Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer
Chapter 2
Zeer samengesteld zijn de kamerkasjes met een verwarmingstoestelletje, maar daar deze zeer veel zorg vereischen, wordt men ze meestal spoedig moede. Meestal zullen kamerkasjes een fraai voorkomen hebben en bijgevolg in een verwarmd woonvertrek gezet worden, zoodat extra verwarming dan onnoodig is. Het kasje moet zoo mogelijk op een goed voetstuk staan en kan, al naar keuze, zeer eenvoudig van hout en gewoon glas, of fraaier en dan van ijzer en spiegelglas gemaakt worden. Het kamerkasje bestaat uit een meer of minder groot met glas bedekt raamwerk, waarin aan de achterzijde een deur is, die dient voor het inzetten en verdere verzorgen der planten, of wel, men maakt er in plaats van een deur een losse ruit in, die zoo noodig uit- of ingeschoven kan worden. Indien de temperatuur in het kasje te hoog wordt, moet er gelucht worden en de inrichting moet zoo zijn, dat men dit kan doen door uit den bovenkant een ruit weg te nemen. De kamerkasjes worden zoo gemaakt, dat men òf er slechts planten in potten in kan zetten, òf wel de planten er in kan uitplanten. In het laatste geval moet er aan de onderzijde een bak worden aangebracht ter opneming van de aarde. Vooral moet er zorg voor worden gedragen, dat deze bak voorzien is van een afvoerbuisje om het overvloedige water te kunnen verwijderen. Dit buisje moet aan het laagste punt van het bakje bevestigd worden. Indien men de planten in het kasje uitplant, moet men zorgen vooraf een goede drainage in den bak aan te brengen. Hiertoe legge men eerst een laag potscherven, of, bij gebrek daarvan, stukjes houtskool of cokes op den bodem, en bedekke deze hetzij met een laagje moerasmos (sphagnum) of wel met wat groven turfmolm. Op deze drainage brengt men dan de aarde aan, waar de plantjes in gezet worden; deze aarde moet bij voorkeur licht, los en niet te vochtig zijn. Het kamerkasje geeft niet alleen het voordeel, dat de planten beschut zijn tegen de droge, meestal stoffige en onzuivere kamerlucht, maar dat zij ook kunnen begoten en bespoten worden, zonder dat de meubelen daar iets van te lijden hebben, of ook het tapijt vochtig wordt.
In plaats van het kamerkasje, worden ook wel glazen stolpen gebruikt, die nu eens over een enkele plant, dan weder over verscheidene planten, die men te zamen in een bakje zet, worden geplaatst. In het laatste geval is het raadzaam zaadtesten te gebruiken, zooals die in de kweekerijen voor het uitzaaien van fijnere zaden worden gebruikt.
Zeer geschikt voor het kweeken van kamerplanten is de ruimte tusschen z.g.n. dubbele vensters, die echter hier te lande slechts betrekkelijk schaars worden aangetroffen. De architecten denken meestal het allerminst aan de bloemenliefhebberij van de aanstaande bewoners, die de door hen gebouwde huizen moeten betrekken. De dubbele vensters zijn meestal zóó gemaakt, dat er slechts even ruimte is om Hyacintglazen tusschen te zetten. Om hieraan te gemoet te komen, heeft men lange, smalle potten vervaardigd; deze zijn echter niet alleen zeer leelijk, maar ook zeer onpractisch. Beter doet men dan nog, vierkante of langwerpig vierkante potten te gebruiken (Fig. 6), die echter niet in den handel zijn, doch aan den pottenbakker besteld moeten worden. Dit model potten is echter overbodig, wanneer men iedere plant op een klein stekpotje zet. De pot, waar de plant in staat, komt dan niet tusschen de ramen, doch tusschen de vensterruiten te staan, waar natuurlijk de ruimte aanmerkelijk breeder is; dit heeft echter weer tegen, dat de grootere potten dan geheel in het gezicht komen, wat niet erg mooi staat.
