Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer
Chapter 25
Wil men Cactussen met succes kweeken, dan moet men over een zeer zonnig gelegen venster kunnen beschikken. Deze planten vormen, met de overige Succulenten, die wij ook later nog zullen bespreken, een hoogst interessante groep; het zijn bijna de eenige planten, die zonder eenige bescherming voor een op het Zuiden gelegen venster goed groeien en bloeien; er zijn toch slechts weinige soorten, die geschermd willen worden. De hardste kunnen, zoodra er geen nachtvorst meer te vreezen is, op een naar het Zuiden openliggende plek in den tuin gebracht worden. Men kan hier de potten tot bijna aan den rand ingraven, of wel, men gebruikt ze tot het versieren van rotsgroepjes.
Cactussen, die meer warmte noodig hebben en over het algemeen teerder zijn, moeten het geheele jaar door in de kamer gekweekt worden. Hiertoe behooren onder andere de Cereus grandiflorus en enkele andere Cereus-soorten, de Echinocactus Echinocereus-, Pilocereus- en Mamillaria-soorten. Wie over een warmen bak kan beschikken, zal zeer goed doen ze des zomers, wanneer het niet al te warm meer is, daarin uit te planten, waarvan een zeer snelle groei het gevolg zal zijn. Tot dit doel wordt de bak tijdig in het voorjaar met mest of met blad aangelegd, en er, al naar de grootte der planten, een laag aarde van 12-20 cM. dikte opgebracht. Daar de planten niet te ver van de ramen mogen staan, gaat het niet aan, groote en kleine plantjes onder hetzelfde raam uit te planten. Is de bak op een temperatuur gekomen van 75°-80° Fahr. en dampt hij niet meer, dan kan men met het uitplanten beginnen. Is het weer heel warm, dan kan men de uitgeplante Cactussen een- of tweemaal besproeien en de ramen op lucht zetten; slechts de schaduwminnende soorten moeten dan geschermd worden. Men moet er op letten, dat de aarde niet te veel uitdroogt. Tegen half September worden de uitgeplante Cactussen weer in potten gezet, en spoedig daarop kunnen zij haar winterkwartier betrekken. Een bezwaar is het, dat de planten in het najaar moeten gestoord worden, om ze in potten te zetten, daar het wel wil voorkomen, dat zij dan niet meer aan den groei gaan. Dit is de oorzaak, dat veel kweekers hun Cactussen in de potten laten staan en ze zoo, in den bak ingraven. Zij groeien dan wel niet zoo snel, doch behoeven in het najaar niet gestoord te worden.
Het gewichtigste bij het kweeken van Cactussen is het juiste gieten. Hier hangt het gieten toch niet uitsluitend van het jaargetijde en de groeiperiode af, doch men moet ook rekening houden met de levensvoorwaarden en den gezondheidstoestand der planten. Is het donker en kil weer, dan mag men in het geheel niet gieten, terwijl bij helder, warm weder regelmatig gieten een vereischte is. Van groot belang is bij de Cactus-cultuur ook het besproeien, dat men zeer goed kan doen met een zeer fijnen broesgieter. Op avonden na heete dagen moet men ze ook matig besproeien.
Tegen het einde van September, en bij ongunstig weder nog vroeger, moet men de Cactussen in de winterkwartieren brengen. De overwintering is, vooral wanneer zij des zomers buiten gehard zijn, niet zeer lastig. De teerdere soorten zet men in de woonkamer, de hardere daarentegen in een achterkamer, die slechts bij intredende vorst gestookt wordt; in geval van nood kan men echter zelfs de teerste soorten in een vertrek met een temperatuur van 45°-50° Fahr. laten overwinteren. Het is bijna, ongelooflijk wat Cactussen, die des zomers goed behandeld zijn, des winters kunnen verdragen, en met welk een lage temperatuur zelfs de tropische soorten zich tevreden stellen. Heeft men slechts een koude kamer voor de overwintering beschikbaar, dan is het voorzichtig de planten zoo hoog mogelijk te plaatsen, daar de bovenste luchtlagen in zoo'n vertrek altijd iets warmer zijn de onderste. De fijnere soorten zet men voor het venster, terwijl men de grovere gerust op een kast of ergens anders kan laten overwinteren. Heeft een liefhebber des winters slechts zeer weinig ruimte te zijner beschikking, dan kan hij de sterkere soorten uit de potten nemen en ze dicht tegen elkander in een kistje met zandige aarde zetten. Wanneer men de planten in zulk een kistje slechts den ganschen winter droog laat staan, dan veroorzaken zij niet de minste moeite. Ik ken een liefhebber, die op deze wijze in een ongebruikte keuken een zeer groot aantal Cactussen laat overwinteren. Tegen de wanden heeft hij houten rekken laten aanbrengen, waar de met zijn Cactussen beplante kistjes des winters op gezet worden. De ergste vijand gedurende den winter is vocht; geeft men ze echter een droge standplaats, dan verdragen zij zeer veel.
