Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer

Chapter 24

Chapter 243,742 wordsPublic domain

Een zeer schoone hangplant, is de Asparagus Sprengeri. De gravure (Fig. 175) toont duidelijk aan welk een fraaie plant zij vormt. Deze Asparagus moet men koud overwinteren, zij wil des zomers buiten gekweekt worden; ook houdt zij er van, in groote potten met zeer voedzamen grond te staan, en verlangt des zomers veel water. De voortkweeking geschiedt door zaden.

Een zeer lief hangplantje is de Fuchsia procumbens, die in het najaar haar bladeren laat vallen en die men in een vorstvrijen kelder kan laten overwinteren. Zij heeft kleine blaadjes en zeer kleine, aardig gekleurde bloempjes, waarop vrij groote, gedeeltelijk door de bladeren bedekte roode bessen volgen. Deze plant laat zich uit zaden voortkweeken.

Een zeer sierlijke hangplant vinden wij onder de Selaginella's en wel: de Selaginella cæsia. Deze heeft zeer dunne stengels, die overal luchtwortels maken, en door kleine, staalblauwe, glanzende blaadjes als met schubben bedekt zijn. Zij wil in de schaduw en zeer vochtig staan. Men moet haar planten in groven heidegrond, en een plaats geven in het kamerkasje. De voortkweeking geschiedt zeer gemakkelijk door stekken.

Twee vrij algemeen voorkomende planten, die ook wel in het wild worden aangetroffen, zijn zeer geschikte ampelplanten; namelijk: de Lysimachia nummularia (Penningkruid), waarvan vooral de geelbladige variëteit zeer in trek is, en de Galeobdolon luteum, waarvan een bontbladige variëteit in sommige streken veel als ampelplant wordt aangetroffen. Beide planten groeien ook goed in de kamer; zij stellen bijna geen eischen en laten zich gemakkelijk door stekken voortkweeken. Eerstgenoemde plant kan men ook door deeling van den wortelstok vermenigvuldigen.

Twee andere, veel verspreide ampelplanten zijn de Vinca minor en de Vinca major (Maagdepalm), waarvan ook bonte variëteiten bestaan. Hoewel deze planten veel in potten gekweekt voorkomen, hebben zij toch grooter waarde ter versiering van den tuin.

Onder de verschillende Succulenten (Vetplanten) worden ook eenige zeer lieve ampelplanten aangetroffen o.a. de Othonna crassifolia, die zich door dunne, neerhangende stengeltjes, die dicht met kleine cylindervormige bladeren bedekt zijn, kenmerkt; ook de buiten overblijvende Sedum Sieboldii en haar bonte variëteit zijn als hangplanten zeer in trek. Deze laatsten sterven in het najaar tot aan den grond af, en kunnen dan in den kelder overwinteren.

Beide soorten staan gaarne in de zon; zij groeien zelfs in mageren grond en moeten des winters, evenals alle andere Vetplanten, droog gehouden worden. Men kan beide soorten zeer gemakkelijk door stekken voortkweeken.

Onder de hangplanten, die tot de derde groep behooren, en die, evenals de aardbeien ranken maken, is wel het meest bekend de Fragaria indica. Deze plant houdt het bij ons des winters buiten uit; zij vormt lange ranken, die met jonge plantjes bezet zijn, en bloeit zeer rijk met kleine, gele bloempjes. Op de bloemen volgen aardige besjes, die het voorkomen hebben van kleine aardbeien, doch geheel smakeloos zijn.

Een zeer verspreide plant is ook de Saxifraga sarmentosa, afkomstig uit China en Japan. Zij heeft sterk behaarde, sierlijk geaderde bladeren en maakt talrijke, roodachtige ranken. In het voorjaar brengt deze plant groote, rechtop staande bloemtrossen voort, met kleine, witte of rose bloempjes. Een bonte vorm, de Saxifraga sarmentosa var. tricolor heeft zeer fraaie, wit, groen of geelbonte bladeren, doch is zeer zwak en groeit slecht. De Saxifraga groeit in bijna iedere aardsoort en houdt niet van veel warmte. Als derde rankenvormende ampelplant kan aanbevolen worden de Chlorophytum Sternbergianum. Deze plant, die tot de familie der Liliaceeën behoort, groeit in een gesloten kamer zeer goed.

Al de rankenvormende hangplanten laten zich gemakkelijk voortkweeken; men neemt eenvoudig de aan de ranken hangende plantjes, die meestal reeds beworteld zijn, en plant ze afzonderlijk in potjes, waarin zij dadelijk zullen doorgroeien.

