Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer
Chapter 28
Plectogyne (Aspidistra) elatior. Wanneer men den naam van deze plant hoort en de gravure er van ziet, dan zal men haar direct als een oude bekende herkennen. Wie toch kent deze kruidachtige plant niet; wie heeft haar nooit in de kamer gekweekt? De uit China en Japan afkomstige Aspidistra [3] is goed ontwikkeld, een werkelijk schoone plant. De bladeren, die bij de typische soort groen, bij de ééne variëteit groen met gele of witte strepen en bij de andere groen met witte vlekken zijn, ontspruiten uit een wortelstok, die zich even onder de oppervlakte van de aarde bevindt. Een zich ontwikkelend blad is met een steunblad omgeven, waaruit het langzaam te voorschijn komt. De nu en dan verschijnende bloemen zijn onbeduidend; zij zitten vlak tegen de aarde aan den wortelstok en hebben een lichtgroene kleur. Deze plant schijnt geheel ongevoelig te zijn voor een donkere standplaats, droge kamerlucht en stof; ook schijnt te veel warmte haar niet te hinderen; dit neemt evenwel niet weg, dat men beter doet haar goed te behandelen, geregeld te begieten, de bladeren schoon te houden en ze op een lichte plaats te zetten. Het is voldoende, wanneer men haar eens om de twee jaren verpot, waartoe men een mengsel gebruikt van blad- en broeiaarde; heeft men dit niet, dan kan men ook lichten tuingrond gebruiken. Het best overwintert zij in een vertrek met een temperatuur van 45°-50° Fahr. De voortkweeking geschiedt door verdeeling der planten.
Phormium tenax (Nieuw-Zeelandsch Vlas). De Phormium is een zeer fraaie plant, met lange, zwaardvormige, groene bladeren, die voor een gedeelte uit een zeer taaie vezelstof bestaan, welke voor het vervaardigen van touw wordt gebruikt. Het is een harde plant, die, in een kuip gekweekt, zeer geschikt voor decoratie is.
Er bestaan talrijke variëteiten van met fraaie bont gestreepte bladeren. Zeer goed laat zich de Phormium des winters gebruiken tot het versieren van vestibules en trappen, terwijl zij des zomers buiten wil staan. Een eigenlijke kamerplant is zij dus niet. Voor het verplanten, dat bij oude exemplaren slechts weinig noodig is, wordt goede, zware grond gebruikt. De vermenigvuldiging geschiedt bij de groene soort door zaden en verdeeling, maar bij de bonte variëteiten uitsluitend door deeling.
Reineckia carnea. Dit is een sierlijke, in China inheemsche, kruidachtige bladplant, die zeer hard is en zich daardoor uitstekend in de kamer laat kweeken. Zeer mooi vooral is de witbonte variëteit. De Reineckia heeft vleeschkleurige bloempjes, die, zooals ook de gravure aantoont, in aartjes vereenigd zijn en haar waarde nog verhoogen. Wij durven gerust het kweeken van dit lieve plantje, dat de kweekers veel tot het beplanten van jardinières gebruiken, aanbevelen. Plant men haar in goede aarde, in potten van 10-12 cM. wijdte, dan zal zij zich spoedig zeer fraai ontwikkelen. Des winters verlangt zij een temperatuur van 45°-50° Fahr.; zij verdraagt echter zeer goed de temperatuur van een niet te warm woonvertrek, en wordt liefst op een eenigszins beschaduwde plek gezet. De voortkweeking geschiedt gemakkelijk door verdeeling der moederplant. Staat zij op een vochtige plaats, dan maken de scheuten reeds wortel, wanneer zij nog aan de moederplant zitten.
Kruidachtige bladplanten voor warme vertrekken.
