Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer
Chapter 26
De Succulenten laten zich zeer gemakkelijk voortkweeken. Heeft men soorten, die een wortelstok vormen, dan doet men dit bij het verplanten door verdeeling daarvan; anderen kweeken bijna vanzelf voort door wortelscheuten, die men slechts behoeft af te snijden en op te planten; weer anderen laten zich door stekken vermenigvuldigen, die juist als Cactus-stekken moeten behandeld worden. Eenige soorten der Vetplanten, zooals bijv. de Echeveria's, laten zich gemakkelijk voortkweeken door bladstekken. Hiertoe scheurt men voorzichtig een blad van de plant en pot dit op, na verloop van korten tijd zal zich dan een jong plantje aan de basis ontwikkelen.
Onder de Succulenten zijn als zeer harde en mooie kamerplanten enkele Aloë-soorten zeer in trek. In sommige streken komen deze soorten onder den naam van "Eksteroogen-planten" voor. Er wordt namelijk beweerd, dat het bittere sap, dat uit enkele soorten gewonnen wordt, als een uitnemend middel tegen eksteroogen wordt gebruikt. De tot dit geslacht behoorende planten zijn meest zeer saprijk en week. De zeer fraai gedoornde bladeren zijn nu eens éénkleurig, dan weder fraai bont of ook wel dicht bezet met kleine getinte wratjes. Zeer fraai zijn ook de meestal op lange bloemstengen verschijnende pijpvormige bloempjes, die meestal rood of geel, nu en dan groenachtig zijn. Die soorten, welke stengels vormen, laten zich des zomers gemakkelijk door stekken voortkweeken; bij de overige geschiedt dit door wortelscheuten. Een zeer schoone rozet-vormige soort is de Aloë longearistata met groene, op de achterzijde en langs de randen met mooie dorens bezette bladeren. De breedbladerige Aloë latifolia groeit struikachtig. De breede bladeren, die aan de randen gedoornd zijn, zijn omgebogen, hebben een groene grondkleur, die door talrijke lichte vlekken en punten wordt afgewisseld. Goed gekweekte planten van deze soort bloeien geregeld elken zomer. De bloemsteng wordt ongeveer 1/2 Meter lang, groeit dagelijks ongeveer 4 cM. en is met mooie, geelachtige bloemen rijk bezet. Een zeer mooie, kleine kamerplant is de Aloë variegata, met spiraalvormige, rechtop staande, bonte bladeren. Ook de op onze plaat afgebeelde Aloë arborescens is een mooie, dankbare kamerplant evenals de Aloë saponaria, met lichtgroene, geelachtige, wit gevlekte bladeren.
Zeer schoone planten bevat ook het geslacht Gasteria. Deze soorten kenmerken zich meestal door mooi gevlekte bladeren en roode of groenachtige bloemen. De Gasteria acinacifolia heeft donkergroene bladeren, waarvan de nerven met paarlachtige wratjes dicht bezet zijn; ook de Gasteria pulchra, die men nogal eens aantreft, heeft witgevlekte bladeren en heel aardige pijpvormige bloempjes.
Fraaie Succulenten zijn ook de verschillende in Mexico te huis behoorende Echeveria's. De planten zijn voor het meerendeel zeer sierlijk; zij hebben dikke, vleezige bladeren, die rozetvormig gerangschikt zijn.
Tegenwoordig worden vele soorten van dit geslacht gekweekt om gebruikt te worden bij het beplanten van rotspartijen en van mozaïekvakken. Plant men ze echter in kleine potjes, dan maken zij ook in de vensterbank een zeer aardig figuur. Van de verschillende soorten van dit geslacht is de Echeveria Desmetiana, met haar blauwgroene bladeren wel een van de fraaiste. Een zeer mooie grootbladige soort is de Echeveria metallica, met betrekkelijk dunne, naar boven omgebogen bladeren, die een metaalachtigen glans hebben. Streng genomen is dit slechts een variëteit van de Echeveria gibbiflora; zij vormt vrij groote rozetten en is in jongen toestand het fraaist; van oudere, leelijk geworden planten snijdt men den kop af, die daarna als stek wordt behandeld. De Echeveria discolor heeft donkergroene bladeren en ontwikkelt gedurende den zomer talrijke, wijd openstaande, oranje bloemen. De Echeveria agavoïdes vormt kleine, witachtig groene bladrozetten en de Echeveria Scheideckeri is ook een lieve, mooi bebladerde soort. Verscheidene Echeveria's zijn uitstekende winterbloeisters zooals de Echeveria fulgens, met vuurroode bloemen, de Echeveria mucronata, met schitterend roode bloemen en de Echeveria rosea, met rozeroode bloemen. Ook de Echeveria retusa is een winterbloeister bij uitnemendheid. Deze soorten hebben een vleezigen stengel, met betrekkelijk kleine bladeren bezet die in een bloeiwijze eindigt. Alle Echeveria's moeten vorstvrij en droog overwinteren; die, welke gedurende den winter bloeien, verlangen gedurende dit jaargetijde een lichte standplaats, zoo mogelijk voor een op het Zuiden gelegen raam.