Hoewel de meeste Cacteeën, evenals bijna alle Succulenten, het best groeien in de volle zon, zijn zij daarvoor in het voorjaar, wanneer men ze uit donkere plaatsen haalt, toch zeer gevoelig. Om deze reden moet men ze dan in den beginne tegen de zon beschermen; langzamerhand gewent men ze daaraan, zoodat zij die na een week of drie weder goed kunnen verdragen. Verzuimt men deze voorzichtigheidsmaatregel, dan zullen zij licht brandvlekken krijgen, die niet alleen de planten zeer ontsieren, doch ook vaak de oorzaak van ziekte kunnen worden. Deze ziekte, die roest genaamd wordt, is een der ergste, die bij Cactussen voorkomt. De groote, bruine of gele vlekken, die zij veroorzaakt, dringen hoe langer hoe dieper in het weefsel door, en zijn oorzaak, dat de plant ten laatste sterft. Een andere, nog meer voorkomende ziekte is de rotting, die echter maar al te dikwijls, vooral des winters, door onvoorzichtig gieten veroorzaakt wordt. Men onderscheidt wortel- en stengelrotting. De wortelrotting is niet zoo gevaarlijk; bemerkt men deze, dan neemt men de aangetaste planten uit de potten, snijdt de rotte wortels weg, plant ze in versche aarde op, en houdt ze aanvankelijk droog. Heeft men stengelrotting, dan worden de aangetaste plekken met een scherp mes weggesneden. Des winters, wanneer zulke wonden slechts langzaam genezen, zet men de planten daarna zoo droog mogelijk, om de wond te doen opdrogen; in den zomer is het voldoende de wond met fijn houtskoolpoeder te bestrooien. Gevaarlijk is het, wanneer de plant over haar geheel neiging tot rotting toont. Deze ziekte ontstaat meestal aan den voet der plant, en breidt zich dan naar boven uit, of zij ontstaat,--wat echter minder voorkomt--, in den kop en trekt dan naar beneden. In het eerste geval kan men den kop nog op een behoorlijken afstand van de aangetaste plek afsnijden en dien als stek behandelen, gewoonlijk echter bemerkt men de ziekte eerst wanneer het geheele weefsel aangetast en de plant dus verloren is. Een andere ziekte bij Cactussen is de geelziekte; zij komt slechts bij enkele geslachten voor (Epiphyllum, Cereus en Phyllocactus) en wel hoofdzakelijk in den winter. Plotseling worden eenige deelen der plant geel en sterven spoedig daarna af. Gewoonlijk treedt de geelziekte op bij planten, die gebrek aan voedsel hebben of die in slechte aarde staan; het beste middel er tegen is, de plant zoo spoedig mogelijk in goede aarde te verpotten.
De Cactussen hebben ook talrijke vijanden onder de insecten en wel hoofdzakelijk in de blad- en schildluizen. Gewoonlijk zijn het de laatsten, die zeer veel schade kunnen berokkenen. Een der beste middelen om deze plagen te voorkomen, is het bij helder weder spuiten en een zoo goed mogelijke behandeling der planten. Zijn deze eenmaal door insecten aangetast, dan tracht men ze met een kwastje en lauw warm zeepsop te verwijderen. Een nog zekerder middel tegen deze insecten is een slappe oplossing van Nicotine-extract, dat in enkele apotheken wel te verkrijgen is. Zijn de Cactussen door zoogenaamde witte smeerluis aangetast, dan kan men die door spuiten gemakkelijk verwijderen. Zij worden daartoe op een helderen dag buiten gezet en met het handspuitje spuit men met kracht lauw water tusschen de dorens. De diertjes zullen daardoor weggespoeld worden. Vallen zij op de aarde van den pot, dan kunnen zij daar gemakkelijk van verwijderd worden. Een minder schadelijke vijand der Cactussen is de Cactus- of Cochenille-luis (Coccus cacti). Deze luis komt gewoonlijk voor op een Opuntia-soort en wordt slechts zelden op andere geslachten aangetroffen. De roode verfstof, onder den naam Cochenille bekend, bestaat uit niets anders dan de fijn gewreven lichamen van deze luizen. In ons klimaat teelt de Cochenille-luis zich slechts zeer langzaam voort, zoodat zij niet tot de eigenlijke Cactus-vijanden kan gerekend worden. Deze en gene liefhebber kweekt ze zelf wel als curiositeit op zijn planten.