Van de klimplanten, die ook als hangplanten gebruikt kunnen worden, kan gerust de Ficus repens worden aanbevolen, waarvan ook een zeer kleinbladige variëteit de Ficus minima bestaat. Beide behooren in Japan thuis; zij groeien zeer gemakkelijk in de kamer, doch laten zich zonder kamerkasje niet licht uit stekken voortkweeken.

Zomerbloemen.

Onder den naam Zomerbloemen verstaan de meeste liefhebbers die planten, welke binnen den tijd van één jaar, eigenlijk tusschen de Lente en den Herfst, haar volkomen ontwikkeling bereiken. In dezen betrekkelijk korten tijd worden zij gezaaid, bloeien zij, geven zij zaad om ten slotte te sterven. Tot de Zomerbloemen worden ook wel eenige tweejarige planten gerekend, die zeer vroeg in het voorjaar gezaaid, in den loop van den zomer nog bloeien en ook wel eenige kruidachtige gewassen, die dan als éénjarig worden behandeld, daar zij de overwintering in de kamer niet loonen.

Bijna al de tot deze categorie behoorende planten zijn voor kamerplanten minder geschikt, daar deze gedeeltelijk lieve, gedeeltelijk prachtige of met kleurrijke bloemen bloeiende planten veel lucht en zon moeten hebben, waardoor zij dus in een gesloten vertrek niet best willen groeien. Het zijn echter bij uitstek geschikte tuinplanten.

Enkele soorten van Zomerbloemen, waarvan prachtige variëteiten gewonnen zijn, die echter niet altijd uit zaad constant blijken, worden in potten gekweekt en buiten in het bloemenrekje voor het venster geplaatst.

Hiertoe behooren o.a. de gevuldbloemige Petunia's en Verbena's, die, wil men ze zuiver houden, door stekken moeten worden voortgekweekt. Deze soorten zijn ook zeer goed om er de bakjes mede te beplanten. In deze bakjes kan men de Zomerbloemen alleen gebruiken, of wel te zamen met Pelargoniums, Fuchsia's, Heliotropen, enz.

Enkele Zomerbloemen vormen als zaailingen reeds dadelijk penwortels; deze laten zich zeer slecht verplanten, en moeten dus direct in de bakjes gezaaid worden. Van deze planten is er slechts één met succes voor potten of bakjes te gebruiken, namelijk de Reseda odorata (Reseda), een plant, die meer om den aangenamen geur, dan wel om het fraaie voorkomen der bloemen gekweekt wordt.

Met uitzondering van deze moeten de voor de bakjes bestemde Zomerbloemen vroegtijdig gezaaid worden; de zaailingen worden dan een- of tweemaal gerepikeerd en tegen het einde van Mei in de voor haar bestemde bakjes geplant. Daar men de Zomerbloemen, om ze tijdig in bloei te hebben, zeer vroeg moet uitzaaien, en ze meestal uit warmere landen afkomstig zijn, dus ons voorjaarsklimaat niet kunnen verdragen, moeten zij in een warmen bak uitgezaaid worden.

Het opkweeken van dergelijke jonge planten is eigenlijk meer het werk van den kweeker, die aan al haar eischen kan voldoen en in het voorjaar, tegen billijken prijs, sterke, jonge planten kan leveren. Aangezien echter menig liefhebber er pleizier in heeft, zelf zijn Zomerbloemen te kweeken, willen wij in het kort mededeelen, hoe dit moet geschieden.

In Januari of Februari, wanneer de groote zaadhandelaars hun catalogi hebben uitgegeven, moet de liefhebber zijn benoodigde zaden bestellen. Met het zaaien begint men in Maart. Dit zaaien doet men op de wijze, zooals in het daarover handelende hoofdstuk is aangegeven.

