Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer

Chapter 18

Chapter 183,675 wordsPublic domain

De Clivia is een zeer harde plant, die men desnoods gedurende den zomer buiten kan kweeken, doch het gansche jaar door in de kamer gehouden, groeit zij ook zeer goed, mits men er voor zorgt, dat zij noch in de volle zon, noch te warm staat; daar zij in het eerste geval brandvlekken krijgt, en in het tweede geval door insecten wordt aangetast.

De dikke vleezige wortels der plant toonen reeds aan, dat zij een zwaren, voedzamen grond verlangt. De jonge planten moeten jaarlijks, de oudere om de twee jaar in zulke aarde verplant worden. Houdt men haar gelijkmatig vochtig en vooral zindelijk, dan ontwikkelt de Clivia van 4-6 bladeren per jaar.

Des winters behoeft men haar geen hoogere temperatuur te geven dan, 45° Fahr., hoewel de Clivia's ook zeer goed voor het venster van een verwarmde kamer groeien. In elk geval is het voorzichtig de koud gehouden planten wat warmer te zetten, zoodra men bemerkt, dat zich tusschen de bladeren een jonge bloemsteng bevindt. Warm gehouden, bloeien deze planten vaak reeds tegen Kerstmis of Nieuwjaar.

De vermenigvuldiging der Clivia geschiedt door middel van uitloopers, die men, bij het verpotten, zóó afsnijdt, dat er eenige wortels aan zitten. Deze scheuten worden dan in betrekkelijk kleine potten opgepot. Ook kan men oude planten zeer goed scheuren, wanneer men zorgt, de beschadigde wortels met een scherp mesje weg te snijden. Ook uit zaden kan men zeer goed jonge planten kweeken, welke echter pas na verloop van enkele jaren bloeibaar worden.

Hedychium. De Hedychiums zijn fraaie, Indische planten, met knolvormige wortelstokken, waaruit zeer sterke, met ongeveer 12 cM. lange bladeren bezette stengels ontspruiten. Iedere krachtig ontwikkelde stengel vormt, nadat hij volwassen is, aan den top een mooie, dikwijls uit zeer welriekende bloemen bestaande aar. De meest verspreide soort is de Hedychium Gardnerianum, met citroengele bloemen.

De Hedychiums verlangen een zeer voedzame, zware aarde; zij moeten gedurende haar groeitijd rijkelijk begoten worden, terwijl zij des winters betrekkelijk, doch niet geheel, droog gehouden moeten worden, wijl zij dan wel rusten, doch niet afsterven. Des zomers kan men deze plant ook wel buiten kweeken; des winters moet zij echter op een lichte plaats in de warme kamer worden gezet.

De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door scheuren der oude plant.

Impatiens Sultani. Deze Impatiens is een der fraaiste soorten voor de kamer; zij behoort op Zanzibar en in tropisch Afrika thuis. De gemakkelijke groei en de onophoudelijke ontwikkeling der schitterend roode bloempjes maken haar tot een der sierlijkste bloemplanten. De bloemen staan vrij boven de bladeren uit, wat een aanmerkelijk voordeel van deze soort boven vele andere Balsaminen is, welker bloemen onder de bladeren verborgen liggen.

Beter nog dan in een kas groeit de Impatiens Sultani, wanneer zij voorzichtig behandeld wordt, vóór een op de morgenzon gelegen venster. Zij groeit en bloeit daar onophoudelijk, winter en zomer door, waardoor zij zeer veel genoegen verschaft. Zij moet in zeer voedzamen grond gekweekt worden, terwijl men haar des zomers zeer rijkelijk en des winters spaarzaam moet begieten.

Eenige jaren geleden is een nieuwe soort, de Impatiens Holstii in den handel gebracht, waarvan fraaie verscheidenheden zijn gewonnen. Ook deze zijn voor kamercultuur zeer goed geschikt.

De vermenigvuldiging geschiedt door zaaien en stekken. De stekken maken zeer gemakkelijk wortel en de algemeene opinie is, dat stekplanten beter bloeien dan zaadplanten.

