Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer

Chapter 20

Chapter 203,759 wordsPublic domain

Van de meer dan vijftig bekende Leliesoorten worden er slechts eenige in potten gekweekt. Fraaie potplanten vormen de Lilium Harrisii, met groote, trechtervormige, witte bloemen; de Lilium tigrinum, met donkeroranje, van binnen met scharlakenrood gespikkelde bloemen; de talrijke variëteiten der Lilium speciosum, met witte, vaak rose en rood gespikkelde bloemen, welke soort ook wel voorkomt onder den naam Lilium lancifolium, en eindelijk de fraaiste van alle Leliesoorten, de Lilium auratum, met zeer groote witte bloemen, waarvan de bloembladeren met purperroode stippels en gele strepen geteekend zijn. Deze soort, waarvan ook enkele variëteiten bestaan, is zeer welriekend.

De bollen van deze Leliesoorten zijn ieder voorjaar bij goede zaadhandelaars verkrijgbaar. In Japan worden talrijke Leliesoorten niet alleen als sierplanten, doch ook als voedingsgewassen gekweekt, waarvan de bollen gegeten worden.

De potcultuur der Lelies is zeer eenvoudig. Daar deze planten slechts voor versiering van het balkon, de veranda of den tuin kunnen dienen en in den zomer bloeien, begint zij pas in het voorjaar. Wij schaffen ons dus sterke en vooral goed gezonde bollen aan, en planten die, waartoe men potten gebruikt, die, al naar de grootte der bollen, een doorsnede moeten hebben van 15 à 18 cM. Als aarde gebruikt men een goed met zand vermengden, voedzamen grond. Een mengsel van goede bladaarde met veel ouden, verteerden koemest is zeer geschikt. Bij het oppotten der Leliebollen moeten wij met een eigenaardigheid er van rekening houden; zij toch onderscheiden zich van de andere bolgewassen daardoor, dat er zich uit de schijf slechts zeer weinig duurzame wortels ontwikkelen; het meerendeel der wortels, die voor de voeding der plant zorgen, ontspruit onder aan den stengel, dien de bol voortbrengt. Deze wortels vormen als het ware een krans boven den bol en sterven te gelijk met den stengel af. Om nu te zorgen, dat de stengels deze wortels in voldoende mate voortbrengen, moeten de bollen zóó diep geplant worden, dat later hun voeten diep genoeg in de aarde komen te staan.

Nadat wij in den ledigen pot de drainage gelegd hebben, brengen wij er een aardlaagje in van ongeveer 3 cM. dikte in. Op dit aardlaagje strooit men een laagje goed zuiver zand van ongeveer 1 cM. dikte. De vrij groote bol wordt nu zóó op dit zandlaagje gezet, dat de wortels, die er zich aan bevinden, gelijkmatig in de rondte verdeeld zijn. Zijn wij zoover, dan wordt de pot, tot op die hoogte, verder aangevuld, zoodat de bol ongeveer ter halver hoogte in de aarde komt te staan (Fig. 123). De zoo opgeplante bollen, die dus in slechts half gevulde potten staan, worden matig vochtig gehouden en het best gezet op de vensterbank van een niet al te warme kamer. Bij het intreden van meer gestadig warm weer, worden zij op het balkon gezet. Spoedig komt er nu groei in de bollen en beginnen zij een flinken scheut voort te brengen. Is deze scheut zoover gegroeid, dat hij boven den potrand uitsteekt, dan vult men den pot van lieverlede met aarde aan, zoodat ten laatste slechts de gewone gietrand overblijft. Na zulk een planting staan de voeten van de stengels in de aarde en kunnen daarin rijkelijk wortel schieten.

Wil men zijn Lelies des zomers goed doen groeien, dan moet men ze een zonnige standplaats geven in den tuin of op het balkon; ook flink begieten en nu en dan gieren, is voor de ontwikkeling zeer bevorderlijk; verplanten des zomers moet daarentegen vermeden worden. Na het uitbloeien beginnen de Lelies langzamerhand af te sterven; men giet dan ook steeds wat minder. Zijn de stengels geheel afgestorven, dan worden de bollen uit de potten genomen en de doode scheuten dichtbij den bol afgesneden. De bollen overwinteren het best in een vorstvrijen kelder op een laag maar even vochtig wit zand, daar zij niet goed verdragen geheel droog te overwinteren.

