Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer

Chapter 17

Chapter 173,687 wordsPublic domain

Dianthus Caryophyllus (Grasanjelier). Deze is zeker wel de oudste der Anjelieren, die voor venstercultuur gebruikt worden. Het vaderland van deze soort, die nu en dan ook in het wild groeiend wordt aangetroffen, en dan kleine, donker-lilakleurige bloemen heeft, is zuidelijk Europa. In de cultuur hebben zich talrijke variëteiten gevormd, die door fraaie kleuren en gevulde bloemen uitmunten. De gevulde Anjelieren geven gemakkelijk zaad; men kan ze dus uit zaad voortkweeken, doch de zaailingen zijn niet constant, d.w.z. dat zij lang niet altijd de eigenschappen bezitten, die de moederplant kenmerken. Wel verkrijgt men uit een zaaisel planten met fraai gevulde of gekleurde bloemen, doch er zijn er ook vele onder, die enkel zijn en haar schitterende kleuren verloren hebben. Een liefhebber, die zijn Anjelieren wil voortkweeken en zeker wil zijn, bepaalde variëteiten te behouden, moet dit doen door middel van afleggers (Zie Fig. 27). Deze wijze van voortkweeken doet men gedurende of na den bloei, men gebruikt er jonge scheuten voor, die niet meer zullen bloeien. De afleggers wortelen gewoonlijk na 5 of 6 weken; zij worden dan van de moederplant afgesneden, en afzonderlijk in kleine potjes opgepot. In deze potjes laat men de jonge afstammelingen overwinteren, waartoe men ze niet vóór November in een luchtigen kelder of een koele achterkamer zet. Reeds vroeg in het voorjaar moeten deze jonge Anjelieren verpot worden. Men gebruikt hiertoe potten van 13 cM. wijdte en plant ze in een mengel van 2/3 broeiaarde, 1/3 klei- of graszodengrond en een weinig scherp zand. Dadelijk na het verplanten worden zij buiten voor het venster of op het balkon geplaatst. Ook de oudere planten moeten tijdig verpot en buiten gezet worden. De door afleggers verkregen planten geven gewoonlijk in het eerste jaar slechts zeer weinig bloemen; in het tweede jaar bloeien zij echter volop. De bloemstelen zijn zeer dun en kunnen veelal de zware, gevulde bloemen niet dragen; ook breken zij zeer gemakkelijk, waarom het voorzichtig is ze aan dunne stokjes te binden. De Grasanjelier is ook uitstekend geschikt, om in bakjes uitgeplant te worden. Heeft men soorten met sterk gevulde bloemen, dan wil het wel voorkomen, dat de kelk berst; de bloemen worden dan eenzijdig en verliezen veel van haar net voorkomen. Men kan dit kwaad gemakkelijk keeren, door om iederen knop een guttapercha bandje te leggen.

De Grasanjelieren, die door vele kweekers aan de markt gebracht worden, zijn vaak in haar volle kracht uit den vrijen grond opgestoken planten. Deze zijn wel in den beginne zeer fraai, doch verwelken spoedig; reden waarom een liefhebber wijs doet, zijn Anjelieren zelf langs kunstmatigen weg te kweeken; hij is dan zeker, in het tweede jaar prachtig bloeiende planten te hebben.

Dianthus Caryophyllus semperflorens. (Remontant Anjelier.) Deze variëteit, ongeveer 40 jaar bekend, is waarschijnlijk in Frankrijk gewonnen. Zij is tegenwoordig zeer in trek en wordt in zuidelijk Europa in het groot gekweekt, ten einde de bloemen des winters op de markten der groote noordelijke steden te brengen. Deze worden hier te lande bij duizenden ingevoerd, en spelen een zeer voorname rol bij de bloemenbinderij. Ook als potplant wordt deze Anjelier veel gekweekt; zij is dan een zeer in trek zijnde winterbloeister.

Ofschoon de Remontant-Anjelier in de laatste jaren door verschillende kweekers zeer verbeterd is, hebben haar bloemen toch niet die schoone kleuren en fraaie teekening, welke der Grasanjelier eigen is; zij heeft echter de zeer goede eigenschap, dat zij bijna het geheele jaar door bloeit en juist in het laatste gedeelte van den herfst en het eerste gedeelte van den winter het rijkst, een tijd, waarin bloemen steeds zeer welkom zijn.

