Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer
Chapter 19
Zeer interessant en dankbaar is de cultuur van Knolbegonia's uit zaad. De stoffijne zaden moeten zeer voorzichtig gezaaid worden, wat men het best doet in schotels, die goed gedraineerd en met een zeer fijn gezeefd grondmengsel gevuld zijn. Voor aarde gebruikt men het best bladgrond, vermengd met veel zand. Ook kan men de zaden uitzaaien op een stukje vezelgrond of een schijfje losse turf, dat men in een schotel legt. Voor het gieten behoeft men dan slechts wat water in den schotel te gieten, dat dan door den turf wordt opgezogen. De beste tijd om te zaaien is einde Februari of begin Maart. Na de zaden gezaaid te hebben, worden de schotels met een glasschijf gedekt, voor het venster van het woonvertrek gezet en tegen te felle zon beschermd. Bij een gemiddelde temperatuur van 60° Fahr. kiemt het zaad in hoogstens 14 dagen. De nu opkomende zaailingen zijn zeer fijn en vooral moet men dus, wanneer zij dicht op elkander staan, zeer voorzichtig zijn met gieten, daar zij zeer gemakkelijk wegrotten. Om dit te voorkomen, is het voorzichtig niet te lang met repikeeren te wachten. Dit moet uiterst voorzichtig geschieden, aangezien de zaailingen, zooals gezegd is, zeer klein, maar ook zeer broos zijn. Men repikeert de plantjes in dezelfde aarde, waarop men gezaaid heeft, en plant ze op een onderlingen afstand van ongeveer 1 cM. uit. Zoodra zij zóó groot geworden zijn, dat zij elkander raken, moet men weder repikeeren; zij kunnen nu in iets grovere aarde geplant en op een onderlingen afstand van 3 cM. gezet worden. Raken de bladeren elkander nu weer aan, dan worden de plantjes afzonderlijk in kleine potjes geplant. Bij een goede behandeling beginnen de in Februari gezaaide Begonia's reeds in Juni of Juli te bloeien, zij vormen dan vóór den rusttijd nog vrij flinke knollen.
De enkelbloemige Begonia's laten zich, wanneer de zaden van goede bloemen gewonnen zijn, tamelijk constant uit zaad voortkweeken. Met de gevuldbloemige variëteiten gaat dit echter niet zoo gemakkelijk. Zaait men deze uit, dan zal zich onder de zaailingen een groot aantal enkele of half gevulde verscheidenheden bevinden. Constant kan men de gevuldbloemige dan ook alleen door stekken vermenigvuldigen, die wel zeer goed wortelen en bloeien, doch gewoonlijk geen knol, maar slechts een verdikking van den stengel vormen, welke zeer slecht overwintert.
Canna. De oude Canna-soorten en variëteiten zijn algemeen bekende planten, die voor groepen zeer veel gebruikt worden. Zij hebben een dikken, knolvormigen wortelstok, waaruit zich in de lengte kruidachtige stengels ontwikkelen, die somtijds 2 1/2 à 3 M. hoog kunnen worden, en die groote, ovale, groene, roode of gestreepte bladeren dragen. Uit deze stengels ontwikkelt zich ten laatste een tros onbeteekenende roode of gele bloemen, die zeer onregelmatig gevormd zijn. In de laatste jaren heeft men echter gedrongen groeiende, zeer schoon en rijk bloeiende variëteiten gewonnen, waardoor de Canna's ook voor pot- en venstercultuur waarde hebben verkregen. Er zijn twee groepen fraai bloeiende Canna's, namelijk de variëteiten van Canna gladioliflora en de Crozy Canna's, welke laatste het eerst door den Franschen kweeker Crozy zijn gewonnen, en die uitmunten door haar schitterend gekleurde bloemen. De bloemen der Canna gladioliflora hebben in haar voorkomen wel wat van Gladiolus-bloemen; zij zijn echter onregelmatiger gevormd; de Crozy Canna's daarentegen kenmerken zich door veel regelmatiger gevormde bloemen. De kleuren der grootbloemige Canna-soorten doorloopen alle schakeeringen tusschen geel en donkerrood, en deze soorten kenmerken zich vaak door fraai gevlekte of gestreepte bloemen.
