kleur der bladeren bij de eerstgenoemde soorten eenigszins geelachtig, bij de laatste is die donkergroen. De slanke bladeren zijn over het algemeen grooter; de bladstelen en ook de vederblaadjes zijn eenigszins wit bestoven, wat men zoo mogelijk niet moet afwasschen.
De schoonste en beste soort voor kamercultuur is de Areca Baueri. Uit Fig. 229 kan men duidelijk zien, dat ook dit een zeer schoone soort is. Deze van het eiland Norfolk afkomstige soort is tegenwoordig zeer gezocht.
Een Areca Baueri, op een standaard geheel vrij staande, is een prachtige kamerversiering, en, wat hoofdzaak is, zij is dit niet voor eenige dagen, maar voor zeer langen tijd, wanneer men haar voorzichtig en met overleg behandelt. Ook de stijvere Areca sapida (Fig. 230) is een mooie en zeer dankbare kamerplant.
Zeer dicht aan het geslacht Areca sluit zich het geslacht Hyophorbe aan. Een der hiertoe behoorende soorten, de Hyophorbe indica, in den handel ook wel als Areca lutescens bekend, is een zeer goede kamerplant. Deze soort groeit eenigszins bossig, wijl zij verscheidene stengels vormt.
De voor kamercultuur meest bekende Vederpalmen behooren zeker wel tot het geslacht Phoenix, waarvan zeer veel soorten in cultuur zijn. Het zijn alle zeer elegante Palmen, met gootvormig gevouwen vederblaadjes en aan den voet gedoornde bladstelen. Aan deze dorens kan men, wanneer men niet voorzichtig is, zich vrij erg bezeeren.
De echte Dadelpalm, Phoenix dactilifera, laat zich gemakkelijk kweeken uit de pitten der in den handel voorkomende dadels.
Deze zaden hebben voor hun kieming geen behoefte aan veel warmte; des zomers kiemen zij zelfs wel buiten. De schoonste soorten van het geslacht zijn Phoenix tenuis, met zeer fijne bladeren; Phoenix rupicola, een zeer elegante soort, en Phoenix leonensis, die niettegenstaande haar groote vederblaadjes, toch zeer sierlijk is.
Ook onder de Cocos-soorten treft men zeer fraaie kamerplanten aan. Terwijl de echte Kokospalm, de Cocos nucifera, in de kamer in het geheel niet en in een kas uiterst moeilijk te kweeken is, zijn er andere soorten, die zeer dankbaar zijn. De Cocos Weddeliana, afkomstig uit Brazilië, is zeker wel een der beste en te gelijk een der mooiste Palmen voor de kamer. De fraaie, elegante bladeren van deze soort zijn aan de bovenzijde glanzend groen en aan de onderzijde zilverwit. Zij verkiest een kleiachtige aarde, voorzichtige begieting en een eenigszins koele standplaats, daar zij anders spoedig wortelziek wordt. In de laatste jaren wordt de Cocos Weddeliana in zeer grooten getale gekweekt en overal voor kamercultuur aanbevolen, zoodat men er jonge planten van vindt in bijna iedere uitstalling der grootere bloemenwinkels. Een zeer dankbare kamerplant is ook de Cocos Romanzoffiana; deze is afkomstig uit de gematigde streken van Brazilië en vormt zeer lange bladeren, met elegant afhangende vederblaadjes.
Zeer sierlijke Palmen zijn ook eenige soorten van Chamædorea, van wier slanke stammen wandelstokken worden gemaakt. Zij worden nog betrekkelijk weinig gekweekt, hoewel zij in de kassen gemakkelijk bloeien en zaad geven. De meest bekende soorten zijn de Chamædorea Ernesti-Augusti en de Chamædorea elegans.
Ten laatste willen wij van de Vederpalmen nog de Caryota's vermelden. De bladeren, der soorten, die hiertoe behooren, zijn dubbel gevederd, d.w.z. de bladsteel vertakt zich en aan deze zijtakjes zijn de bladeren bevestigd. De vederblaadjes op zichzelf zijn tamelijk breed, scheef, driekantig en sterk ingesneden, vooral de groote eindbladeren hebben veel overeenkomst met de staartvin van een visch. Interessant zijn de Caryota urens en de Caryota sobolifera. De Caryota's, die niet veel aangetroffen worden, zijn zeer goede kamerplanten gebleken; omdat zij niet al te groot worden. Hoewel zij, in de kamer gekweekt, volstrekt geen stam vormen, zijn het in haar vaderland imposante boomen, met slanke, gladde stammen.