Heeft men zeer voedzame aarde gebruikt, dan kunnen de Leliebollen er wel twee zomers in blijven staan. De stengels worden dan, zoodra zij afgestorven zijn, gelijk met de aarde afgesneden. De potten laat men daarna op een vorstvrije plaats overwinteren, en worden juist zóó vaak begoten, dat de aarde niet geheel uitdroogt. Beginnen in het voorjaar de jonge scheuten zich te ontwikkelen, dan zet men de potten dadelijk buiten en geeft ze meer water. Later, wanneer de stengels in vollen groei zijn, worden zij nu en dan gegierd. Sommige Leliesoorten ondergaan deze behandeling liever, dan jaarlijks uit de potten te worden genomen.

Enkele Lelies en daaronder ook de Lilium Harrisii, kan men, om ze reeds vroeg in het voorjaar in bloei te hebben, reeds in den herfst oppotten; zij groeien dan op een lichte koele standplaats den geheelen winter door en zullen reeds in April of Mei bloeien. Toch is deze wijze van behandelen voor den liefhebber, die zijn planten in de kamer kweekt, niet aan te bevelen, omdat zij daar sterk van luis te lijden hebben.

De vermenigvuldiging der Lelies geschiedt door kweekbolletjes, die zich bij enkele soorten o.a. bij de Lilium tigrinum ook in de bladoksels ontwikkelen. In een tuin is de voortkweeking wel mogelijk, omdat de bollen daar den winter door onder bedekking overblijven, in een kamer is zij echter onuitvoerbaar.

Polyanthes tuberosa (Tuberoos). Onder de zeer gezochte zomer- en herfstbloeisters neemt de Tuberoos zeker een voorname plaats in. De Polyanthes behoort in Amerika en Afrika tehuis. Het is een bolgewas, met lange, smalle, groene bladeren. Uit het midden der bladerrozet verheft zich een bebladerde bloemsteng, die wel 75 cM. hoog kan worden en die een dichte aar van witte, zeer welriekende bloemen draagt. Bij den stamvorm zijn deze bloemen enkel en niet zoo heel fraai. In Zuid-Frankrijk wordt deze enkelbloemige soort in het groot voor de parfumerie-fabrieken gekweekt en van daar worden zij ook in den naherfst in grooten getale naar de bloemenmarkten der groote steden verzonden. Voor potcultuur wordt uitsluitend de gevulde variëteit gebruikt. De schoonste en rijkst bloeiende variëteit draagt den naam "The Pearl"; zij is van Amerikaanschen oorsprong en wordt van daar zeer veel naar Europa verzonden.

De cultuur der Tuberoos is niet lastig. De bollen komen van den naherfst tot het voorjaar in den handel voor, en worden tegen het begin der lente opgepot. Men gebruikt voor het opplanten een met veel zand vermengden goeden blad- of boschgrond, waar een weinig graszodengrond aan toegevoegd kan worden; de te gebruiken potten moeten ongeveer 12 cM. wijd zijn. In deze potten kan men een of twee bollen planten, die zóó opgepot moeten worden, dat de hals van den bol uit de aarde steekt. De bollen, die niet dadelijk, maar meestal pas na eenige weken beginnen te groeien, moeten in den beginne slechts zeer matig begoten worden, terwijl men ze een warme standplaats voor het venster eener gestookte kamer moet geven. Zijn de bollen eenmaal flink aan het uitgroeien, dan kunnen zij rijkelijk begoten worden; zij behoeven dan geen warme standplaats meer te hebben, en kunnen van Juni af in een zonnig plantenrekje voor het venster, of op het balkon geplaatst worden. Nu en dan gieren met zeer slappe koegier is zeer bevorderlijk voor den bloei. Het komt wel eens voor, dat de hoofdscheut niet doorgroeit, terwijl zich een groot aantal secondaire scheuten ontwikkelen. In zulke gevallen moeten de jonge, kweekbolletjes direct weggebroken worden.

In Juli of Augustus, somtijds zelfs pas in September, is de groei zoover gevorderd, dat de bloemknoppen, die in den beginne groen zijn en later pas wit worden, sterk beginnen te zwellen. Tegen dezen tijd moeten de stengels aan stokjes gebonden worden, ten einde te voorkomen, dat zij buigen of afknakken. Plant men de bollen, die zeer lang droog kunnen liggen, te laat in het voorjaar op, dan mislukt de cultuur, wijl dan de ontwikkeling der knoppen in de sombere maand October valt, en deze bij voortdurend donker weer niet open komen, doch beginnen te rotten. Daar de bladeren der Tuberoos zeer gemakkelijk breken, waardoor de plant minder mooi wordt, moet men zeer voorzichtig met haar omgaan. De uitgebloeide Tuberoos heeft geen waarde meer, daar de bol, na gebloeid te hebben afsterft. Men kan ze dus niet voortkweeken, maar moet ieder jaar bloeibare bollen aankoopen.