Gewoonlijk zaait men op gezeefde, zandige broeiaarde, in vlakke schalen of houten kistjes. Men moet er voor zorgen, dat iedere soort afzonderlijk blijft. Dit gaat gemakkelijk, door grootere kistjes met stokjes in vakken te verdeelen. De stokjes worden daartoe eenvoudig op de van te voren vlak gemaakte en matig aangedrukte aarde gelegd. Zeer fijne zaden, zooals bijv. Lobelia, die in het geheel niet gedekt worden, zaait men het best in afzonderlijke potten. De zaadpannen worden, nadat men gezaaid heeft, voor een venster van een niet te warm vertrek gezet. De aarde wordt met den rafraîchisseur of een fijnen broesgieter zóó aangegoten, dat zij matig vochtig blijft en men bedekt ze, zoolang de zaden niet opgekomen zijn, wanneer de zon schijnt, met een vel papier. Heeft men te dicht gezaaid, zoodat de opkomende kiemplantjes elkander dadelijk raken, dan moet men ze onverwijld uitdunnen, door de zwakste plant voorzichtig uit te trekken. Lang kan men de opkomende zaailingen niet laten staan; zij moeten spoedig in andere potten of bakjes gerepikeerd worden, wat ook tot de vorming van haarworteltjes bijdraagt. Dit repikeeren is bij zeer kleine kiemplantjes tamelijk moeilijk; bij grootere echter gemakkelijk. Langzamerhand moeten de zaailingen aan de lucht en zon gewend worden, om te voorkomen, dat zij uit haar kracht, doch stevig en gedrongen groeien en tegen Pinksteren kan men ze dan in de voor haar bestemde bakjes uitplanten.

De bakjes, die van een goede drainage moeten voorzien worden, vult men met voedzamen grond, die matig aangedrukt wordt; zij worden zóó hoog gevuld, dat er niet meer dan een gietrand vrij blijft. Het best geschikt is een mengsel van vier deelen broeiaarde met één deel graszodengrond en 1/2 deel zand, waaraan wat duivenmest of hoornspaanders worden toegevoegd. Heeft men de bakjes klaargemaakt, dan worden de zaadplanten voorzichtig uit de schalen genomen, waarbij men er voor zorgt, dat de aarde tusschen de worteltjes blijft zitten, waarna zij in de bakjes worden geplant. Voor ieder plantje maakt men met het repikeerhoutje een gaatje, houdt het daar met de linkerhand zóó diep in, dat het met de onderste bladeren op de aarde komt te rusten, en drukt daarna met de rechterhand de aarde goed om de wortels aan. Op deze wijze plant men den eenen zaailing na den anderen, totdat het bakje gevuld is, waarna de plantjes goed aangegoten worden, waartoe men natuurlijk een fijnen broesgieter moet gebruiken.

Men moet de jonge plantjes vooral niet te dicht planten. Heeft men een bakje van 1 Meter lengte, dan zijn 15 plantjes ruim voldoende om het te vullen. Staan de bakjes vrij, zoodat de planten over de randen heen kunnen hangen, dan kan men iets dichter planten; staan zij echter tegen een hekje of balustrade, dan doet men het best klimplanten te gebruiken en er blijft dan voor de Zomerbloemen geen voldoende ruimte over.

Als zomerbloemen, die uitstekend voor bakjes geschikt zijn, kunnen aanbevolen worden de witte en de blauwe variëteiten van Ageratum; de Callistephus (Aster) chinensis, waarvan talrijke variëteiten met prachtig gevulde bloemen bestaan; ook zijn er in den laatsten tijd schoone enkele vormen van gewonnen. Men moet de Asters niet te vroeg, pas in Mei, zaaien, daar het echte najaarsbloemen zijn. Verder kunnen aanbevolen worden: Lobelia Erinus, lieve gedrongen plantjes, die met witte of blauwe bloempjes als overdekt kunnen zijn; Matthiola annua (Zomerviolieren), waarvan veel schoone, enkele en gevulde variëteiten bestaan; Mimulus hybridus, met geel en bruin gestippelde of gevlekte bloemen; Petunia hybrida, voornamelijk de variëteiten met groote, gevulde en gefranjede bloemen; Phlox Drummondii (Vlambloem), met vurig gekleurde bloemen; Verbena hybrida, zeer rijkbloeiende planten, met blauwe, witte en roode bloemschermen; Zinnia hybrida, bij voorkeur de gevuldbloemige variëteiten.

De Zomerbloemen groeien alleen goed op een zonnige, luchtige standplaats. Plant men ze in goede, voedzame aarde, en zorgt men voor een regelmatige begieting, dan zijn het zeer dankbare bloeisters, vooral wanneer men er om denkt ze des zomers ook nu en dan te gieren. Veel zorg vereischen zij dan overigens niet. De bakjes moeten vrij van onkruid gehouden worden; des zomers na een warmen, zonnigen dag, besproeit men ze met een gieter; de hoog opgroeiende bloemstengels moeten aan stokjes gebonden, de slechte bladeren en uitgebloeide bloemen tijdig afgesneden worden. De Zomerbloemen bloeien even dankbaar als de Fuchsia's, Pelargoniums en Begonia's, en eerst een sterke vorst maakt een einde aan haar bloei. Zijn zij eenmaal bevroren, dan maakt men de bakjes leeg, droogt ze en laat ze zoo noodig verven, waarop zij tot de tweede helft van Mei van het volgende jaar worden bewaard, ten einde ze dan weder met jonge plantjes te vullen.