Van het standpunt eens liefhebbers kunnen de Cacteeën in twee groote groepen verdeeld worden, namelijk die, welke hoofdzakelijk om haar fraaie bloemen gekweekt worden, en die, welke men om haar interessanten vorm of om de dorens verzamelt. Een absolute grens laat zich echter tusschen beide groepen niet trekken, daar er veel fraai bloeiende soorten zijn, die een zeer interessant voorkomen hebben, terwijl enkele, wier vorm hoogst belangwekkend is, somtijds zeer schoone bloemen voortbrengen. Het is aan geen twijfel onderhevig, dat er in de familie der Cacteeën prachtig bloeiende soorten zijn; zij hebben echter allen een gebrek, namelijk den korten duur. Door elkander genomen, blijven de bloemen niet langer dan 2 à 3 dagen goed, zelfs bij soorten, waar de knoppen maanden lang tijd hebben om zich te ontwikkelen. Toch zijn er Cactussen met een zeer langen bloeitijd, die veroorzaakt wordt doordat zij talrijke knoppen voortbrengen, die na elkander tot ontwikkeling komen.
Epiphyllum truncatum (Fig. 188) is zeker wel een der meest voorkomende en dankbaarste uit de groep der fraai bloeiende Cactussen. Een bijzondere waarde heeft deze plant nog, wijl ze een echte winterbloeister is. Haar fraai vermiljoenroode bloemen, met purperen weerschijn, ontwikkelen zich gewoonlijk van Kerstmis af tot aan de tweede helft van Februari. De Epiphyllum behoort in Brazilië te huis, waar zij als een onechte parasiet tegen de boomen groeit, dikwijls in gezelschap van Orchideeën. Zij groeit daar onder de dichte bladerkroon en tusschen rottende plantenstoffen zeer welig; bij wijze van uitzondering wordt zij ook wel tegen vochtige wanden aangetroffen. De in den handel voorkomende Epiphyllums zijn voor het meerendeel kroonboompjes; die door veredeling op kleine, slanke stammetjes van andere Cactus-soorten meestal Peireskia's staan. Deze stamboompjes bieden, met de afhangende twijgen, een fraaien aanblik, vooral in den bloeitijd, wanneer de laatste stengelgeledingen met bloemen of knoppen prijken. De uit stek gekweekte Epiphyllums zijn fraaie, zeer dankbaar bloeiende hangplanten. In de kweekerijen vindt men, tegenwoordig talrijke variëteiten, die verschillen door de kleur der bloemen.
De Epiphyllums behooren tot die Cactussen, welke, in tegenstelling met de meeste andere vertegenwoordigers van deze familie, een humusrijke aarde, scherming tegen brandende zon, en vochtige lucht verlangen. Gedurende den groei- en bloeitijd verlangen zij veel water; ook kan men ze gedurende dien tijd nu en dan gieren.
De rusttijd begint bij de Epiphyllums na den bloei; hij duurt gewoonlijk tot Mei en men moet dan zeer spaarzaam gieten. Heeft men veredelde stamboompjes, dan kan zeer dikwijls de dunne stam de zooveel zwaardere kroon niet dragen, waarom men moet zorgen, dat hij behoorlijk ondersteund wordt. Een zeer goede wijze daartoe is de volgende: Men steekt drie of vier stokjes in den pot, onder de kroon brengt men een ring van dik ijzerdraad, die aan deze stokjes wordt vastgebonden en waarop de twijgen van de kroon rusten, waardoor hij voldoende steun verkrijgt en de stam geheel vrij kan blijven.
