Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer

Chapter 27

Chapter 273,667 wordsPublic domain

De Eugenia australis groeit gemakkelijk en is zeer dankbaar; zij verdraagt het insnijden zeer goed, zoodat men er gemakkelijk mooie pyramide- of zuilvormige boompjes van kweeken kan; zij is echter ook zeer schoon, wanneer men haar vrij laat doorgroeien. Evenals alle Nieuw-Hollandsche decoratieplanten, verlangen ook de Eugenia's een mengsel van blad- en heide-aarde, vermengd met een weinig graszodengrond. In elk voorjaar moeten zij verpot worden, waarbij men moet oppassen, dat de stam niet in de aarde komt, daar het veeleer beter is, dat de bovenste wortels vrij liggen. Des zomers moeten zij nogal rijkelijk des winters echter minder begoten worden, waarbij men er op moet letten, dat de kluit niet geheel uitdroogt, daar men haar dan niet gemakkelijk weder vochtig krijgt. Een wintertemperatuur van 40°-45° Fahr. is voldoende. De vermenigvuldiging geschiedt gewoonlijk door stekken, die in Augustus van het rijpe hout gesneden worden, en die, gewoonlijk pas na een week of zes, wortel maken.

Evonymus (Kardinaalshoed). Als harde decoratieplant is vooral de Evonymus japonicus zeer verspreid. Zij heeft ovale, gezaagde, lederachtige, groene bladeren; ook zijn er een aantal bontbladige variëteiten bekend. Van nature vormen deze tamelijk kleinbladige planten magere struikjes; door ze echter in het voorjaar en den zomer herhaaldelijk in te snijden, verkrijgt men fraaie, bossige planten. De cultuur, voortkweeking en aanwending is geheel dezelfde als die van de Aucuba. De Evonymus radicans is een soort met ovaal-elliptische blaadjes. Haar op den bodem liggende takken maken zeer gemakkelijk wortel; ook van deze soort is een bontbladige vorm bekend.

Ficus. De Ficussen behooren zeker wel tot de meest geliefde kamerplanten, en bijna overal treft men de Ficus elastica met haar groote, lederachtige, glanzend groene bladeren aan.

Heeft deze plant ook al niet direct een zeer elegant voorkomen, zoo maakt zij toch op een bloemenstandaard, als alleen-staande plant, een goed figuur, en zij wordt overal met voorliefde gekweekt, daar zij bij een weinig nauwkeurige behandeling, zich in de kamer flink ontwikkelt. Daar de Ficus elastica niet vrijwillig zijtakken maakt, moet men haar, wanneer zij een hoogte van 1 1/2 à 2 Meter bereikt heeft, den kop afsnijden; zij vormt dan een kroontje en ziet er, vooral wanneer zij haar bladeren aan den stam heeft laten vallen, niet onaardig uit. Na verloop van eenige jaren doet men goed de takken der kroon nogmaals in te snijden. De afgesneden koppen kunnen dan, voorzien van drie bladeren, weder als stekken dienen. Men steekt ze, wanneer de wond een weinig opgedroogd is, in een met water gevuld medicijnfleschje, waarin zij, wanneer men ze voor een zonnig venster zet, na vier weken geworteld zullen zijn. Ook stengelstukjes, van één blad voorzien, laten zich zeer goed als stekken gebruiken (Fig. 23). Deze worden in kleine potjes gezet, matig warm, vochtig en beschaduwd gehouden. Na eenigen tijd zal het stengeldeel wortel schieten, het in den bladoksel slapende oog doorgroeien en een nieuwe plant vormen.

Gewoonlijk gaat het met de Ficussen in de kamer juist als met de Aralia's; de bladeren staan niet horizontaal tegen den stam, doch zij hangen er slap bij, wijl men haar te veel begiet en te warm houdt. De Ficus elastica is volstrekt geen plant voor de warme kamer als hoedanig zij meestal aanbevolen wordt, doch een wintertemperatuur van 40°-50° Fahr. is haar voldoende; terwijl zij des zomers in den tuin of op het balkon kan staan. De kweekers, die in één zomer uit stekken zeer fraaie planten kweeken, houden de Ficussen gedurende een groot gedeelte van den zomer buiten, en wel bij voorkeur in de volle zon. Meestal steken zij de stekken in een warmen bak, harden ze door veelvuldig luchten, en nemen in het begin van Juni de ramen er van af. Bij een goede cultuur kan een Ficus vanaf de lente tot den herfst alle acht dagen een nieuw blad vormen, terwijl de oude bladeren dan niet geel worden en afvallen. Worden de jonge bladeren kleiner, hangen de oude slap langs de plant, en worden zij spoedig geel, dan kan men zeker zijn, dat de plant gebrek heeft aan voedsel en lucht, of wel dat zij in een te droge of warme lucht staat.