Mimosa pudica (Kruidje-roer-mij-niet.) Deze Mimosa is een overblijvend plantje uit Brazilië, dat echter meestal als éénjarig wordt behandeld. De lichtpaarse, kogelvormige bloemhoofdjes onderscheiden zich slechts door de kleur van die der Acacia's, aan welk geslacht zij dan ook zeer nauw verwant is. De fraaie, dubbel gevederde bladeren zijn lichtgroen van kleur. Zeer interessant is het Kruidje-roer-mij-niet door de gevoeligheid der bladeren. Het geringste tochtje en de minste aanraking veroorzaken het te-zamen-buigen en neerhangen der blaadjes en bladstelen. De snel op elkander volgende bewegingen zijn drievoudig; de kleine zijblaadjes buigen zich naar elkander toe, en richten zich tegelijkertijd naar voren, zoodat zij elkander gedeeltelijk bedekken, daarna buigen zich de vederblaadjes dragende bladstelen naar beneden en ten slotte gaat het geheele blad langs de plant hangen. Na een korten tijd nemen de bladeren hun gewonen stand weder in. Op welk punt men het blad ook aanraakt, de gevoeligheid plant zich over het geheele blad voort. Gedurende den nacht hangen de blaadjes dezer Mimosa slap bij de plant neer; een toestand, dien men met slapen zou kunnen vergelijken. Oude bladeren verliezen hun gevoeligheid en ook de jonge blaadjes doen dit, wanneer men ze te veel aanraakt.

Het Kruidje-roer-mij-niet verlangt veel vochtigheid en ook een vochtige lucht, zoodat het bijna uitsluitend in het kamerkasje moet gekweekt worden. In Februari of Maart worden de zaden, nadat zij een paar dagen in lauw water geweekt zijn, gezaaid. Zij hebben dan een temperatuur van ongeveer 65° noodig om te kiemen. De jonge zaadplantjes kunnen spoedig afzonderlijk opgepot, en moeten later in potjes van 10 cM. wijdte gezet worden. Men moet zorgen voor een voedzamen grond en voor een rijke begieting. Het is een zeer ondankbaar werk, deze plantjes te laten overwinteren, waarom men beter doet jaarlijks jonge plantjes uit zaad te kweeken.

Peperomia resedæflora. Deze Peperomia is een kleine, maar zeer dankbare plant, met lichtgroene, wortelstandige, bijna geheel ronde bladeren. Boven deze bladeren verheffen zich des zomers lange, bebladerde bloemstengels, die kleine, witte bloemaartjes dragen, welke bij oppervlakkige beschouwing aan de bloemtrosjes van Reseda doen denken.

Deze Peperomia moet in zandige broeiaarde gekweekt worden, terwijl men haar des winters warm en tamelijk droog moet houden. Des zomers groeit en bloeit zij uitstekend voor het venster, hoewel men haar, mits op een beschaduwde plek, ook buiten kan zetten.

De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door stekken, die bestaan uit één blad met een stukje van den stengel. Deze stekken zet men ieder afzonderlijk in een potje en plaatst ze daarna in het kamerkasje.

De tusschen het blad en den stengel gezeten knop zal spoedig gaan doorgroeien, wortel schieten en een jonge plant vormen. Ook door de verdeeling der oude plant kan men haar vermenigvuldigen.

Pilea muscosa (Kanonnierplantje.) De kanonnierplantjes zijn schijnbaar onbeduidende, tot de brandnetels behoorende plantjes. Zij zijn aanbevelenswaardig door haar gemakkelijke cultuur en door een interessante eigenschap. Dompelt men een, met haar bijna onzichtbare bloemknopjes dicht bezette plant in koud water, en haalt men haar direct weder daaruit, dan breken weldra de meeldraden uit de knoppen; de helmknopjes springen met een ruk open en werpen het zeer fijne stuifmeel uit, dat dan als een plotseling verschijnend rookwolkje uit het plantje schiet. Dit kan zóó sterk geschieden, dat de plant als het ware in een rookwolk is gehuld.

In goede aarde geplant, groeit de Pilea, die des winters slechts matig vochtig moet gehouden worden, zeer gemakkelijk voor het venster. De voortkweeking kan op iederen tijd van het jaar geschieden door stekken, die vlug wortelen.

Torenia. Door de pracht van haar zeer sierlijk gekleurde bloemen heeft de uit Azië afkomstige Torenia een groote waarde als bloemplant. De bloemen zijn trechtervormig en aan de voorzijde wijd uitgespreid; zij zijn schitterend blauw met een witte vlek in de keel. De kleine plantjes, die ovale blaadjes bezitten, hebben echter nogal behoefte aan veel warmte.

