Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer
Chapter 23
Een derde aanbevelenswaardig geslacht is de Oncidium, dat uit ruim 300 soorten bestaat, welke bijna alle epiphytisch leven. Dit geslacht behoort te huis in de bergstreken van Zuid- en Midden-Amerika, West-Indië en Mexico, waar het tot op een hoogte van 4000 Meter wordt gevonden. De verschillende soorten vertoonen onderling een verschil, zooals slechts bij weinig geslachten wordt aangetroffen. De sierlijke, bontgekleurde, somtijds welriekende en vaak op insecten gelijkende bloemen verschijnen aan lange bloemtrossen, en trekken door haar liefelijk voorkomen de algemeene aandacht. Een der beste soorten is zeker wel de Oncidium incurvum, ook wel bekend als O. albo-violaceum; zij draagt talrijke, wit met lichtpaarse bloemen, die zeer welriekend zijn en somtijds aan een Meter langen bloemsteel verschijnen.
De Odontoglossums en Oncidiums verlangen dezelfde behandeling; zij hebben geen van beiden behoefte aan veel warmte, doch verlangen een vochtige en zeer frissche lucht. De kleinere soorten kweekt men het best tegen stukjes hout of kurkschors, en anderen in uit houten stokjes vervaardigde mandjes; ook kan men ze in potten kweeken, mits deze goed van drainage voorzien worden en de planten hoog boven de potten uit worden geplant. Deze geslachten willen tamelijk veel bespoten worden.
Prachtige bloeisters, met groote, meest fraai paarse bloemen, zijn de Cattleya's; zij hebben groote schijnknollen en dikke, stijve bladeren, waartusschen de veel op bladeren gelijkende bloemscheeden verschijnen, waaruit later de bloemen zich ontwikkelen. De afbeelding (zie Fig. 160) vertegenwoordigt Cattleya Harryana, waarschijnlijk een natuurlijke hybride uit Nieuw-Granada. Het geslacht Lælia sluit zich bij het voorgaande aan. Beide geslachten behooren zeker wel onder de schoonsten van de familie der Orchideeën; beiden verlangen echter nogal warmte en kunnen niet gekweekt worden in een lagere temperatuur dan 60° Fahr. Zij zijn overigens niet zeer lastig en groeien uitnemend op stukken schors, of in mandjes. Een ander geslacht, dat in dezelfde temperatuur moet gekweekt worden, is Vanda. Dit geslacht bestaat uit niet veel soorten, die met uitzondering van een Australische, allen in den Maleischen Archipel te huis behooren. Zij vormen vaak tamelijk hooge stammen, die rijkelijk luchtwortels maken. Zij worden gekweekt in mandjes of potten met gaten en moeten uitsluitend in sphagnum geplant worden. Een der sierlijkste soorten is Vanda coerulea, met schoone hemelsblauwe bloemen.
Een eenigszins gematigde temperatuur verlangt de op boomen groeiende Anguloa Clowesii, met welriekende, tulpvormige, citroengele bloemen, die in het voorjaar verschijnen. Een uitstekende winterbloeister is de Lycaste Skinneri, uit Guatemala. Deze soort is zeer gemakkelijk in de cultuur en bloeit uiterst dankbaar. Zij heeft groote bloemen, die, al naar de variëteit, lichter of donkerder rood zijn. Nog vindt men goede kamerplanten onder de geslachten Coelogyne, Cymbidium, Dendrobium, Epidendrum, Miltonia, Rodriguezia, Stanhopea en Zygopetalum.
Klimplanten.