Veel aanbevelenswaardiger dan de dubbele vensters zijn de vensterkasjes. Te Weenen zijn de vensterkasjes lang geen zeldzaamheid; er bestaat daar zelfs een Vereeniging, waarvan de leden hun planten uitsluitend in vensterkasjes moeten kweeken. Het kasje moet zóó ingericht zijn, dat men het des zomers buiten en des winters binnen aan het venster kan hangen. In het kasje is een deur aangebracht, waardoor men des winters bij de planten kan komen, des zomers doet deze geen dienst, daar men dan slechts het venster behoeft te openen, om de planten te kunnen verzorgen. Het spreekt natuurlijk vanzelf, dat het kasje zoo moet ingericht worden, dat er geen water op de stoep of op het tapijt kan druipen; ook moet het voorzien zijn van zonneschermpjes, die men in de kamer moet kunnen behandelen. Het best is daartoe een groen gekleurde rouleau, die over koorden loopt. Het kweeken van planten tusschen de dubbele vensters of in het vensterkasje is in ieder geval veel loonender, dan het kweeken in de kamer, daar de planten, bij die kweekwijze, volop van het licht kunnen genieten, wat een eerste levensvereischte voor haar is.
De beste van alle inrichtingen is wel de wintertuin, dien men van uit de kamer door een deur kan bereiken. Zulk een wintertuin heeft bijna al de voordeelen van een plantenkas. De inrichting van een goeden wintertuin, die door alle fabrieken kan bezorgd worden, is echter tamelijk kostbaar. Ook het onderhoud en vooral de verwarming sleepen groote kosten met zich, waarom de wintertuinen dan ook lang niet algemeen zijn.
Een liefhebber, die er prijs op stelt door middel van planten een fraai voorkomen te geven aan zijn vertrekken, balkon of waranda, mag de ampels niet vergeten. Onder een ampel verstaat men een voorwerp, dat er op ingericht is met hangplanten bezet en zoo opgehangen te worden. Zulke hangplanten moet men niet verwarren met klimplanten. Terwijl toch de klimplanten in haar vaderland tegen boomen opklimmen en somtijds tot in de hoogste kronen toe doordringen of wel tegen de steilste rotsen opgroeien, ontwikkelen hangplanten zich heel anders. Hangplanten kruipen in haar natuurlijken toestand in de meeste gevallen over den bodem of hangen van rotsblokken naar beneden, overal wortels slaande, die voor de voeding der stengels zorgen. Deze kruipende planten, die niet, zooals de struikachtige gewassen, met hare stengels rechtop groeien, zijn het, die in de eerste plaats voor ampels in aanmerking komen.
Een goede ampel moet er bevallig uitzien en toch practisch zijn. De meeste potten-, draad- en houtwerkfabrieken brengen ampels in den handel van de meest verschillende prijzen en vormen, maar, hoe fraai deze er veelal ook uitzien, zijn zij gewoonlijk toch niet voor het kweeken van planten geschikt. De bruikbaarste is en blijft altijd de steenen ampel, bij voorkeur die, welke van hetzelfde materiaal gemaakt is, waaruit de gewone bloempotten worden vervaardigd. De grootste fout bij de ampels is gelegen in het gebrek aan een waterloozing. De spits, waarin een ampel meestal uitloopt, moet, evenals de bodem van een bloempot, doorboord zijn, zoodat het overvloedige gietwater dadelijk kan wegloopen. Om nu het bevuilen van den vloer te voorkomen, is het raadzaam onder het drainagegaatje een bakje van steen of blik te hangen, dat korten tijd na het gieten verwijderd kan worden. Een tweede fout der ampels en wel hoofdzakelijk der steenen ampels, is, dat zij te ondiep zijn. Zet men in zoo'n ondiepe ampel een hangplant, die in den pot blijft staan, dan ziet men een groot gedeelte van den pot, wat niet erg mooi is; neemt men de plant uit den pot, om haar direct in de ampel te planten, dan blijkt het, dat de aardkluit veel te groot is en ze er niet in geplant kan worden, zonder er een groot gedeelte af te snijden. De ampels mogen dus niet te ondiep zijn; als regel moet gelden, dat zij evenals een bloempot, net zoo diep als wijd moeten zijn. Een derde fout bij de ampels uit den handel is daarin gelegen, dat zij veel te mooi zijn, zoodat maar al te dikwijls het fraaie voorkomen daarvan hoofdzaak en de daarin groeiende plant nevenzaak wordt. Het uiterlijke van de ampel doet echter niets ter zake, omdat het bij een goede beplanting door de hangplanten zoo niet geheel, dan toch voor het grootste gedeelte bedekt wordt. Een zoo eenvoudig mogelijk steenen ampel, die niet te hard gebakken, maar zoo poreus mogelijk is, die uitwendig noch verglaasd, noch beschilderd is, die ten slotte naast de hoognoodige diepte, ook een gelegenheid tot waterafvoer heeft, is en zal wel altijd blijven het meest aanbevelenswaardige voorwerp om hangplanten in te kweeken, Fig. 7 toont drie zulke ampels. Links is afgebeeld een zeer eenvoudige, doch inderdaad practische ampel; in het midden een, die geheel ongeschikt is, omdat zij èn te ondiep èn te fraai bewerkt is; rechts eindelijk is een uit een zeehoorn vervaardigd; deze is wel niet zeer practisch, maar zeer eenvoudig en gemakkelijk te maken en juist daarom wellicht aanbevelenswaardig.
