Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer

Chapter 16

Chapter 163,445 wordsPublic domain

De Jasminums zijn oorspronkelijk klimplanten, en hoewel de bloemen betrekkelijk klein zijn, brengen zij door haar fijnen geur bijna iedereen in verrukking. In potten gekweekt, ontwikkelen zij zich slechts tot kleine struikjes, die men aan een stokje opbindt. Zij moeten geplant worden in lichten grond; heidegrond, veengrond of bladaarde passen haar goed. Des zomers zet men ze in een lichte, luchtige kamer, des winters in een matig warm vertrek.

De voortkweeking geschiedt door stekken of afleggers.

Justicia. Het naar den Schotschen kweeker James Justice genoemd plantengeslacht omvat verscheidene fraaie soorten, die alle op dezelfde wijze behandeld moeten worden. Zij vormen aardige struikjes, met gesteelde, langwerpige bladeren en lieve, aan de spitsen verschijnende bloemaren. Deze bloemaren worden door fraai gevormde, met groote schutbladeren omgeven, lipbloempjes gevormd.

De nevenstaande gravure, Fig. 93, is die der Justicia coccinea uit Suriname, met fraaie, scharlakenroode bloemen, die gewoonlijk in het voorjaar, in de maanden April en Mei, verschijnen. De Justicia carnea, met vleeschkleurige bloemen, is uit Brazilië afkomstig; deze soort bloeit gewoonlijk in het midden van den zomer, terwijl de Justicia speciosa, uit Bengalen, met haar rozeroode bloemen een zeer schoone herfstbloeister is.

De Justicia's zijn zeer dankbare kamerplanten, die het geheele jaar door in de kamer kunnen gekweekt worden. Zij verlangen een lichte standplaats en een temperatuur van 60°-65° Fahr. Wanneer de planten uitgebloeid zijn, ontwikkelen zich onder de bloemaar, dus uit de oksels der bovenste bladeren, jonge scheuten, die vroeger of later weder bloeibaar worden. Voor deze jonge scheuten geldt hetzelfde, wat wij gezegd hebben omtrent die, welke zich bij de Aphelandra's ontwikkelen.

De Justicia's worden gedurende het voorjaar in goede broeiaarde verplant. Ten einde fraaie, bossige planten te verkrijgen, die rijk bloeien, moet men ze na het verpotten flink insnijden, zoodat er op iedere twijg niet meer dan twee paar bladeren blijven staan. Zijn de planten flink aan het doorgroeien, dan kan men ze vrij geregeld gieren; worden zij zorgvuldig begoten, bij helder weer bespoten en bij te scherpe zon geschermd, dan blijven zij vrij van ongedierte en zullen zich spoedig tot fraaie planten ontwikkelen.

De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door kleine stekjes, die zeer gemakkelijk wortelen.

Poinsettia pulcherrima. De Poinsettia is een echte winterbloeister, daar de bloeitijd in December begint en pas in Januari eindigt. Deze zeer fraaie, gewoonlijk slechts ½ à ¾ Meter hoog wordende struik is afkomstig uit Mexico, Guatemala en Costa-Rica. De weinig houtachtige twijgen zijn hol en scheiden bij de minste verwonding een wit melksap af. Hiermede moet men zeer voorzichtig zijn, daar dit melksap een vrij sterk bloedvergif is, en, in wonden komende, een gevaarlijke ontsteking kan veroorzaken. De bladeren zijn vaak verschillend gevormd, meest echter ovaal. In de laatste helft van den herfst ontstaan aan de spitsen der twijgen eigenaardig gevormde knopjes, die steeds duidelijker worden. Deze groene knopjes worden de weinig beteekenende bloemen, die echter door een aantal spiraalsgewijze ingeplante schutbladeren omgeven zijn. In de donkere najaarsdagen groeien deze schutbladeren langzaam door; spoedig beginnen zij zich te kleuren en tegen Kerstmis zijn de dicht bijeen zittende groene bloempjes omringd door een grooten krans van prachtige, vuurroode bladeren, die aan de plant een groote waarde geven en door de meeste leeken voor bloembladeren worden aangezien. Hebben de bloemen haar vollen wasdom bereikt, dan beginnen deze schutbladeren langzaam te verwelken; zij vallen te gelijk met de gewone bladeren af en de Poinsettia treedt haar rustperiode in.