De cultuur van deze schoone zomerbloeisters, die gelijke waarde hebben als blad en als bloemplanten, is zeer eenvoudig. Al naar wij ze vroeger of later in bloei willen hebben, worden de rustende knollen in Februari-April opgepot. Vóór het oppotten en ook nog later, wanneer de knollen reeds goede oogen ontwikkeld hebben, kan men ze, door ze in stukken te snijden, vermenigvuldigen, waarbij men er op moet letten, dat ieder gedeelte minstens één oog moet behouden. Het snijvlak, dat een dikke, kleverige vloeistof afscheidt, wordt dan met houtskoolpoeder bestrooid. Voor het oppotten moet tamelijk zware en goed voedzame, rijkelijk met zand vermengde grond gebruikt worden. Het beste grondmengsel is 2/3 broeiaarde en 1/3 klei- of graszodengrond. De potten, die men gebruikt, moeten zóó groot zijn, dat de knol er juist goed in past. Zij worden nu zoo warm mogelijk gezet en in den beginne matig met lauw warm water begoten; zoodra de scheuten zich krachtig beginnen te ontwikkelen, kan men meer water geven. Tegen het midden van de lente worden de Canna's, door de vertrekken, waarin zij staan, meer en meer te luchten, langzaam gehard, zoodat zij in de eerste dagen van Juni in het bloemenrekje, buiten voor het venster, kunnen gezet worden; of wel, men plant ze tegen dien tijd in de balkonbakjes, waarin zij zich zeer goed zullen ontwikkelen. De in potten gekweekte Canna's moeten gedurende den zomer rijkelijk gegierd en verscheidene malen verpot worden. Zet men de planten in het najaar voor het venster van het woonvertrek, dan zullen zij dikwijls tot diep in den winter doorbloeien.
Is de Canna uitgebloeid, dan geeft men haar langzamerhand minder water, neemt ze, na het afsterven der bladeren, uit den pot, snijdt alle scheuten eenige centimeters boven den knol af, kort de wortels diep in en laat de zoo schoongemaakte knollen op matig vochtig zand in een vorstvrijen kelder of in een koele achterkamer overwinteren. Hoe vroeger een Canna afsterft, des te vroeger kan zij weder aan den groei worden gebracht.
Behalve op de boven aangegeven wijze door deeling, laten de Canna's zich ook door zaden voortkweeken. De groote, harde zaden legt men eenige dagen in lauw warm water te weeken, waarop zij ieder afzonderlijk in een potje worden gezaaid. Geeft men ze voldoende warmte en vochtigheid, dan zullen zij vrij spoedig kiemen.
Colchicum (Herfsttijdeloos). Een schoone vorm van de in sommige streken van ons land wild voorkomende Herfsttijdeloos is de Colchicum autumnale speciosum. Deze variëteit wordt tegenwoordig door vele bollenkweekers in het groot gekweekt en komt dan ook iederen herfst aan de markt. De mooie, goed gekweekte knollen, die tot 300 gram zwaar kunnen worden, en door de zaadhandelaars ieder najaar worden aangeboden, hebben al de stoffen, die zij tot de ontwikkeling van haar bloemen noodig hebben, in het voorjaar in zich opgenomen. De knollen kunnen in iederen grond worden geplant; men kan ze op met vochtig zand gevulde schotels zetten of ook wel droog op een vensterbank of étagère. Wanneer men ze zoo heeft staan, is het zeer aardig om te zien, hoe zich snel na elkander van 10 tot 30 fraaie licht violette bloemen uit den knol ontwikkelen, zonder dat deze één enkel blad draagt. Onze afbeelding (Fig. 118) toont een drogen knol, prijkende met zijn bloemen.
Evenals bij al de Colchicums verschijnen ook bij deze de bladeren eerst in het voorjaar, zij moet daartoe echter opgepot worden. De droge knol ziet er natuurlijk na den bloei verschrompeld uit. Tijdig opgepot, kan hij ook het tweede jaar weder bloeien, mits hij, tot aan het begin van zijn rusttijd, koel en vochtig gehouden wordt.
Crinum. Onder de fraaie bloemplanten, die voor de kamer geschikt zijn, nemen ook de Crinums een voorname plaats in. Deze fraaie bolgewassen, die tot de familie der Amaryllideeën behooren, hebben geen absoluten rusttijd; zij blijven dus steeds groen. De verschillende soorten behooren thuis aan de Kaap de Goede Hoop. In tropisch Azië, in Amerika en Nieuw-Holland. Zij dragen fraaie breede of ook wel riemvormige bladeren en groote bloemschermen.
Zeer schoone soorten zijn: Crinum Yemense, met atlas-witte zeer welriekende bloemen en Crinum Kirkii met groote, witte, purper gestreepte bloemen.