Sternbergia. Dit lieve, tot de Amaryllideeën behoorende bolgewas behoort in Zuid-Europa te huis. De Sternbergia's zijn planten, waarvan de bloemen in den herfst vóór de bladeren verschijnen. De meest bekende soorten zijn Sternbergia lutea en Sternbergia dalmatica. In het begin van September worden de, gedurende den zomer rustende, vrij groote bollen in betrekkelijk kleine potten geplant en reeds tegen het einde van dezelfde maand vertoonen zich de eerste, gele bloemen, waarvan iedere knol er van drie tot vijf voortbrengt. In den vorm gelijken de bloemen op die van den Crocus. Geeft men den Sternbergia's een koele, doch vorstvrije standplaats, dan zal de bloei tot Januari toe duren, Nadat zij gebloeid hebben, moet men doorgaan met de planten te begieten, daar zich dan pas de smalle bladeren beginnen te ontwikkelen. Zijn de planten tegen den zomer afgestorven, dan worden de bollen uit de potten genomen, in de lucht gedroogd, schoongemaakt en bewaard tot September, wanneer zij opnieuw opgeplant moeten worden.

Vallota purpurea. De Vallota is weer een dier schitterende geslachten, waaraan de familie van de Amaryllideeën zoo rijk is. Deze werkelijk dankbare bloeister is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop. Uit een niet zeer zwaren bol ontwikkelen zich, lange, stevige donkergroene bladeren, uit welker midden in Augustus of September, de ongeveer 20 cM. lange, krachtige bloemsteng ontspruit, die talrijke, zeer fraaie, roode bloemen draagt. Er zijn verscheidene variëteiten van bekend, ook een met witte bloemen.

De cultuur is zeer eenvoudig. In de eerste plaats moeten wij er op letten, dat de Vallota niet absoluut rust. Wel heeft zij gedurende den winter haar rusttijd, doch zij verliest dan nòch geheel haar wortels, nòch al haar bladeren, zoodat zij ook gedurende dezen tijd niet geheel droog mag gehouden worden, hoewel zij dan met een minder lichte standplaats in een koel vertrek tevreden is. Begint de Vallota in het voorjaar uit te groeien, dan moet zij voorzichtig verplant en daarna op een lichte plaats gezet worden. Hoewel een jaarlijks verplanten wel wenschelijk is, is het voor de plant toch niet streng noodzakelijk. Vele liefhebbers houden hun Vallota's jarenlang in denzelfden pot, bemesten ze des zomers niet en verkregen toch zeer bevredigende resultaten. Tegen het einde van Mei zet men de Vallota op een eenigszins beschaduwde plek van het bloemenrekje buiten voor het venster; hier zal zij dan ook later haar bloemen ontwikkelen.

De bollen der Vallota hebben een sterke neiging tot het vormen van kweekbolletjes. Wil men sterke bollen hebben, dan moet men die kweekbolletjes niet laten doorgroeien, maar ze tijdig verwijderen. Breekt men de kweekbolletjes voorzichtig weg en plant men ze gezamenlijk in een pot of schaal, dan kan men, wanneer zij het tweede jaar in afzonderlijke potjes worden geplant, er voor het venster zeer goed bloeibare bollen van kweeken.

In de laatste jaren wordt de Vallota meer en meer op waarde geschat en de bollen worden zelfs in grooten getale ingevoerd. Aangezien deze ingevoerde bollen echter droog en zonder wortels in den handel komen, moet men, tot zij uitgroeien, zeer voorzichtig met de behandeling zijn.

Veltheimia viridifolia. De Kaap de Goede Hoop, het vaderland van zoovele schoone bolgewassen, is het ook van deze Veltheimia. De plant is reeds zeer lang bekend, en ook een zeer dankbare winterbloeister; toch is zij lang niet zoo algemeen verspreid als zij verdient. Uit den bol ontspruiten lange, breede, gootvormige bladeren, die aan den rand licht gegolfd zijn. Tusschen deze bladeren verheft zich de bloemsteng, die van 25-40 cM. hoog kan worden. De bloemsteng heeft een lichtbruine kleur met groene vlekken, terwijl zij met een blauwachtig was overtogen is. Deze bloemsteng draagt een dichte aar van pijpvormige, hangende, zalmkleurige bloemen, die een lengte hebben van 5-7 cM. en geheel reukeloos zijn. De bloeitijd, die zeer lang duurt, valt gewoonlijk in den winter.