In de tweede plaats komen in aanmerking de ampels, vervaardigd van hout of vlechtwerk. Het kan niet ontkend worden, dat een z.g.n. rustieke ampel inderdaad wel fraai kan zijn. Zulke ampels kunnen op verschillende wijzen vervaardigd worden. Men kan, evenals voor orchideeën-mandjes, geschilde of ongeschilde stukjes hout tegen elkander aanleggen, en deze met koperdraad onderling verbinden. Een tweede, veel voorkomende wijze is, dat een geraamte uit ruw hout wordt vervaardigd, hetwelk dan met boom- of kurkschors bekleed wordt; deze kan men dan nog met dennenappels of dergelijke vruchten versieren. Zulk een ampel moet natuurlijk ook van een gelegenheid tot waterafvoer voorzien zijn. Wil men er echter voor zorgen, dat het hout niet spoedig gaat rotten en dan een minder fraai voorkomen heeft, daargelaten nog de onaangename geur, dan moet er een blikken bakje in geplaatst worden. Wordt nu de plant met den pot in de ampel geplaatst, dan zal dit bakje niet hinderen; plant men haar daarentegen er in uit, dan zal men zien, dat zij na korten tijd gaan kwijnen. Het blik toch laat geen lucht tot de aarde doordringen, en als gevolg daarvan zal, wanneer men niet zeer voorzichtig is met gieten, de aarde verzuren.
Veel minder geschikt dan de houten ampels zijn die van vlechtwerk wanneer er niet voor gezorgd wordt, dat zij een stevig geraamte van ijzerdraad bevatten. Bij het beplanten toch verliest zoo'n ampel, door het gewicht der aarde, in betrekkelijk zeer korten tijd haar vorm.
De ampels, vervaardigd uit gevlochten tienden, hebben een groote fout, welke ook die, uit draadvlechtwerk, hoe fraai deze ook mogen zijn, aankleeft: namelijk de moeilijkheid met het gieten. Wanneer de aarde in zoo'n ampel wat heel erg opgedroogd is, kan men de daarin staande plant niet anders begieten, dan door het geheel eenigen tijd in een grooten emmer met water onder te dompelen. Begiet men de planten niet op deze wijze, dan zal het gietwater door de mazen wegloopen, zonder in de aarde te dringen, terwijl de meegevoerde aarde niet alleen de ampel zelf, maar ook alles wat er omheen staat, zal verontreinigen. Het ongeregelde afloopen van het gietwater, waartegen bij de gevlochten ampels geen middel bestaat, zal bij deze soorten altijd een groot bezwaar blijken te zijn, en ze in de meeste gevallen onbruikbaar maken. Heeft men echter zulk een gevlochten ampel, dan doet men het beste, die in de waranda of op het balkon te gebruiken; het doorloopende water zal daar de minste schade berokkenen. In dit geval is de voorkeur te geven aan die, welke van gegalvaniseerd draad gemaakt zijn, daar die niet roesten. Alvorens zulk een ampel te beplanten, wordt zij inwendig met tinblad bekleed, ten einde te voorkomen, dat de aarde tusschen de mazen wegvalt en daardoor de wortels bloot komen te liggen.
De eenvoudigste, beste en goedkoopste ampel is zeker wel die, welke men verkrijgt, door een gewonen bloempot in een ijzeren ring te plaatsen en aan dien ring de draden te bevestigen, waar hij aan opgehangen wordt. (Fig. 8). Deze ampel voldoet aan alle daaraan te stellen eischen.