De Ficus moet jaarlijks in de lente in goede, zandige broeiaarde verplant, gedurende den zomer eenige malen gegierd en zeer dikwijls bespoten worden, terwijl men haar des winters een paar keer per week met een zachte spons geheel afwascht, om zeker te zijn, dat zij goed schoon blijft. Op de bovenvlakte der bladeren toch komt zeer gemakkelijk stof en aan de onderzijde huist maar al te vaak schadelijk ongedierte. Koopt men een Ficus, dan is het zaak er vooral goed op te letten, of aan de onderzijden der bladeren geen ongedierte voorkomt, wat nog wel eens gebeuren wil.

Een kleinbladerige, minder schoone, maar zeer harde soort is de Ficus australis, voor welke een wintertemperatuur van 31-45 Fahr. ruimschoots voldoende is. Deze soort is echter niet gemakkelijk in den handel te verkrijgen.

Grevillea robusta. Onder de bladplanten voor koudere kamers zijn er slechts weinigen, die zoo elegant zijn als deze sinds lang bekende, doch tegenwoordig zeer veronachtzaamde Australische Grevillea. Deze plant vormt een slanken stam, die dubbel gevinde bladeren draagt, welke zóó fijn ingesneden zijn, dat zij bijna aan varenbladeren doen denken. Deze bladeren zijn groot en fraai donkergroen. De jonge Grevillea groeit onvertakt door; eerst op ouderen leeftijd vertakt zij zich, zonder echter daardoor aan schoonheid te verliezen. Deze zeer sierlijke plant, die tegenwoordig dreigt vergeten te worden, is zeer waard, dat men meer de aandacht aan haar gaat schenken, vooral ook, omdat zij zich zoo gemakkelijk uit zaden laat voortkweeken. De cultuur is zeer eenvoudig: des winters verlangt zij een lichte, koele, des zomers een zonnige standplaats, dan echter bij voorkeur buiten. Geregeld alle jaar moet zij verplant worden in zandigen bladgrond vermengd met een weinig graszodengrond; de potten, die men gebruikt, moeten iets grooter zijn dan die, waarin zij stond. Vooral des winters moet men met gieten nogal voorzichtig zijn.

Ilex (Hulst). De gewone groene Hulst (Ilex Aquifolium) is een plant, die het hier te lande zeer goed buiten uithoudt en dan ook zeer verspreid is. Er bestaan talrijke, zeer fraaie variëteiten van, met zeer afwijkende en bonte bladeren. Hoewel de typische soort, des winters buiten gehouden, weinig of niet lijdt, zijn de bontbladerige variëteiten zwakker, waarom men voorzichtig doet, die in potten of kuipen te kweeken, ten einde ze des winters binnenshuis te kunnen zetten. Deze fraaie heesters, waarvan de bladeren zeer stekelig zijn, verdragen het insnijden heel goed, waardoor er fraai gevormde exemplaren van kunnen gekweekt worden. Des winters verschijnen aan het tweejarige hout een aantal roode bessen, die een aardig effect maken tusschen de bonte bladeren. De zaden kiemen niet gemakkelijk en de voortkweeking der bonte soorten gaat ook veel beter door veredeling op de gewone groene Hulst. De Ilex-soorten verlangen een goede, zware aarde en gedurende den zomer een eenigszins beschaduwde plaats buiten.

Laurus nobilis (Laurier). De Laurier vormt in haar Zuid-Europeesch vaderland lang niet zoo'n mooien heester als men zich in de noordelijke streken wel voorstelt. Hier te lande is zij een zeer belangrijke handelsplant. Meestal wordt zij in pyramide- of kroonvorm gekweekt, en in kuipen staande is zij dan een zeer sierlijke decoratieplant, hetzij als koppel- ter versiering van het ingangshek, het terras of het balkon, hetzij als alleen-staande gazon-plant. Vooral hier te lande en in België worden de Laurieren in zeer groot aantal gekweekt. Een liefhebber doet het best zich jonge, goed gevormde pyramide- of kroonboompjes aan te schaffen; men behoeft er dan slechts voor te zorgen, de planten door een goede behandeling gezond te houden.

