Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer

Chapter 22

Chapter 223,641 wordsPublic domain

De knollen en wortelstokjes, die wel niet alle, doch zeer vele Gesneriaceeën bezitten, moet men in een warm vertrek droog laten overwinteren. De knollen moeten geheel droog bewaard worden, de wortelstokjes daarentegen legt men in potten met zand, dat nu en dan een weinig begoten wordt, om het slap worden te voorkomen. Al naardat men de planten vroeger of later in bloei wil hebben, moeten zij tusschen de maanden Februari en April opgepot worden. In iederen pot, van 8 cM. doorsnede, worden één knol of enkele wortelstokjes geplant. De potten moeten goed gedraineerd en met losse, zandige heiaarde gevuld worden, waar men de knollen voorzichtig indrukt, zoodat zij geheel onder de aarde komen te liggen. Bij het oppotten der rhizomen handelt men op de volgende wijze: De pot wordt niet geheel met aarde gevuld, men legt er de wortelstokjes in, vult hem verder aan en drukt de aarde daarna matig vast. De opgepotte knollen en wortelstokjes worden in den beginne gesloten gehouden en slechts matig begoten; zoodra zij zich beginnen te ontwikkelen, kan men iets meer gieten, en zijn zij eenmaal uitgegroeid, dan is een rijkelijke begieting noodig. Voor een goeden groei is het geraden de planten later nog in potten van 12 cM. wijdte te verplanten. Voor dit verplanten gebruikt men een goeden, voedzamen grond, o.a. 2 deelen hei-, één deel bladaarde en 1/2 deel, bestaande uit broeiaarde, kleigrond en zand. In een kamerkasje, waarin een vochtige lucht is, dat bij warm weer gelucht en bij zonneschijn geschermd wordt, zullen de Gesneriaceeën, wanneer men ze gelijkmatig vochtig houdt, zeer goed groeien. Worden zij direct aan de zon blootgesteld, dan verbranden zij zeer gemakkelijk; staan zij in te droge lucht, dan worden zij door ongedierte aangetast, dat zich van de sterk behaarde bladeren, die ook zeer slecht tabaksrook verdragen, moeilijk laat verwijderen. Beginnen de Gesneriaceeën in het najaar af te sterven, dan gaat men ze langzamerhand minder water geven.

Aan een practischen, ervaren liefhebber kan de cultuur dezer planten zeer aanbevolen worden, en er zijn er dan ook velen, die ze jaarlijks uit zaad opkweeken en zeer goede resultaten verkrijgen.

De bekende en meest verspreide Gesneriaceeën zijn zeker wel de Gloxinia's, ware prachtplanten, die des zomers onder de rijkst bloeiende kamerplanten kunnen gerekend worden. Oorspronkelijk waren het niet zulke schoone planten; de bloemen stonden steil rechtop of hingen naar beneden en waren zeer ongelijk van vorm. Uit deze minder fraaie soorten heeft men de tegenwoordige prachtvariëteiten gewonnen. De, op flinke stelen staande, bloemen treft men aan in alle kleuren tusschen zuiver wit, het vurigste rood of het diepste paars. Men heeft variëteiten met éénkleurige bloemen en ook met bloemen, die gestippeld, gestreept, getijgerd of geaderd zijn. Onder de éénkleurige bloemen zijn de zuiver witte en de vurigst roode verreweg de schoonste.

Naast de Gloxinia's zijn de Tydæa's vrij algemeen verspreid. De knikkende bloemen staan in de bladoksels op dunne bloemsteeltjes. Zij danken haar groote waarde aan de prachtig geteekende, omgeslagen bloemkroon, waarop werkelijk schoone kleuren gevonden worden. Slechts weinig schooner zijn de in de laatste jaren meer en meer verspreid rakende Gesneria's, die nu eens knollen, dan weder wortelstokjes bezitten, zoo mede de Achimenes uit Centraal-Amerika, met opvallend grooten en fraai ontwikkelden bloemzoom en de dichtbehaarde Isoloma hirsuta, waarvan men ook rijk bloeiende hybriden gewonnen heeft. Men kan deze laatste, een zeer harde en niet veel warmte behoevende plant, het geheele jaar door aan den groei houden en zeer gemakkelijk door stekken of verdeeling der wortelstokjes voortkweeken.