De klimplanten, waarvan prachtige soorten in de tropen voorkomen, mogen ook in de kamer niet ontbreken. In haar vaderland klimmen haar dunne, slanke stengels met de meest verschillende organen tegen de boomen op; zij slingeren zich van stam tot stam tot zelfs boven in de kronen der hoogste boomen. Jammer is het, dat een liefhebber de fraaist groeiende soorten niet kan kweeken. Hij moet toch rekening houden met de ruimte en vooral met de hoogte der vertrekken, en het gedempte licht in de kamers is voor deze planten zeer noodlottig. Hij moet zijn wenschen beperken tot enkele minder welig groeiende soorten. Zeer goed laten zich klimplanten gebruiken om de gevels der huizen te versieren; neemt men daartoe snel groeiende soorten, dan zijn die weldra met het weligste groen bedekt. Vooral voor landhuizen is dit zeer aan te bevelen. In de kamer echter mag een liefhebber niet te veel van de klimplanten vergen; zij vervullen hier een tamelijk bescheiden rol en mislukken dan ook nog wel eens; reden waarom men er voor moet zorgen, dat zij desnoods gemist kunnen worden, zonder daardoor een stoornis in het arrangement te veroorzaken. Gewoonlijk worden de klimplanten, die men in een kamer kweekt, tegen hout of draadfiguren geleid. Hoe samengestelder de daarvoor gebruikte voorwerpen, des te meer moet men de slanke stengels heen en weer buigen, des te slechter groeit de plant en des te minder fraai is haar voorkomen. De beste plaats voor klimplanten is de vensterbank en plaatst men ze daar, dan behoeft men langs het venster slechts draden te spannen, waartegen de stengels dan in de meeste gevallen vanzelf opklimmen. Heeft men diepe vensterbanken, dan kan men het geheele vensterkozijn met een hekwerk van draad of bamboe doen bekleeden en de klimplanten zullen daar dan zeer welig tegen op groeien. Onze gravure (Fig. 161) toont een venster waartegen op deze wijze een der meest geliefde klimplanten, de Passiebloem, is opgeleid en deze levert een inderdaad prachtig gezicht op. Wanneer de klimplanten niet ter versiering van het venster gebruikt worden, leidt men ze meestal tegen rekjes op, die aan haakjes bevestigd worden; deze rekjes kunnen uit ijzeren staafjes of uit gekruist ijzerdraad bestaan (Fig. 162-163), of ook wel uit plantenstokjes, die men, zooals Fig. 164 aangeeft, waaiervormig aan elkander bevestigt. De verschillend gevormde rekjes, die wel in den handel verkrijgbaar zijn, zijn om de reeds genoemde redenen niet genoeg af te keuren.
Onder de klimplanten voor de warme kamer komt het allereerst in aanmerking de Clerodendron Balfourii (Thomsonii). Deze fraaie plant draagt frisch groene bladeren en trossen bloedroode bloemen, die omgeven zijn door groote, eenigszins opgeblazen, zuiver witte kelken. De kelken blijven nog aan de plant hangen, wanneer de bloem reeds lang uitgebloeid en afgevallen is. Deze Clerodendron is een zeer dankbare bloeister. In den herfst laat zij haar bladeren vallen, en men moet haar dan, in een slechts matig warm vertrek, vrij droog laten overwinteren. Reeds vroeg in het voorjaar kan men haar insnijden en verplanten, waarop zij weder op een zoo licht mogelijke plaats wordt gebracht. Spoedig begint zij nu uit te groeien en weldra verschijnen, na de eerste bladeren, ook de bloemen.
Een van de meest in trek zijnde klimplanten is zeker wel de Hoya carnosa (Wasbloem). Deze plant is afkomstig uit Indië; zij heeft een vleezigen en sappigen stengel, eivormige, dikke, glanzend-groene bladeren en zeer licht rose, welriekende bloemen, die het voorkomen hebben, alsof zij uit was geboetseerd zijn. Vandaar ook haar naam.
De bloemen vormen schermen en scheiden rijkelijk honig af, die dan als druppels aan de bloemen hangt. Na den bloei moet men de steeltjes, waaraan de bloemschermpjes zaten, niet afsnijden, daar deze de eigenschap bezitten, ieder jaar nieuwe schermen voort te brengen.
De Wasbloem wordt zeer veel, vooral op het platteland, aangetroffen, en, hoewel haar scheuten tot 6 Meter lang kunnen worden, kweekt men ze toch meestal tegen waaiervormige houten rekjes. Deze moeten echter voldoende sterk gemaakt worden, daar een groote plant met haar dikke bladeren en stengels tamelijk zwaar is. Hoewel de Hoya pas als oudere plant bloeit, is zij toch ook jong een aanbevelenswaardige kamerplant; immers zij heeft een zeer eigenaardig voorkomen, en is in alle opzichten bestand tegen droge lucht, stof en andere ongunstige invloeden, waarvan de meeste kamerplanten zoozeer te lijden hebben.
De fraaiste bloeisters onder de klimplanten zijn zeker wel de Passiflora's (Passiebloemen). Zij behooren te huis in de tropen en haar bladeren hebben eenige overeenkomst met die van de klimop. Door de schoone kleurschakeeringen harer bloemen, die wel is waar snel uitbloeien, door de elegante bladeren en door het geheele voorkomen der plant, zijn zij een zeer fraai sieraad voor de kamer. De naam Passiflora wordt afgeleid van de woorden passio, het lijden, en flos, de bloem. De in het jaar 1654 te Sienna overleden pater J.B. Ferari, vergeleek toch de verschillende bloemdeelen der gewone blauwe Passiebloem (Passiflora coerulea) met de werktuigen, waarmede Christus gemarteld werd.