Daar de Laurier een zeer harde plant is, die best enkele graden vorst kan verdragen, behoort zij onder de eersten, die in het begin van April buiten worden gezet. Om te beletten dat de kuipen van onderen rotten, te zorgen dat er geen regenwormen in de kluit dringen en de toevoer van lucht in de aarde mogelijk te maken, worden de kuipen op drie of vier baksteenen gezet. Wil men voorkomen, dat de planten bij zwaren wind omwaaien, dan slaat men drie stevige stokken vlak langs de kuip, er voor zorgende, dat zij er niet boven uitsteken. Het is nu een voorname zaak er op te letten, dat de kuipplanten goed begoten worden. Als regel giet men eens per dag, bij voorkeur des avonds; is het weer echter zeer warm, dan moet men des morgens nog eens gieten; ook moet men van tijd tot tijd gieren. Van veel belang is het ook, dat men dagelijks, na het gieten, de kronen goed natspuit. Verzuimt men dit spuiten, dan worden de bladeren zeer spoedig door schild- en bladluizen aangetast, die in zoo grooten getale kunnen optreden, dat de plant doodgaat.

Zorgt men voor geregeld gieren, dan kunnen de Laurieren zeer lang in dezelfde kuip blijven staan; gewoonlijk verplant men ze eerst, wanneer de kuip verrot is, of wanneer de kluit zóó zwaar beworteld is, dat het water er niet meer in doordringt. Zeer moet men er ook op letten, dat kroon of pyramide haar vorm behouden, waarom men ze elken zomer behoorlijk moet insnijden; dit geschiedt het best tegen het einde van Augustus, wanneer de scheuten volgroeid zijn.

Na het insnijden hebben de oogen nog volop tijd om zich goed te vormen, zoodat zij in het voorjaar direct gaan doorgroeien. De overwintering van de Laurier geschiedt het best in een half vorstvrijen kelder of schuur. Bij strenge vorst moet men er op letten of zij niet àl te koud staan. Veel licht hebben zij des winters niet noodig.

Melaleuca. De Melaleuca-soorten, die in grooten getale in Australië worden gevonden, behooren tot de familie der Mirten en kenmerken zich alle door lancetvormige blaadjes, die des winters aanblijven. De bloemen, die pas aan oudere planten verschijnen, gelijken zeer op die van de Callistemon; zij zijn echter lang zoo schoon niet en bij sommige soorten zelfs tamelijk onbeduidend. De Melaleuca's hebben dan ook slechts waarde als harde decoratieplanten, geschikt voor versiering van koelere kamers. De behandeling is juist dezelfde als die van de Eugenia's.

Het ook tot de familie der Mirten behoorende geslacht Leptospermum, waarvan de soorten ook in Australië te huis behooren, heeft evenals de Melaleuca's lancetvormige blaadjes, maar kenmerkt zich door witte bloemen. Deze planten laten zich op dezelfde wijze kweeken en zijn voor hetzelfde doel geschikt. De voortkweeking geschiedt, evenals bij de Melaleuca's, uit stekken in de maand Augustus.

Pittosporum. Verscheidene der in China en Japan thuis behoorende Pittosporum-soorten zijn fraaie decoratie-planten. Men zou deze heesters ook onder de bloemplanten kunnen rekenen, want zij brengen lieve bloemschermpjes voort, bestaande uit witte bloempjes, die een heerlijken oranje-geur verspreiden; doch zij bloeien pas op tamelijk hoogen leeftijd, wanneer de planten veel te groot geworden zijn voor de kamer. De Pittosporum is een harde plant; zij moet gekweekt worden in heide-aarde, vermengd met een weinig graszodengrond. Des winters wordt zij in een koud, doch vorstvrij vertrek gezet, en des zomers houdt men haar bij voorkeur buiten. De meest voorkomende soort is de Pittosporum Tobira, met glanzend groene, lederachtige omgekeerd-eironde bladeren. In de Europeesche tuinen wordt slechts één variëteit gevonden, met geelachtige bloemen; er moet echter in Japan een veel mooiere voorkomen, met zuiver witte bloemen. De voortkweeking geschiedt in Augustus door middel van stekken.