Cacteeën.

Tot de interessantste gewassen van het plantenrijk behooren ongetwijfeld de vertegenwoordigers van de, aan soorten zoo rijke familie der Cacteeën, er zijn dan ook niet weinig liefhebbers, die deze planten met voorliefde kweeken. Tusschen de jaren 1830-1850 namen de Cactussen een voorname plaats onder de kamerplanten in.

In de Botanische Tuinen en de plantencollecties van voorname liefhebbers vond men toen ter tijde zeer uitgebreide verzamelingen dier planten.

Op dezen bloeitijd volgde een tijd, waarin zij geheel veronachtzaamd werden; de slechts om haar interessant voorkomen belangwekkende soorten verdwenen geheel, en slechts eenige fraai bloeiende konden zich eenigszins handhaven. In de laatste jaren begint echter de liefhebberij voor deze planten weder aanmerkelijk te herleven.

De Cactussen behooren tot die planten, welke er zich uitstekend toe leenen om in de kamer voor het venster gekweekt te worden, en, groeien zij ook langzaam, de liefhebber kan er verscheidene tientallen van jaren genoegen van hebben, daar zij, bij een eenigszins juiste behandeling, een zeer langen levensduur hebben. Het is bekend, dat de Cacteeën, die in haar vaderland op een zeer onvruchtbaren, zandigen bodem groeien, slechts zeer weinig eischen stellen. Bij het verplanten en bij de geheele behandeling dier planten moet men zeer voorzichtig zijn, daar veel soorten scherpe dorens bezitten, waaraan men zich licht kan verwonden; vooral moet men voorzichtig zijn, dat er geen dorens onder de nagels of in een der handgewrichten komen, daar ze dan pijnlijke verzweringen kunnen veroorzaken. Behandelt men Cactussen, dan is het voorzichtig steeds een pincet bij de hand te hebben, ten einde de in de huid geraakte dorens dadelijk te kunnen verwijderen. Er zijn echter ook veel soorten, die geheel zonder of met zeer onschuldige dorens gewapend zijn, en die men dus zonder gevaar met de bloote hand kan aanraken. Moet men sterk gedoornde soorten behandelen, dan doet men het wijst òf een goeden leeren handschoen aan te trekken òf zich van een stuk leer te bedienen, waarmede men de plant vasthoudt (Fig. 184).

In het begin van Mei, wanneer de groeiperiode der Cactussen begint, is het de beste tijd om ze te verplanten; met die soorten echter, welke dan juist knoppen of bloemen hebben, moet men wachten, tot zij uitgebloeid zijn. Het is nòch noodig, nòch geraden de Cactussen jaarlijks te verpotten; slechts voor jonge planten van snel groeiende soorten kan dit wenschelijk zijn. Gewoonlijk is het voldoende jonge planten om de twee en oudere om de drie of vier jaar te verplanten. Beginnen zij er echter slecht uit te zien en heeft men reden om dit aan de aarde toe te schrijven, dan mag met het verplanten niet gedraald worden. De meest geschikte aarde bestaat uit 3 deelen ouden heidegrond, 2 deelen goed verteerden graszodengrond en 1 deel scherp zand. Natuurlijk zijn er kweekers, die met een ander grondmengsel ook zeer goede resultaten verkrijgen, wat niet te verwonderen is, daar Cactussen in dit opzicht zeer gemakkelijk zijn, en ieder, mits niet te licht, grondmengsel haar past. Vóór dat men ze verplant, laat men de Cactussen goed opdrogen, opdat de oude aarde gemakkelijk tusschen de wortels te verwijderen zij. De Cactussen behooren tot die planten, welke niet veel wortels hebben, en dus moeten alle gezonde wortels zooveel mogelijk gespaard worden. Wanneer men de wortels verwondt of er aan snijdt, dan gaan zij licht tot rotting over; derhalve moet het mes alleen gebruikt worden om zieke, verdroogde of beschadigde wortels te verwijderen. Nadat men de oude aarde zooveel mogelijk tusschen de wortels heeft uitgeschud, zoekt men een pot om haar in te planten. Gezond en krachtig groeiende planten kan men potten geven, 3-4 cM. wijder dan die, waarin zij stonden; zwakke en wortelzieke worden echter gezet in hetzij even groote, hetzij kleinere potten. Heeft men Cactussen, die zeer breed worden, dan doet men het best ze in schalen te planten. Door het gebruik van te groote potten heeft reeds menig liefhebber zijn planten ten gronde gericht. Juist voor Cactussen met haar, in vergelijking met andere planten, zwak wortelgestel, zijn te groote potten nadeelig; de wortels kunnen niet in alle richtingen door de aarde heen, die daardoor niet opdroogt, verzuurt en zoodoende ziekte van de plant veroorzaakt. De potten moeten van een goede drainage voorzien worden; hierop legt men wat grof sphagnum en daarop een laagje aarde. De plant wordt nu zóó in den pot gehouden, dat zij een juiste houding heeft, waarop de pot verder met aarde wordt aangevuld, die matig moet worden aangedrukt. Men mag de Cactussen slechts zóó diep planten, dat de wortels juist met aarde bedekt zijn. In tegenstelling met andere planten, mogen de verpotte Cacteeën niet direct worden aangegoten; men laat ze eenige dagen staan, om ze eerst daarna water te geven. Verplante Cactussen moeten toch, voordat zij bewijzen van groei beginnen te geven, uiterst matig begoten worden, dat men bij voorkeur op goed zonnige dagen doet.