Niet zoo groot als bij de Vederpalmen is de keuze bij de Waaierpalmen. De meest bekende en wellicht ook de fraaiste der hiertoe behoorende soorten is de Livistona chinensis (Latania borbonica). Iedere plantenliefhebber kent deze fraaien Palm, die in elke kweekerij aangetroffen wordt. Zij houdt zich in de kamer vrij goed, doch vormt niet zulke lange bladstelen, waardoor zij spoedig haar elegant voorkomen verliest. Dit is vooral het geval, wanneer men planten koopt, die in de kweekerijen zeer warm hebben gestaan. De hartbladeren blijven dan in den kop steken, zij groeien niet goed door en de plant verliest veel van haar schoonheid. Een veel zeldzamere, doch ook zeer fraaie soort is de Livistona rotundifolia. Beide soorten bezitten gedoornde bladstelen. Zeer hard is de Livistona australis; ook deze soort heeft gedoornde bladstelen en bijna cirkelronde, fijn ingesneden bladeren. Als jonge plant is zij echter wel een beetje stijf. De hardste Waaierpalmen zijn de Chamærops. Twee soorten komen van dit geslacht veel voor: de Chamærops excelsa en de Chamærops humilis. De eerste, die ongedoornde bladstelen heeft en hooger opgroeit dan de tweede, is ook veel fraaier. Beide soorten groeien des zomers zeer goed buiten en stellen zich des winters tevreden met een temperatuur van 40°-50° Fahr.
Ten laatste willen wij nog vermelden de Rhapis flabelliformis. Dit is een struikachtige harde Palm, die bossig groeit en vrij lange stengels vormt. De bladeren zijn donkergroen, handvormig ingesneden en worden door zeer dunne bladstelen gedragen. De stengels zijn met een stugge vezelstof omgeven.
Een zeer sierlijke soort is ook de laag blijvende Rhapis humilis. Deze is, evenals de voorgaande, voor koelere vertrekken bestemd. Men kan ze gemakkelijk voortkweeken door scheuring; ook worden er talrijke exemplaren van ingevoerd, die, na in de kweekerijen aan den groei te zijn gebracht, door de kweekers worden aangeboden.
Cordyline en Dracæna.
De Cordyline's en Dracæna's vormen twee geslachten uit de familie der Liliaceeën. De hiertoe behoorende soorten komen meest alle voor onder den naam Dracæna, eenige ook onder den naam Aletris. Het voornaamste, ook voor leeken, waarneembare verschil tusschen de beide geslachten bestaat hierin, dat de soorten, die tot het geslacht Cordyline behooren, een soort van wortelstok vormen, waaruit jonge scheuten zich kunnen ontwikkelen, en ook witte wortels hebben, terwijl de soorten van het geslacht Dracæna zulk een rhizoom niet bezitten en geelachtige wortels vormen. Wat het uiterlijk betreft, komen de beide geslachten anders tamelijk wel overeen, en ook in de behandeling stellen zij dezelfde eischen, waarom wij hen te zamen willen bespreken.
Wanneer de lezer de hierbij gevoegde gravuren slechts even beziet, dan zal hij er wel dadelijk oude bekenden in herkennen. Deze, dikwijls met zeer fraaie bladeren prijkende bladplanten zijn een zeer belangrijk handelsartikel. Men vindt ze tegenwoordig in bijna iedere kweekerij, waar zij door te veel leeken nog steeds voor Palmen worden aangezien, waarmede zij echter niets gemeen hebben. De betrekkelijk kleine bloemen der Cordyline's en Dracæna's verschijnen in groote trossen. Zij zijn tamelijk onbeteekenend, en komen alleen voor bij zeer oude exemplaren, of bij planten, die gebrek aan voedsel hebben.
Gedeeltelijk zijn de tot deze geslachten behoorende gewassen harde decoratieplanten, die men des zomers ter versiering van den tuin en het balkon kan gebruiken, terwijl men ze des winters in een tamelijk koude kamer kan laten overwinteren. Het zijn in hoofdzaak de groenbladerige variëteiten, die zich daartoe bij uitstek leenen. Andere groene en vooral gekleurde variëteiten zijn meer bepaald kamerplanten, die een zeer zorgvuldige behandeling verlangen. Deze teerdere soorten kweekt men het best, ook des zomers, in de kamer; men geeft ze dan een lichte standplaats, waar zij tegen te scherpe zon moeten geschermd worden. De winterverpleging der Cordyline's en Dracæna's is het lastigst van de geheele cultuur. Het gevoeligst zijn de bontbladerigen; de aarde moet tamelijk droog, in ieder geval meer droog dan vochtig gehouden worden, daar anders de wortels en onderaardsche stengeldeelen afsterven, waardoor de geheele plant kan verloren gaan. Bij de meeste Cordyline's zijn de wortels slechts éénjarig; tegen het voorjaar sterven zij af, gelijktijdig ontspringen echter uit de onderaardsche stengels jonge, witte wortels, die spoedig den geheelen pot vullen. De tijd, waarop dit wisselen geschiedt, is verreweg de kritiekste en men moet dan zeer voorzichtig zijn met het gieten. De Dracæna's behouden des winters hun wortels en kunnen dan ook wat rijkelijker begoten worden.