De beste plaats, die men den ampels geven kan, is aan het balkon of de waranda; ook zijn zij zeer geschikt voor den wintertuin. In de kamer kunnen zij wel gebruikt worden, mits zij dicht voor het venster worden opgehangen. In de meeste gevallen zijn aan iedere ampel, op gelijke afstanden, drie metalen ringen bevestigd. Aan deze ringen worden koorden of kettinkjes vastgemaakt, welker sterkte moet geëvenredigd zijn aan de grootte en zwaarte van de ampel. Deze drie koorden of kettinkjes moeten weder in een ring te zamen komen. Hangt de ampel zóó hoog, dat men haar niet gemakkelijk kan bereiken, dan moet aan laatstbedoelden ring weder een koord bevestigd worden, dat over een in den zolder aangebrachte katrol loopt, zoodat men haar, zoo noodig, zonder beschadigen kan laten zakken.
Zeer kleine ampels, waarin slechts ruimte is voor één plant, hetzij met den pot er in geplaatst, hetzij er in uitgeplant, kan men zeer gemakkelijk zelf vervaardigen uit een pompoen- of kokosnoot-schaal. Zulke ampeltjes zijn heel aardig om in het vertrek vóór het venster te hangen, daar zij het licht niet te veel onderscheppen. Wanneer men er nu één moerasplant, zooals bijv. Tradescantia of Isolepis gracilis in plant, dan kan men de overblijvende ruimte met stukjes spons aanvullen. Deze zuigen het water op en zorgen dus, dat de aarde behoorlijk vochtig blijft, terwijl de fijne worteltjes er gemakkelijk in kunnen doordringen.
Zeer gemakkelijk zijn de ampels te vullen, waarin men de planten met den pot plaatst; deze mogen niet te groot zijn en er moet voor gezorgd worden, dat zij een gladden bodem hebben, opdat de potten goed vaststaan. Als regel zal men er slechts één plant in plaatsen of wel een grootere, waar eenige kleinere omheen worden gezet.
De ampels, waarin de planten uitgeplant worden, moeten als volgt behandeld worden. Op de drainage-opening legt men een omgekeerde scherf, de holle zijde naar de opening gekeerd; hierop worden nog enkele scherven gelegd, en deze worden met een laagje ruwen turfmolm gedekt. Hierop brengt men dan eerst de aarde. Deze aarde moet, om een te spoedig uitdrogen te voorkomen, niet al te licht zijn. In het midden van zeer groote ampels zet men dan een fraaie opgroeiende plant, zooals een Palm of iets dergelijks. Hieromheen kunnen enkele lagere opgroeiende blad- of bloemplanten gezet worden, bijv.: Cyperus, Pelargonium, Fuchsia of Heliotroop; de eigenlijke hangplanten worden dan rondom deze laatsten geplant. Bij een dergelijke beplanting moet men er op letten, dat de gebruikte bloemplanten niet te veel in de hoogte groeien; beter is het, wanneer zij zich vertakken, hetgeen men gemakkelijk kan bevorderen, door den hoofdstengel tijdig in te snijden. De ampel mag vooral niet overvuld worden. Men moet aan de planten gelegenheid geven zich behoorlijk te ontwikkelen, terwijl ook de kluiten er in geplant moeten kunnen worden, zonder dat het noodig is, die veel te beschadigen.
De gereedschappen.
Een liefhebber, die zijn planten in de kamer kweekt, bedient zich van betrekkelijk zeer weinig gereedschappen; laten wij die, welke bij het bespreken van het zaaien, stekken en verplanten vermeld zullen worden, zooals de verplantstok, het repikeerhoutje en het pincet voorloopig rusten, dan blijft ons als het belangrijkste stuk gereedschap de gieter over.
Wanneer men grootere planten te gieten heeft, die in den wintertuin, onder de waranda, of op het balkon staan, dan doet men het beste zich een gewonen gieter aan te schaffen, zooals die in de kweekerijen gebruikt wordt. De gieter, dien men gebruikt om de bloemtafel en de andere in de kamer gekweekte planten te gieten, kan veel kleiner en sierlijker zijn. In de meeste gevallen is hij groot genoeg, wanneer hij 3-5 liter water kan bevatten. Het handvat moet aan zulk een kamergietertje goed groot en gebogen zijn, terwijl er vooral op moet gelet worden, dat de tuit vrij lang is; opdat men, wanneer de planten wat ver uit elkander staan, de verst weg staanden toch goed kan bereiken (Fig. 9). Bij een zoodanigen gieter behoort een broes te zijn met kleine gaatjes, die men in verschillende vormen heeft; namelijk nu eens met een rond en gebogen, dan weder met een ovaal en plat bovenvlak.