De Crinums hebben zeer groote, dikke bollen, met talrijke vleezige wortels; zij moeten dus in behoorlijk groote potten gekweekt worden. Als grondmengsel gebruikt men 1/2 deel bladaarde en 1/2 deel vetten graszodengrond, vermengd met veel zand. Oudere exemplaren behoeven slechts om de twee jaar verpot te worden.
De cultuur is zeer eenvoudig. Gedurende den winter worden de planten betrekkelijk, doch niet geheel, droog gehouden; des zomers verlangen zij echter veel water, en het beste doet men dan ze in den tuin, liefst op een beschaduwde plek, of anders op het balkon, te zetten. Een bloeiende Crinum levert een prachtig gezicht op.
De voortkweeking geschiedt door kweekbolletjes, die van de oude plant, bij het verpotten, afgenomen worden.
Cyclamen (Alpenviooltje). Wie kent niet het lieve Alpenviooltje, met zijn mooie niervormige, veelal fraai geteekende bladeren en zijn zacht gekleurde, dikwijls welriekende bloemen? Nòch het in het voorjaar bloeiende Europeesche Alpenviooltje, Cyclamen europæum, nòch de andere harde Alpensoorten hebben als kamerplanten waarde. Een zeer gewaardeerde kamerplant is echter de Cyclamen persicum, waarvan gedurende den langen tijd, dat zij gekweekt wordt, talrijke schoone variëteiten zijn gewonnen. Hoewel de naam op Perzië duidt, behoort deze soort daar toch feitelijk niet thuis, daar zij van het eiland Cyprus afkomstig is. Waar men des winters bloemen kweekt, is ongetwijfeld ook de Cyclamen te vinden, daar zij naast de Primula een der dankbaarste winterbloeisters is. Hoewel de Cyclamen voor den leek niet de minste overeenkomst met de Primula vertoont, behoort zij toch tot dezelfde familie, namelijk die der Primulaceeën.
Uit een vlakken, schijfvormigen knol, die op de aarde rust, ontspringen de lang gesteelde, bijna altijd fraai geteekende bladeren, die zich bij vrijstaande planten gelijkmatig naar alle zijden uitspreiden, zoodat dan de plant den vorm van een halven kogel verkrijgt. Gedurende den zomer ontwikkelen zich tusschen de bladstelen de bloemknoppen, dikwijls bij tientallen te gelijk. Zij groeien gewoonlijk van September af langzaam door, verheffen zich boven de bladeren en ontplooien dan haar fraaie bloemen, die door de naar boven geslagen, vaak spiraalsgewijze gewonden bloembladeren, een zeer interessant voorkomen hebben. Hoe zuiverder en schitterender de bloembladeren zijn, des te schooner is de bloem. Naast de zuiver witte kleur, die echter niet dikwijls voorkomt, doorloopen de bloemen alle tinten tusschen het zachte rose en het vurigste rood. Ook komen er witte bloemen voor met roode strepen of vlekken en omgekeerd; zelfs gevulde variëteiten worden aangetroffen, doch deze laatsten zijn in schoonheid en sierlijkheid niet te vergelijken met de enkelbloemige. De oorspronkelijke Cyclamen kenmerkt zich door een wel wat scherpen doch overigens aangenamen geur; maar de kweekers der nieuwere variëteiten hebben er zich, jammer genoeg, nog niet op toegelegd welriekende te kweeken.
De fraaie Cyclamen persicum wordt tegenwoordig in bijna alle kweekerijen in groote getale gekweekt. De liefhebber koopt ze meestal tegen het najaar en de prijzen loopen daarbij sterk uiteen, al naar de variëteit en de grootte der plant, die men verlangt. Bij het koopen moet men er op letten steeds exemplaren te nemen, waarvan de knol zich boven de aarde bevindt en niet die, waarvan hij in de aarde geplant is; vervolgens moet men toezien, dat men goed bewortelde planten verkrijgt, die in den pot gekweekt zijn en ook, dat de bladeren van de te koopen planten niet waggelen of hangen, niet met stokjes en bast zijn opgebonden, maar stevig aan den knol bevestigd zijn. Ook moet men nooit in Augustus bloeiende Cyclamen koopen, daar deze spoedig met bloeien ophouden. De beste tijd om ze te koopen is in October; men moet dan planten nemen, die goed beknopt zijn en waarvan de eerste bloemen beginnen te ontluiken.