Zeer interessante en in de laatste jaren zeer in trek gekomen Gesneriaceeën zijn de Streptocarpussoorten. Eenige dezer bijv. de Streptocarpus Wendlandii, bezitten slechts één enkel blad, dat op een zeer kort vleezig stengeltje staat, over den potrand heen hangt en een lengte van 60 cM. bij een breedte van 40 cM. kan bereiken. Dit aan de bovenzijde matgroen en aan de onderzijde violetpurper gekleurd blad, wordt over zijn volle lengte door de forsch ontwikkelde middennerf doorsneden. Jammer is het, dat de punt van het blad nooit geheel gaaf, doch altijd min of meer afstervende is. Aan den voet van het blad ontspruiten talrijke bloemstelen, die een groot aantal middelmatig groote, lichtblauwe met rose of wit geteekende bloemen dragen. De plant ontleent haar geslachtsnaam aan de vrucht, die lang, dun en spiraalsgewijze gedraaid is.

Een geheel ander voorkomen hebben de veelbladige Streptocarpus, waarvan tegenwoordig zeer schoone hybriden gewonnen zijn en die daardoor zeer gezocht worden. De bloemen zijn 4-5 cM. lang en prijken in alle kleuren, tusschen wit, donkerrood en paars, terwijl zij zeer dikwijls fraai gestreept zijn. De stand der bloemen, die zeer lang duren, is aan ééne plant nu eens horizontaal, dan weder geheel verticaal.

Een zeer interessante invoering van den lateren tijd is de Saintpaulia ionantha: dit is een kruidachtig plantje, doch zonder knol of wortelstok. De bladeren van deze uit Afrika afkomstige plant gelijken op die van de Gloxinia, doch zijn veel kleiner. De bloemen zijn niet, zooals bij de meeste Gesneriaceeën, pijpvormig, doch daarentegen vlak. Bij een oppervlakkige beschouwing gelijken zij sterk op die van het gewone welriekende Viooltje en zij trekken, door haar fraaie blauwe kleur, direct de aandacht. Hoewel eerst sedert betrekkelijk korten tijd bekend, is de Saintpaulia ionantha reeds in alle voorname kweekerijen voorhanden; men ziet haar op bijna alle Tuinbouwtentoonstellingen en overal wordt zij om haar liefelijke verschijning en haar fraaien bloei ten zeerste bewonderd. Een bijzonder groote waarde als kamerplant heeft zij slechts dán, wanneer men haar in een kamerkasje of onder een stolp kan kweeken. Hoewel de Saintpaulia betrekkelijk gemakkelijk in de cultuur is, verdraagt zij toch de droge kamerlucht niet. Behandelt men haar echter op deze wijze, dan zal men er een zeer dankbare plant in vinden, die niet te veel warmte vereischt en winter en zomer steeds doorbloeit. De voortkweeking geschiedt zeer gemakkelijk door bladstekken en ook door zaden. Men moet er om denken, dat de Saintpaulia geen bepaalden rusttijd heeft, en dus niet droog mag gehouden worden.

Als fraaie en dankbare Gesneriaceeën moeten ten laatste de Nægalia's nog aanbevolen worden. De tot dit geslacht behoorende planten hebben schubachtige wortelstokjes. De bloemen zijn eenigszins uitgerekt klokvormig; zij gelijken min of meer op die van een Gesneria, maar staan in rechtopstaande trossen boven de plant uit. In schoonheid kunnen deze bloemen niet met die van de Tydæa's wedijveren, wat niet wegneemt, dat een bloeiende Nægelia een zeer fraaien aanblik oplevert. Niet alleen echter door de bloemen, maar ook door de bladeren munten de Nægelia's uit. Deze zijn hartvormig, dicht behaard, dikwijls zeer fraai rood en met een opvallende nervatuur, waardoor de plant reeds als bladplant waarde heeft. Onder de Nægelia's zijn de Nægelia zebrina en de Nægelia cinnabarina wel de schoonsten. Er zijn in den laatsten tijd ook veel schoone variëteiten van gewonnen. De Nægelia's zijn zeer geschikt voor wintercultuur. Wil men gedurende den winter bloeiende planten er van hebben, dan moeten de wortelstokjes tot Juli droog gehouden en dan eerst opgeplant worden. Wil men de Nægelia's echter des zomers in bloei hebben, dan moeten zij, te gelijk met de andere Gesneriaceeën in de maanden Februari tot April aan den groei gebracht worden.

Orchideeën.