De Remontant-Anjelier wordt in Januari of Februari uit stekken voortgekweekt, die men snijden moet zooals Fig. 22 aantoont. Deze stekken zet men vlak aan den rand van een met zandige aarde gevulden pot; de stekpot wordt op een lichte, warme plaats gezet en slechts even vochtig gehouden. Nog zekerder is men van het wortelen der stekken, wanneer men op de volgende wijze te werk gaat. Men neemt een pot van 10 cM. en een tweeden van 7 cM. wijdte, van welken tweeden het drainagegaatje met een kurkje, of beter nog met een weinig cement, waterdicht toegemaakt wordt. Is het cement goed opgedroogd, dan legt men in den grooten pot een laagje scherven en brengt men er zooveel aarde in, dat de kleinere pot, er ingezet, juist met den rand gelijk komt. De ruimte tusschen de twee potten wordt dan met aarde gevuld, waarin de stekken gestoken worden. Is dit geschied, dan wordt de binnenpot met water gevuld en, wanneer dit noodig blijkt, water bijgegoten. Door de poriën van den binnenpot dringt nu juist zooveel water als de stekken noodig hebben, zoodat deze in het geheel niet behoeven begoten te worden (Fig. 100). Op deze wijze behandeld, wortelen de stekken vrij zeker binnen 4 à 6 weken.

De cultuur van de Remontant-Anjelier is juist dezelfde als die van de Grasanjelier: zij wordt in dezelfde aarde geplant, ook in het voorjaar verpot en daarna buitengezet. Om te voorkomen, dat de stekplanten reeds in den zomer bloeien, snijdt men er den kop uit; zij maken dan zijscheuten, die pas in het najaar in bloei zullen komen. De Remontant-Anjelier moet natuurlijk niet in den kelder overwinteren daar zij des winters bloeit, maar voor een zonnig venster van een matig warme kamer.

Dianthus Margaritæ. Dit is een nog betrekkelijk nieuwe variëteit, met zeer fraaie bloemen. Deze laat zich zeer goed door zaad vermenigvuldigen daar een zaaisel bijna uitsluitend planten met gevulde bloemen oplevert. De Dianthus Margaritæ wordt in de maand Maart gezaaid in potten, die men voor het venster zet; de opkomende zaailingen worden gerepikeerd, in kleine potjes geplant en gedurende den zomer nogmaals verpot. Kweekt men ze tot aan het intreden van nachtvorsten buiten, dan zullen deze Anjelieren zich in 8 à 9 maanden tot bloeibare planten ontwikkelen. De eerste bloemen vertoonen zich gewoonlijk laat in den herfst; de eigenlijke bloei begint echter pas in de maanden Maart, April of Mei. De overwintering moet op een lichte, vorstvrije plaats geschieden.

Men onderscheidt lage, halfhooge en hooge Dianthus Margaritæ; die alle tamelijk kleinbloemig zijn, en dus slechts door den bloei van elkander verschillen; anders is dit met de Malmaison-variëteiten, die zich door zeer groote bloemen onderscheiden.

Ten laatste moeten wij nog melding maken van Dianthus fruticosus (Boom-Anjelier). Deze vormt een houtachtigen stengel, en wordt in de kamer het best tegen hekjes gekweekt; zij blijft verscheidene jaren goed, wordt ongeveer één Meter hoog en bloeit in alle jaargetijden.

Alle Anjelieren worden gemakkelijk door ongedierte en andere ziekten aangetast, wanneer men ze des winters te veel begiet, of in dit jaargetijde de bladeren vochtig maakt en ook, wanneer men ze een te warme, besloten standplaats geeft. Des zomers moeten zij alle buiten gekweekt en rijkelijk begoten en gegierd worden.

Mimulus moschatus (Muskusplant.) Dit is een tamelijk onbeduidend plantje, met kleine, gele bloempjes, maar om zijn sterken muskusgeur wordt het dikwijls gezocht. Behalve de oorspronkelijke soort, worden twee variëteiten gekweekt; een zeer gedrongene, de M. moschatus compactus, en een met groote bladeren, de M. moschatus Harrisonii.

De Muskusplant is winterhard; zij wordt echter steeds in potten gekweekt en wel in veen- of broeiaarde. De voortkweeking geschiedt zeer gemakkelijk door zaden, stekken of deeling der oude plant. In het najaar sterft zij bijna geheel af en de overblijvende wortelstok wordt dan droog in den kelder bewaard. In het voorjaar wordt zij verplant en voor het venster aan den groei gebracht; gedurende den zomer zet men haar buiten voor het venster. De muskusplant wil gedurende haar groeitijd gaarne op een half beschaduwde plek staan en dan rijkelijk begoten worden.