De Passiebloem moet gekweekt worden in een krachtigen, voedzamen grond. Eenige soorten, zooals de Passiflora coerulea en de Passiflora hybr. Constance Elliot, zijn zeer hard en kunnen des zomers zelfs ter versiering van de veranda of het balkon gebruikt worden. Staan zij op een zeer beschutte plek en worden zij goed gedekt, dan kan men ze zelfs buiten laten overwinteren. Een der schoonste soorten, die het gansche jaar in de kamer goed groeit, is de Passiflora hybr. Impératrice Eugénie, die groote, lichtblauwe bloemen heeft.
Onder de klimplanten voor de warme kamer zijn er ook enkele, die uitsluitend ter wille van haar bladeren gekweekt worden, en hieronder behooren de tegenwoordig zeer gezochte Asparagus-soorten. Deze kan men zeker wel tot de sierlijkste planten rekenen. Zij hebben fijn loof, dat uit zeer kleine naaldjes bestaat, die een frisch groene kleur hebben, terwijl zij zich nu en dan met kleine, zwak welriekende bloempjes tooien. Hoewel de Asparagus het best groeit, wanneer zij in een kas wordt uitgeplant, houdt zij zich toch in een kamer met slechts lage winter-temperatuur zeer goed, en zijn er onder de klimplanten maar weinigen, die, in een pot voor het venster geplaatst, een fraaier effect maken. De meest aanbevelenswaardige soorten zijn de Asparagus plumosus en Asparagus plumosus nanus. De laatste groeit als jonge plant zeer gedrongen, doch vormt ouder geworden flinke lange ranken. Zeer goed groeit ook in een vertrek de Asparagus Sprengeri.
Een met de Asparagus zeer na verwante klimplant, die echter veel grootere bladeren, doch even dunne twijgjes heeft, is de Medeola (Myrsiphyllum) asparagoïdes. Sinds eenige jaren is deze plant zeer verspreid geraakt, en haar stengels worden vooral veel gebruikt voor tafelversiering. In een gesloten vertrek groeit de Medeola vooral des zomers niet best. Voor het venster van een kamer, dat veel gelucht wordt, groeit ze echter uitstekend; vooral, wanneer men loodrechte draden van uit den pot spant; waar zij dan snel tegen op zal klimmen. De Medeola heeft een knolvormigen wortelstok en is dus een overblijvende plant; toch doet men beter ieder jaar jonge planten uit zaad te kweeken. De harde zaden worden in Februari gezaaid. In een warme kamer geplaatst, zullen ze in een paar weken kiemen.
Zoodra zij groot genoeg zijn, worden de jonge plantjes in kleine potjes gezet en in den loop van het voorjaar verplant in potjes, die een wijdte hebben van 10-12 cM. De beste grondsoort is een mengsel van gelijke deelen blad- en heidegrond, waarbij een weinig scherpzand wordt gevoegd.
Veel klimplanten voor de koelere kamers, die des zomers veel gelucht worden, kunnen ook voor de bekleeding van veranda's en balkons gebruikt worden.