De vermenigvuldiging geschiedt zeer gemakkelijk door kleine zijscheuten, die, in een potje gestoken, zeer vlug wortel maken, wanneer men ze een zonnige plaats voor het venster geeft. Men kan ook, zooals reeds gezegd, is, de bladeren voorzichtig afbreken en die als stekken behandelen; er ontwikkelt zich dan aan den voet een knop, die spoedig doorgroeit en een lief plantje vormt.
Veel gelijkenis met enkele Echeveria's hebben de Sempervivums (Huislook), vooral in de groeiwijze. De saprijke bladeren der Sempervivum-soorten zijn dun en groen, enkele soorten zijn voorzien van zwarte spitsen, terwijl bij anderen de geheele plant met een wit spinnewebachtig weefsel is overtrokken. Verscheidene Huislook-soorten houden het hier te lande des winters buiten uit; deze worden dan ook veel voor het begroeien van rotsen en het beplanten van mozaïek-vakken gebruikt; ook zijn zij zeer geschikt voor de cultuur in kleine potten. Het gewone Huislook wordt veel aangetroffen op oude muren en daken. De oude Grieken noemden deze plant Aizoon, de Romeinen sempervivum, welke beide namen beteekenen: "altijd levend" en welke slaan op de eigenschap van deze planten, dat zij de grootste droogte uitstekend kunnen verdragen. Bij de oude Germanen werd het Huislook "Donnerbart" genoemd, wijl de rozeroode bloemen herinnerden aan den baard van den Dondergod "Donar".
In de bloemen van deze plant zag men een bliksemafleider en daarom vaardigde Karel de Groote een bevel uit, dat iedere boer het Huislook op zijn erf moest hebben. Slechts goed volwassen Sempervivums zijn bloeibaar; de bloemsteng ontwikkelt zich uit het hart der bladerrozet en aan haar uiteinde vertakt zij zich meestal, welke zijtakjes dicht bezet zijn met stervormige bloemen, die bij verschillende soorten verschillende kleuren hebben. De uitgebloeide plant sterft; zij vormt echter, voordat zij doodgaat, een groot aantal jonge uitloopers, die spoedig tot gezonde planten doorgroeien. Een zeer interessante plant is de Sempervivum arboreum; deze vormt een tot 2 Meter hoogen stam, die spadelvormige bladeren draagt, welke boven aan den stam fraaie rozetten vormen. De bloemen zijn zeer sierlijk en geheel geel. Van deze soort bestaan vele variëteiten met geelbonte, rood gerande en purperroode bladeren. Laatstgenoemde variëteit, de Sempervivum atropurpureum, is op onze plaat afgebeeld.
Mooie Succulenten worden ook gevonden in het geslacht Sedum, waarvan er ook eenigen hier te lande inheemsch zijn.
Reeds bij de Ouden waren deze planten bekend: zij gebruikten de fijn gestampte, slijmige bladeren als geneesmiddel tegen wonden.
Zoo zou Telephos, de zoon van Hercules, van de wond, welke de speer van Achilles hem toebracht, genezen zijn door de toepassing van de gekneusde bladeren eener Sedum, die men later, naar een leiding daarvan, den wetenschappelijken naam van Sedum Telephium heeft gegeven. Een zeer fraaie soort is de grootbladige Sedum spectabile, die volkomen winterhard is, en in den herfst tot aan den grond afsterft. In de lente vertoonen zich dan kleine bladrozetten boven de aarde, die spoedig doorgroeien en dan scheuten vormen met heldergroene bladeren. Deze scheuten worden in den herfst gekroond met schermen van kleine, rozeroode bloemen. Als bloeiende plant is de Sedum spectabile zeer fraai en zij is dan ook uitstekend voor potcultuur.