Het duurzaamste, doch ook verreweg het duurste zijn de koperen gieters. De broes dient tot het aangieten van zaden, stekken en pas verpotte planten, alsook om des zomers de buitenstaande planten te besproeien. Een zeer bijzonderen gieter, met een lange tuit en een slechts aan de bovenzijde met gaatjes voorziene broes, toont ons fig. 10. Deze gieter is zeer geschikt om buitenstaande planten te begieten. Daar men met den gieter de planten slechts aan de bovenzijde der bladeren kan bevochtigen en ook het besproeien van de achterzijde dringend noodig is, al was het slechts ter bestrijding van het ongedierte, dat daar bij voorkeur huist, moet een liefhebber ook beschikken over een kleine handspuit (Fig. 11). Deze handspuitjes zijn in iederen winkel, waar men tuingereedschappen verkoopt, te verkrijgen.
Ze moeten, willen zij goed zijn, uit geel koper vervaardigd en aan het uiteinde van een fijne broes voorzien zijn. Daar het kleinste model dier spuitjes voldoende is, behoeven ze niet kostbaar te wezen. Voor het gebruik in de kamer zijn de handspuitjes minder aan te bevelen, omdat bij gebruik daarvan het nat worden van het tapijt en der meubelen moeilijk te voorkomen is. Voor de kamer beveelt zich het meest de z.g.n. rafraichisseur aan. Deze toestelletjes heeft men in velerlei soorten en zeer verschillende prijzen.
De eenvoudigste rafraichisseurs spuiten, door in het daartoe bestemde mondstuk met kracht te blazen, wat zeker nogal vermoeiend voor de longen is. Om hieraan te gemoet te komen, heeft men rafraichisseurs gemaakt, voorzien van een elastieken bal. Door den bal in te drukken begint het toestel te spuiten. Ook heeft men er in de laatste jaren in den handel gebracht, waar men slechts aan een handvatsel behoeft te pompen, of wel op een knop te drukken, om ze in werking te stellen. Deze toestelletjes zijn voor de kamer zeer geschikt, daar zij het water zóó fijn verdeelen, dat dit als stof op de bladeren valt, en ze voldoende bevochtigt, terwijl zij de meubelen geenszins bederven.
Rafraichisseurs, zooals deze in Fig. 12 zijn afgebeeld, worden vooral door dames veel gebruikt om eau de cologne en andere odeurs in een kamer te verspreiden.
Als andere gereedschappen heeft men nog noodig een spuitje om insectenpoeder op de bladeren te spuiten; verder een zachte spons om deze af te wasschen en een kwastje om de bladoksels, waar men met de spons niet bij kan, schoon te maken. Als laatste gereedschappen moet men voorzien zijn van een goede rozenschaar en een scherp mes.
De aarde.
Bij het kweeken van planten in de kamer, speelt natuurlijk de aarde ook een zeer gewichtige rol. Ieder liefhebber moet trachten zich op de hoogte te stellen van de verschillende aardsoorten en hare toepassing. Ook zij, die zich niet bezighouden met het zaaien en vermenigvuldigen van planten en die, hetgeen zij noodig hebben, eenvoudig in een kweekerij koopen, komen toch dikwijls in de noodzakelijkheid verschillende grondsoorten te moeten gebruiken. Als regel kan men aannemen, dat de planten, die men koopt, in een goed aardmengsel staan; maar vroeger of later komt men toch in de noodzakelijkheid dit te moeten vernieuwen, hetzij, doordat de planten goed gegroeid zijn en een grooteren pot moeten hebben; hetzij, dat zij ziek zijn geworden en daarom de aarde moet ververscht worden. Wil men nu van dit verplanten een goed resultaat verwachten, dan is het niet alleen noodzakelijk, dat deze bewerking goed wordt uitgevoerd, maar nog veel noodiger, dat men het juiste grondmengsel kiest.
Voor gewone kamerplanten, waarvan men spreekwoordelijk zegt, dat zij als onkruid groeien, is het voldoende gewone bladaarde te gebruiken, waarin het meerendeel dezer planten zeer goed groeit. Veel beter doet men echter, aan iedere plant dat grondmengsel te geven, hetwelk zij noodig heeft. In de meeste gevallen toch kan men niet volstaan met de planten in een enkele grondsoort te kweeken, doch moet men een mengsel van verschillende grondsoorten samenstellen. Deze mengsels moeten met eenig overleg worden gemaakt. Is de aarde te zwaar, dan lijden de planten, doordat zij er niet goed in kunnen wortelen en is zij te licht, dan werkt het snelle uitdrogen zeer nadeelig.