De tropische en subtropische Orchideeën behooren tot die fraaie planten, welke in betrekkelijk korten tijd, om zoo te zeggen, de geheele beschaafde wereld veroverd hebben. Wij behoeven slechts den naam uit te spreken, en de meeste liefhebbers halen zich tooverachtig fraaie planten voor den geest. De familie der Orchideeën is zeer groot, zij omvat meer dan 400 geslachten, waarvan er verscheidenen weder in ondergeslachten verdeeld worden. Tot deze geslachten behooren ongeveer 10.000 soorten, waarvan er 80 procent in de tropen tehuis behooren, terwijl er in Europa slechts een 400-tal wordt gevonden. Op de Alpen groeit de kleine Chamæorchis alpina, en de noordelijkste is de lieve Calypso borealis. Ook in ons land komen enkele fraaie Orchideeën voor, hoewel deze in pracht door de tropische soorten verre overtroffen worden.

De geschiedenis van de tropische Orchideeën, namelijk de wijze, waarop zij zich in alle Europeesche tuinen verspreid hebben, omvat zeker eenige der belangrijkste bladzijden uit het geschiedboek van den Tuinbouw. Er zijn niet veel meer dan honderd jaar verloopen, sedert de eerste tropische Orchidee levend in Europa werd ingevoerd en dat was nog niet eens een schoone soort. Eenige jaren later werden in Engeland nog een paar soorten ingevoerd, maar, aangezien deze planten in den beginne door de kweekers geheel verkeerd behandeld werden, leverde de cultuur niets dan teleurstelling op. Eerst in het vierde tiental jaren van de 19e eeuw werden de Orchideeën langzamerhand meer naar haar eisch behandeld; in 1840 nam het tijdperk een aanvang, waarin onverschrokken verzamelaars de fraai bloeiende soorten begonnen op te zoeken en naar Europa te zenden.

Het is dus pas ongeveer vijftig jaar geleden, dat slechts weinigen dezer planten bekend waren, en thans worden over de 2000 verschillende soorten in de kassen gekweekt.

De Orchideeën behooren tot die planten, welke de kweekers nòch langs natuurlijken, nòch langs kunstmatigen weg in voldoenden getale kunnen voortkweeken. Daar nu de aanvrage van jaar tot jaar grooter werd, en er ook thans een zeer groote vraag naar is, zijn de speciaalkweekers dezer planten genoodzaakt jonge tuinbouwkundigen naar de tropen te zenden, ten einde ze daar te verzamelen. Wanneer men bedenkt, hoeveel kosten daarmede gepaard gaan, en welke groote gevaren aan dit verzamelen verbonden zijn, dan zal men het zeer begrijpelijk vinden, dat zeldzame of moeilijk te verkrijgen soorten dikwijls met zeer groote sommen moeten betaald worden. Niet weinig soorten echter zijn in zulk een aantal ingevoerd, dat zij in haar vaderland zeldzaam beginnen te worden, terwijl zij in Europa algemeen verspreid zijn. Dergelijke soorten zijn niet hoog in prijs; voor een bloeiend exemplaar er van behoeft men vaak slechts eenige guldens te geven. Verscheidene van deze soorten zijn dan ook voor kamercultuur geschikt.

Slechts weinige plantenliefhebbers, die in de gelegenheid geweest zijn schoone Orchideeën in haar bloemenpracht te bewonderen, zullen den wensch hebben kunnen onderdrukken, om ook te beproeven enkele dezer fraaie planten te kweeken. Gaarne getroost zulk een liefhebber zich een niet onbeduidend geldoffer, wanneer hij maar zekerheid heeft, dat dit offer niet tevergeefs gebracht wordt. Wanneer men toch van plantenliefhebberij genoegen wil smaken, dan moet zij ook goede resultaten opleveren. De gekochte plant moet niet slechts eenige dagen of weken gezond blijven, maar zij moet verder groeien en bij herhaling bloeien; zij moet voldoende levenskracht bevatten. Voldoet zij aan deze eischen, dan zal zij de liefhebberij steeds aanwakkeren. De meeste liefhebbers denken van de Orchideeën, dat het zeer slechte kamerplanten zijn en dat zij slechts onder een hooge temperatuur groeien. Deze gedachte nu is, zooals wij hopen te kunnen bewijzen, geheel verkeerd.