Een zeer schoone soort van den lateren tijd is de Sedum sempervivoides, afkomstig uit den Kaukasus. Deze soort is tweejarig en wordt uit zaden voortgekweekt, die in het voorjaar in pannen met zandige aarde gezaaid en in de kamer tot ontkiemen gebracht worden. De jonge plantjes moeten spoedig in andere potten gerepikeerd en daarna afzonderlijk in potjes uitgeplant worden.
Des zomers worden zij in het bloemenrekje gekweekt; daarna laat men ze in een koele kamer overwinteren en den tweeden zomer zet men ze weder buiten. Tegen het einde van dezen zomer zullen zij dan met honderden rozeroode bloemen prijken.
Een half houtachtige, veel om haar bloemen gekweekt wordende Vetplant is de Kalosanthes coccinea, ook wel Crassula coccinea genoemd. Deze plant vormt des zomers aan de uiteinden van alle twijgen groote schermen scharlakenroode bloemen, die, door de zon beschenen, een schitterend effect maken. Niet minder schoone bloeisters zijn de Rochea-soorten. Een dezer, de Rochea (Crassula) falcata, heeft dikke, groote, sikkelvormige bladeren en vormt fraaie schermen van vuurroode bloemen. Beide laatstgenoemde planten worden tegenwoordig als marktplanten in grooten getale gekweekt.
Zeer fraaie Succulenten treft men ook aan in het geslacht Crassula en eenige der hiertoe behoorende kunnen met zeer goed gevolg als ampelplanten worden gebruikt o.a. de Crassula Cooperi en de Crassula spathulata, die beiden zeer schoone bloemen voortbrengen. Een zeer lief miniatuurplantje is de Crassula Bolusii, met, in den winter verschijnende, zeer kleine, witachtige bloempjes en heel aardige, bruin gevlekte bladeren.
Planten met zeer interessante en schoone, doch zeer onaangenaam riekende bloemen zijn de Stapelia's. Er zijn zeer veel soorten van bekend, met grootere of kleinere, meer of minder interessant gevormde of geteekende bloemen. Onze afbeelding toont de Stapelia variegata, die het meest wordt aangetroffen; zij heeft een zwavelgele, met fraaie, bruine vlekken geteekende bloemkroon.
Interessante soorten omvat ook het geslacht Euphorbia (Wolfsmelk). De familie der Euphorbiaceeën bevat ruim 3600 soorten van het meest verschillende voorkomen. Veel meer dan tegenwoordig het geval is, verdient o.m. de Euphorbia splendens gekweekt te worden. Deze, en nog eenige andere soorten, bloeien een gedeelte van den winter; zij verlangen een wintertemperatuur van 60° Fahr.
Interessante Vetplanten zijn ook nog de Kleinia's, waarvan een fraaie soort, de Kleinia canescens, door Fig. 207 is afgebeeld; de Mesembryanthemums, waaronder vele fraai bloeiende soorten, en o.a. de IJsplant; de Mesembryanthemum cristallinum; de Haworthia's met fraai geteekende bladeren en de Kalanchoë's, die, jammer genoeg, in deze streken niet zeer dankbaar bloeien.