Begonia Rex (Bladbegonia). Behooren de Knol- en Heesterachtige Begonia's tot de schoonste en dankbaarste bloemplanten, de z.g.n. Bladbegonia's moeten zeker tot de allerfraaiste bladplanten gerekend worden, die voor kamercultuur geschikt zijn. Hoewel ook de Bladbegonia's bloemen voortbrengen, worden zij toch uitsluitend ter wille van haar schoone bladeren gekweekt. Deze Begonia's behooren tot de fraaiste en duurzaamste planten, waarmede men de kamer gedurende den herfst en den winter versieren kan. Het was ongeveer in het jaar 1850, dat de Bladbegonia's haar glanspunt bereikten, evenals dit nu met de Knolbegonia's het geval is. Geheel uit de mode geraakt zijn zij echter niet. Ook tegenwoordig is het nog steeds een zeer gezochte marktplant; daar men echter in de fabrieken van kunstbloemen de Bladbegonia's beter dan eenig andere plant kan namaken, vindt men nu meer nagemaakte dan echte Begonia's in de kamers. Natuurlijk is dit zeer te betreuren, te meer, daar die metalen planten, die nooit veranderen, juist niet geschikt zijn, om den smaak van het publiek te verbeteren. Er bestaat een zeer groot aantal prachtige variëteiten, die zeer groote bladeren maken, welke met de fraaiste kleuren geteekend zijn. Tegenwoordig heeft men ook een éénkleurige variëteit, de Begonia "Perle de Paris", een zeer teere soort met zilverwitte bladeren. Een zeer interessante soort is ook de Begonia Comtesse Louise Erdody, waarvan de bladeren aan den voet spiraalsgewijze gewonden zijn. In tegenstelling met de Knolbegonia's groeien de Bladbegonia's het gansche jaar door. Zij verlangen zandige heideaarde, een warme standplaats en een niet te droge lucht; verder moet men ze tegen te scherpe zon beschermen en ze vooral niet bespuiten. Zeer interessant is de voortkweeking dezer planten, hetgeen door de bladeren geschiedt. Men snijdt daartoe een goed volwassen blad met een stukje steel af, en geeft dit met een scherp mesje aan de ondervlakte eenige insnijdingen in de hoofdnerf, bij voorkeur daar, waar deze zich vertakt. Het op deze wijze ingesneden blad wordt nu zoodanig in een, met een glasplaat bedekten, schotel gelegd, dat de steel in de aarde staat en de ingesneden hoofdnerf op de aarde komt te liggen. Om het oplichten te voorkomen, legt men kleine steentjes of scherven op de bovenzijde van het blad. Na eenige weken zullen zich aan al de insnijdingen en ook aan den bladvoet knoppen vormen, die zich spoedig ontwikkelen en dan heel aardige jonge plantjes worden. Jammer genoeg slaagt deze wijze van voortkweeken meestal in een kamer niet al te best, daar den liefhebber de daartoe zeer noodige bodemwarmte ontbreekt. Toch is het wel waard, er de proef eens mede te nemen. Schijnt de zon, dan moet het op de beschreven wijze neergelegde blad daartegen geschermd worden. Het gieten mag alleen maar langs den potrand gebeuren, opdat de bladvlakte niet vochtig wordt.
De Bladbegonia's zijn kruidachtige planten met een dikken, vleezigen wortelstok. Men kan ze zeer lang goed houden, wanneer zij in het voorjaar verplant worden in een mengsel van heide- en broei-aarde, waaraan wat hoornspaanders zijn toegevoegd. Des winters moet men ze slechts matig begieten. Heeft men hardere variëteiten, dan groeien zij ook zeer goed buiten, mits men ze op een beschaduwde plek zet. Naast de Begonia Rex zijn er nog verscheidene kruidachtige Begonia's, die om de bladeren gekweekt worden. Eenige daarvan groeien tamelijk hoog op, en hebben fraai geteekende of gevlekte bladeren, van andere hardere soorten daarentegen zijn deze groot en groenachtig. Tot deze laatste behoort de Begonia rubella, (Fig. 221.)
Coleus. Van de Coleus behooren verscheidene soorten op Java thuis, en van deze stammen al de prachtige variëteiten, die tegenwoordig gekweekt worden, af. De hardere soorten spelen een voorname rol bij het aanleggen van mozaïek-vakken; de teerderen, waarvan vele zich door werkelijk prachtige kleuren onderscheiden, vormen zeer schoone potplanten, die des zomers zeer goed achter een zonnig, gesloten venster groeien. Terwijl de Coleus des zomers op een warme standplaats zeer goed groeit, vooral, wanneer men ze verscheidene malen in goede broeiaarde verpot, ze rijkelijk giert en begiet, is zij in den winter zeer gevoelig, zoodat zij moet overwinteren in een vertrek met een gemiddelde temperatuur van 65° Fahr. Is men nu zeer voorzichtig met gieten en let men goed op het ongedierte, dan zullen zij wellicht goed den winter doorkomen; zeker is dit echter niet. Het best doet men in het voorjaar jonge planten te koopen, die zeer goedkoop zijn. Het schoonst is de Coleus met roode bladeren, die bij eenige grootbladerige soorten bijna de afmeting van een Ficus-blad kunnen bereiken. De bloemen zijn zeer onbeduidend en verschijnen slechts bij zeer groote planten of bij die, welke gebrek aan voedsel hebben. De voortkweeking geschiedt zeer gemakkelijk door stekken, die binnen enkele dagen wortel maken.