De Orchideeën zijn over den geheelen aardbodem verspreid; de fraaiste soorten worden echter aangetroffen in de niet buitengewoon warme streken van Amerika; in streken, waar de temperatuur zelden boven 85° Fahr. stijgt en niet onder 55° Fahr. daalt.

Natuurlijk moeten de prachtige tropische en subtropische Orchideeën onder toestanden gekweekt worden, welke eenigszins overeenkomen met, die, onder welke zij in haar vaderland groeien, en men moet voor kamercultuur dan ook die kiezen, welke een temperatuur kunnen verdragen van 60°-65° Fahr. Toch zullen de meeste Orchideeën zich op de bloemtafel of de vensterbank niet te huis voelen; en dat wel om verschillende redenen. Het verderfelijkst voor deze teere planten is de droge kamerlucht, en dit wordt ons terstond duidelijk, wanneer wij bedenken, dat de meeste soorten voorkomen in de oerwouden, waar zij eensdeels groeien tegen de met mos bedekte stammen der boomen, anderdeels in den humusrijken grond, onder de dichte bladerkronen. Evenals voor droge lucht, zijn de Orchideeën ook zeer gevoelig voor tocht en temperatuurswisselingen. Om al deze redenen doet men het best ze in een kamerkasje te kweeken. (Zie Fig. 152), voorstellende een dergelijk kasje, gevuld met Orchideeën. Welke plantenliefhebber zal geen genoegen hebben in een dergelijk miniatuur-kasje, gevuld met fraaie, zeldzame planten. Zulk een kasje behoeft niet verwarmd te worden, daar men de planten er in zet, om ze een voldoend vochtige atmosfeer te geven, en ze tegen schadelijke invloeden te beschermen en niet om ze een hoogere temperatuur te verschaffen. Het kasje, zooals het is afgebeeld, heeft aan den bezitter uitstekende diensten bewezen. Het is zeer eenvoudig doch netjes, heeft een eenzijdig dak en de voorste ruiten kunnen er uit geschoven worden. De bodem bestaat uit een blikken bak, die gevuld wordt met vochtigen turfmolm of gruis van cokes, waar de potten ingegraven kunnen worden. Aangezien de turfmolm of cokes steeds water uitdampt, is de atmosfeer in het kasje voortdurend voldoende vochtig. Men kan zulk een kasje op de bloemtafel zetten, maar beter is het er een afzonderlijken standaard voor te laten vervaardigen. Behalve Orchideeën kan men in zulk een kasje, aangenomen dat zij behoorlijk verzorgd worden, met het meeste succes fijne bonte bladplanten en sierlijke tropische Varens kweeken. Is het warm en helder weer, dan moeten de bladeren en schijnknollen der Orchideeën dagelijks een paar keeren bevochtigd worden. Hiertoe gebruikt men een handspuitje met fijne broes of een goeden rafraîchisseur. Houdt men op deze wijze de lucht voldoende vochtig, dan zal men ook weinig of geen last hebben van ongedierte. Heeft men bloeiende planten, of zulke, welke jonge scheuten hebben, dan moet men met dit spuiten uiterst voorzichtig zijn. Komt er toch water op de bloemen, dan krijgen deze licht vlekken en worden leelijk en komt er water in de jonge scheuten, dan gaan deze zeer spoedig tot rotting over, waardoor de planten veel lijden. Het spreekt vanzelf, dat men voor het gieten en spuiten slechts water mag gebruiken, dat minstens de temperatuur heeft van het vertrek, waarin de planten staan.

Het gieten, dat reeds bij gewone planten uiterst voorzichtig moet geschieden, vereischt bij de Orchideeën bijzondere zorg. Zijn zij in haar groeitijd, dan moeten zij rijkelijk water hebben; zijn zij daarentegen in haar rustperiode, dan moeten zij zeer matig of in het geheel niet begoten worden. De groeitijd begint met het maken van jonge scheuten, waaruit zich de bladeren en schijnknollen ontwikkelen, of met het vormen van bloemknoppen. Van een voldoenden groei der bladeren en schijnknollen hangt de bloei voor het volgende jaar af. De groei- en rusttijd zijn voor verschillende geslachten verschillend, daar men het geheele jaar door bloeiende Orchideeën heeft; natuurlijk zijn die soorten het meeste waard, welke zich midden in den winter met bloemen tooien. Zijn de jonge bladeren volgroeid, dan krijgen zij in de meeste gevallen een eenigszins donkerder kleur; de schijnknollen, wanneer de plant deze vormt, nemen in omvang toe en eindelijk houden ook zij op met groeien; langzamerhand ziet men den geheelen groei verminderen en de plant treedt haar rusttijd in. Deze rusttijd is slechts bij enkele soorten een volmaakte; de in de kamer gekweekte soorten behouden haar bladeren en wortels, zoodat zij, hoewel uiterst voorzichtig, toch nu en dan gegoten moeten worden. Vóór alles moet men zorgen, rustende Orchideeën niet door te veel warmte en vochtigheid tot een ontijdigen groei aan te zetten; een dergelijke handeling is tegen de natuur der plant en heeft meestal zeer noodlottige gevolgen. Een voorname zaak is ook het op den juisten tijd schermen van het kasje tegen de zon, waarvoor men dun, niet te licht gekleurd doek gebruikt. De meeste Orchideeën kunnen de volle zon niet verdragen; maar evenmin kunnen zij voldoende licht missen; daarom moet men er op letten ze nòch te vroeg, nòch te laat tegen de zon te schermen.