Myosotis (Vergeet-mij-niet). Als winterbloeister heeft vooral veel waarde de Myosotis oblongata vera, een plantje met lichtblauwe bloemen. Men zet haar gedurende den winter, zoo mogelijk, zonnig, koel en geheel vorstvrij, daar zij zeer gemakkelijk bevriest, de bloemen zullen dan in Februari zeer talrijk verschijnen.

Zijn de oude planten in het voorjaar uitgebloeid, dan worden zij teruggesneden, waarop zij gemakkelijk zullen uitloopen. Deze uitloopers worden als stekken gebruikt en zijn ze beworteld, dan kan men de moederplanten wegwerpen. De stekken wortelen op een koele, schaduwrijke plaats zeer gemakkelijk; zij worden in den loop van den zomer herhaaldelijk in voedzamen grond geplant, rijkelijk gegierd en voortdurend tamelijk zonnig gehouden.

Een niet minder fraaie soort is de Myosotis azorica. Deze kweekt men met haar variëteiten uit zaad en pot ze op in 10-12 cM. wijde potten. De bloemen verschijnen in de lente en toonen het schoonste blauw van alle Vergeet-mij-niet-soorten.

Primula (Sleutelbloem). De Primula's zijn prachtige, zeer dankbare planten, die ons voor een gedeelte in het voorjaar in den tuin, voor een ander gedeelte gedurende den herfst en den winter, in de kamer door haar fraaie bloemen veel genot verschaffen.

De belangrijkste Primula, voor het kweeken in de kamer, is de Primula chinensis (Fig. 101). Iedere liefhebber kent zeker deze fraaie bloemplant, met haar mooi ingesneden groote bladeren, die altijd zeer fijn en dicht behaard zijn. Van deze Primula worden vele variëteiten gekweekt, die zich òf door den vorm en de insnijdingen der bladeren, òf door de bloemen, òf door de kleuren onderscheiden. Zoo heeft men verscheidenheden met gaafrandige en gefranjede bloemen; andere met witte, gele, verschillende tinten van roode, blauwe en gestreepte bloemen, terwijl weer andere variëteiten zich onderscheiden door enkele of gevulde bloemen.

Deze Primula is een overblijvende plant; zij wordt echter meestal als éénjarig behandeld, omdat zij het eerste jaar het mooist bloeit. Hoe grooter en talrijker de bloemen en hoe beter ontwikkeld de bladeren zijn, des te mooier is de plant. De liefhebber doet verreweg het wijst de Primula's in het najaar te koopen; alle bloemisten kweeken ze in grooten getale, waardoor zij steeds goedkoop te verkrijgen zijn. Wenscht men ze zelf te kweeken, dan moet men onderscheid maken tusschen enkele, half gevulde en geheel gevulde Primula's. De laatste toch kunnen niet uit zaad, maar moeten door stekken voortgekweekt worden.

Wil men de Primula chinensis uit zaad kweeken, dan moet men zich goed versch zaad aanschaffen en dit in potten met goede zandige heideaarde uitzaaien. Bedekt men deze zaadpotten met een glasplaat, en zet men ze op een beschaduwde plek van de vensterbank, dan zullen de zaden in 2 à 3 weken kiemen. De jonge kiemplantjes worden gerepikeerd, later in kleine potjes uitgeplant en in den loop van den zomer in potten van 10 cM. wijdte geplant, waarin zij dan bloeien. De beste aarde, die men voor het oppotten en verpotten gebruiken kan, is zandige broeiaarde, en wil men goed groeiende Primula's bemesten, dan gebruikt men daartoe Peru guano. Een weinig van deze meststof wordt gelijkmatig over den pot verdeeld en met wat aarde gedekt. De Primula's moeten voor het venster van een goed gelucht vertrek gekweekt worden en bij scherpe zon mag men vooral niet vergeten, ze behoorlijk te schermen.

De voortkweeking der gevulde Primula's gaat lang zoo gemakkelijk niet. Zijn de planten in het voorjaar uitgebloeid, dan worden zij goed schoongemaakt en voor het venster van een niet-verwarmde kamer gezet. Hier ontspruiten dan zijscheuten, die men afsnijdt en als stekken gebruikt. De stekken zet men in een schotel, die 6 à 7 cM. hoog is, geen drainagegaatjes heeft en tot op de helft met goed gewasschen zand is gevuld. Is men hiermede gereed, dan giet men zooveel water in de schaal, dat de stekken ongeveer een centimeter diep er in staan. De stekken mogen nu niet gedekt, maar moeten zoo zonnig mogelijk geplaatst worden; en past men goed op, door tijdig alle rottende bladeren te verwijderen, dan is men vrij zeker, dat zij wortel zullen maken. De goed bewortelde stekken moeten uiterst voorzichtig in potjes gezet worden, waarna men ze evenals de jonge zaailingen kan behandelen.