Gewoonlijk sterven de gekochte planten na korteren tijd, ook al zijn zij nog zoo krachtig, af, wijl zij verkeerd behandeld worden. Hoewel de Cyclamen den geheelen winter bloeit, wil zij, evenmin als de Primula, warm staan; zij is geen plant voor de woonkamer en gewoonlijk is zij te breed om tusschen dubbele vensters geplaatst te worden. Ook vorst kan zij niet verdragen, zoodat de beste plaats, die men haar geven kan, een lichte plek op de vensterbank van een kamer met een gemiddelde temperatuur van 45°-55° Fahr. is. Op zulk een plaats gezet, zullen de bloemen zich na elkander ontwikkelen en niet zelden zullen er 20 à 30 tegelijkertijd open zijn. De planten moeten af en toe met slappe gier begoten en matig vochtig gehouden worden. Bij het begieten moet men goed oppassen, dat er geen water tusschen de bladeren en op den knol blijft staan; hierdoor toch zouden niet alleen de bloemknoppen, doch ook de knollen zeer gemakkelijk gaan rotten, in welk laatste geval de plant zeker verloren is. Uitgebloeide bloemen en geel geworden bladeren moeten voorzichtig bij den knol worden afgesneden.
Nadat de bloei geëindigd is, begint de Cyclamen te rusten. Hoewel de kweeker meestal de uitgebloeide planten, als ze wat oud worden, wegwerpt en de oude knollen niet meer waard acht verder te kweeken, kunnen de liefhebbers ze verscheidene jaren bewaren en tot bloei brengen. Om dit te bereiken moet men ze op de volgende wijze behandelen: De uitgebloeide Cyclamen worden langzamerhand minder begoten, waardoor zij gaandeweg afsterven. In Juni zijn de knollen ontbladerd en men doet het best ze dan op een beschaduwde plek in den tuin te zetten. Hier laat men ze rustig staan; doch, wijl de wortels niet geheel afsterven, maar in leven blijven, moet men ze af en toe een weinig begieten, ten einde te voorkomen, dat de aarde geheel uitdroogt. Tegen het begin van den regentijd, in September, beginnen de knollen weder teekenen van leven te geven; zij worden dan voor den dag gehaald en in een mengsel van gelijke deelen broei- en blad- of heideaarde, goed met zand vermengd, opgeplant, voor een venster met morgenzon gezet en gelijkmatig begoten.
De voortkweeking van de Cyclamen geschiedt door zaden. Men kan zelf zeer goed zaden verkrijgen van in het voorjaar bloeiende bloemen, mits men deze bevrucht. Daar men niet gemakkelijk met een penseel bij de meeldraden kan komen, moet men de bevruchting op een andere wijze volvoeren. Op een zonnigen dag stoot men tegen den middag met duim en middelsten vinger krachtig tegen de bloem, zoodat deze flink heen en weer geschud wordt; het stuifmeel komt dan als een wolkje te voorschijn, wat voldoende is, om de bevruchting te doen plaats hebben. De bevruchte bloem bloeit snel uit, haar steel buigt zich over den potrand heen en na verloop van eenige weken rijpen in een bolvormige vrucht de tamelijk harde zaadkorrels. In Augustus worden de versche zaden in potten of schalen gezaaid; zij worden warm en gelijkmatig vochtig gehouden, waarop de kieming binnen 4-6 weken volgt. De zaailingen, die al heel spoedig een knolletje vormen, worden op de vensterbank gezet, tegen felle zon geschermd en, zoodra zij het tweede of derde blad vormen, gerepikeerd. Gedurende den winter worden de jonge plantjes nogmaals gerepikeerd en in het voorjaar kunnen zij dan afzonderlijk in kleine potjes worden opgepot. De kweeker houdt zijn Cyclamen van den beginne af aan in een bak dicht onder het glas, totdat zij volgroeid zijn; de liefhebber moet zich echter met de vensterbank behelpen. De jonge Cyclamen, die niet, zooals de oude knollen, des zomers rusten, doch steeds doorgroeien, moeten in den loop van den zomer nog een paar keeren verpot worden; ook moet men bij zonnig weer voor behoorlijk schermen en spuiten zorgen. Hoewel men zoodoende vrij goede planten kan kweeken, zullen zij zich toch nooit zoo fraai ontwikkelen als in een bak, zoodat wij den liefhebbers, die niet zeer veel zorg aan hun planten kunnen besteden, aanraden liever jaarlijks eenige planten bij een vertrouwd kweeker te koopen.