De Cordyline's en Dracæna's worden niet te vroeg in het voorjaar verplant. Heeft men jongere, in potten staande planten, dan geschiedt dit eens per jaar. Oudere, in kuipen staande exemplaren daarentegen behoeft men slechts om de 2 à 4 jaren te verplanten. Bij het verplanten gebruikt men steeds betrekkelijk kleine potten, zoodat er tusschen den nieuwen pot en de kluit niet al te veel ruimte over is. Nadat men ze uit de potten heeft genomen, worden de kluiten losgemaakt en de doode wortels weggesneden; waarbij men echter voorzichtig moet zijn, niet in de gezonde wortels te snijden. Totdat de planten aan den groei zijn, moet men slechts matig gieten. Oudere, niet verplante exemplaren kunnen des zomers enkele malen met een niet te sterke gier begoten worden. Op warme dagen moeten de bladeren des morgens en des avonds bespoten en ook af en toe met een spons afgewasschen worden, opdat zij zuiver blijven en niet door ongedierte worden aangetast. De tot deze geslachten behoorende planten hebben steeds sterk te lijden van gevaarlijk ongedierte, zooals thrips en roode spin, dat altijd, wanneer zij in een warm vertrek staan en niet voldoende gewasschen en bespoten worden, vrij hevig optreedt.
Het voortkweeken der Cordyline's en Dracæna's geschiedt in de kweekerijen op verschillende manieren. Verscheidene soorten worden uit zaden gekweekt; gewoonlijk echter geschiedt dit langs ongeslachtelijken weg door middel van stekken. De kroon der plant, die men voor vermenigvuldiging wil laten dienen, wordt afgesneden en als stek behandeld; daarna snijdt men den stam, zoo lang hij nog niet houtachtig, d.w.z. zeer hard geworden is, in eenige een centimeter lange stukjes. Nadat men de snijvlakken wat heeft laten opdrogen of ze met houtskoolpoeder heeft bestrooid, worden de stukjes op bodemwarmte gelegd in zeer lichte aarde of turfmolm. Spoedig ontwikkelen zich nu aan deze stamstukjes jonge scheuten, die ook wortels vormen. Zijn de stamstukjes te groot, dan snijdt men ze aan beide zijden in; de snijvlakken worden dan vóór het oppotten nogmaals met houtskool bepoederd. In de kamer is echter het voortkweeken dezer planten bijna ondoenlijk, daar men niet over een constante bodemwarmte kan beschikken. Heeft men planten van deze geslachten, die een schoone kroon hebben, doch van onderen kaal en daardoor leelijk geworden zijn, dan kan men die in de kamer toch zeer goed verjongen, door haar te ringen, op de wijze op bladz. 37 uitvoerig besproken.
Onder de Cordyline's vinden wij, zooals reeds gezegd is, talrijke hardere soorten, die als decoratieplanten zeer goed dienst kunnen doen. Tot deze soorten behoort de Cordyline indivisa, waarvan talrijke variëteiten bekend zijn en ook de Cordyline australis, met fraaie, breede bladeren. Onder de hardere soorten, die geschikt zijn om steeds in een kamer gekweekt te worden, zijn vermeldingswaardig de groenbladerige Cordyline congesta, en ook de Cordyline rubra, met breedere, roodachtig getinte bladeren. Deze beide soorten treft men tamelijk veel in woonvertrekken aan. Groenbladerige soorten van den lateren tijd zijn de Cordyline Bruantii en de Cordyline Danellii, waarvan vooral de eerste een uitnemende kamerplant is. In veel kweekerijen worden groote collecties rood-, wit- en geelbonte variëteiten van de Cordyline gekweekt, die, zooals wij reeds gezegd hebben, lang niet gemakkelijk te behandelen zijn, en zich in de kamer, vooral des winters, zeer gevoelig toonen. Fig. 234 toont een zeer fraaie, hiertoe behoorende soort, de Cordyline terminalis rosea.
Onder de Dracæna's zijn ook talrijke harde soorten, waartoe ook de Dracæna Draco (Drakenbloedboom) behoort. Deze soort is slechts schoon als grootere plant en wordt daarom niet zeer veel in de kamer gekweekt. Zeer mooie groenbladerige soorten zijn de Dracæna fragans en de Dracæna Rothiana; schoone, flink groeiende, bontbladerige soorten zijn de Dracæna Lindenii (Fig. 236) en de Dracæna Massangeana (Fig. 237); beide hebben groen met geel genuanceerde bladeren en vormen fraaie planten. Een heel aardige kamerbladplant is ook de Dracæna marginata, met smalle, rood gerande bladeren, terwijl een tamelijk nieuwe, ook zeer goede kamerplant, de Dracæna Sanderiana (Fig. 238) is.