De Orchideeën worden in twee hoofdgroepen verdeeld: de epiphytische en de terrestische. De eersten groeien als schijn-woekerplanten tegen de stammen van boomen, de laatsten als gewone planten in de aarde. Wanneer de haar omgevende lucht voldoende vochtig is, behoeft men zich voor de eerste groep niet bijzonder veel moeite te geven. Men bevestigt ze met koperdraad tegen een stukje hout of kurkschors; zij hechten zich daar dan met haar dikke, vleezige, broze wortels tegen vast en groeien zoo jaar in, jaar uit, dat het een lust is. Ik heb veel vertegenwoordigsters van het geslacht Oncidium op stukjes eikenhout zien kweeken; zij groeien er uitstekend tegen, ontwikkelen somtijds meterlange bloemstengels, dicht bezet met veelal kleine, op insecten gelijkende bloempjes en wekken de verwondering op van vaklieden en leeken. Zeer veel worden de epiphytische Orchideeën ook gekweekt in potten, voorzien van gaten, meer nog in mandjes van draad of kurkschors en zeer dikwijls in vierkante mandjes, die van even dikke houten stokjes gemaakt worden. (Fig. 157 en 159.) De openingen in deze mandjes worden met sphagnum dichtgestopt, waarna men de planten er in zet. Het aardmengsel, waarin men ze plant, moet zeer licht en vezelachtig wezen. Het best doet een liefhebber zich bij een vertrouwbaren kweeker bereiden Orchideeën-grond aan te schaffen; kan hij die niet verkrijgen, dan zoekt hij in een bosch plekken met inlandsche Varens op, steekt die met de wortels uit den grond, en trekt die wortels met de er tusschen zittende aarde in stukjes, hierdoorheen mengt hij gehakt sphagnum en half verteerde bladaarde, waar alle fijne deelen uitgezeefd zijn, alles in gelijke deelen; wordt hierbij voldoende scherp zand en stukjes houtskool gevoegd, dan heeft men een zeer goede aarde voor Orchideeën. Vroeger werden onder dit grondmengsel nog stukjes turf en potscherven gemengd; de ondervinding heeft echter geleerd, dat dit ondoelmatig was, waarom men er van is teruggekomen.

De Aard-Orchideeën worden gewoonlijk in meer vlakke dan hooge potten gekweekt (Fig. 153). Voor deze soorten gebruikt men een grondmengsel, bestaande uit grove blad- of heideaarde, met wat verteerden kleigrond en scherp zand vermengd. De meeste Orchideeën kan men enkele jaren in denzelfden pot laten staan, mits men ze in haar groeiperiode nu en dan met een zeer slappe gier begiet; moeten zij echter verpot worden, dan moet dit zeer voorzichtig geschieden, daar de stijve, broze wortels volstrekt niet beschadigd mogen worden.

Moet een Orchidee verplant worden, dan neemt men haar tegen het einde van den rusttijd uit den pot, maakt met een houtje de kluit een weinig los, waarbij meestal de oude aarde grootendeels tusschen de wortels uitvalt. Men plant haar nu zóó op, dat zij niet te vast komt te staan, d.w.z. dat het grondmengsel niet te vast om de plant aangedrukt wordt. Is men met het verplanten gereed, dan wordt de plant voorzichtig aangegoten, waarop men de aarde met de groeispitsjes van levend sphagnum bedekt. Deze spitsjes zullen in zeer veel gevallen doorgroeien, zoodoende aan de plant een frisch voorkomen geven en het te snelle uitdrogen verhinderen.