De rustende Poinsettia kan op iedere plaats in een matig warme kamer overwinteren. In Maart zet men de planten voor een zonnig venster van een warme kamer, nadat men de kale stengels flink heeft ingesneden, waarop men weder geregeld begint te gieten. Aanvankelijk moet dit gieten zeer voorzichtig geschieden; beginnen zich echter de jonge scheuten te ontwikkelen, dan kan men rijkelijk water geven. De weder bebladerde Poinsettia wordt nu zeer voorzichtig verplant in bladaarde, vermengd met wat kleigrond en zand. Men moet ze nu langzamerhand aan frissche lucht gewennen en in Juni voor een druk gelucht wordend venster zetten. Om een goeden groei te bevorderen, moet men ze gedurende den zomer zooveel mogelijk zon geven en overvloedig begieten. In September worden de planten voor het zonnige venster van een warme kamer gezet en hier worden zij, indien men wil dat de schutbladeren zich goed zullen ontwikkelen, minstens één keer per week gegierd.

In het voorjaar steekt men stekken van de jonge scheuten, die, wanneer zij op een warme plaats onder glas staan, in 2 à 3 weken beworteld zijn. Snijdt men de planten niet in, dan zullen zij op één scheut doorgroeien en zeer mooie exemplaren vormen.

Thyrsacanthus rutilans. De Thyrsacanthus is een krachtige halfheester uit Zuid-Amerika, die in één zomer ½ à ¾ Meter hoog kan worden. Een goed ontwikkelde plant maakt van het einde van den zomer tot het begin van den winter fraaie, afhangende bloemtrossen, die onstaan uit de bladoksels der lancetvormige bladeren. Iedere tros is 20-30 cM. lang en bestaat uit 12-16 donker-karmijnroode bloemen.

Deze plant moet gekweekt worden in met heide- of bladaarde vermengden graszodengrond; men zet haar in een warme kamer en beschermt haar tegen te felle zon. Een rijkelijk begieten en geregeld gieren zal den groei zeer bevorderen, zoodat de planten spoedig een krachtig voorkomen krijgen. Na den bloei rust de Thyrsacanthus geruimen tijd, zoodat zij dan slechts matig begoten mag worden, niettemin moet men haar steeds op een lichte plaats laten staan.

De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door middel van stekken.

Kruidachtige bloemplanten voor koele vertrekken.

Agapanthus umbellatus. De Agapanthus, waaraan wij een groote gravure wijden, is een zeer schoone bloemplant, afkomstig van de Kaap de Goede Hoop. Deze prachtige plant vormt uit den wortelstok een groot aantal scheuten met lange, riemvormige, zachte bladeren, waaruit in den zomer krachtige bloemstelen te voorschijn komen, die groote schermen van lichtblauwe bloemen dragen. Een minder schoone variëteit heeft witte bloemen.

Een dankbare plant is de Agapanthus eerst, wanneer men haar in een kuipje kweekt. Zij eigent zich dan bijzonder voor zonnige balkons of veranda's; ook kan men haar dan als alleen staande plant in den tuin gebruiken. Des winters is zij uitstekend geschikt om de gang te versieren, hoewel zij ook in een luchtigen kelder kan overwinteren.

Gewoonlijk wordt de Agapanthus geheel verkeerd behandeld; men gelooft toch algemeen, dat zij slechts dán bloeit, wanneer men haar gebrek laat lijden, waarom zij meestal eerst verplant wordt, als de dikke vleeschachtige wortels den pot hebben doen barsten of de kuip geheel gevuld hebben. Bij een dergelijke behandeling zien de planten er echter steeds armoedig uit; zij geven slechts kleine schermpjes met 15 à 20 bloemen; terwijl de ondervinding leerde, dat zij bij een goede behandeling schermen kunnen maken met 180-220 bloemen, welke schermen dan een trotschen aanblik opleveren. Om een dergelijk resultaat te verkrijgen, moet de Agapanthus minstens om het andere jaar verpot worden in den meest voedzamen grond; gedurende den zomer moet zij veel begoten en gegierd worden, terwijl zij een zonnige standplaats moet hebben. De afbeelding toont een plant, die reeds twee jaar buiten is uitgeplant; in den winter wordt zij met een doorgezaagde ton bedekt, die bij intredende vorst geheel met mest wordt omgeven. Een plant, die zich op deze wijze buiten laat overwinteren, kan natuurlijk den winter ook zeer goed in den kelder doorbrengen. Zij verliest dan, evenals buiten overwinterd, al haar bladeren, wat echter volstrekt niet schaadt.