De voortkweeking geschiedt door stekken, doch de liefhebber doet veel wijzer, deze planten in het voorjaar uit zaad te kweeken en ze in het najaar weg te werpen, daar de overwintering in een kamer niet altijd gelukt. Enkele soorten der Torenia o.a. de Torenia asiatica heeft hangende stengels, en kan dus zeer goed als ampelplant gebruikt worden.

Men moet de Torenia dikwijls verpotten in goede broeiaarde en haar en lichte plaats voor een zonnig venster geven.

De aanbevelenswaardigste soort is Torenia Fournieri. Men kan deze soort direct zaaien in de potten, waarin zij moeten bloeien. Deze potten moeten niet wijder zijn dan 10 cM.; men vult ze tot op 3 cM. onder den rand met aarde, waarop dan gezaaid wordt. Van de opkomende zaailingen laat men de drie sterkste in den pot staan en trekt de andere er uit. Zijn de plantjes groot genoeg geworden, dan vult men den pot tot op een gewonen gietrand met aarde aan, om zoodoende de plantjes goed vast te zetten.

Vinca rosea. Deze sierlijke plant, die ook wel voorkomt onder den naam Lochnera rosea, wordt ongeveer 30 à 40 cM. hoog. Zij is uit Zuid-Afrika afkomstig. De bladeren zijn glad en glanzend groen, de bloemen schitterend rood of wit; deze ontwikkelen zich van het begin van den zomer tot diep in October.

De Vinca rosea is een zeer dankbare kamerplant: zij heeft des zomers gaarne volop water, een zonnige standplaats en goeden, voedzamen grond.

De voortkweeking geschiedt door stekken. Ook als éénjarige plant kan men haar zeer goed behandelen, in welk geval zij in het voorjaar uit zaden moet gekweekt worden.

Bol- en Knolgewassen.

Amaryllis. Het geslacht Amaryllis behoort tot de groote familie der Amaryllideeën, die zeer schoone bloemplanten bevat. Vroeger omvatte dit geslacht veel meer soorten dan tegenwoordig, nu de meeste tot andere geslachten gebracht zijn. Het tegenwoordige geslacht Amaryllis omvat nog slechts de Amaryllis Belladonna met haar variëteiten.

De Amaryllis Belladonna is wel niet een onzer fraaiste kamerplanten, maar als herfstbloeister is zij toch lang niet verwerpelijk. Zij is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop. De ontwikkelde bol, die des zomers in volmaakten rusttoestand verkeert, is vrij groot en eenigszins peervormig. Op een bloemsteng van 50 à 60 cM. hoogte ontwikkelt zich een bloeiwijze van 4 tot 8, gewoonlijk zacht riekende bloemen. Deze bloemen komen, wat den vorm betreft, volmaakt overeen met de gewone Lelie; zij zijn echter niet zoo groot. Bij de oorspronkelijke soort is de kleur zacht rose, maar men heeft thans ook variëteiten met vuurroode, purperkleurige en witte bloemen. De groote, donkergroene bladeren der Amaryllis ontwikkelen zich te gelijk met of na den bloei; zij zijn tamelijk talrijk en groeien den geheelen winter en de geheele lente door, sterven dan langzaam af, waarna de bol weder zijn rustperiode intreedt.

De cultuur dezer plant moet zich natuurlijk naar de hier beschreven levenswijze regelen. De bollen worden tegen het einde van den rusttijd, in Augustus, alleen of met meerdere te zamen, in niet te groote potten gezet. Men gebruikt daartoe zandigen, niet te lichten grond. Na opgepot te zijn, zet men ze voor het zonnige venster van een goed gelucht vertrek, en begiet ze slechts matig, zoo lang, totdat de bloemsteng zich vertoont. De uitgebloeide planten laat men in een koude, doch vorstvrije kamer overwinteren, zij worden matig vochtig gehouden. Zoodra de bladeren beginnen af te sterven, houdt men met gieten op; zijn zij geheel verdord, dan wordt de bol uit den pot genomen, goed schoongemaakt en tot aan den planttijd, half Augustus, droog bewaard.

Zeer groote waarde als kamerplanten hebben de nieuwere variëteiten van de reeds zeer lang in trek zijnde Amaryllis-soorten, die zich door roode of rood met wit gestreepte reusachtige bloemen onderscheiden. Deze soorten sterven niet geheel af, hoewel zij ook tot de bolgewassen behooren. Deze zeer fraaie bloemplanten, die in den winter en de lente haar bloemen ontwikkelen, dragen in de kweekerijen den naam van Amaryllis, hoewel zij eigenlijk tot het geslacht Hippeastrum behooren.