De Phyllocactussen doen als dankbare bloeisters voor de Epiphyllums niet onder. Twee der hiertoe behoorende soorten, de Phyllocactus Russellianus en de Ph. Gærtneri (Fig. 189), gelijken in voorkomen zeer sterk op de Epiphyllums, maar de bloemen zijn regelmatiger gevormd. De beide genoemde soorten bloeien eerst tegen het voorjaar, met roode trechtervormige bloemen. De andere, tot dit geslacht behoorende soorten hebben zeer groote bladachtige stengels en schoone bloemen; deze laatste zijn wit, bieden verschillende nuanceeringen van rood of zijn geelachtig. Somtijds bloeien deze bloemen slechts één nacht, dan weder vier en twintig uur, terwijl zij bij andere soorten eenige dagen duren. De middelmatig groote, welsmakende vruchten zijn besvormig en karmijn- of steenrood. Deze bessen rijpen gewoonlijk na tien of twaalf maanden en bevatten zwarte, talrijke zaden. De Phyllocactussen worden nooit door veredeling voortgekweekt, daar de zaden zeer gemakkelijk opkomen en in korten tijd tot mooie bloeibare planten opgroeien. Ook het voortkweeken van stek gaat zeer gemakkelijk, zoodat men dan ook bij de liefhebbers steeds zelfgekweekte planten aantreft. De Phyllocactussen groeien onder geheel dezelfde omstandigheden als de Epiphyllums, zoodat zij op geheel dezelfde wijze moeten behandeld worden. Er zijn zeer veel schoone soorten bekend en de kweekers hebben door onderlinge kruising nog een aantal zeer fraaie hybriden gewonnen. Een dergelijke hybride stelt Fig. 190 voor.
Het geslacht Cereus (Zuilcactus) is wellicht het interessantste geslacht van de familie der Cacteeën. Zeer dikwijls toonen de soorten onderling veel overeenkomst, dan weder een zeer groot verschil; zij zijn geribd en vier- of meerhoekig; nu eens kruipend, dan weder kogelvormig. De ribben of kanten zijn steeds nu eens met zwaardere, dan weder met zwakkere dorens bezet. De bloemen verschijnen meestal aan de oudere stengels, en slechts bij uitzondering aan de uiterste spitsen. Zeer veel Cereus-soorten bloeien eerst op hoogen leeftijd, anderen echter reeds als jonge planten. De nu eens witte, gele of roode bloemen kunnen een lengte van 20 cM. bij een doorsnede van 30 cM. bereiken; zij behooren tot de fraaiste, maar, jammer genoeg, ook tot de vergankelijkste bloemen in het plantenrijk. Van vele Cereus-soorten ontluiken de bloemen des avonds, om den volgenden morgen weder te verwelken; andere soorten houden het tot den middag uit en de bloemen der soorten, die het langst bloeien, duren nooit langer dan hoogstens drie dagen. De fraaie, eetbare vrucht bereikt bij enkele soorten de afmeting van een appel; zij rijpt nu eens na vijf of zes maanden, dikwijls echter pas in het jaar, volgende op den bloei. De Cereus behoort in West-Indië, Mexico en Brazilië te huis, waar zij aan de dorre landschappen een zeer eigenaardig voorkomen geeft. De schoonste soort van dit geslacht is de Cereus grandiflorus (Koningin van den nacht), Fig. 191. Haar bloemen kunnen een doorsnede van ruim 25 cM. bereiken, en behooren met haar zuiver witte bloembladeren, goudgele kelkbladeren en zeer fijnen vanielje-geur tot de fraaiste aller bloemen; zelfs de schoonste Roos wordt door dit prachtig natuurgewrocht in de schaduw gesteld. Jammer is het, dat deze soort nogal behoefte heeft aan warmte, en al groeit zij bij een goede behandeling ook in een kamer, in bloei komen zal zij daar zelden of nooit. Van grooter waarde is voor den liefhebber de Cereus nycticalus, die niet veel minder schoon bloeit dan de voorgaande soort, doch met een reukelooze bloem. Deze soort is harder dan de voorgaande, haar witte bloemen zijn grooter en verschijnen bij sterke planten geregeld iederen zomer.
In den laatsten tijd zijn ook door kruising van beide genoemde soorten met andere Cereussen schoone hybriden gewonnen, waaronder er zich bevinden met groote, roode bloemen.
Een andere, onder de liefhebbers zeer verspreide soort, is de Cereus speciosissimus, die reeds meer dan 100 jaar bekend is. Het is een zeer fraai bloeiende soort. Zij heeft drie- of vierkantige, vrij sterk gedoornde stengels, die men het best tegen een waaiervormig hekje bindt. De werkelijk fraaie, schitterend roode bloemen verschijnen gewoonlijk in vrij grooten getale gedurende den zomer en duren drie of vier dagen. Hoe minder men deze soort verplant, hoe beter zij bloeit; plant men haar in een grooten pot, dan groeit zij wel sterk, doch bloeit weinig of niet. In den handel zijn veel variëteiten dezer Cereus verspreid.