De cultuur der Veltheimia is zeer dankbaar. Van af Juli tot in September zijn de bollen in volmaakte rust, men neemt ze niet uit de potten, hoewel zij in het geheel niet gegoten mogen worden. In September worden de bollen in behoorlijk groote potten verplant, waartoe men bij voorkeur zandige compostaarde gebruikt. Bij het verplanten neemt men den bol uit den ouden pot, schudt de aarde tusschen de wortels weg, snijdt de doode wortels af en plant hem weder zoodanig op, dat hij half boven de aarde uitsteekt. Tot laat in den herfst houdt men de verplante bollen buiten; daarna worden zij in een vertrek gezet, liefst voor het raam, met een gemiddelde temperatuur van 50° Fahr. Hier komt de Veltheimia in bloei en wel gewoonlijk op een tijd, dat de andere bolgewassen nog pas in knop zijn.

Na afloop van den bloei moet men doorgaan met haar te begieten, daar de eigenlijke rusttijd pas in den zomer begint.

De vermenigvuldiging geschiedt door kweekbollen, die de plant zeer gewillig voortbrengt.

Wil men fraaie planten kweeken, dan laat men de jonge bollen aan de moederplant zitten. Zij zijn dan binnen een paar jaar bloeibaar en men krijgt zoodoende exemplaren, die met zes en meer bloemstengen kunnen bloeien.

Aroideeën of Aäronskelkachtige planten.

De familie der Aroideeën is een zeer interessante, die meer dan 500 bekende soorten telt en die tot de groote groep der Eénzaadlobbige planten behoort. De Aroideeën zijn over de geheele aarde verspreid; de fraaiste soorten vindt men echter in de tropische streken der Oude en Nieuwe Wereld. Het zijn gewoonlijk kruidachtige planten met knolvormige, klimmende of kruipende wortelstokken, of met zeer weeke stammen, en ze behooren meestal in de tropische wouden thuis. De meeste soorten worden in haar vaderland aangetroffen op moerasachtige bodems, waarboven zij zich vaak door haar luchtwortels verheffen, om zich zoodoende aan andere planten vast te hechten of tegen stammen van boomen op te klimmen. Eenige soorten, met een knolvormigen wortelstok, groeien bij voorkeur in drogere streken. Enkele van deze laatsten zijn in de tropen zeer nuttig; men verbouwt ze er als voedingsgewassen en de knollen zijn, gekookt of geroosterd, een zeer goed voedsel.

De bloemen van alle Aroideeën zijn klein en onbeduidend; zij zitten op een vleezige, onverdeelde kolf, die in de meeste gevallen door een scheedevormig schutblad omgeven wordt. Dit schutblad, dat de bloemkolf in den beginne omgeeft, maar later terugslaat of zich oprolt, verleent aan de planten haar groote waarde. Al die soorten, welke in de kamer of de plantenkas rijk bloeien en zich onderscheiden door fraaie witte, rose, roode, donkerbruine of gele bloemscheeden, worden tot de bloem-Aroideeën gerekend. Naast deze fraai bloeiende staan andere, waarvan de bloemscheeden een onbeteekenende, somtijds leelijke, groen- of geelachtige kleur hebben, maar die dan door de trotsche houding of groote afmeting der bladeren een hooge waarde bezitten. Zoowel onder de schoon bloeiende als onder de schoonbladerige Aroideeën zijn er, jammer genoeg, slechts weinige, die als kamerplanten een burgerrecht verkregen hebben. Onder de bekendste schoon bloeiende soorten behoort zeker wel de Calla (Richardia) æthiopica, algemeen bekend onder den naam van Aäronskelk.