De Primula chinensis is een zeer schoone winterbloeister, die van November tot diep in den winter onafgebroken haar bloemstengels tusschen de bladeren ontwikkelt. Des winters houdt men de planten slechts matig vochtig; bij het gieten moet er dan vooral op gelet worden, dat nòch het hart der plant, nòch haar bladeren vochtig worden.

Zij moet voor een zonnig venster van een koele kamer geplaatst worden en de gemiddelde temperatuur mag hier in geen geval hooger zijn dan 45° à 46° Fahr. Geeft men te veel warmte, dan verzwakken de planten en worden de bloemen kleiner. Zonder veel schade te lijden, kan een Primula hoogstens een paar graden vorst verdragen, waarom zij een uitstekende plant is om tusschen dubbele vensters gekweekt te worden, waar men ze tusschen uit neemt, wanneer er een koude nacht te verwachten is. Hebben ze een weinig van de vorst geleden, dan mogen zij nòch warm, nòch in de zon gezet worden. Daar de ruimte tusschen de dubbele vensters meestal niet groot genoeg is, worden de Primula's dikwijls in pijpvormige potten (Fig. 102) gezet, die niet alleen zeer leelijk, maar ook vaak van porselein vervaardigd zijn, waardoor het toetreden van lucht tot de wortels verhinderd wordt. In plaats van deze pijpvormige potten doet men veel beter, hoekige potten (Fig. 6) te nemen, en deze, zoo noodig, nog op een stekpotje te zetten, zoodat de potten dan niet tusschen het raamwerk, maar tusschen de ruiten komen te staan, waar zij natuurlijk meer ruimte hebben.

Zeer dikwijls wordt de Primula chinensis wankelend en zakt zij naar één zijde over; het gevolg hiervan, dat de wortelhals zeer dun is. Dit bezwaar kan men gemakkelijk verhelpen, door een paar dunne stokjes, 6 à 7 cM. lang, rechts en links, vlak langs de plant in de aarde te steken, waardoor zij den noodigen steun verkrijgt.

Primula obconica. Deze Primula, die in 1883 uit China werd ingevoerd, is ook een zeer dankbare winterbloeister. Zij laat zich zeer gemakkelijk uit zaad vermenigvuldigen, wat men echter ook kan doen, door de oude plant te verdeelen. Des zomers moet de Primula obconica buiten gekweekt worden, des winters in een koel vertrek. De bloemen van deze soort zijn wit of zacht lila; er zijn in den laatsten tijd echter mooie grootbloemige verscheidenheden in verschillende kleuren van gewonnen, wier bloemen in grooten getale op dunne slanke stoeltjes staan. Jammer is het, dat enkele menschen er last van hebben, dat deze plant een huidonsteking bij hen veroorzaakt. Zij, die dit bemerken, moeten haar zonder handschoenen niet aanraken. Bemerkt men de ontsteking, dan wrijve men de aangedane plek goed in met een watje met alcohol van 96° (spiritus fortior) en wassche daarna de plek met zeep goed af.

Behalve de genoemde, zijn bijna alle Primula's voor potcultuur geschikt. Ook de Primula acaulis (Gewone Sleutelbloem) en Primula Auricula (Aurikel) laten zich, in potten gekweekt, zeer goed in een koel vertrek tot bloei brengen.

Soldanella alpina. Deze allerliefste, tot de familie der Primula's behoorende Alpenplant, heeft niervormige blaadjes, waarboven de sierlijke bloemstengeltjes zich verheffen, waaraan in April en Mei kleine purper-violette klokvormige bloempjes hangen, die met een rand van franje versierd zijn.

In goede tuinaarde geplant, groeit de Soldanella ook zeer goed in potten, die des zomers buiten, des winters voor het venster van een koudere kamer moeten gezet worden. Hier bloeit zij dan gewoonlijk reeds vroeg in het voorjaar. De vermenigvuldiging geschiedt gemakkelijk uit zaden of door scheuren der oude planten.

Kruidachtige bloemplanten voor warme vertrekken.