Struik- en boomachtige bladplanten voor warme vertrekken.

Acalypha. De tot dit geslacht behoorende planten, die zich door de fraaie teekening van haar bladeren kenmerken, zijn half heesters, die in Nieuw-Caledonië en op de Fidji-eilanden worden aangetroffen. Zij hebben gezaagde, ovale en hartvormige bladeren.

De bekendste en zeker ook wel de schoonste soort is Acalypha musaica met gele bladeren, die zeer fraai met rood gemarmerd zijn; bij andere soorten zijn de bladeren rose of donkerrood. Deze planten, die niet zeer gevoelig zijn en midden in den zomer ook wel buiten gekweekt kunnen worden, ontwikkelen zich vooral zeer fraai, wanneer men ze in het kamerkasje kweekt. Zij groeien zeer goed in broeiaarde, houden van veel spuiten en over het algemeen van een vochtige lucht. Plaatst men ze in te droge lucht, dan worden de bladeren spoedig door thrips en roode spin aangetast. De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door kruidachtige stekken, die zeer gemakkelijk wortelen.

Coffea arabica (Koffieboom). Deze tropische nutplant is een uitstekende kamerbladplant; zij wordt echter, jammer genoeg, niet veel daartoe gebruikt. De Koffieboom, die feitelijk slechts een heester vormt, welke zelden hooger dan 3 à 4 Meter wordt, is in jongen toestand een zeer fraaie kamerplant; zij vormt dan meestal een stammetje, waarvan horizontale takjes afstaan, zoodat zij een zuiveren pyramide-vorm heeft. De bladeren zijn ovaal, aan de punt toegespitst en glanzend groen. Is de plant eenmaal vrij groot, en goed ontwikkeld, dan geeft zij in den zomer kleine, witte bloempjes, die een jasmijngeur verspreiden. Op deze bloempjes volgen eerst groene, later roode bessen, die ieder twee zaadkorrels bevatten. Deze vruchten worden ook in de kamer rijp. Uit de zaden, die ook in den handel verkrijgbaar zijn, kan men zeer gemakkelijk jonge plantjes kweeken. Zoodra de zaden goed rijp zijn, moeten zij gezaaid worden in potten, die gelijkmatig warm en vochtig gehouden worden. De kieming heeft dan pas na vier à zes weken plaats.

Fig. 214 vertoont een jonge Coffea arabica en het opmerkenswaardigst daaraan zijn de kiembladeren, die buitengewoon groot worden en geheel het voorkomen van gewone bladeren verkrijgen. Wil men Koffieboompjes uit zaden kweeken, dan moet men die in een zaadhandel koopen, aangezien de gewone ongebrande koffieboonen in de meeste gevallen niet kiemkrachtig meer zijn. Een Koffieboom verlangt een lichte, tamelijk warme standplaats; gedurende den zomer heeft hij echter veel frissche lucht noodig. De bladeren moeten dikwijls bespoten en afgesponsd worden, opdat de plant niet aangetast wordt door ongedierte, iets wat anders zeer gemakkelijk gebeurt. Des zomers kan men rijkelijk gieten; des winters daarentegen moet men veel spaarzamer met water zijn. Zeer nuttig is het, de planten des zomers eenige malen met een aftreksel van hoornspaanders te begieten. Een andere goede Coffea-soort voor de kamer is de Coffea liberica, die veel grooter bladeren heeft. Ook van deze soort kan men in een goeden zaadhandel zaden verkrijgen.

Cycas revoluta (Sagopalm). Niettegenstaande haar Hollandschen naam heeft deze plant niets gemeen met de echte Palmen. De Cycas levert de bladeren, als Palmtakken bekend, die tegenwoordig zeer veel bij begrafenisplechtigheden worden gebruikt. Juist om die bladeren wordt deze plant tegenwoordig in zeer grooten getale gekweekt. Deze bladeren hebben eenigszins het voorkomen van die van een Vederpalm; zij zijn glanzend groen, stijf en daardoor tamelijk broos. Een Cycas groeit slechts één keer per jaar uit; zeer dikwijls echter rust zij daarna één, somtijds zelfs twee jaar. Gewoonlijk begint zij in den voorzomer uit te groeien. Uit het hart der plant ontwikkelt zich dan een groot aantal bladeren, soms wel veertig te gelijk; deze ontrollen zich juist als varenbladeren; in den beginne zijn zij lichtgroen en week, later worden zij donkergroen en vrij stevig. Een Cycas zal haar nieuwe kroon niet licht in een kamer ontwikkelen; zij heeft daartoe de warme, vochtige kaslucht noodig; reden waarom zij voor kamercultuur feitelijk niet geschikt is. Is zij eenmaal uitgegroeid, dan heeft zij nòch zeer vochtige lucht, nòch veel warmte noodig, zoodat zij dán aan alle eischen van een gemakkelijke kamerplant voldoet, en er dan ook zeer geschikt voor is. Zoodra de kroon geheel ontwikkeld is, heeft zij niet veel water meer noodig en vooral des winters moet men met gieten uiterst voorzichtig zijn.