Wij voegen hieraan nu nog enkele planten toe, die gewoonlijk tot de Vetplanten worden gerekend, hoewel zij, streng genomen, daartoe niet behooren, maar toch bijna op dezelfde wijze gekweekt moeten worden. Van de schoonste en interessantste dier planten noemen wij in de eerste plaats de Agave's. Dit geslacht bevat meer dan honderd verschillende soorten en variëteiten, die bijna alle een verschillend voorkomen hebben. Haar vaderland is hoofdzakelijk Midden- en Zuid-Amerika. Daar zijn de Agave's nutplanten van groot gewicht: zij worden er gebruikt voor het maken van ondoordringbare heggen, de gedroogde bladeren voor dakbedekking, de bladvezels worden tot touw gesponnen en de punten der bladeren dienen als pennen. Het merg van deze planten wordt gegeten, terwijl er ook een soort zeep uit wordt bereid. Door het uitsneden der bloemsteng verzamelt zich in de ontstane holte een groote hoeveelheid sap, dat, na gisting, een bedwelmenden nationalen drank oplevert, de zoogenaamde "pulque". De Agave's zijn stengellooze planten; de in scherpe punten uitloopende bladeren zijn òf breed en dik en dan meestal langs de randen gewapend, òf lang en smal, met ongewapende bladranden; steeds vormen zij echter een rozet. Gewoonlijk worden de Agave's bestempeld met den naam van "Honderdjarige Aloë". Deze dwaling as hierdoor ontstaan, omdat enkele soorten sterk op Aloë's gelijken, en wijl het in den volksmond heet, dat de plant slechts eens in de honderd jaar bloeit. Het zal wel onnoodig zijn er op te wijzen, dat dit een dwaling is. Gewoonlijk bloeien de Agave's pas als zij verscheidene jaren oud zijn, en in de cultuur kan het voorkomen, dat een Agave americana 30 à 40 jaar oud is, voordat zij bloeibaar wordt. Is de plant eenmaal bloeibaar geworden, dan verheft zich uit haar hart de krachtige, houtachtige bloemsteng, die een imposanten indruk maakt. Deze wordt toch ruim 6 Meter hoog en neemt bij haar ontwikkeling, binnen 24 uren, 30-35 cM. in lengte toe. Door haar vertakkingen, die horizontaal uitgespreid staan, waarop weder de bloemen verticaal zijn geplaatst, gelijkt zij op een reusachtige candelaber. Bij andere soorten is de bloemsteng niet vertakt; hier heeft zij het voorkomen van een zeer groote bloemaar, waarvan de bloemen dicht op elkander zitten. Zijn de vruchten eenmaal tot rijpheid gekomen, dan sterft niet alleen de bloemsteng, maar ook de geheele plant; er ontwikkelen zich dan echter tal van wortelscheuten, die, afgesneden, weder tot nieuwe planten opgekweekt kunnen worden.
De Agave's leenen zich bij uitstek voor het beplanten van groote vazen, die gedurende den zomer op balkons, hekingangen of zuilen worden gezet, mits deze vazen van talrijke drainage-gaatjes zijn voorzien. Des winters moeten zij in huis gezet, en kunnen dan gebruikt worden ter versiering van vestibules. Ook als middenplanten voor mozaïek-vakken of ter beplanting van rotspartijen zijn zij zeer geschikt.
Van de bekende Agave americana komen eenige bontbladige variëteiten voor, die wel niet zoo groot worden als de typische soort, doch zeer fraaie sierplanten zijn. Een zoodanige variëteit toont Fig. 208 in de Agave americana aureo-marginata. Deze vorm heeft groene bladeren, omzoomd met een breeden, gelen rand. Een zeer schoone soort is ook de Agave Verschaffeltii; deze heeft een zeer gedrongen voorkomen en betrekkelijk breede, sterk bewapende bladeren, die een blauw-grijze kleur hebben. Een geheel andere groeiwijze heeft de Agave stricta, met smalle, groene, zeer talrijke bladeren. Een der schoonste en opmerkenswaardigste soorten is zeker wel de Agave Victoria-Reginæ. De donkergroene, naar binnen omgebogen bladeren zijn met zuiver witte, draadvormige strepen geteekend. Deze soort, die nog betrekkelijk nieuw is, wordt niet groot, daar zij geen grooter diameter dan ± 50 cM. bereikt. De onvertakte bloemsteng daarentegen, die, wanneer de plant goed doorgroeit, reeds na 6 à 8 jaar kan verschijnen, bereikt een lengte van 3-4 Meter. Jammer is het, dat deze soort tamelijk duur is, daar zij geen scheuten maakt en dus steeds uit zaden of ingevoerde planten moet voortgekweekt worden. Bijna al de bekende Agave-soorten moeten gedurende den winter zoo goed als geheel droog gehouden worden; daarbij verlangen zij een zeer lichte plaats, in een vertrek met een temperatuur van 40°-45° Fahr. Even weinig moeite vereischen ook de soorten, die tot de geslachten Dyckia en Yucca behooren, welke planten eenigszins de groeiwijze van een Dracæna hebben. De meest bekende soort van het eerste geslacht is de Dyckia sulphurea; deze heeft geelachtige bladeren en des zomers geeft zij chromaatgele bloemen, die op lange bloemstengen verschijnen. Van het tweede geslacht wordt vaak aangetroffen de Yucca aloëfolia fol. var., een plant met lichtgroene bladeren, die geel en rood gerand zijn en die een eigenaardig voorkomen aan de plant geven. Verscheidene Yucca-soorten, zooals bijv. de Yucca gloriosa, munten ook uit door haar sierlijke, groote, witte, klokvormige bloemen, die, op forsche bloemstengen, midden in het hart der plant verschijnen. De Dyckia's en Yucca's moeten des winters koel, doch niet geheel droog gehouden worden.