Curculigo recurvata. De Curculigo is een der fraaiste kruidachtige planten voor warme vertrekken. Op lange, grootvormige bladstelen draagt zij bladeren, die tot een Meter lengte kunnen bereiken, met een gegolfde oppervlakte en van een frisch groene kleur, die bij een teerdere soort met gele strepen wordt afgewisseld. Door deze elegant omgebogen bladeren is de Curculigo uitstekend geschikt voor vrijstaande plant op een standaard. Op de bloemtafel kan men haar als middenplant gebruiken, doch men moet er dan voorzichtig mede zijn; door het gieten toch, wordt licht tegen de bladeren gestooten, die dan zeer gemakkelijk knakken. Een natuurlijk verschijnsel is het, ook bij gezonde planten, dat de bladspitsen dor en zwart worden; zij mogen daarom echter niet afgesneden worden. Dicht aan den wortelhals verschijnen, half tusschen schutbladeren verborgen en tot een dichten bundel vereenigd, de gele bloemen, die volstrekt geen waarde aan de plant geven.
De Curculigo is niet zeer teer; zij verdraagt de droge kamerlucht heel goed en ontwikkelt in één zomer drie tot vier fraaie, groote bladeren, wanneer men ze in het voorjaar behoorlijk verpot heeft in met wat graszodengrond vermengde heide-aarde. Bij het verplanten kunnen de talrijke worteluitloopers afgesneden en in een afzonderlijk potje opgeplant worden. Zorgt men er niet voor, dat de bladeren goed zuiver gehouden worden, en vergeet men ze bij warm weder aan beide zijden te bespuiten, dan warden zij spoedig door ongedierte aangetast. Wanneer men te veel giet, wordt de Curculigo wortelziek; de frisch groene bladeren verkrijgen dan een geelachtige, ongezonde kleur.
Fittonia. De Fittonia's zijn sierlijke, kruidachtige, bont geaderde bladplanten, welke ieder, die haar ziet, direct bevallen. Evenals zooveel andere fraaie bonte bladplanten zijn ook de Fittonia's zeer gevoelig; zij houden van schaduw, warmte en vochtige lucht, waarom men ze het best kan kweeken in het kamerkasje of het terrarium. Plant men ze in het terrarium uit, dan ontwikkelen deze over den bodem kruipende planten, die niet veel hooger dan 10 cM. worden, zich zeer fraai; wil men ze in potten houden, dan groeien zij het best in platte schalen. De grond, dien men ze geeft, moet vooral poreus wezen; het best gebruikt men grove stukjes heide-aarde, waar de fijne bestanddeelen uit gezeefd zijn, vermengd met stukjes turf en een weinig zand. De potten moeten van een goede drainage, bestaande uit scherven en stukjes houtskool, voorzien worden. Staan zij in een vochtig warme lucht, dan hebben de Fittonia's geen behoefte aan veel licht. Des zomers moeten zij rijkelijk, des winters spaarzamer begoten worden. In den handel treft men twee soorten aan, namelijk Fittonia argyroneura, een tamelijk teere soort, met zeer fraaie, wit geaderde bladeren, en Fittonia Verschaffeltii, een hardere soort, met grootere, rood geaderde bladeren. Van beide soorten zijn de bloemen onbeduidend. De voortkweeking geschiedt door stekken, die, in het kamerkasje, gemakkelijk wortel maken.
Maranta. De Maranta's zijn prachtige bladplanten, afkomstig uit tropisch Amerika; het is echter jammer, dat zij zoo gevoelig zijn voor droge kamerlucht. Van de talrijke soorten, waaronder er zijn met zeer schoon geteekende bladeren, die in de kassen der groote liefhebbers worden gekweekt, zijn slechts zeer weinigen voor kamercultuur geschikt. Deze planten verlangen een zeer vochtige lucht en een beschaduwde standplaats. Staan zij in de zon, of is de aarde een weinig te droog, dan rollen de bladeren zich direct op; en staan zij in een te koud vertrek, dan worden zij wortelziek. De beste soorten, voor kamercultuur zijn Maranta Lietzeï, die tamelijk hoog opgroeit en kleine, groene, mooi geteekende bladeren draagt, alsook de laag blijvende Maranta Kerchovei. Beide soorten laten zich door verdeeling zeer gemakkelijk voortkweeken. Een der schoonste soorten, die het bij een zorgzame behandeling eenigen tijd in de kamer uithoudt, is de in Fig. 225 afgebeelde Maranta zebrina.