De zeer schoone variëteiten stammen van verschillende soorten, waarvan tegenwoordig nog slechts de Hippeastrum vittatum gekweekt wordt. Al de variëteiten hebben zeer groote, trechtervormige bloemen, die uit zes bloembladeren bestaan. De kleuren varieeren in alle tinten tusschen het zachtste en het vurigste rood.

De schoonste en schitterendste Hippeastrum-variëteiten, die groote, rechtop staande bloemen dragen, zijn gewoonlijk niet gemakkelijk te kweeken, en hebben veel warmte noodig. Eenige meer bescheiden variëteiten zijn echter niet zoo moeilijk.

Bij de cultuur van alle Hippeastrums moet men er op rekenen, dat zij een goede, zware aarde verlangen, samengesteld uit 1/3 blad-, 1/3 broei- en 1/3 graszoden- of kleigrond, vermengd met een goede hoeveelheid zand, terwijl zij in haar rusttijd nooit geheel haar wortels verliezen. Des zomers kweekt men haar voor het geopende venster of in het bloemenrekje; zij verlangen dan rijkelijk water en bescherming tegen de te scherpe zon; zij ontwikkelen dan een aantal riemvormige bladeren. Zoodra zij in het najaar ophouden met groeien, moet men beginnen minder te gieten. Vóórdat de koudere nachten beginnen, zet men de planten in een vertrek met een gemiddelde temperatuur van 50° Fahr. Een bijzondere plaats hebben zij niet noodig. Zooals wij reeds gezegd hebben, rusten de Hippeastrums niet volmaakt, daar de wortels niet afsterven; men moet ze dus des winters ook een weinig begieten. Veel water mogen zij echter niet hebben, en de aarde moet altijd meer droog dan vochtig zijn. Soorten, waarvan de bladeren afsterven, worden minder, die, welke ze behouden, iets ruimer begoten. De potten met kleine, nog niet bloeibare bollen, kunnen tot aan de lente in een koele achterkamer blijven staan, de bloeibare planten kunnen echter, na eenigen tijd gerust te hebben, in een warmer vertrek gezet worden. Het ligt in de hand van den liefhebber om den bloei te bespoedigen of te vertragen. Zet men de bollen warm, zonder ze te begieten, dan zullen de bloemstengen zich weldra vertoonen. Een spoedige bloei wordt zeer zeker bereikt, wanneer men de warm staande bollen zóó lang droog houdt, totdat de bloemsteng geheel voor den dag getreden is en aan den top de door een schutblad omgeven knoppen toont. Van nu af aan moet geregeld gegoten worden, natuurlijk met water, dat de temperatuur van het vertrek heeft. De bloemsteng zal zich dan flink gaan ontwikkelen, en, al naar de soort, zullen de bladeren gelijktijdig of pas na den bloei verschenen. Het is geraden, wanneer men op kamercultuur aangewezen is, de bollen niet vóór Maart warm te zetten, ten einde den bloei tot die maand tegen te houden.

Nadat de bloei geëindigd is, begint het tweede gedeelte der cultuur. De bollen moeten nu verplant worden. Men neemt ze uit de potten, schudt al de oude aarde tusschen de vleezige wortels uit en snijdt met een scherp mesje alle zieke wortels weg. De nieuwe pot moet zoo groot zijn, dat de wortels er gemakkelijk in passen, doch meer niet; ook moet hij, vóór het gebruik, goed schoongemaakt worden.

Bij het planten moet men er op letten, dat slechts de wortelhals van den bol onder de aarde komt, hij zelf moet er bovenuit steken.

De zoo verplante Hippeastrum wordt goed aangegoten en totdat zij doorgeworteld is voor het gesloten venster van een warme kamer gezet. Van Juni af kunnen zij, wanneer men ze langzaam aan de lucht gewend heeft, buiten gezet worden.

Een groote fout in de cultuur bestaat daarin, dat de liefhebbers hun bollen geen rust geven, en ze van het begin van den winter af te warm en te vochtig houden. Deze behandeling zullen zij één winter verdragen; doet men het een tweeden winter weer, dan worden de bollen zwak, zij ontwikkelen zieke bladeren en bloeien niet meer.