Een eenvoudige, maar voor vele planten zeer geschikte grondsoort is de compostaarde. Men verkrijgt dezen grond door allerhanden afval, zooals het tuinonkruid, het in het najaar afgevallen blad, het des zomers gemaaide gras en verder allen keukenafval in een afgelegen hoekje van den tuin op een hoop te laten werpen. Dergelijke hoopen moeten van boven vlak zijn, zoodat men ze met het vuile huishoudwater, vatenwater, dierlijken afval, bloed, enz. kan laten overgieten. Laat men nu een zoodanigen hoop om de twee maanden met een mestvork flink omzetten, dan zijn de zoo opgehoopte stoffen na verloop van een paar jaar volmaakt verteerd en in aarde veranderd. Deze aarde wordt door een niet al te nauwe zeef gehord, opdat alle grovere deelen, zooals niet-verteerde takjes, scherven, enz. verwijderd kunnen worden en dan op een hoop gezet, dien men hoogstens slechts eens per jaar behoeft om te werken.
Een lichtere grondsoort is de bladaarde. Wanneer het in den herfst afgevallen blad afzonderlijk op een hoop wordt gezet en men er voor zorgt, dezen hoop ook voldoende om te werken, dan verteert het blad langzamerhand en is na 1 1/2 of 2 jaar overgegaan in een donker gekleurde lichte aarde. Veel beter, dan de op deze wijze verkregen aarde, is de zoogenaamde boschgrond, die in beuken- of eikenbosschen gevonden wordt. Een liefhebber, die slechts weinig van dezen grond noodig heeft, kan dien, met toestemming van den eigenaar, zeer gemakkelijk in het een of andere bosch opzoeken. Men begeeft zich daartoe eenigszins diep in het eigenlijke bosch, verwijdert de bovenste bladlaag, die den bodem bedekt en waaronder dan een laag, meer of minder dik, van een zeer lichte, zachte grondsoort gevonden wordt. Deze aardlaag is de zoogenaamde boschgrond.
Een voor vele planten zeer geschikte grondsoort is de heidegrond. Deze aarde is, wanneer men ze door een fijne zeef gehord heeft, uitstekend geschikt om op te zaaien of om in te stekken. Ongehord is het een zeer ruwe grond, die, hetzij onvermengd, hetzij met toevoeging van andere grondsoorten, veel gebruikt wordt. De heidegrond vindt men op de heide of in bosschen, waar veel heidekruid, boschbessen en dergelijke planten groeien. Men vindt hem gewoonlijk in slechts enkele centimeters dikke lagen. Daar de bedoelde plantensoorten in hoofdzaak slechts op zandgronden groeien, is de heidegrond in de meeste gevallen met meer of minder zand vermengd.
Arm aan zand is een andere grondsoort, die men ook tamelijk veel aantreft, namelijk de veengrond. Deze grond wordt gevonden in veenachtige weiden en daar hij nogal dikwijls zuurachtig is, doet men wijs hem vóór het gebruik een paar jaar aan de lucht bloot te stellen. Zeer raadzaam is het vooral, een hoop veengrond des winters enkele malen goed te laten omzetten, opdat de vorst er goed op kan inwerken. Sommige plantensoorten als Alpen-rozen, Azalea's, Erica's groeien in met zand vermengden veengrond beter dan in iedere andere aarde.
Een zeer goede en lichte grondsoort is ook nog de houtaarde. Deze kan men slechts zelden in groote hoeveelheden verkrijgen. In de meeste gevallen wordt zij aangetroffen in holle boomen, vooral Wilgen. In grootere hoeveelheden wordt deze ook wel gevonden bij groote houtzaagmolens. Wanneer men daar op plekken, waar de boomen van de schors ontdaan worden, de ruwe oppervlakte wegruimt, dan treft men er een zwarte zachte aarde onderaan. Deze kan men, wanneer zij uitgehord is, direct gebruiken. Hetzelfde ontstaat, wanneer zaagsel enkele jaren op een hoop gezet en omgewerkt wordt. Hoewel deze grond voor enkele planten zeer goed is, zal het altijd eenigszins lastig zijn, hem in voldoende hoeveelheden te verkrijgen.