De Maranta's moeten geplant worden in grove broeiaarde, vermengd met wat graszodengrond, zand en stukjes houtskool. Het meest durf ik de Maranta Kerchovei aanbevelen, die zich, door haar gedrongen groei, uitstekend leent voor het kamerkasje.
Musa (Banaan). De Musa's zijn kruidachtige gewassen, met zulke groote bladeren, dat zij slechts als jonge plantjes voor kamercultuur geschikt zijn; worden zij grooter, dan deugen zij er niet meer voor, ook omdat de bladeren zeer gemakkelijk inscheuren, en de plant dan haar sierlijk voorkomen verliest. Lastig in de cultuur zijn de meeste Musa's niet. Zij verlangen een zeer vette aarde, moeten des zomers veel begoten en gegierd worden, terwijl er voor moet worden gezorgd, dat zij een luchtige standplaats hebben. Des winters moeten zij tamelijk warm gezet en vooral droog gehouden worden. Geeft men ze te veel water, dan worden dadelijk de wortels ziek. De bekendste soort is zeker wel de Musa Ensete (Abessinische Banaan). Deze soort wordt veel gebruikt om des zomers in parken te worden uitgeplant. Geeft men ze een goeden bodem en standplaats, dan kunnen zij, zoo behandeld, in één zomer reusachtige afmetingen verkrijgen. Des winters kan zij slechts dàn binnenshuis gebruikt worden, wanneer men over zeer groote salons te beschikken heeft. Andere schoone soorten zijn: Musa Cavendishii (M. chinensis), M. paradisiaca en M. zebrina.
Panicum plicatum. Dit is een heel aardige, kruidachtige plant, die tot de familie der Grassen behoort en welker bladeren wel eenigszins doen denken aan die van een Curculigo, doch van kleinere afmeting zijn. Deze soort laat zich zeer gemakkelijk uit zaad voortkweeken, dat ook in de kamer rijpt. Ongeveer veertien dagen na het uitzaaien kiemt het zaad, en de jonge plantjes groeien gewoonlijk zóó snel, dat men ze al zeer spoedig in potjes met broeiaarde kan uitplanten. Deze Panicum is een zeer elegante plant voor de bloemtafel, daar zij zich rijkelijk uit den wortelstok vertakt. De geheele verzorging bestaat in het meermalen verpotten in zeer voedzamen grond, het gelijkmatig begieten en het geven van een goede, lichte standplaats.
Peperomia. De Peperomia, waarmede wij reeds kennis gemaakt hebben, was een mooie bloemplant; er zijn echter verscheidene soorten, die als bladplanten in aanmerking komen, en die bijzonder geschikt zijn voor het kamerkasje of het terrarium. De Peperomia's, die meest gestreepte bladeren hebben, moeten op dezelfde wijze behandeld worden als de Fittonia's; alleen zijn zij veel minder gevoelig.
Een zeer lieve soort is Peperomia Verschaffeltii, die tamelijk gemakkelijk groeit.
Andere fraaie soorten zijn nog Peperomia marmorata, met gemarmerde bladeren, en Peperomia metallica, waarvan de bladeren een metaalglans bezitten. De wijze van voortkweeken is reeds vroeger vermeld.
Phrynium variegatum. Deze plant is in den laatsten tijd zeer verspreid geworden. Zij heeft groen-, wit- en geelbonte bladeren en is een der fraaiste kruidachtige bladplanten voor warmere vertrekken. Zij kan zeer gevoeglijk tot de Maranta's gerekend worden en is slechts op streng wetenschappelijke gronden van dit geslacht gescheiden. Men behandelt deze Phrynium, die zich tamelijk goed in de kamer houdt, op dezelfde wijze als de Maranta's. De voortkweeking geschiedt door de verdeeling der oude planten.