De voortkweeking der Cactussen kan langs natuurlijken weg door zaaien en langs kunstmatigen door stekken of veredelen geschieden. Over het veredelen van deze planten is zeer uitvoerig in het hoofdstuk: "De kunstmatige voortkweeking der kamerplanten" gesproken, waarnaar wij meenen dan ook nu te kunnen verwijzen. De beste maand voor het kweeken uit zaad is Maart of April. Men neemt potten van 8-10 cM. wijdte, of, nog beter, kleine vlakke schalen; deze worden tot over de helft met potscherven en stukjes houtskool gevuld. De beste aarde om er de fijne, meestal zwarte zaden in te zaaien, is heideaarde, die vrij is van rottende bestanddeelen, waarbij minstens een vijfde gedeelte fijn, wit zand wordt gevoegd. Men vult den pot zóó ver met dit aardmengsel, dat het 1 cM. beneden den rand blijft. De aarde wordt nu gelijkmatig, doch niet te vast aangedrukt, waarop de zaden niet al te dik worden uitgestrooid. Zeer kleine zaden worden natuurlijk niet, grootere met een dun laagje zeer fijne aarde gedekt, daar de teere zaailingen anders niet door de aardlaag kunnen heendringen en daardoor zouden verstikken. De zaadpotten worden nu met den rafraîchisseur behoorlijk bevochtigd, waarbij men er op moet passen, dat zij niet op hoopjes spoelen, wat zeer gemakkelijk kan gebeuren. De aldus behandelde zaadpotten worden nu met een glasplaat bedekt en voor een zonnig venster gezet, daar de zonnewarmte een goeden invloed op de kieming heeft. Om echter te sterk uitdrogen te voorkomen, legt men, zoolang de zaden nog niet gekiemd zijn, een vel papier over de potten. Evenals bij andere zaadpotten worden ook nu de glasplaten er dagelijks afgenomen om afgedroogd te worden, waarbij men dan zoo noodig de aarde ook een weinig kan bevochtigen. Jonge kiemplantjes vormen eerst twee kiemblaadjes, waartusschen dan het kopje of bij blad-Cactussen het blaadje zich ontwikkelt. Daar er tusschen de plantjes gemakkelijk mos ontstaat, hetwelk het indringen van de lucht in de aarde belet en den groei der zaailingen stuit, is het noodig, deze laatsten zoo spoedig mogelijk te repikeeren. Voor dit repikeeren neemt men potten, die op dezelfde wijze met aarde zijn gevuld als die, welke voor het zaaien werden gebruikt. Daar de jonge kiemplantjes zeer teer en daardoor lastig met de vingers te hanteeren zijn, gebruikt men, om ze uit den pot te lichten, twee dunne, puntige houten stokjes, die men als een schaar aan elkander gebonden heeft. Met een ander stokje wordt een gaatje in de aarde gestoken, waarin het jonge plantje tot aan de kiemblaadjes gelegd wordt. Bij deze bewerking moet men er op letten, dat al de wortels rechtstandig in het gaatje komen. De onderlinge afstand tusschen de gerepikeerde plantjes moet 2-2 1/2 cM. bedragen. De zoo behandelde plantjes kunnen ongeveer 1 1/2 jaar rustig blijven staan, waarna zij ieder afzonderlijk in kleine potjes worden opgepot.