Eucharis. Tot de fierste en te gelijk fraaiste winterbloeisters moet zeker wel de Eucharis gerekend worden. De verschillende soorten van het geslacht Eucharis behooren in tropisch Amerika thuis en wetenschappelijk vertoonen haar bloemen slechts een zeer gering verschil. In de kweekerijen treft men meestal vijf verschillende soorten aan; namelijk: Eucharis candida, Eu. grandiflora, Eu. Sanderiana, Eu. Mastersii en Eu. amazonica. De laatste soort wordt verreweg het meest gekweekt, waarom wij dan ook door Fig. 120 een zeer schoon exemplaar er van afbeelden. De Eucharis is een bolgewas, en haar bloemen toonen eenige overeenkomst met de Tazette, wat niet te verwonderen is, daar zij tot dezelfde familie behoort, namelijk tot die der Amaryllideeën; een familie, waaruit we reeds vele fraaie winterbloeisters vermeld hebben.
Onze fraaie afbeelding zal menig liefhebber den wensch doen koesteren zulk een schoone plant te bezitten. De vervulling van dezen wensch behoort wel tot de mogelijkheden, want zij zijn nòch moeilijk te verkrijgen, nòch duur; toch meenen wij tegen een overijlde aanschaffing er van te moeten waarschuwen. De Eucharis wordt wel algemeen als kamerplant aanbevolen, maar wij durven deze aanbeveling niet zonder voorbehoud onderschrijven. Slechts dien liefhebbers, die zeer veel ondervinding op het gebied van kamercultuur hebben, durven wij aanraden deze plant te kweeken. Hij, die lastige Amaryllissen en Orchideeën met succes in een kamer kweekt, kan zonder twijfel zijn krachten ook wel eens aan deze planten beproeven, andere liefhebbers moeten wij haar echter, met het oog op haar lastige cultuur, ontraden.
De Eucharis behoort tot die bolgewassen, welke niet geheel afsterven, zij moet dus ook gedurende haar rusttijd begoten worden. Veel water mag zij dan echter niet hebben; slechts genoeg om te voorkomen, dat de wortels en de bladeren verdrogen. Gedurende dezen rusttijd moeten zij ook luchtiger en koeler gehouden worden dan anders. Wenscht men des winters bloeiende Eucharissen te hebben, dan moet men het zoo trachten in te richten, dat de groeiperiode tegen Augustus eindigt. De Eucharissen groeien liefst gezellig, het kweeken van iederen bol afzonderlijk is dus zeer ondankbaar, zij bloeien dan zelden, of in het geheel niet. Het is daarom ook niet geraden om, zooals men bij de meeste bolgewassen doet, de kweekbolletjes spoedig te verwijderen; doet men dit bij de Eucharis, dan zal men weinig pleizier van haar beleven. Bij het aanschaffen tracht men flinke, groote exemplaren, dus echte bolkolonies te verkrijgen, en deze laat men, zonder ze te scheuren, doorgroeien, al worden zij ook nog zoo breed. Zulke groote planten bloeien zeer dankbaar en meestal wel twee keeren per jaar, eens in den voorzomer en eens in den winter.
Voor de cultuur van de Eucharis moet men geen gewone potten, doch zoogenaamde schalen gebruiken, die veel breeder zijn dan diep, natuurlijk mogen zij niet al te ondiep zijn, en ook moeten zich talrijke drainage-gaatjes in den bodem bevinden. Oudere exemplaren behoeven niet jaarlijks verpot te worden; is dit echter noodig, dan moet het na het einde der rustperiode geschieden. Wil men verpotten, dan wordt de plant uit den pot genomen, en worden de vleezige wortels voorzichtig losgemaakt, waardoor een deel der oude aarde er tusschen uitvalt. Aan de gezonde wortels mag nooit gesneden worden. Als aarde gebruikt men een voedzamen, doch zeer groven grond, het best is een mengel van twee deelen half verteerde bladaarde, waar de fijne aarde door zeven uit verwijderd is, één deel brokkeligen graszodengrond, één deel ouden koemest (in de meeste kweekerijen wel te verkrijgen) en één deel scherp zand. Wil men succes met zijn Eucharissen hebben, dan moeten zij op een lichte plaats staan met een gemiddelde temperatuur van 55°-65° Fahr. Tegen te felle zon moet geschermd worden, terwijl men, door herhaaldelijk te spuiten, de lucht voldoende vochtig moet houden. Heeft men gezonde exemplaren, dan moet men niet vergeten, die van tijd tot tijd te bemesten. Het best zal de Eucharis steeds in een kamerkasje groeien, waarin zij tegen tocht en droge lucht beschermd is.