Begonia. De Begonia's, die hier besproken worden, behooren tot die groep, die, in tegenstelling met de algemeen bekende soorten, geen knollen vormen. Ook deze Begonia's nemen een eerste plaats in onder de talrijke fraaie bloemplanten, die voor kamercultuur geschikt zijn. Het aan soorten zeer rijke geslacht Begonia's vormt een familie op zichzelf, die der Begoniaceeën. Van de ongeveer 350 bekende Begonia-soorten behooren ongeveer twee derden in tropisch-Amerika thuis; de andere zijn uit Oost-Indië, Madagascar en ook uit China en Japan afkomstig. Alle Begonia's hebben, afgezien van de meer of minder fraaie bloemen, één algemeen kenmerk, namelijk: dat het blad scheef hartvormig is, waaraan zij den in Duitschland algemeen bekenden naam "Schiefblatt" te danken hebben. De soorten onderling verschillen echter zeer.

De kweekers verdeelen de Begonia's in drie zeer groote groepen, namelijk de Knolbegonia's, de stengelachtige Begonia's en de Bladbegonia's. Op dit oogenblik willen wij ons slechts bezighouden met stengelachtige Begonia's, terwijl wij de beide andere groepen in de hoofdstukken "Bol- en Knolgewassen" en "Bladplanten" meer uitvoerig zullen behandelen. De stengelachtige Begonia's vormen dikwijls krachtige, zeer groote planten, die zich in de kamer vaak zeer fraai ontwikkelen. Zijn zij uitstekende planten om in de vensterbank te kweeken, wanneer zij tegen te scherpe zon geschermd worden, nog meer waarde hebben die soorten, welke, in de kamer gekweekt, des winters bloeien. Het zijn dan ook deze, waarmede wij ons op dit oogenblik zullen bezighouden.

In vergelijking met de Knolbegonia's hebben de stengelachtige Begonia's gewoonlijk slechts betrekkelijk kleine bloemen.

Hoewel de bloemen dezer soorten door kruisbevruchting in afmeting en kleur zeer zijn verbeterd, zijn zij toch nog altijd niet groot. Als vergoeding daarvoor mag zeker wel de buitengewone bloemrijkheid gelden. Het is toch geen zeldzaamheid, dat er 30 à 40 bloemen aan één stengel voorkomen. Enkele der stengelachtige Begonia's worden tamelijk hoog; snijdt men ze echter dikwijls in, dan vormen zij fraaie halfkogelvormige planten, die reeds door de dikwijls fraai gekleurde of geteekende bladeren een zeer schoon gezicht opleveren. Terwijl de meeste Knolbegonia's met zeer weinig warmte tevreden zijn en in een gesloten vertrek niet best willen groeien, zijn de meeste stengelachtige Begonia's juist zeer goede kamerplanten. Een zonnig gelegen woonvertrek met een wintertemperatuur van 60°-65° Fahr. is uitstekend geschikt voor de cultuur dezer planten, mits men ze een lichte plaats op de vensterbank of anders in de nabijheid van een raam kan geven.

De voortkweeking geschiedt het best en snelst door middel van stekken, die meestal zeer gemakkelijk wortelen; doch ook door zaad kan men ze in de kamer voortkweeken. Dit moet juist op dezelfde wijze behandeld worden als dat der Knolbegonia's. Wanneer men de zaden vroegtijdig in Februari of Maart uitzaait, dan is deze cultuur zeer aangenaam, daar de zaailingen snel groeien en meestal, eens gerepikeerd, groot genoeg zijn om afzonderlijk in potjes te worden gekweekt.