Gedurende den winter moet zij zeer spaarzaam begoten worden.

Het is den liefhebber niet geraden oude planten door deeling te vermenigvuldigen, omdat juist groote planten het dankbaarste bloeien. De voortkweeking uit zaden gaat zeer langzaam.

Calceolaria hybrida. De Calceolaria's zijn zoogenaamde tweejarige planten; zij worden in den zomer uit zaden gekweekt, groeien den winter door, bloeien in het voorjaar en sterven na zaad gemaakt te hebben af. Deze algemeen bekende bloemplanten hebben groote, lichtgroene bladeren, die grootendeels op den pot blijven liggen. Op sterke stelen verheffen zich de bloemen, die zeer talrijk zijn, boven de bladrozet; zij hebben een ballonachtig, opgeblazen voorkomen en zijn geheel reukeloos. Men onderscheidt hooge, middelmatige en lage variëteiten en naar de kleur der bloemen getijgerde en gevlekte.

De zeer fijne zaden worden in Juli en Augustus gezaaid op gezifte, zandige heide- of bladaarde; de zaden worden niet gedekt, matig vochtig gehouden, beschaduwd en koel gezet. De zeer kleine zaailingen moeten een paar keer gerepikeerd worden, totdat zij groot genoeg zijn om in afzonderlijke potjes geplant te worden. Al naar den groei der plantjes zal het noodig zijn ze nog een- of tweemaal te verpotten, waarvoor een mengsel van gelijke deelen heide-, blad- en broeiaarde, benevens zand uitstekend geschikt is.

De cultuur is niet zeer gemakkelijk, wat veroorzaakt wordt door het meermalen repikeeren en verplanten en ook, doordat de planten zeer koel en toch vorstvrij gehouden moeten worden, daar zij anders door insecten worden aangetast en daardoor zeer lijden. Voorzichtiger doet de liefhebber, zich in het voorjaar de tamelijk goedkoope Calceolaria's in bloeibaren toestand aan te schaffen; zij verlangen dan rijkelijk water benevens een lichte en luchtige standplaats.

Een in vollen bloei zijnde Calceolaria levert een prachtig gezicht op.

Campanula (Klokjesbloem). Onder de vele één- en tweejarige Campanula's, die zeer veel tot tuinversiering gebruikt worden, bevinden zich ook eenige soorten, die uitstekend geschikt zijn voor kamercultuur. De fraaiste hiervan is zeker wel de Campanula pyramidalis, een tweejarige plant, die des zomers een pyramidevormige bloeiwijze ontwikkelt, welke 1 à 1 1/2 M. hoog kan worden, en die uit fraaie, groote, witte of blauwe bloemen bestaat. De zaden, die de plant rijkelijk voortbrengt, worden tegen het einde van Augustus of begin September in potten gezaaid. Deze zaadpotten moeten koud overwinterd worden; men kan ze zelfs des winters buiten houden. In de lente worden de zaailingen gerepikeerd, om ze daarna afzonderlijk in potjes uit te planten.

Wanneer men deze plantjes in goede aarde geplant heeft, en men geeft ze een goede, zonnige standplaats voor het venster, dan zullen eenige, er van reeds in het najaar bloeien, de meeste, echter in den daarop volgenden zomer.

Een zeer fraaie ampelplant is de Campanula fragilis, die den geheelen zomer door talrijke platte, lichtblauwe, stervormige bloemen geeft; ook de C. garganica van het Garganusgebergte in Apulië is voor dit doel uitstekend geschikt. Deze beide hangende soorten hebben rondachtige bladeren. Zij laten zich beide zeer gemakkelijk door wortelspruiten vermenigvuldigen. In enkele streken worden deze drie Campanula-soorten zeer veel gekweekt, en hij, die eenmaal met haar cultuur begonnen is, zal deze niet gemakkelijk meer opgeven.