Fig. 185 toont een bakje met gerepikeerde Cactus-zaailingen, die sterk genoeg zijn om afzonderlijk te worden opgepot. Het voortkweeken uit zaden is tamelijk omslachtig en vereischt zeer veel zorg; besteedt men er echter de noodige zorg aan, dan kan men steeds van een gunstig resultaat zeker zijn. De jonge zaailingen worden in de vensterbank verder gekweekt, waar zij in den beginne tegen te felle zon moeten geschermd worden. In den zomer moet men ze rijkelijk begieten en des winters mogen zij niet zoo droog gehouden worden als de oudere planten, daar zij nog zeer teer zijn en gemakkelijk verschrompelen. Om de jonge plantjes en ook zeer zwakke soorten te laten overwinteren, zijn de kamerkasjes voor Cacteeën zeer aan te bevelen. Deze kasjes zijn van losse plankjes voorzien, die men er, met de planten er op, uit kan nemen. Naar onze afbeelding (Fig. 186) is zulk een kasje gemakkelijk te maken, zij worden op een voetstuk voor het venster of, wanneer zij zeer smal zijn, in de vensterbank gezet.

Een aardigheid, die nogal interessant is, is het zaaien van kleine, fijne Cactussen in een medicijn-fleschje. In zulk een fleschje brengt men een weinig aarde, maakt het voldoende vochtig, waarna men er eenige zaadkorrels in werpt. Hierna doet men de kurk op het fleschje, waarna het voor het venster gezet wordt. Daar geen vocht uit het fleschje verdampen kan, kiemen de zaden er gemakkelijk in en groeien zoo lang verder, totdat de aarde, waarin zij staan, volkomen uitgeteerd is. Fig. 187 toont Cactussen, die in zulk een fleschje gekweekt en ruim anderhalf jaar oud zijn.

De voortkweeking door stekken gaat veel gemakkelijker en veel sneller. Het stekken van Cactussen gaat gemakkelijker dan bij andere planten, omdat men zoo min aan de grootte als aan de snede der stekken gebonden is. Heeft men kogelvormige Cactussen, die meestal jonge scheutjes maken, dan worden deze eenvoudig van de oude plant afgebroken. Bij de blad-Cactussen, neemt men enkele samenhangende bladgeledingen. Men kan er echter ook één nemen en zelfs een stuk van zulk een geleding zal nog goed groeien. Zuil-cactussen worden eenvoudig in zooveel stukjes gesneden als men planten verlangt te verkrijgen. De pas gesneden stekken mogen in geen geval direct in den grond gezet worden, daar zij dan zeker gaan rotten; men moet er dus voor zorgen, dit niet te doen, voordat de wond goed opgedroogd is. Hiertoe legt men de stekken eenige dagen in de vensterbank, zoodat de zon er op schijnen kan, en al liggen zij een paar dagen langer, dan zal dit haar geen kwaad doen; ja, men kan zelfs Cactus-stekken, die maanden droog gelegen hebben, nog met een vrij zeker resultaat opplanten. Het best wortelen de stekken in goed uitgewasschen scherp zand. Een schaal of plat kistje wordt, na van behoorlijke drainage voorzien te zijn, met dit zand, wat niet te vochtig mag wezen, gevuld, waarop men de stekken er in steekt. Men zorgt er voor, dat zij niet te diep en ongeveer een vinger breedte van elkander verwijderd komen te staan. Evenals bij de zaadpotten, is het voorzichtig, ook de stekpotten met een stolp te bedekken, doch men behoeft ze niet voor de zon te schermen; die mag er gerust op schijnen. Het zand in de stekpotten moet tamelijk droog gehouden worden; geheel opdrogen mag het echter niet. De stekken moeten niet te dikwijls bespoten worden en dan slechts uitsluitend bij helder weer. Al naar het jaargetijde en de soorten, gaat de beworteling sneller of langzamer; gewoonlijk duurt deze van 14 dagen tot 6 weken. De goed bewortelde stekken worden voorzichtig uit de stekpotten genomen en in evenredig groote potten geplant, waarop zij, nadat zij vast zijn gaan staan, als de andere Cacteeën behandeld kunnen worden.