Daar het aantal bekende Orchideeën tegenwoordig zoo ontzettend groot is, gaat het natuurlijk niet, om een eenigszins uitvoerige beschrijving der beste soorten te geven; wij bepalen ons dus tot de opgave van die soorten, welke als kamerplanten aan te bevelen zijn.

Onder de voor kamercultuur geschikte Orchideeën nemen de Cypripediums een eerste plaats in. De bloemen van dit geslacht kenmerken zich allen door het eigenaardig gevormde lipje, dat den vorm van een muiltje heeft. Zeer vele soorten van dit geslacht zijn voor kamercultuur goed geschikt, met uitzondering echter van die, welke in Europa en Noord-Amerika te huis behooren. Al deze soorten moeten in den tuin uitgeplant worden, waar zij een fraai effect kunnen maken.

Wij hebben drie soorten van Cypripediums afgebeeld; ten eerste de Cypr. insigne (Fig. 154), die zeker wel de meest verspreide mag genoemd worden; dan de Cypr. barbatum, met zeer fraai geteekende bladeren en bloemen (Fig. 155) en de Cypr. Siebertianum (Fig. 156), een in België gewonnen hybride, die genoemd is naar den heer Siebert, directeur van den Palmengarten te Frankfurt. Er zijn meer dan 30 Cypripediumsoorten bekend, die te huis behooren in tropisch Amerika en Azië. Bij deze soorten moet nog gevoegd worden een groot aantal variëteiten en een nog grooter aantal zeer fraaie bastaarden, die in de kweekerijen gewonnen zijn. Deze laatsten zijn meestal zeer kostbaar.

De Cypripediums behooren tot de terrestische Orchideeën. Het zijn kleine planten, zonder schijnknollen, doch met mooi geteekende bladeren, en zeer fraaie, reukelooze, meestal op een stevigen steel alleen staande bloemen. Deze verschijnen gewoonlijk gedurende den winter en haar waarde wordt nog verhoogd, door haren langen bloei. Iedere bloem blijft gemiddeld twee maanden en nog langer goed. De hardere soorten, die zeer geschikt zijn voor kamercultuur, stellen zich meestal tevreden met een wintertemperatuur van 50°-55° Fahr., en daar het geen hooge planten zijn, zijn zij zeer goed geschikt voor het kamerkasje. De Cypripediums moeten in niet te diepe potten, die goed gedraineerd zijn, geplant worden; als aarde gebruikt men heideaarde, die met wat kleigrond en gehakt sphagnum vermengd wordt. Zij willen geregeld bespoten en tamelijk goed vochtig gehouden worden, terwijl het zeer goed is ze, wanneer zij in vollen groei zijn, nu en dan slap te gieren. Voor licht en lucht moet goed gezorgd worden, en men moet er op letten, dat zij in haar rusttijd wel minder begoten, doch niet geheel droog gehouden mogen worden.

Zeer sierlijke en schoone, ja somtijds prachtige kamerplanten levert ook het geslacht Odontoglossum. De meeste soorten van dit geslacht behooren te huis in de koele en vochtige bergstreken der Cordilleras, in Mexico, Nieuw-Granada, Peru en Guatemala. Er zijn thans meer dan 100 soorten bekend, die op een hoogte tusschen 1000 en 2000 Meter, hetzij op boomen, hetzij op met humus bedekte rotsen voorkomen. De meest verspreide Odontoglossum is zeker wel de O. crispum, die ook wel, ter eere van de prinses van Wales, O. Alexandræ wordt genoemd. Van deze fraaie soort bestaan zeer veel variëteiten, welker bloemen in grootte en kleur sterk afwisselen. Gewoonlijk zijn zij zuiver wit, met onregelmatige bruinroode vlekken; tegen het einde van haar bloeitijd krijgen zij een roseachtigen tint. De bloeitijd valt in den winter en het voorjaar. Een lieve, voor het kamerkasje zeer geschikte soort is de Odontoglossum Rossii majus, met haar variëteiten. Dit is een lief plantje, dat zijn vrij groote bloemen alleen of bij paren op dunne steeltjes draagt. Een derde, voor de kamercultuur zeer geschikte, soort is de Odontoglossum grande, met groote, gele met kastanjebruin gestreepte of gevlekte bloemen.