Cheiranthus Cheiri (Muurbloem). De, om den heerlijken geur harer bloemen, algemeen in trek zijnde Muurbloem komt op zeer enkele plaatsen van ons land in het wild voor, o.a. op de ruïne van Brederode. Men onderscheidt stam- en struik-Muurbloemen. Van beide soorten, waarvan de eerste slank, de laatste bossig groeit, heeft men weder hooge en lage, enkele en gevulde variëteiten.

De Cheiranthus wordt in het voorjaar gezaaid in een pot, die buiten voor het venster wordt geplaatst, of wel, men zaait ze direct in den tuin uit. De jonge plantjes worden, wanneer zij een paar centimeters hoog zijn, gerepikeerd op een afstand van 25-35 cM., bij voorkeur op een goed toebereid vakje in den tuin. Hier worden zij, zoo noodig, rijkelijk begoten en in het najaar zeer voorzichtig in behoorlijk groote potten gezet. Voor dit opplanten wordt broeiaarde of goede bladgrond gebruikt. De overwintering geschiedt nu in een kouden kelder of achterkamer. Krachtige planten kunnen dan van Februari af voor een zonnig venster in bloei getrokken worden. De Muurbloem stelt zeer weinig eischen; zij is zeer hard en uitstekend geschikt voor de voorjaarsbeplanting van balkonbakjes en bloemvakken.

Chrysanthemum indicum. De Chrysanthemums zijn overal bekende en bijna door iedereen beminde bloemplanten, en kunnen tegenwoordig met alle recht als echte modeplanten beschouwd worden. De bekwame kweekers hebben ze tot op een zeer hoogen trap van volmaaktheid weten te brengen, en de bloei, die in den laten herfst en den vóórwinter valt, heeft deze planten zeer bemind gemaakt. Wij willen hier niet ingaan op de tegenwoordig ontelbare variëteiten, die, al naar de vorm der bloemen, in verschillende groepen worden verdeeld, daar het beter is, dat ieder liefhebber ze naar zijn eigen smaak in de verschillende kweekerijen uitkiest. Wij zullen ons dus uitsluitend met de cultuur bezighouden. Als een echte vaste-plant sterft de Chrysanthemum na den bloei tot op den wortelstok in. De uitgebloeide scheuten worden dan tot op den pot toe afgesneden en slechts de jonge scheuten, die dan dikwijls reeds zijn te voorschijn gekomen, laat men staan. Deze jonge scheuten moeten in het volgend jaar de bloeiende planten leveren, terwijl de uitgebloeide moederplant dan naar den mesthoop verhuist. Er zijn twee wegen om de Chrysanthemums te vermenigvuldigen: òf wij werpen de oude planten dadelijk weg, na de jonge scheuten afgesneden te hebben, die als stekken gedurende den winter zeer goed wortelen; òf wij kweeken de oude planten tot Februari in het venster van een koude kamer, om dan eerst met het snijden der stekken te beginnen.

De liefhebber doet het beste met het stekken tot de eerste dagen van Februari te wachten. Men gebruikt daartoe uitsluitend de scheuten, die uit den pot zijn ontsproten; die, welke zich aan de nog voorhanden zijnde oude stengels hebben ontwikkeld, worden bij voorkeur niet gebruikt. De stekjes worden met een scherp mesje gesneden en 6 à 8 te zamen rondom den rand van een 10 cM. wijden pot gestekt. De beste aarde om in te stekken is zandige broei- of bladaarde. De beworteling geschiedt zeer goed voor het venster van een koele kamer, maar steeds in gesloten lucht, zoodat iedere pot met een stolp moet bedekt worden.