Bijzondere aanbeveling verdient de Cobæa scandens. Deze plant is afkomstig uit Mexico; zij heeft gevinde, in een rank eindigende bladeren en groote, klokvormige bloemen, die, wanneer zij ontluiken, lichtgroen, later echter fraai donkerpaars zijn. De afbeelding (Fig. 170) toont een jonge plant, die nog geen bloemen draagt en die in horizontale richting is geleid. Deze wijze van leiden is beter dan verticaal, de groei is dan niet zoo welig, doch de bloei veel rijker. Zeer sierlijke bloeisters met kleine pijpvormige bloemen zijn de Maurandia's, die ook in Mexico te huis behooren. Verder zijn als klimplanten zeer aan te bevelen de Lophospermum scandens, met mooie bladeren en zeer fraairoode, pijpvormige bloemen; de Thunbergia alata, met gele of witte bloemen, die een zwart hartje hebben; verder verschillende soorten van Ipomæa (Winde) met groote, verschillend gekleurde bloemen en de Phaseolus multiflorus (Pronkboonen), met trosjes donkervermiljoenroode bloemen. Tot de éénjarige klimplanten behoort ook nog de Lathyrus odoratus, waarvan vooral de zoogenaamde Eckfordsche variëteiten met groote witte, gele, roode en blauwe bloemen, die zeer welriekend zijn, aanbeveling verdienen. Deze Lathyrus wordt niet zeer hoog, hoogstens 1 1/2 Meter, en zij is dus zeer geschikt om hekjes en balustraden te bekleeden. De harde, erwtvormige zaden worden in April direct in de bakjes gezaaid. Voor het bekleeden van vensters is zeer aan te bevelen de Tropæolum (Oost-Indische kers), die met zeer groote, donkerroode bloemen bloeit. Een zeer aanbevelenswaardige soort is vooral de Tropæolum Lobbianum, daar dit ook een uitnemende winterbloeister is. Deze soort laat zich uitsluitend door stekken voortkweeken. Een zeer schoone, houtachtige klimplant, voor koude, doch zeer zonnig gelegen vertrekken, is de Solanum jasminiflorum, waarvan de in trossen verschijnende witte, inwendig gele bloemen zeer veel overeenkomst hebben met die van den Aardappel. Deze plant verlangt voedzame aarde en in haar groeiperiode rijkelijk water, terwijl zij in den zomer ook nu en dan gegierd kan worden.
Onder de, slechts om haar bladeren gekweekt wordende klimplanten mag zeker de Hedera (Klimop) niet vergeten worden. De verschillende Klimopsoorten zijn uitstekende kamerplanten en vooral de groenbladige komt daarvoor in aanmerking. In Duitschland vindt men op het platteland dikwijls Klimop in de kamers gekweekt, waarvan de takken niet alleen de vensters omlijsten, maar zelfs den geheelen zolder met een groen kleed bedekken. Hieruit kan men wel opmaken, dat deze plant, die ook vaak in de bosschen voorkomt, geen groote behoefte heeft aan licht. Hoewel de Klimop een plant is, die onze winters uitstekend verdraagt, en dan ook veel voor het bekleeden van buitenmuren wordt gebruikt, gewent zij zich toch zeer goed aan de kamer; alleen moet zij des winters niet staan in een vertrek, dat gesloten gehouden en verwarmd wordt.
Zeer fraai zijn de kleinbladige en bontbladige Klimopsoorten, waarvan sommigen zeer veel wit en geel in de bladeren hebben. Een dergelijke soort, wellicht de schoonste van alle bontbladige Klimopsoorten, is de Hedera maderensis fol. var. Wil men met het kweeken van Klimop succes hebben, dan moeten de planten zeer zuiver gehouden worden; door onophoudelijk afwasschen moet men stof en ongedierte geregeld verwijderen.
Naast de Klimop is de Ampelopsis quinquefolia (Wilde Wingerd) de meest gebruikte plant, om in de steden de veranda's en balkons te bekleeden. Wil men Klimop of Wilde Wingerd voor dit doel gebruiken, dan worden zij in bakjes geplant, waarin zij verscheidene jaren kunnen blijven staan. De Ampelopsis moet ieder voorjaar flink ingesneden worden. Gedurende den winter bedekt men de bakjes met een oud kleed of met droog blad, of wel, men zet ze tot het voorjaar in een luchtigen kelder.
Een, om haar bladeren, zeer lieve klimplant is de Pilogyne suavis, een plant, die tot de familie der Pompoenen behoort. Zij is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop, heeft fraaie bladeren en onbeteekenende, witachtige bloempjes, die zeer aangenaam rieken. Deze plant, die zich gemakkelijk door stekken laat voortkweeken, verlangt een voedzame aarde. Zij groeit voor het zonnige venster van een gesloten kamer evengoed als buiten, en zij is een van de weinige klimplanten, die ook des winters doorgroeien.
Zeer veel gelijkenis met de Pilogyne, die zich slechts door stekken laat voortkweeken, wijl zij geen zaden geeft, heeft de Melothria abyssinica, die zeer gemakkelijk uit zaad kweekt. Dit is een betrekkelijk nieuwe klimplant, die ter wille van haar schoone bladeren gekweekt wordt. Zij bloeit zeer rijk met kleine, stervormige bloempjes, die later door oranje vruchtjes worden gevolgd.