Pandanus (Schroefpalm). Evenals de Cycas heeft ook de Pandanus niets met de eigenlijke Palmen gemeen, en het is slechts de volksmond, welke deze plant dien naam gegeven heeft. De Pandanussen zijn fraaie, zeer aanbevelenswaardige kamerplanten, met schroefvormig ingeplante, lange, elegant gebogen bladeren. Aan de bladranden en aan de onderzijde van den middennerf hebben verscheidene soorten groote, scherpe dorens. De in den handel het veelvuldigst voorkomende soort is de Pandanus utilis, afkomstig van Madagascar. Deze soort heeft lange, groene bladeren, die zeer smalle, roode randen hebben; zij vertakt zich, in een kamer gekweekt, niet, maar kan er een fraaie bladerkroon vormen. Een zeer schoone bont-bladerige soort is de Pandanus Veitchii met witbonte bladeren; ook de Pandanus javanicus heeft bonte bladeren, die echter veel sterker gedoornd zijn. De beide laatstgenoemde soorten worden door de zijscheuten, die zich veelvuldig vormen en die als stekken behandeld worden, voortgekweekt; eerstgenoemde soort vermenigvuldigt men door ingevoerde zaden. De voortkweeking van Pandanussen in de kamer is echter niet geraden, daar zij bijna altijd mislukt.

Een gezonde, goed ontwikkelde Pandanus, die men het best tegen het najaar koopt, is een zeer fraaie plant om vrij op een bloemstandaard geplaatst te worden. Gedurende den winter heeft zij geen behoefte aan veel licht en men kan haar het geheele jaar door in de kamer houden. De bladeren moeten elke week met een sponsje afgewasschen worden. Men begint daartoe aan den bladvoet en wascht naar de spits toe, daar men anders kans heeft zich aan de dorens te verwonden. Veel spuiten behoeft men den Schroefpalm niet te doen, daar het niet wenschelijk is, dat zich water in den kop verzamelt, waardoor deze zou kunnen verrotten. De aarde moet matig vochtig gehouden worden; des zomers kan men wat meer gieten dan 's winters, mits men er voor zorgt, dat er geen water in het plantenschoteltje blijft staan, wat hoogst nadeelig is. Is het noodig haar te verpotten, dan doet men dit bij voorkeur in het voorjaar, en gebruikt men daartoe goede broeiaarde, vermengd met graszodengrond. Men moet er voor zorgen, haar niet al te diep te planten, wat men, met het oog op de luchtwortels, die zich aan den stam vormen, al zeer licht zou doen. Daar de bladeren gemakkelijk brandvlekken krijgen, moet men haar des zomers goed tegen de zon schermen.

Pogostemon Patchouli. De Patchouli is een kleine, tamelijk onbeduidende halfheester, welks bladeren een sterk aromatischen reuk hebben, door den één meer bemind dan door den ander. In de parfumerie spelen deze bladeren een zeer groote rol, en in gedroogden toestand vormen zij, als middel tegen mot, een niet onbelangrijk handelsartikel. De bladeren zijn, vooral wanneer zij jong zijn, niet onaardig en daar zij in een warm vertrek groeit, vindt men ze hier en daar nog wel als kamerplant. Zij verlangt een voedzame aarde, doch stelt verder geen bijzondere eischen en laat zich zeer gemakkelijk uit stek voortkweeken.

Kruidachtige bladplanten voor koele vertrekken.