Bladplanten.
Onder bladplanten verstaat men die gewassen, welke hoofdzakelijk ter wille van hun fraaie bladeren gekweekt worden. Natuurlijk geven ook de bladplanten, eenige hiertoe gerekende Cryptogamen uitgesloten, min of meer fraaie bloemen; eenige echter, zooals bijv. de Palmen, bloeien hier te lande slechts uiterst zeldzaam of in het geheel niet, en bij allen worden de bloemen door den fraaien bladertooi overschaduwd.
Struik- en boomachtige bladplanten voor koele vertrekken.
Aralia. De Aralia is een zeer dankbare en fraaie bladplant, die men vaak in de kamer gekweekt aantreft. Het is vooral de Aralia (Fatsia) japonica uit Japan, met groote, handvormige, glanzend groene bladeren, die veelvuldig als kamerplant wordt gekweekt. Van deze soort bestaan ook fraaie bontbladige variëteiten, die wel schooner, doch ook veel duurder zijn, daar zij zich slechts door stekken laten voortkweeken, die niet zeer gemakkelijk wortelen. Een andere zeer schoone soort, die, jammer genoeg, tegenwoordig niet veel meer wordt aangetroffen, is de Aralia papyrifera, met aan de onderzijde zilverwitte bladeren. Uit het merg dezer plant wordt in China een soort papier vervaardigd. Er bestaan nog verscheidene andere soorten van dit geslacht, die zeer schoone kamerplanten zijn; zoo de Aralia Veitchii, met zeer smalle, aan de randen gegolfde bladeren, en de Aralia Chabrieri, een zeer elegante plant met fijne smalle bladeren. [2] Hoewel de Aralia's veel gekweekt worden, treft men er toch slechts zelden werkelijk schoone planten van aan. Over het algemeen worden zij veel te warm gehouden; dit heeft tot gevolg, dat de oudste, dus onderste, bladeren geel worden en afvallen, terwijl de andere bladeren slap neerhangen, niettegenstaande zij horizontaal tegen den stengel moeten staan. Al de genoemde soorten verlangen gedurende den winter een lichte standplaats in een vertrek met een gemiddelde warmte van 40°-50° Fahr.; alleen de beide laatstgenoemde soorten verdragen een hoogere temperatuur. De bladeren moeten stofvrij en zindelijk gehouden en de planten mogen gedurende den rusttijd slechts weinig begoten worden. Begint in het voorjaar de nieuwe groeiperiode, dan moeten de Aralia's in goeden grond, bestaande uit gelijke deelen blad- en broeiaarde, waaraan een weinig graszodengrond wordt toegevoegd, verpot worden. Gedurende den zomer worden de planten rijkelijk begoten en wortelen zij door, dan kunnen zij nu en dan gegierd worden, terwijl zij, wanneer dit noodig blijkt, nog eens verpot moeten worden. Van Mei tot tegen het einde van September doet men het best de Aralia's op een half beschaduwde plek in den tuin of op het balkon te zetten.
De Aralia japonica en Aralia papyrifera laten zich zeer gemakkelijk uit zaden voortkweeken, die in zaagsel zeer goed kiemen. De bontbladige soorten en die, waarvan geen zaden te verkrijgen zijn, worden in de kweekerijen steeds door stekken vermenigvuldigd, die, zooals wij reeds gezegd hebben, lang niet gemakkelijk wortelen.