Hæmanthus. De Hæmanthussen zijn sierlijke Amaryllideeën, afkomstig van de Kaap de Goede Hoop. Zij hebben dikke bollen en betrekkelijk korte, zeer breede, stevige bladeren. In het voorjaar ontspruit tusschen deze bladeren de tamelijk korte, vleezige bloemsteng, die een, uit dicht op elkander geplaatste witte of roode bloempjes bestaand bloemscherm draagt. Door de ver uitstekende meeldraden hebben deze bloemen een zeer eigenaardig voorkomen. Zeer in trek zijn de Hæmanthus coccineus, met scharlakenroode bloemen; de Hæmanthus albiflos, die zeer op de voorgaande gelijkt, doch er van verschilt, doordat de bloemen wit en de meeldraden, geel zijn en de Hæmanthus Kalbreyeri, met fraaie, lichtroode bloemen.
De behandeling van de Hæmanthus is zeer eenvoudig. Des zomers kweekt men ze in het op de zon gelegen bloemenrekje buiten voor het venster, des winters daarentegen in een matig warme kamer. De verplanting moet geschieden na den bloei en in tamelijk zwaren grond. Bij het verplanten moet men de wortels zeer ontzien. Men moet er op passen gedurende den winter niet te veel water te geven. De vermenigvuldiging geschiedt door kweekbolletjes.
Hymenocallis (Pancratium). De Pancratiums staan zeer dicht bij de Eucharis en behooren ook tot de familie der Amaryllideeën. Het zijn bolgewassen met groote bollen, lange, tamelijk breede, riemvormige bladeren en op krachtige bloemstengen staande, schermvormige bloeiwijzen. De zachte vanieljegeur, dien zij verspreiden, is zeer aangenaam. De bloemen zijn pijpvormig, boven op dit pijpje zit een verbinding van meeldraden en vormt daar als het ware een trechter, ongeveer gelijk als die der Tazette; om dezen trechter staan stervormig de lange, witte, lijnvormige, teruggeslagen bloembladeren, die aan het geheele bloemscherm een los voorkomen geven.
De Pancratiums hebben, evenals verscheidene andere bolgewassen, geen absolute rustperiode, wat niet wegneemt, dat zij toch wel degelijk rusten. Zij behouden echter gedurende haar rusttijd de bladeren. De bollen worden gekweekt in een mengsel van blad- en broeiaarde, ouden graszodengrond en zand. Men behoeft ze niet alle jaar te verplanten, wanneer men ze in haar groeitijd nu en dan giert. Bij het verplanten, dat met het begin van den groeitijd moet gebeuren, schudt men al de oude aarde tusschen de dikke wortels weg, en snijdt de zieke wortels met een scherp mes af. Gedurende den rusttijd wordt weinig gegoten, ook behoeft men haar dan geen lichte plaats te geven. Bij het begin van den groeitijd zet men de planten voor het venster van een vertrek, dat op 60°-65° Fahr. verwarmd wordt. Des zomers heeft zij zooveel water noodig, dat men den pot in een schotel met water kan zetten.
Een zeer goede soort om in de kamer gekweekt te worden is de Pancratium caribæum van de Canarische eilanden; ook de Pancratium speciosum van de Antillen is een zeer dankbare en fraaie plant.
De voortkweeking van deze planten geschiedt het best door kweekbolletjes, die bij het verplanten van de moederplant worden afgenomen en afzonderlijk in potjes worden geplant.
Lilium (Lelie). De Lelies, de overal bekend en in trek zijnde bolgewassen, behooren tot de familie der Liliaceeën. Deze prachtige bloemplanten, die vooral voor den tuin groote waarde hebben, worden in Japan met groote voorliefde gekweekt en van daar in grooten getale in Europa ingevoerd. Zij ontwikkelen somtijds stengels van een aanmerkelijke lengte, die met lancetvormige bladeren bezet zijn en die dikwijls door tal van rijke, groote, zeer fraai gekleurde bloemen gekroond worden. De zes bloemdekbladeren, die de bloem vormen, geven haar nu eens het voorkomen van een pijpvormigen trechter, dan weer zijn zij elegant teruggeslagen en de stamper en meeldraden steken dan boven de fraai gevormde bloem uit.