De Cereus flagelliformis (Slang-Cactus) is een mooie, reeds verscheidene tientallen van jaren onder de Cactus-liefhebbers verspreide soort, met kruipende of hangende stengels, die bezet zijn met in stervormige bundeltjes vereenigde, bruingele dorens. De tot 8 cM. lange bloemen zijn purper-rozerood en de pas na een jaar rijp wordende vruchten hebben eenigszins een pruimensmaak. De afbeelding 192 toont een monstrueuzenvorm dezer soort, de Cereus flagelliformis cristatus, geënt op een Opuntia.
Onder de Zuilcactussen zijn er ook talrijke, die om haar eigenaardige, fraaie gestalten of wel om de interessante kleur harer dorens gekweekt worden; deze soorten bloeien echter slechts zelden. Eén dezer, die dikwijls nogal van vorm verschilt, doch steeds een fraaie, blauwachtige kleur heeft, de Cereus cyaneus, is voor liefhebbers wel de meest aanbevelenswaardige.
Onder de Cactus-geslachten, waarbij zeer fraai bloeiende soorten worden gevonden, kunnen wij nog aanbevelen het geslacht Echinopsis. De hiertoe behoorende soorten hebben gewoonlijk een kogelvorm, die zich slechts zelden verlengt; de planten nemen alsdan een eivormige gestalte aan. In alle gevallen zijn zij veelzijdig en vaak zeer sterk met groote fraaie dorens bezet. De lichtgroene zijscheuten, die bij oudere planten zeer talrijk voorkomen, en ook de jonge zaailingen hebben in den beginne een heel ander aanzien dan de gekarakteriseerde planten. De witte, rose of roode bloemen verspreiden een heerlijken geur: zij hebben een lange, trechtervormige bloemkroon. Bij enkele soorten blijven de fraaie bloemen slechts één nacht, bij andere daarentegen verscheidene dagen open. Daar de hiertoe behoorende soorten in den voorzomer bloeien, dan zeer talrijke bloemen voortbrengen en de bloemknoppen dikwijls vijf à zes maanden noodig hebben om tot ontwikkeling te komen, gebeurt het vaak, dat men reeds in October of November de knoppen ziet verschijnen. De snel rijp wordende vrucht is eivormig of rond en heeft eenigszins het voorkomen van een walnoot. Van de vele, tot dit geslacht behoorende soorten, zijn er twee hier afgebeeld, de Echinopsis oxygona in Fig. 184 en de Echinopsis Eyriesii in Fig. 193.
Zeer dankbare, niet onaardig bloeiende planten levert ons het geslacht Rhipsalis (Roede-Cactus) met vaak zeer dunne, ronde stengels. De hiertoe behoorende soorten groeien in tropisch Amerika als onechte parasieten op boomen, en zij houden dus van een tamelijk vochtige lucht en een humusrijke aarde. Een soort met breedere stengels, die des winters met licht-stroogele, welriekende bloemen bloeit, is de Rhipsalis Houlletiana (Fig. 195), terwijl de Rhipsalis dissimilis (Fig. 196), die ook des winters bloeit, roedevormige stengels heeft.
Onder de vertegenwoordigers der andere Cactus-geslachten worden nog zeer schoon bloeiende soorten aangetroffen, maar aangezien deze slechts zeldzaam bloeien, worden zij uitsluitend óf om haar interessant uiterlijk, óf om haar fraaie dorens gekweekt.
Van deze verschillende Cactussen kunnen wij den liefhebbers zeer aanbevelen de Echinocereus-soorten, waaronder fraai gedoornde en schoon bloeiende en de Pilocereus-soorten, die somtijds lange haarvormige dorens bezitten, zooals bijv. de Pilocereus senilis (Grijsaard), die geheel met lange, witte dorens bedekt is en daardoor een eigenaardig voorkomen heeft; ook de Pilocereus Houlleti is zeer fraai. Door haar sterk gedoornd voorkomen munten uit de Echinocactus-soorten, waaronder ook fraaie bloeisters worden aangetroffen. Door haar gele dorens is vooral aanbevelenswaardig de Echinocactus Grusonii, waarvan Fig. 197 een jonge plant vertoont. Een zeer weinig gedoornde, doch met gele bloemen zeer rijk bloeiende soort is de Echinocactus capricornis, die met witte puntjes is overdekt.