Deze plant, afkomstig van de Kaap de Goede Hoop, heeft lang gesteelde, pijlvormige, glanzend groene bladeren, waartusschen zich de vaak een Meter hoog wordende bloemstelen verheffen, die de bloemkolven dragen, welke van groote, witte, welriekende, peperhuisvormige bloemscheeden omgeven zijn. De bloeitijd valt in de lente of den zomer, doch kan door een goede cultuur ook naar den winter verplaatst worden. Wanneer men de Calla goeden voedzamen grond geeft, dan is zij een flinke groeister. Het best kweekt men haar in een mengsel van gelijke deelen broeiaarde en veengrond, waar natuurlijk een voldoende hoeveelheid zand aan moet worden toegevoegd. In het voorjaar, zoodra zij nieuwe bladeren begint te maken, moet zij verpot worden. De pas verplante Calla geeft men een lichte standplaats in een matig verwarmd vertrek; zij maakt dan spoedig wortels in de nieuwe aarde, en verlangt dan zeer veel water. Des zomers eischt zij zooveel water, dat het geraden is de potten in gewone schoteltjes te zetten en deze steeds met water gevuld te houden. Zoolang men de Calla in de kamer kweekt, moet zeer gelet worden op de bladluizen, waardoor zij vaak aangetast wordt. Zoodra eenigszins vast warm weer intreedt, zet men haar in het bloemenrekje voor het venster, op het balkon of in den tuin. Behalve op behoorlijke begieting en bemesting moet men des zomers ook letten op tijdige verwijdering der kweekknollen, die in grooten getale zich ontwikkelen en de moederplant aanmerkelijk verzwakken. Uit deze kweekknollen kunnen weder jonge planten opgekweekt worden. In den herfst begint de rusttijd der Calla; zij wordt dan minder begoten en overwintert in een koele, doch vorstvrije kamer. Het is niet geraden haar des winters zóó droog te houden, dat zij haar bladeren verliest en tot op den knol afsterft. Heeft men goed gekweekte en sterke planten, dan ontwikkelen zich vaak reeds in Januari en Februari de eerste bloemknoppen tusschen de bladeren. Deze planten zet men warmer, waardoor een vervroegde bloei verkregen wordt. Gewoonlijk wordt de Calla te warm gehouden; zij vormt dan lange bladstelen, die meestal te zwak zijn om de bladeren te dragen en dus omknikken. Ook zullen zulke planten zeer zwak of in het geheel niet bloeien.

Men heeft in den laatsten tijd verschillende variëteiten van de Calla gewonnen, waaronder wel het meest uitmunt de "Little Gem," een laag blijvende, doch zeer rijk bloeiende variëteit. Ook de Calla Childsiana, een uit Amerika stammende soort, is in korten tijd zeer populair geworden. Haar bloemscheede is schitterend wit, groot en mooi naar buiten omgeslagen. Een andere, die ook zeer veel aangetroffen wordt, is de Calla æthiopica albo-maculata, die wit gevlekte bladeren heeft. Deze in al haar afmetingen kleinere, doch veel stevigere plant, is reeds lang bekend. De pijlvormige bladeren zijn geelachtig groen met talrijke witte vlekken; de bloemscheeden zijn aan de buitenzijde evenzoo licht geelgroen, aan de binnenzijde echter wit. Deze variëteit sterft in het najaar, dus tegen den rusttijd, geheel af. De vlakke, zware knollen laat men droog en vorstvrij overwinteren; zij worden in Februari of Maart in zeer voedzamen grond opgepot en voor het venster gezet, waar zij weder spoedig zullen uitgroeien. Bij het oppotten moet men er op letten, dat de knollen geheel onder de aarde komen te liggen. De cultuur is overigens geheel dezelfde als die van den stamvorm. Beide planten zijn ook voor het aquarium te gebruiken.

Evenals de Calla's behandelt men ook de in de laatste tijden ingevoerde Arum-soorten met fraaie bloemen, die een zeer donkerbruine, ja somtijds zelfs een bijna zwarte bloemscheede hebben. De meest bekende van deze soorten is de uit Palestina afkomstige Arum sanctum, ook wel Arum palæstinum genaamd. Hoewel deze geen moerasplant is, moet zij gedurende haar groeitijd zeer veel begoten worden. De Arum sanctum rust in den zomer; de knollen worden in den herfst opgepot en in een matig warme kamer gekweekt. De zeer fraaie bloemen verschijnen dan gewoonlijk in April of Mei.