Potplanten met fraaie vruchten.
Van deze groep komt in de eerste plaats in aanmerking de Ardisia crenulata. Deze, van de Antillen afkomstige plant, is zeker wel de schoonste der groenblijvende kamerplanten, die fraaie vruchten voortbrengen. Zij kenmerkt zich door een pyramidalen groei. De twijgjes zijn dicht bezet met frisch groene, sterk gezaagde, ovale, lederachtige bladeren. In het voorjaar groeit de Ardisia sterk uit; de jonge scheuten bedekken zich rijkelijk met kleine witte bloempjes, terwijl de overjarige scheuten bezet zijn met fraaie, koraalroode bessen.
De Ardisia is een inderdaad lieve kamerplant, die vroeger zeer veelvuldig gekweekt werd, doch tegenwoordig veel zeldzamer is geworden. Jammer is het, dat zij zich niet gemakkelijk in de kamer laat houden, daar zij warmte en vochtige lucht verlangt. Een hoofdvereischte is, haar goed schoon te houden, daar zij gemakkelijk vuil wordt en dan door schildluizen wordt aangetast. Oudere planten, die de onderste twijgen verloren hebben, zijn bepaald leelijk. De Ardisia's verlangen een lichte standplaats; zij willen dikwijls bespoten en zeer gelijkmatig begoten worden, terwijl men ze tegen de scherpe zon moet schermen. Ieder jaar moeten zij in het voorjaar verplant worden, waarvoor men een goede zandige broeiaarde moet gebruiken. Zeer nuttig is het, ze des zomers af en toe te gieren.
De voortkweeking geschiedt door zaden, die in vochtige lucht vaak reeds kiemen, wanneer zij nog aan de moederplant zitten en dan een interessant gezicht opleveren; ook kan men kopstekken nemen, waartoe de kroontjes van leelijk geworden planten zeer goed kunnen dienen. In de kamer gelukt het kweeken, door middel van stekken, uiterst zelden, terwijl het ook zeer moeilijk is er uit zaden goede planten van Ardisia's te kweeken. Een liefhebber doet dus het wijst, zich goede, jonge planten aan te schaffen.
Een zeer aardige, éénjarige potplant, die zeer schoone vruchten vormt, is ook de Capsicum annuum (Spaansche peper). In landen met een warmer klimaat groeit deze plant zeer welig buiten; zij brengt dan in grooten getale haar vruchten voort, die, gedroogd, een lang niet onbeduidend handelsartikel vormen. Er zijn talrijke soorten en variëteiten van bekend, die zich onderscheiden door de grootte, den vorm en de kleur der vruchten, door de grootere of kleinere bladeren en ook wel door de kleur der bloemen. Deze zijn geelachtig wit en gelijken in vorm eenigszins op die van den Aardappel, waaraan deze plant verwant is. De snel kiemende zaden worden in Maart gezaaid in een pot, die voor het venster wordt gezet. De kiemplantjes moeten spoedig gerepikeerd en, na de ontwikkeling der eerste blaadjes, afzonderlijk in potjes geplant worden. In den loop van den zomer zal het noodig wezen ze eens of tweemaal te verpotten. Voor het verpotten moet men zeer goede, met zand gemengde, broeiaarde gebruiken. De jonge plantjes, die in den beginne vrij warm moeten gehouden worden, gewent men langzamerhand aan de lucht, om ze in het begin van Juni in een zonnig gelegen plantenrekje te kunnen zetten. In Juni verschijnen meestal de bloemen. Zoodra deze vrucht gezet hebben, moet men al de twijgen toppen, ten einde het verder groeien te beletten, zoodat de plant al haar kracht voor de vruchtvorming kan gebruiken. Heeft men grootvruchtige planten, dan moet men er niet meer dan 2-4 vruchten tot ontwikkeling laten komen, daar zij dan veel mooier worden. Heeft de plant vrucht gezet, dan moet men haar aanbinden om misvorming te voorkomen; ook is dan een rijkelijk begieten en gieren zeer noodig. Tegen het midden van den herfst zet men de planten achter het venster van een matig warme kamer, waar de vruchten zeer goed rijp worden. Zijn deze volkomen rijp, dan kan men ze afsnijden en ter versiering van vazen gebruiken, of wel, men geeft ze in de keuken, waar zij wel haar weg zullen vinden.