Het is niet raadzaam de stekken te warm te houden, daar zij dan minder krachtige planten vormen. Nadat zij geworteld zijn, kan men de stolpen er af nemen en de jonge plantjes zoo koel mogelijk houden. Tegen het einde van Maart worden de stekken uit de stekpotten genomen en ieder afzonderlijk in een potje van 6-7 cM. wijdte geplant. De jonge Chrysanthemums worden nu voor het venster van een dikwijls geluchte, koele kamer gezet, waar zij spoedig flink zullen doorgroeien.

Jonge planten, moeten zoodra zij drie volkomen ontwikkelde bladeren gevormd hebben, daarboven ingenepen worden. Gewoonlijk zullen zich dan drie scheuten ontwikkelen, die men laat doorgroeien, totdat zij weder drie volgroeide bladeren hebben, waarna zij nogmaals ingenepen worden. Op deze wijze verkrijgt men mooie planten met 8 à 9 scheuten. Eenige er van kan men echter laten doorgroeien, om er kroonboompjes van te maken (Fig. 96).

In het begin van Mei, wanneer er geen nachtvorsten meer te vreezen zijn, graaft men de jonge planten op een vak in den tuin in. Dit vak moet goed op de zon liggen. Om de vier à zes weken moeten de planten nu geregeld verpot worden; dit moet zoo voorzichtig mogelijk geschieden, daar de wortels niet beschadigd mogen worden. Iederen keer gebruikt men potten, die slechts weinig grooter zijn dan die, waarin zij stonden. De aarde, die men gebruikt, moet zoo voedzaam mogelijk wezen, het beste is een mengsel van broeiaarde, graszodengrond en verteerden koemest, waarbij rijkelijk zand en wat hoornspaanders of beendermeel wordt gevoegd. Heerscht er warm weer, dan moeten de Chrysanthemums 's morgens en 's avond begoten en bespoten worden; en 2 à 3 weken na het verpotten moet men ze weder minstens één keer per week gieren. Een plant, die zoo sterk groeit, mag het, vóór alles, niet aan voedsel ontbreken.

Kweekt men struikvormige Chrysanthemums, dan behoeft men er niet anders aan te snijden, dan hiervoor vermeld is. Wanneer men dit mooi vindt, kunnen de Chrysanthemums ook in waaier-, scherm- of kogelvorm gekweekt worden, door er een aantal stokjes bij te steken en hier de takken aan te binden. Dit veroorzaakt echter veel moeite, het eischt veel handigheid en het kan niet werkelijk mooi genoemd worden. Het gemakkelijkst kweekt men nog kleine kroonboompjes (Fig. 96). Hiertoe gebruikt men de stekplantjes van krachtige soorten, die toonen flink te willen doorgroeien. Bij deze stekplantjes zet men stokjes, die juist zoo lang moeten zijn, als men het stammetje hoog wil laten worden. Aan deze stokjes worden de jonge plantjes gebonden; men zorgt er nu voor, alle zijscheuten, zoodra die ontstaan, geregeld weg te breken. Zijn de plantjes eindelijk zóó lang geworden, dat zij even boven de stokjes uitsteken, dan snijdt men hun de koppen af. Er zullen zich dan spoedig een aantal zijscheuten ontwikkelen. Van deze zijscheuten behoudt men de bovenste, die het kroontje moeten vormen; de overige worden weer weggesneden. Uit deze zijscheuten worden, wanneer zij lang genoeg zijn, weder de koppen gesneden, ten einde mooie dichte kroontjes te verkrijgen. Wenscht men groote bloemen te hebben, dan moeten, zoodra de knopvorming begint, steeds al de zijknoppen weggebroken worden, zoodat men op iederen scheut slechts één knop behoudt en al het voedsel der plant ten gunste dezer knoppen komt. Deze bewerking past men zoowel op de kroonboompjes als op de struiken toe. Van grootbloemige soorten kan men op de volgende wijze reusachtige bloemen verkrijgen. In Maart of April snijdt men van sterke scheuten stekken, die, zoodra zij beworteld zijn, in potten van 10 cM. wijdte worden gezet. Deze zomerstekken laat men op één scheut doorgroeien, door alle zijscheuten tijdig te verwijderen; aan dezen éénen scheut laat men, zoodra de knoppen goed zichtbaar zijn, slechts den sterksten zitten; al de andere worden weggebroken. Behandelt men de plant goed en laat men het haar aan niets ontbreken, dan zal die ééne knop zich tot een bloem van buitengewone afmeting en pracht ontwikkelen.