Wil men de Hippeastrum in de kamer vermenigvuldigen, dan kan men daartoe de kleine bolletjes nemen, die zich tegen den ouden bol aan ontwikkelen. Deze worden steeds bij het verplanten van de moederbol afgenomen. Er gaan echter verscheidene jaren mede weg, eer men van een kweekbol een bloeibaren bol verkrijgt.

Begonia. Hebben wij in een voorgaand hoofdstuk de stengel-Begonia's behandeld, thans zullen wij het een en ander mededeelen over de Knolbegonia's.

De Knolbegonia's hebben zich in de laatste jaren, door haar uitstekende eigenschappen als bloemplanten een eerste plaats veroverd, zoowel onder de pot- als onder de tuinplanten. De oorspronkelijke, uit Amerika afkomstige soorten bezaten geen zeer hooge waarde; zij hadden lange, kruidachtige stengels, kleine, spitse bladeren en weinig beteekenende, uit vier smalle bloemblaadjes bestaande, hangende bloemen. Uit deze weinig fraaie soorten zijn, door de volharding der kweekers, de thans algemeen verspreide rassen ontstaan, met groote flinke bladeren en prachtige, rechtop staande, schitterende bloemen.

De tegenwoordige Knolbegonia is in al haar vormen het product der kweekerskunst. Engelsche, Fransche, Belgische en Hollandsche kweekers hebben haar tot haar tegenwoordigen trap van volmaaktheid gebracht. De uit haar vaderland ingevoerde Knolbegonia kenmerkte zich wel door een zeer dankbaren bloei, maar haar bloemen waren, zoals wij reeds gezegd hebben, klein. Door kruising der verschillende soorten en variëteiten onder elkander trachtte men daarvan grootbloemige verscheidenheden te verkregen. Van het jaar 1870 af zijn de op deze wijze verkregen variëteiten zeer snel op elkander gevolgd. In het jaar 1882 kwam de te St.-Louis de Potosi gevonden Begonia Martiana gracilis in den handel. Deze rechtop groeiende soort met ronde knollen, vleezige, glanzende, metaalachtige bladeren en rose bloemen, die gedrongen in de bladoksels zitten, is zeker wel een der schoonste oorspronkelijke soorten en heeft dan ook niet weinig tot het winnen der nieuwere variëteiten bijgedragen.

In de laatste 6 à 8 jaar zijn de Knolbegonia's bijna tot den hoogsten trap van volmaaktheid gebracht; de stoutste verwachtingen der kweekers zijn overtroffen, want geen ander plantengeslacht heeft in zoo'n betrekkelijk korten tijd zulk een groote verandering ondergaan. Wanneer men de uit haar vaderland ingevoerde soorten met de tegenwoordige hybriden vergelijkt, dan houdt men het bijna voor onmogelijk, dat de meest beredeneerde kruisingsmethode en de zorgvuldigste keuze der hybriden een plantengeslacht in korten tijd zoo geheel hebben kunnen wijzigen. In haar tegenwoordigen vorm is de Knolbegonia zoo'n schoone plant en heeft zij zooveel waarde, dat zij zonder twijfel een door de liefhebbers meest gezochte plant zal blijven. De bloemstelen, die uit de bladoksels spruiten, dragen verscheidene bloemen en zoowel mannelijke als vrouwelijke, want de bloemen zijn éénslachtig. De mannelijke bloemen verschijnen het talrijkst en zijn ook het schoonst. De kleur der bloemen doorloopt alle tinten tusschen het zachtste rose en het donkerste rood; ook gele en witte bloemen worden aangetroffen, doch niet zoo talrijk. De fraai gevormde bloemen kunnen, bij een goede behandeling, een doorsnede bereiken van 16-18 cM. Ook de gevuldbloemigen zijn in de laatste jaren veel verbeterd, en vooral die zijn zeer schoon, welke regelmatig gevormd zijn en goed rechtop staan.

Zooals bekend is, wordt een gevulde bloem gevormd door de vergroeiing van de meeldraden, zoodat slechts de mannelijke bloemen tot gevulde kunnen overgaan, terwijl de vrouwelijke steeds enkel blijven; er komen echter wel planten voor, die uitsluitend gevulde mannelijke bloemen dragen.