Sanchezia nobilis. Wanneer men plezier heeft in bladplanten met geelbonte bladeren, dan moet men niet verzuimen zich de Sanchezia nobilis aan te schaffen. Zij heeft tamelijk groote, eironde, groen met geel gestreepte bladeren. Zeer mooi is deze plant vooral in jongen toestand, wanneer zij nog tot op den pot toe met bladeren bezet is. Oude planten ruimt men liefst op, na ze den kop te hebben afgesneden, die, als stek behandeld, zeer gemakkelijk wortel maakt. De bloemen gelijken eenigszins op die van de naverwante Justicia, doch bij goed gekweekte planten krijgt men ze niet te zien. De jonge Sanchezia's moeten herhaaldelijk ingesneden worden, om goede, bossige exemplaren te verkrijgen; overigens is de behandeling dezelfde als die van de Justicia.
Strobilanthes Dyeriana. Deze Strobilanthes is een nog tamelijk nieuwe plant; zij heeft ongeveer 15 cM. lange bladeren, die grof gezaagd zijn en een blauwpaarsachtige kleur hebben.
De kleur der bladeren is het, die haar tot een prachtige bladplant maakt; de slechts zelden verschijnende bloemen zijn violetkleurig en trechtervormig.
Plaatst men de Strobilanthes voor een zonnig venster, dan groeit zij zeer gemakkelijk; men kan haar echter ook met succes in den tuin, vooral in mozaïek-vakken, gebruiken. Zij wil gekweekt worden in zandige broeiaarde en laat zich goed door stekken voortkweeken.
Palmen.
De Palmen zijn de "Koningen van het plantenrijk"; zij zijn de edelste vertegenwoordigers der tropische planten en tegelijkertijd de elegantste en meest trotsche bladplanten voor de kamer. Langen tijd heeft men de bruikbaarheid der Palmen voor de kamer bestreden; langzaam maar zeker hebben zij zich echter een der eerste plaatsen onder de kamerplanten weten te veroveren. De Palm is het zinnebeeld van kracht en schoonheid, en de meeste der meer dan duizend bekende soorten, die bij voorkeur in keerkringslanden gevonden worden, ontwikkelen een buitengewone pracht.
Er zijn toch soorten onder, waarvan een enkel blad een breedte kan bereiken van twee Meter, bij een lengte van acht à tien Meter. In de cultuur ontwikkelen de Palmen zich natuurlijk niet tot zulke reusachtige afmetingen; in de kamer worden zij slechts zelden zóó groot, dat zij lastig worden, doch in de groote palmenkassen der Botanische Tuinen kan men exemplaren vinden met hooge, slanke stammen, gekroond door een reusachtige bladermassa, die ons dan ook eenigszins het idee geven van de grootsche pracht, die deze planten op haar natuurlijke groeiplaats ten toon spreiden.
Hoewel het aantal tegenwoordig in cultuur zijnde Palmen niet gering is, zijn er toch niet veel van die soorten, welke meestal in Botanische Tuinen gekweekt worden, welke voor kamerplanten geschikt zijn. Met slechts enkele is dit het geval, maar die enkele kan men zich gemakkelijk aanschaffen; zij worden tegenwoordig in zeer grooten getale gekweekt, men kan ze in alle afmetingen verkrijgen en de prijzen zijn niet meer buitensporig hoog.
De Palmen, voor kamercultuur geschikt, hebben lang niet zulk een behoefte aan warmte, als men algemeen gelooft; enkele soorten overwinteren zeer goed in een temperatuur van 40°-45° Fahr., en het is zelfs mogelijk een enkele soort onder zeer goede bedekking des winters buiten uitgeplant te laten staan. Wanneer een Palm in de kamer niet groeien wil, en ten slotte doodgaat, dan gelooft men gewoonlijk, de schuld in de te lage temperatuur te moeten zoeken; meestal echter schuilt die in te veel warmte. Deze hoogere temperatuur zal op zichzelf de plant weinig kwaad doen, maar zooals die heerscht in een kamer met een droge, stoffige lucht, is zij voor Palmen steeds zeer verderfelijk.
Slechts een goed onderhouden, ongeschonden Palm, die zóó schoon ontwikkeld is, dat hij als middenplant voor de bloemtafel of als alleenstaande plant op een bloemenstandaard kan gebruikt worden, is werkelijk schoon; is hij echter onregelmatig ontwikkeld en heeft hij half verdorde bladeren, dan ontsiert hij een kamer meer dan elke andere plant. Wil men zijn kamers met fraaie Palmen versieren, en wil men er pleizier van hebben, dan moet men reeds met het koopen voorzichtig zijn. De beste tijd om Palmen te koopen is de herfst, daar men dan in de kweekerijen goed geharde planten vindt. Men kiest bij voorkeur die soorten, welke aan het einde van dit hoofdstuk worden opgegeven en die voor de kamer geschikt zijn. Vooral moet men er op letten, dat de planten in niet te kleine, doch in goed geëvenredigde potten staan, en ook, dat zij niet doorgeworteld zijn, daar men ze anders dadelijk, of korten tijd na het koopen moet verplanten, terwijl dit pas noodig moet wezen, wanneer zij goed aan de kamer gewend zijn. De bladeren der Palmen moeten geheel gaaf zijn, d.w.z. zij moeten geen dorre punten hebben, of de punten moeten niet bijgesneden zijn; ook moeten zij vrij van ongedierte wezen, dat zich bij voorkeur achter op de bladeren of op de bladstelen nestelt.