De Chrysanthemum heeft zeer veel vijanden, waaronder luizen, larven en meeldauw wel de ergste zijn. Deze vijanden tasten haar echter dàn alleen aan, wanneer zij, door een fout in de kweekwijze, niet goed groeit.

Zoodra er in het najaar nachtvorsten komen, moet men de Chrysanthemums in een zonnige, doch koele kamer zetten; en wordt er bij vorstvrij weer voor goed luchten gezorgd, dan zullen de bloemen zich spoedig gaan ontwikkelen. Geeft men ze echter te veel warmte, of lijden zij gebrek aan frissche lucht of water, dan gaan zij in de kamer zeer snel achteruit en de bloemen zullen niet goed openkomen. Ook de afgesneden bloemen duren in een warm vertrek slechts kort; in een koude kamer kan men ze echter tamelijk lang goed houden.

Cineraria hybrida. De Cineraria behoort tot de familie der samengesteld-bloemigen en de meeste thans gekweekte soorten stammen van de Cineraria cruenta, een op de Canarische eilanden te huis behoorende soort af. Het is een tweejarige, dankbare bloemplant, met groote, zeer ruwe bladeren. De op krachtige stelen verschijnende bloemen kenmerken zich door de prachtige kleuren der straalbloempjes, die nú eens rood, blauw of violet, dán weder zuiver wit zijn, terwijl ook meerdere kleuren in een bloem kunnen voorkomen. De bloemen zijn meestal reukeloos; soms echter onderscheiden zij zich door een aangenamen geur. Men kweekt tegenwoordig lage, middelmatige en hooge variëteiten. De fraaiste zijn zeker wel de middelmatig hooge verscheidenheden zooals er een in Fig. 98 is afgebeeld.

De cultuur der Cineraria is juist dezelfde, die wij vermeld hebben voor de Calceolaria. Zij is echter in sommige opzichten gemakkelijker, daar de zaden grooter zijn, zoodat men die wijder uit elkander kan zaaien. De kiemplantjes zijn ook grooter dan bij de Calceolaria's, zoodat zij heel wat gemakkelijker te repikeeren zijn; ook is één keer repikeeren meestal voldoende, omdat men ze hierna wel in afzonderlijke potjes kan uitplanten. Het best kweekt men de Cineraria in goede broeiaarde. Zij wordt in September gezaaid, en groeit den geheelen winter flink door, wanneer men haar een lichte, koele, doch vorstvrije standplaats geeft en het haar niet aan water en gier laat ontbreken. Somtijds begint zij in Januari reeds te bloeien; de normale bloeitijd valt echter in de maanden Maart en April. Sterke exemplaren moeten enkele malen verpot worden, totdat zij in potten staan van ongeveer 16 cM. wijdte. Houdt men de Cineraria's te warm en geeft men ze geen frissche lucht genoeg, dan worden zij weldra door insecten aangetast, die dikwijls de fraaiste en schoonste exemplaren ten gronde richten; zelfs treden dan wel larven op, die in de bladeren leven en deze geheel verwoesten. Vorst verdraagt de Cineraria in het geheel niet. Een liefhebber zal verstandig doen deze planten eerst tegen het einde van September te zaaien, ze in kleine potten te laten overwinteren en vroeg in het voorjaar te verplanten; zij kunnen dan, wanneer de nachtvorsten voorbij zijn, ter versiering van het balkon gebruikt worden. De beste plaats voor bloeiende Cineraria's is in een breede vensterbank; voor een bloemtafel zijn zij minder geschikt, omdat zij, daarin geplaatst, te weinig licht en lucht verkrijgen.

Dianthus (Anjelier). Door haar heerlijken geur, haar prachtige kleuren en het fraaie voorkomen der geheele plant, is de Anjelier langen tijd de lieveling van alle plantenliefhebbers geweest; te meer, omdat zij zich ook gemakkelijk laat kweeken. Zij moge tijdelijk door de mode verdrongen, zijn, telkens wordt zij weder in eere hersteld.