Alle Begonia's hadden een gebrek, dat aan zeer vele fraai gevormde of gekleurde bloemen eigen is: zij waren geheel reukeloos. De nieuwste gebeurtenis op het gebied der Begonia-cultuur is het vinden van een welriekende Begonia. De nu bestaande welriekende Begonia's hebben alle een stammoeder in de Begonia Baumannii. Volgens een bericht in de Revue horticole werd deze soort gevonden door Dr. Sell in Cochabamba (Bolivia), die er in 1886 de eerste zaden van zond aan den heer Baumann, te Bollweiler in den Elzas. Ter eere van dezen heer draagt de Begonia dan ook zijn naam. In haar moederland moet deze soort zeer groote knollen vormen, ongeveer ter grootte van een meloen, met een gewicht van 375 gram. De bladeren zijn slechts zeer weinig scheef, eerder niervormig; de bloemen zijn, wat erg jammer is, niet zeer groot, rose, zij verspreiden een zeer aangenamen geur. Door deze soort met grootbloemige Knolbegonia's te kruisen, heeft men in den laatsten tijd variëteiten gewonnen met betrekkelijk groote bloemen, die zeer aangenaam rieken en waarvan de bloemen evenals bij de Begonia Baumannii hoog boven de bladeren uitsteken.

Niet alleen in het verkrijgen van goede soorten, maar ook in de cultuur is men veel vooruitgegaan. Terwijl men vroeger aannam, dat een Knolbegonia, om goed te groeien, steeds in eene warme kas moest staan, maar daarmede natuurlijk weinig resultaten verkreeg, kweekt men ze tegenwoordig met uitstekende resultaten des zomers buiten.

Wanneer een mooie plant algemeen verspreid zal raken, dan moet zij eenvoudig en gemakkelijk te kweeken zijn, veelzijdig gebruikt kunnen worden en zich kenmerken door een langen en rijken bloei. Aan al deze eigenschappen voldoet de Knolbegonia. Daargelaten nog, dat zij in den tuin veelvuldig gebruikt kan worden tot het beplanten van bloemvakken en rabatten, zoowel op een zonnige als op een half beschaduwde plek, is zij een uitnemende plant voor de beplanting van bakjes en voor potcultuur. In potten gekweekt, wil de Knolbegonia des zomers gaarne buiten voor het venster staan, en daar zij voor haar snellen groei en rijken bloei veel voedsel noodig heeft, moet men haar meermalen verpotten in voedzame met wat zand vermengde broeiaarde, terwijl zij dan ook veelvuldig begoten en gegierd moet worden.

In het laatste gedeelte van den herfst, wanneer de Knolbegonia haar volle ontwikkeling heeft bereikt, houdt zij op met groeien; zij begint zich dan voor te bereiden voor haar rusttijd. Zoodra men bemerkt, dat zij ophoudt met groeien, geeft men haar minder water, en wanneer de bladeren en stengels beginnen af te vallen, laat men haar geheel opdrogen. Is de aarde geheel opgedroogd, dan neemt men de knollen uit de potten, om ze op een vorstvrije plaats te laten overwinteren. Het is raadzaam, de knollen, nadat men ze uit de potten genomen heeft, in kistjes met droog zand te leggen; zij overwinteren dan beter. Toch gebeurt het nog wel eens, dat er knollen gedurende den winter verloren gaan; dit is niet altijd te voorkomen, maar het is daarom raadzaam ze gedurende den winter nu en dan na te zien om de rottende tijdig te kunnen verwijderen. Een Begonia-knol kan zeer lang, tot in Mei, bewaard worden. Wij kunnen hem echter reeds in Januari aan den groei brengen, al naardat men hem vroeger of later in bloei wenscht te zien. De knollen, die men aan den groei brengt, worden zoodanig in met zandige heideaarde gevulde potten gezet, dat zij niet geheel met aarde bedekt zijn, daar zij dan gemakkelijker uitgroeien. Later, bij het verplanten, kan men ze geheel onder de aarde brengen. De potten moeten in den beginne gelijkmatig vochtig gehouden, voor het venster van het woonvertrek gezet en tegen te felle zon geschermd worden. De opgepotte Begonia-knollen groeien gewoonlijk pas na eenigen tijd uit; eerst vormen zich wortelspitsjes, daarna knoppen, waaruit dan ten laatste de bladeren verschijnen. Zijn zij eenmaal uitgegroeid, dan gaat de groei zeer snel, het eene blad volgt op het andere, en na enkele weken draagt zelfs het kleinste knolletje krachtige scheuten en fraaie bloemen. Zoolang een opgepotte Begonia-knol hard blijft, kan men zeker zijn, dat hij nog gezond is, ook al wacht hij tamelijk lang met uitgroeien.