Terwijl de thans behandelde Aroideeën alle des zomers buiten willen staan, zijn er bij de Anthuriums planten, die zeer schoon bloeien, doch het geheele jaar door in de kamer moeten gekweekt worden. De Anthuriums zijn kruidachtige planten, waarvan de bloemen door het zachte rose of het vurige rood der bloemscheeden groote waarde bezitten. Eenige soorten, die, jammer genoeg, uitsluitend in kassen moeten gekweekt worden, munten ook uit door prachtig gevormde of geteekende bladeren. Voor kamercultuur is zeer aanbevelenswaardig de Anthurium Scherzerianum, een plant, die een niet te grooten omvang krijgt, hard is en dankbaar bloeit. Fig. 132 vertoont een oud fraai specimen van deze soort.

De Anthurium Scherzerianum, is afkomstig uit Guatemala en is kenbaar aan haar lange, zeer donkergroene, lederachtige bladeren. De bloemen verheffen zich op lange stelen boven de bladeren. De bloemkolf is in verschillende bochten gewonden en de teruggeslagen, dikwijls aan de spits eenigszins opgerolde bloemscheede prijkt met het schoonst denkbare rood. De oorspronkelijke soort is door de kweekers aanmerkelijk verbeterd. Men heeft variëteiten gewonnen, waarvan de bloemscheeden alle tinten, van het zachtste rose tot het donkerste rood, doorloopen; ook zijn er met geheel witte bloemscheeden en met rood en wit gevlekte. Al deze variëteiten zijn echter tamelijk zeldzaam en dan ook zeer duur.

Daarentegen is de zoogenaamde grootbloemige variëteit, de Anthurium Scherzerianum grandiflorum, met een zeer groote, fraai roode bloemscheede, vrij algemeen verspreid.

Men kweekt deze planten het best in vlakke potten of schalen. Bij het verplanten moet men zeer voorzichtig zijn met de dikke, vleezige wortels, daar die zeer broos zijn en dus gemakkelijk afbreken. De potten moeten goed gedraineerd zijn. Voor het verplanten gebruikt men zeer grove, vezelige heiaarde of boschgrond, gehakt sphagnum en kleine stukjes graszodengrond. Bij dit grondmengsel voegt men een goede hoeveelheid scherp zand, benevens stukjes houtskool. Deze aarde moet niet te vast aangedrukt worden. Bij het verplanten moet men er ook nog voor zorgen, dat de Anthurium flink boven den pot uitgeplant wordt. Goed bewortelde planten verlangen veel water, des zomers moeten zij vaak bespoten worden, terwijl men ze tegen te felle zon moet schermen; des winters moeten zij in een gemiddelde temperatuur van 65°-70° Fahr. staan. De bloemen verschijnen het geheele jaar door, en, kan men de Anthurium in een kamerkasje zetten, dan zal zij bij voorkeur in den nawinter bloeien.

De vermenigvuldiging geschiedt door deeling van de oude plant; het zaaien der in de roode bessen zittende zaden is voor kamercultuur niet aan te bevelen.

Een plant, die men in de handelscatalogi vaak vindt opgegeven, is de Anthurium Dechardii of juister Spathiphyllum Dechardii. Deze heeft vrij groote, vlakke groene bladeren, die op stelen van 20 à 25 cM. lengte staan. De bloemen zijn aan de buitenzijde groenachtig, aan de binnenzijde daarentegen porseleinwit. Het is een voor de kamer zeer aanbevelenswaardige plant, die op dezelfde wijze als de vorige Anthurium moet gekweekt worden.

Eenige overeenkomst met deze plant heeft de Spathiphyllum cannæfolium; zij verschilt van haar door de iets langere bladeren en bladstelen, terwijl de bloemen aan binnen- en buitenzijden wit, en zeer welriekend zijn. Zij groeit zeer goed op een lichte standplaats in een warme kamer.

Onder de Aroideeën, die veel voor de schoone bladeren gekweekt worden, nemen de verschillende soorten van het geslacht Philodendron een voorname plaats in. Deze soorten onderscheiden zich door een groot verschil in groei en in bladvorm. Dikwijls hebben zij een zeer fraaie groeiwijze, vaak zijn het echter snel groeiende lianen, die tegen de vochtige muren der kassen opklimmen, waaraan zij zich met haar dikke luchtwortels vasthechten. Van het eenvoudigste, gaafrandige, lancetvormige tot het fraaiste dubbel gevinde blad vindt men in het geslacht Philodendron vertegenwoordigd. De geschiktste soort voor de kamer is de Philodendron pertusum, een plant, waarvan de juiste naam Monstera deliciosa is, doch die onder eerstgenoemden naam het meest wordt aangetroffen.