Carex japonica fol. var. Deze plant, die tot de familie van de Rietgrassen toehoort, is pas betrekkelijk korten tijd in den handel, en daardoor nog lang niet algemeen verspreid; zij bezit echter zooveel goede eigenschappen, dat zij niet warm genoeg kan aanbevolen worden. De ongeveer 4 m.M. breede bladeren van dit bonte plantje kunnen 75 cM. lang worden, en hangen dan elegant gebogen over den pot heen. Zij ontspruiten uit den wortelstok en zijn helder groen met een lichtgelen rand. Een eigenaardige schoonheid verleenen ook nog de bloemaren aan deze plant, hetgeen op de gravure duidelijk zichtbaar is.

De bonte Carex is een ijzersterke kamerplant, die uitstekend voor de bloemtafel geschikt is. Over het algemeen ziet men haar voor een warme kasplant aan, en kweekt men haar dus in een vochtig warme lucht; dit is echter geenszins noodig, daar zij zelfs zonder bedekking eenige graden vorst kan verdragen en dan ook beter voor de koelere vertrekken geschikt is. De Carex verlangt in goede broeiaarde geplant te worden, en verdraagt des zomers zeer veel water. Door verdeeling en ook uit zaden laat zij zich zeer gemakkelijk voortkweeken.

Farfugium grande. Een der allerbeste en hardste kamerplanten is zeker wel de uit China afkomstige Farfugium. De bladeren ontspruiten direct uit den wortelstok en staan op lange, sappige stelen; zij zijn tamelijk groot, onregelmatig van vorm, en met gele vlekken bezet. Deze plant is zeer geschikt voor den beginnenden liefhebber, die nog niet op de hoogte is van al de eischen, door de planten gesteld. Daar zij flink groeit, moet men haar in tamelijk groote potten zetten, bij voorkeur in zeer voedzame broeiaarde, vermengd met een goede hoeveelheid graszodengrond. Voor het begieten behoeft men niet bevreesd te zijn, daar zij tamelijk veel water kan verdragen. Des zomers verlangt de Farfugium een luchtige, tegen te scherpe zon beschermde plaats; het best doet men, haar in den tuin of op het balkon te plaatsen.

Des winters stelt zij geen hooge eischen, daar men haar in een koude, doch ook in een matig warme kamer kan laten overwinteren, terwijl zij ook met een minder lichte standplaats tevreden is. Oude exemplaren kan men in het voorjaar bij het verplanten door scheuring vermenigvuldigen.

Gynura aurantiaca. De Gynura is een sierlijke, kruidachtige Oost-indische bladplant, met ovale, dicht behaarde bladeren, die in jeugdigen toestand door haar blauw-violetten glans de opmerkzaamheid trekken. Door haar fraaie kleur heeft men gemeend deze plant voor mozaïek-vakken te kunnen gebruiken; zij bleek daarvoor echter ongeschikt te zijn en is thans bijna geheel uit de cultures verdwenen.

Toch is de Gynura als kamerplant zeer aan te bevelen; zij groeit in bijna iederen voedzamen grond zeer goed, krijgt vooral in de zon een zeer fraaie kleur en kan des zomers voor het venster staan. De kruidachtige stengelspitsen groeien als stekken zeer goed en leveren spoedig jonge plantjes.

Ophiopogon. Verschillende Japansche Ophiopogon-soorten zijn harde potplanten, die in de kamer zeer duurzaam zijn. Zij zijn door haar elegante grasachtige, nú eens groene, dán weder bonte bladeren uitstekend geschikt voor bloemtafels, kamerkasjes en terrariums. De schoonste en meest bekende soort is zeker wel de uit Japan ingevoerde Ophiopogon Jaburan fol. var., door Fig. 216 afgebeeld. Deze plant, met fraaie, groen met geel gestreepte bladeren en niet onaardige blauwe bloempjes, is werkelijk hard, en kan jaar in, jaar uit in een warm vertrek gehouden worden. Het liefst overwintert zij echter in een koel vertrek, een eigenschap van bijna alle Japansche planten; des zomers geeft men haar dan een plaatsje in het bloemenrekje voor het venster. Hoewel men de Ophiopogon veelal als kleine plant aantreft, laat zij zich toch, wanneer men haar jaarlijks in goede aarde verplant, tot een werkelijk schoon exemplaar aankweeken. De voortkweeking geschiedt door verdeeling der oude planten, waarbij de dikke wortelstok met een, scherp mesje doorgesneden moet worden.