Een, om haar bladeren, zeer fraaie klimplant is ook de Mikania scandens; zij heeft Klimopvormige bladeren en laat zich zeer gemakkelijk uit stek voortkweeken. Er bestaat een variëteit van met wit- en roodbonte bladeren; deze is zeer fraai, maar zeer zwak en gevoelig. Voor het bekleeden van veranda's en balkons kunnen wij ten slotte nog zeer aanbevelen de Humulus japonicus en haar witbonte variëteit. De eerste groeit zeer snel en is veel sterker dan de tweede, die echter met haar bonte bladeren een zeer fraai effect maakt. Beiden, de Humulus japonicus en haar variëteit, laten zich zeer gemakkelijk uit zaden voortkweeken, die in de tweede helft van Maart bij voorkeur warm moeten gezaaid worden.
De overblijvende, houtachtige klimplanten worden, evenals de kruidachtige, door stekken voortgekweekt; de éénjarige of als zoodanig behandelden daarentegen, zooals de Cobæ, Lophospermum, Maurandia, Melothria, Humulus en Lathyrus, doet men het best ieder jaar uit zaden te kweeken. De zaden worden in Februari of Maart gezaaid en voor het venster gezet; zoodra zij opgekomen zijn, worden zij gerepikeerd, of, zoo de zaailingen sterk genoeg zijn, direct in potjes gezet. Is het noodig, dan worden zij nog eens verpot, voordat men ze in het begin van Mei buiten zet. Tegen het einde van Mei kunnen de zoo opgekweekte klimplanten in de bakjes worden uitgeplant, waarin zij dan spoedig flink zullen doorgroeien. Heeft men gemakkelijk groeiende klimplanten zooals Ipomæa, Phaseolus of Tropæolum, dan kunnen de zaden tegen half April, direct in de bakjes worden gezaaid.
Hang- of Ampelplanten.
Tusschen de, in het vorige hoofdstuk besproken klimplanten en die, welke wij hang- of ampelplanten noemen, bestaat een werkelijk verschil. Zeer veel liefhebbers kennen het verschil niet tusschen klim- en hangplanten; zij meenen, dat de klimplanten ook als hangplanten kunnen dienst doen, dat men ze niet alleen voor het bekleeden van een veranda of balkon, maar ook voor het beplanten van een ampel kan gebruiken. Deze opvatting is echter geheel verkeerd. Een klimplant toont altijd de neiging ergens tegen op te willen klimmen en hoe steiler dit voorwerp is, des te sterker is haar groei. Worden toch de scheuten van een klimplant in horizontale richting geleid, dan wordt de groei veel minder en laat men ze hangen, dan groeien zij bijna in het geheel niet meer. Enkele klimplanten kunnen echter wel als hangplanten gebruikt worden, zooals enkele Vitis-soorten en de Ficus repens, welke laatste slechts in warme kassen tegen vochtige stammen of muren opklimt, in een pot gekweekt, echter geheel het voorkomen van een hangplant aanneemt. Het is echter niet te weerleggen, dat een als hangplant gekweekte klimplant tegen haar natuur in wordt behandeld en dat zij nooit een volmaakte ontwikkeling zal bereiken.
De eigenlijke hangplanten toonen nooit neiging om te klimmen; het zijn meestal kruidachtige planten, die naar haar voorkomen in drie groepen kunnen ingedeeld worden. De eerste groep bezit grasachtige, direct uit den wortelstok spruitende halmen, die niet sterk genoeg zijn, om zichzelf rechtop te houden en dus naar beneden hangen. Bij de tweede groep kruipen de stengels in haar natuurstaat over den grond en de derde groep vormt, evenals de aardbeien, ranken, waaraan op bepaalde afstanden jonge planten ontstaan.
Al deze drie soorten van hangplanten kunnen in een kamer op dezelfde wijze gebruikt worden. In een voor het venster hangenden ampel maken alle hangplanten een schoon effect; maar men kan ze ook gebruiken langs de kanten van bloemtafels, bloemrekjes en bakjes, die door haar een schilderachtig voorkomen verkrijgen.