De Optunia-soorten vormen vaak groote planten met zware, platte stengelleden; zij bloeien wel fraai, doch tamelijk weinig en brengen na den bloei eetbare, naar kruisbeien smakende vruchten voort. Op onze plaat zijn drie soorten afgebeeld: de Opuntia maxima, de O. senilis en de O. vaginosa. Zeer sierlijke, dikwijls gedrongen groeiende soorten behooren tot het geslacht Mamillaria, waarvan de meeste winterbloeisters zijn; enkele hebben eenigszins groote, de meeste echter slechts kleine bloemen. Verschillende soorten van dit geslacht zijn hier afgebeeld, namelijk: Mamillaria Celsiana, M. Schiedeana en M. plumosa (Fig. 199), M. gracilis (Fig. 200) en M. fuscata, deze laatste als jonge plant veredeld op een Cereus.
Zeer interessante Cactus-geslachten zijn nog Malococarpus, Astrophytum, Anhalonium en Pelecyphora.
Deze laatste geslachten zijn echter slechts hun aan te bevelen, die goed met plantencultuur vertrouwd zijn, daar zij lastig in de cultuur zijn en maar al te vaak, vooral des winters, dood gaan.
Succulenten of Vetplanten.
(Uitgezonderd de Cactussen.)
De Vetplanten, zoowel de inheemsche als de tropische, behooren tot de hardste en daardoor tot de meest geschikte planten voor kamercultuur. De bladeren van de meeste tot deze groep behoorende planten hebben een dikken cylindervorm, en slechts weinige uitwasemingsorganen; zij zijn vaak bedekt met een wasachtige afscheiding, en krijgen daardoor dikwijls in plaats van een groene een blauwachtige, grijze of witte kleur. De geheele bouw van deze dikbladige planten is er op ingericht, dat zij het hoofd kunnen bieden aan een langdurige droogte, terwijl zij door overvloedig vocht zeer gemakkelijk ten gronde gaan. Deze bouw is geheel in overeenstemming met de dorre, meestal zandige streken, waar zij gevonden worden.
In de cultuur komen de uitheemsche Succulenten tamelijk wel met de Cactussen overeen; over het algemeen zijn de eersten zelfs nog harder en hebben zij nog minder behoefte aan warmte. Wil men Succulenten met succes kweeken, dan heeft men een op het zuiden gelegen luchtige kamer noodig, daar deze planten des zomers de volle zon en des winters een zeer lichte standplaats verlangen; hebben zij zulk een standplaats niet, dan worden zij gemakkelijk door rotziekte aangetast, waardoor zij zeer licht verloren gaan. Gedurende den zomer moet men den Succulenten een plaats geven in het bloemrekje voor het venster, op een zonnig balkon of in den tuin, waar zij voor de beplanting van rotspartijen en ook voor mozaïekvakken uitstekend gebruikt kunnen worden.
Gedurende den rusttijd, in den herfst en den winter, is het noodzakelijk, dat de aarde zoo droog mogelijk gehouden wordt, mits men er slechts voor zorgt, dat zij niet verdrogen en als gevolg daarvan ineenschrompelen. In haar groeitijd echter moeten zij geregeld begoten worden; men zorgt er dan voor, dat de aarde niet te droog wordt en op bijzonder warme dagen is een besproeiing der bladeren des avonds zeer bevorderlijk voor den groei.
Alle Succulenten moeten in een niet te vetten, kleiachtigen grond geplant worden; deze grond moet geheel vrij zijn van rottende bestanddeelen; het best groeien zij in een mengsel van gelijke deelen oude heide- en broeiaarde, kleiaarde en scherp zand; beter is nog de kleiachtige grond, die ontstaat bij het afbreken van oude huizen, door het uit elkander vallen der verweerde steenen. Heeft men jonge planten, dan moeten zij elk voorjaar verpot worden; oudere exemplaren daarentegen kan men gerust twee of drie jaar in denzelfden pot laten staan. De potten, die men gebruikt, moeten in verhouding tot de plant tamelijk klein zijn, daar de Vetplanten slechts zeer zelden veel wortels maken en bijna altijd langzaam groeien. Dit is ook de reden, waarom men de potten van een zeer goede drainage moet voorzien, opdat het overvloedige water gemakkelijk kan wegloopen, daar anders de aarde zeer licht zou verzuren en de wortels daardoor zouden afsterven.