Aucuba japonica. De Aucuba japonica is een zeer harde bladplant, met ovale, groen met geel gevlekte bladeren. Deze plant is reeds een paar eeuwen bekend; daar zij echter tweehuizig is en alleen de vrouwelijke plant was ingevoerd, bracht zij eertijds geen vruchten voort. Sinds de invoering, enkele tientallen van jaren geleden, van een mannelijke plant, is men er pas in geslaagd haar met fraaie, koraalroode bessen te kweeken. De Aucuba wordt echter hoofdzakelijk om haar fraaie bladeren gekweekt, die, in de talrijke variëteiten, telkens anders geteekend zijn. Zij is een zeer harde sierplant, die, op niet te koude plaatsen, het hier te lande, in den vollen grond uitgeplant, zeer goed uithoudt en dan ook geen hooge eischen stelt. Men kan haar gedurende den winter in den kelder laten overwinteren, hoewel zij gedurende dit jaargetijde ook zeer goed gebruikt kan worden ter versiering van vestibules, trappenhuizen en onverwarmde kamers. Des zomers verlangt zij een zonnige standplaats in den tuin of op het balkon. Jonge planten moeten jaarlijks, oudere om de twee of drie jaar verplant worden. Dit verplanten moet zeer voorzichtig geschieden, daar de vleezige wortels zoo min mogelijk beschadigd moeten worden; men gebruikt daartoe goede, middelmatig zware aarde of veengrond, waaraan een weinig graszodengrond wordt toegevoegd. De voortkweeking geschiedt in het voor- of het najaar door stekken, die zeer gemakkelijk wortelen. Wordt de Aucuba in een gesloten vertrek of wel te warm gehouden, dan wordt zij licht door insecten (hoofdzakelijk schildluizen) aangetast; deze zijn door goed afwasschen wel te verwijderen, maar zij richten toch altijd belangrijke schade aan. Tot het verkrijgen van een flinke vertakking moeten de plantjes herhaaldelijk ingesneden worden. Giert men de Aucuba's gedurende den zomer enkele keeren, dan geven zij groote, fraai geteekende bladeren.
Coprosma Baueriana. Dit is een lieve halfheester, afkomstig uit Nieuw-Zeeland, met rondachtige, glanzend witte of gele bladeren, die aan de randen groen zijn, waardoor zij geheel het voorkomen van een sierlijke bladplant verkrijgt. De Coprosma is zeer dankbaar; zij stelt zich gedurende den winter tevreden met een temperatuur van 40°-50° Fahr.; zij groeit des zomers buiten in het bloemenrekje en laat zich zeer gemakkelijk door stekken voortkweeken.
Heeft men krachtig groeiende planten, dan moeten zij in 't voorjaar en in den zomer nogmaals verplant worden in goede broeiaarde, waaraan een weinig graszodengrond wordt toegevoegd.
Eucalyptus. De Eucalyptussen zijn karakteristieke planten van Nieuw-Holland; zij worden echter ook in Zuidelijk Europa, vooral in moerassige streken aangekweekt, die zij door haar snellen groei en sterke verdamping, na enkele jaren aanmerkelijk verbeteren. In haar vaderland treft men de Eucalyptussen als ware reuzenboomen aan, die een hoogte van meer dan 100 Meter kunnen bereiken. In haar jeugd hebben deze planten blauwgroene, zittende of stengelomvattende bladeren, en eerst later ontwikkelen zich de gesteelde afhangende bladeren. Voor potcultuur zijn slechts jonge, één-, hoogstens tweejarige planten geschikt, wanneer zij een goeden pyramidalen vorm hebben. Des winters moeten zij in koelere vertrekken en des zomers steeds in de open lucht staan. Gedurende den zomer kunnen zij rijkelijk begoten en moeten zij eenige keeren in een zeer vetten grond verplant worden. Plant men de Eucalyptussen des zomers op een gunstige plaats in den tuin uit, dan kunnen zij in één zomer een hoogte van 4 à 6 Meter bereiken. Stekken groeien slecht of in het geheel niet, waarom de voortkweeking steeds uit zaden geschiedt. De bekendste soort is de Eucalyptus Globulus, met blauwgroene bladeren. De Eucalyptussen behooren tot de familie der Myrten, en wanneer men de bladeren tusschen de vingers kneust, verspreiden zij een sterk aromatischen geur. Het aangenaamst is deze geur bij de Eucalyptus citriodorus, die, in de eerste plaats, voor potcultuur kan aanbevolen worden.
Eugenia australis. Dit is een harde plant, die mede tot de familie der Myrten behoort. Zij draagt ovale bladeren, welke niet zoo groot worden als die der grootbladerige Myrtus en aardige witte bloemen, die zeer talrijk bij oudere exemplaren, welke niet te dikwijls ingesneden worden, verschijnen. De jonge bladeren en scheuten hebben een interessante roodachtige kleur.