Werden de gekochte planten in een warme kas of bak gekweekt, dan moet men ze nog eenige weken in de kweekerij laten, opdat de kweeker ze langzamerhand kan afharden.
Heeft men eenmaal een Palm gekocht, en dien goed ingepakt aan huis laten bezorgen, dan wil men hem niet alleen goedhouden, doch ook gaarne zien, dat hij doorgroeit. De zorg, die men er dan aan moet besteden, is tamelijk eenvoudig. Men zet de plant op een lichte plaats, zoo dicht mogelijk voor het venster van een vertrek, dat over dag een temperatuur heeft, van 55°-60° Fahr., welke des nachts kan vallen op 45°-50° Fahr.; terwijl zij voor enkele soorten nog lager kan zijn. Men moet er nu voor zorgen, dat zij nòch aan tocht, nòch aan stof wordt blootgesteld, waartoe men haar, o.a. wanneer het vertrek schoongemaakt wordt, tijdelijk in een andere kamer moet zetten, die voldoende verwarmd is, terwijl zij eerst dàn weder op haar oorspronkelijke plaats mag gebracht worden, wanneer het vertrek weer op temperatuur is gekomen. Eenmaal in de week wascht men haar met een spons en lauw warm water voorzichtig af, er voor zorgende, dat de bladeren niet scheuren; ook moet men des winters de bladeren één keer per dag met den rafraîchisseur van onder en van boven bespuiten. Wordt zij aangetast door ongedierte, dan wordt dit met de middelen, vermeld in het hoofdstuk over deze plagen, bestreden. Het verdorren der bladspitsen heeft bij de Palmen een natuurlijk verloop, maar gewoonlijk gebeurt dit in de kamer veel meer dan in de kas. Dit vindt waarschijnlijk zijn oorzaak in den veel langzameren groei in de kamers en ook in de droge lucht, waaraan de planten zijn blootgesteld. De meest afdoende middelen, om dit dor-worden zooveel mogelijk te voorkomen, zijn: de planten niet te warm te zetten, de bladeren wekelijks af te wasschen en ze dagelijks te besproeien. Verdorren de punten zóó sterk, dat de plant er een minder fraai voorkomen door verkrijgt, dan neemt men een schaar en knipt ze zoodanig af, dat het blad zoo weinig mogelijk van zijn vorm verliest. Slechte bladeren worden met een scherp mes onder bij den bladsteel afgesneden.
De Palmen groeien in den winter slechts zeer weinig; in Maart beginnen zij weder langzaam aan den groei te komen. Niettegenstaande zij dus een werkelijken rusttijd hebben, mag men de aarde in de potten nooit droog laten worden. De groote bladeren verdampen toch heel wat water, dat door wortels moet aangevoerd worden. Gedurende den winter moet men ze steeds begieten met water, dat minstens de temperatuur heeft van het vertrek, waarin zij staan, daar te koud water zeer licht wortelziekte kan veroorzaken.
Des zomers is de behandeling der hardere soorten zeer eenvoudig, wanneer men over een tuin kan beschikken, waarin zij ter versiering goed gebruikt kunnen worden. Van Juni tot September groeien de hardere soorten zeer goed buiten, als men ze op een beschutte, half beschaduwde, plek zet. De Palmen, die ook des zomers in de kamer blijven, moeten tegen scherpe zon geschermd worden, daar de bladeren anders licht brandvlekken bekomen, en daardoor hun schoonheid verliezen. Verder moeten zij dagelijks, al naar het weer donker of helder is, een, twee of drie keer flink bespoten worden, terwijl men ze ook rijkelijk moet begieten. Bij het gieten moet men er vooral op letten, dat de, er onderstaande bakjes niet vol water blijven staan, zooals maar al te vaak gebeurt. Direct, wanneer de planten na het gieten uitgezakt zijn, moeten de bakjes geledigd worden.