De stengelachtige Begonia's worden gewoonlijk in het voorjaar een weinig ingesneden en daarna verplant, terwijl zij dan midden in den zomer nog eenmaal verplant moeten worden. Het beste grondmengsel is zeker: gelijke deelen broei-, heide- of bladaarde, waarbij 1/10 scherp zand wordt gevoegd. Gedurende den groeitijd moet overvloedig gegoten worden. Tot de fraaiste winterbloeisters onder de stengelachtige Begonia's behooren: Beg. albo-picta met wit gevlekte bladeren en zuiver witte bloemen; Beg. fuchsioïdes, een zeer bekende soort, met fraaie, donkergroene bladeren en donker-karmijnroode bloemen; Beg. Schmidtii, een sierlijke plant met donkergroene, aan de achterzijde roodachtige bladeren en rose bloemen; Beg. Erfordia, een nieuwe hybride, met karmijnroode bloemen en zwak behaarde bladeren en bladstelen. Al de hier opgenoemde soorten kenmerken zich door tamelijk kleine bladeren. Schoone soorten met grootere bladeren zijn: Beg. Credneri, een ongeveer 1 M. hoog wordende nieuwe hybride met metaalachtig glanzende bladeren, die getoond heeft uitstekend te zijn voor kamercultuur; Beg. hybr. President Carnot met saprijke dikke bladeren, die, volgroeid, zilverwitte vlekken hebben en rosekleurige bloemen; Beg. incarnata superba, een ongeveer 40 cM. hoog wordende plant, met bronsachtige, behaarde bladeren en witte bloemen; Beg. metallica, een zeer bekende soort met groote metaalachtig glanzende bladeren (de bloemen zijn rose, met een donkerroode sterk behaarde achterzijde); Beg. Scharffiana, een soort, die 30 cM. hoog wordt, met groote dikke fluweelachtige bladeren, waarvan de bovenzijde smaragdgroen en de onderzijde purperbruin is. De vrijstaande bloemen zijn groot en zuiver wit. Tot deze Begonia's behoort ook nog de Begonia semperflorens met haar verschillende variëteiten. Deze Begonia heeft kleine, uit de bladoksels ontspringende witte en rose bloemen, waarmede de plant somtijds rijk getooid is. Zij wordt zeer veel in den tuin gebruikt, doch ook voor potcultuur is zij uitstekend geschikt. Van deze soort zijn in de laatste jaren een paar zeer goede variëteiten in den handel gebracht en wel de Beg. semperflorens Lambertus met witte, eenigszins grootere bloemen en de Beg. semperflorens atropurpurea (Vernon) met fraaie, roode bladeren en schitterend roode bloemen.

Een geheel nieuwe variëteit is de Beg. semperflorens Teppichkönigin; deze wordt slechts weinige centimeters hoog, draagt fraaie, rose bloemen en is een zeer sierlijk bloemplantje. De Beg. semperflorens hebben gewoonlijk een knolvormig verdikten wortelstok; dikwijls sterven zij na den bloei, in het najaar, bijna geheel af; zij moeten dan droog en wat koeler gehouden worden. Verplant men ze in het voorjaar en snijdt men ze, wanneer de stengels niet afgestorven zijn, daarna goed in, dan groeien zij spoedig weer uit en dragen binnenkort weder bladeren en bloemen. Op dezelfde wijze moet ook de Beg. Weltoniensis behandeld worden; dit is een oude, zeer geliefde plant met tamelijk kleine bladeren en zacht rose bloemen.

Clivia (Imantophyllum.) De familie van de Amaryllideeën, waartoe ook de Clivia behoort, bevat een zeer groot aantal fraaie bloemplanten. Onder al deze gewassen neemt de Clivia, een kruidachtige plant, een der eerste plaatsen in; zij is een duurzame en zeer dankbare plant, die ook in de kamer zeer goed tot bloei komt. Er komen in den handel twee soorten voor, namelijk de Clivia nobilis een soort, die, niettegenstaande haar naam, niet zeer aanbevelenswaardig is en ook niet veel meer wordt aangetroffen, en de algemeen verspreide Clivia miniata.

De laatstgenoemde, uit Port-Natal afkomstig, is een pracht-plant van den eersten rang. Bij deze plant ontspruiten de scheuten met riemvormige, ongeveer 5 cM. breede, donkergroene, elegant gebogen bladeren direct uit de dikke, vleeschachtige wortels. Alleen reeds om haar schoone bladeren is zij een aanbevelenswaardige kamerplant. Maar ook is zij een dankbare bloeister, die in den winter of de lente, en dan dikwijls weder midden in den zomer, haar bloemen ontwikkelt. Op een, tusschen de bladeren ontspruitenden bloemsteel van ongeveer 35 à 40 cM. hoogte, ontwikkelt zich een groot bloemscherm, dat uit minstens 12 à 15 groote, menieroode bloemen bestaat. In de laatste jaren zijn er zeer schoone variëteiten van gewonnen, met meer of minder donkerrood gekleurde bloemen, waarvan er vaak 30 tot 40 op één bloemsteel vereenigd zijn. Daar de bloemen zich op één scherm niet alle te gelijk openen, maar dit na elkander doen, duurt den bloei verscheidene weken. Bevruchten wij de bloemen, door met een penseeltje, gedurende de middaguren, wat stuifmeel op den stempel te brengen, dan zullen zich groote roode bessen ontwikkelen, die zeer lang duren en een fraai voorkomen aan de plant geven.