De eerste der bovengenoemde groep van hangplanten wordt in de kamer vertegenwoordigd door het geslacht Isolepis. Er zijn twee soorten, de Isolepis pygmæa en de Isolepis gracilis. Beide soorten, die veel op elkander gelijken, komen zeer veel voor; het zijn, met haar aan het eind van den halm zittende onbeduidende bloempjes, dankbare kamerplanten. Daarbij stellen zij geen zeer hooge eischen; zij verlangen een lichte plaats, in den zomer veel lucht en in den winter slechts matig warmte, en, daar zij tot moerasgewassen behooren, moeten zij in haar groeitijd volop water hebben. Het best doet men deze planten steeds in bakjes met water te zetten. Zeer fraai groeien zij in een zoogenaamd goudvisschenglas. Dergelijke glazen zijn voor de goudvisschen werkelijke martelwerktuigen, en moesten in beschaafde gezinnen niet meer voor het houden van dieren gebruikt worden. Een dergelijk glas vult men met water en zet dan in den nauwen hals een pot met Isolepis, waaruit men den bodem geslagen heeft. De wortels groeien in het glas en de planten zullen vooral dan weelderig groeien, wanneer men om de twee of drie weken een zeer kleine hoeveelheid chemischen kunstmest in het water doet. Iedere pot met Isolepis bevat een zeer groot aantal dicht te zamen groeiende grasplanten, waarvan de middelste geel worden, wanneer men haar niet ieder jaar uit den pot neemt en in vier, vijf of zes stukken verdeelt. Nadat men dan de halmen teruggesneden heeft, wordt ieder deel in een ongeveer 10 cM. wijden pot, in goede, zandige broeiaarde, niet te vast, opgepot. Zeer spoedig zullen de zoo behandelde planten jonge wortels maken en welig doorgroeien.
Van vele der tot de tweede groep behoorende ampelplanten hebben wij reeds vroeger melding gemaakt, zoo o.a. van de Pelargonium peltatum en van twee soorten Campanula's. De meest bekende der hiertoe behoorende ampelplanten zijn de uit Amerika stammende Tradescantia's. Deze zeer bekende hangplanten worden overal gekweekt en zijn in alle kweekerijen te verkrijgen. De bekendste soort is de Tradescantia guianensis, met groene bladeren, waarvan ook variëteiten met geel- en witbonte bladeren bestaan. Zeer aanbevelenswaardig zijn de Tradescantia zebrina en de Tradescantia multicolor, beiden met zeer fraaie bont gestreepte bladeren. De Tradescantia's groeien in de kamer zeer goed, hoewel men ze ook des zomers buiten kan houden. Men plant ze in goede broeiaarde en geeft ze, als moerasplanten, volop water. Hangt men ze in de zon, dan verkrijgen de bladeren een fraaien glans. Het best doet men de Tradescantia's jaarlijks uit stekken te kweeken, waarvan men er verscheidene in een 10 cM. wijden pot kan steken. Zij groeien in ieder jaargetijde zeer gemakkelijk en maken reeds na weinige dagen volop wortels.
Meer warmte dan de Tradescantia verlangt de Oplismenus (Panicum) variegatus met groene, wit gestreepte bladeren. Het best groeit deze plant in het kamerkasje, wanneer men haar jaarlijks uit stekken kweekt, waarvan er meerdere in een 10 cM. wijden pot kunnen gestoken worden. Ook de Oplismenus bemint zeer veel vocht en wil herhaaldelijk bespoten worden. Eene hardere, eveneens bontbladige, grassoort is de Stenotaphrum glabrum. Zij is uit Amerika afkomstig, heeft smalle, wit en groen gestreepte bladeren en groeit in de warme en koude kamer. Zij verdraagt uitstekend de volle zon en laat zich gemakkelijk door stekken voortkweeken.
Een minder bekende, zeer schoon bloeiende ampelplant is de Lotus peliorhynchus, een vlinderbloemige plant, afkomstig van Teneriffe. Zij heeft grijsgroene, somtijds bijna zilverwitte twijgen en zeer dunne blaadjes, die eenigszins op Asperge-blaadjes gelijken. De fijne bladeren, die slechts zeer weinig water uitdampen en de dichte beharing, die den dauw vasthoudt, zijn oorzaak, dat deze plant op bijna naakte rotsen kan leven, in een land, waar somtijds verscheidene maanden achtereen geen regen valt en waar de dauw de eenige verfrissching voor de planten is. De inlanders noemen deze plant Pico de Paloma, d.w.z. Duivensnavel. De onderste einden van de twijgen tooien zich des zomers met scharlakenroode vlinderbloemen, die in dichte bosjes bij elkander staan. Deze schoone ampelplant groeit in bijna iedere aardsoort; zij verlangt 's winters slechts zeer weinig warmte en staat des zomers het liefst buiten in het plantenrekje, mits dit beschaduwd is. De voortkweeking geschiedt door stekken of zaden.