Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer

Chapter 15

Chapter 153,608 wordsPublic domain

Voordat men de Rozen in de kamer zet, moeten zij nog eens goed nagezien worden. De door den pot gegroeide wortels worden afgesneden, de bovenste aardlaag wordt voorzichtig uit den pot genomen en door versche aarde vervangen; ook de potten worden goed afgeborsteld, of nog beter afgeschrobd. Na deze voorbereidende werkzaamheden wordt de Roos gesnoeid. Men begint met alle zwakke twijgen af te snijden, zoodat er niet meer dan 4 of 5 sterke, goed rijpe twijgen aan iedere plant overblijven. Deze twijgen worden nu, al naar de soort en naar haar sterkte, op 3 tot 6 oogen teruggesneden, waarbij men er op moet letten, dat het bovenste oog steeds naar buiten is gericht; dit is hoognoodig om te voorkomen, dat de jonge scheuten in elkander groeien, doch een goed gevormde kroon maken. (Zie ook het hoofdstuk over "Het snoeien"). De zoo behandelde Rozen zet men nu in een vertrek, waarvan de gemiddelde temperatuur niet meer dan 50° Fahr. bedraagt. Deze temperatuur mag niet hooger zijn, om te beletten dat de scheuten zich te snel ontwikkelen. Binnen veertien dagen toch mag dit niet geschieden. Beginnen na dien tijd de eerste blaadjes zich te vertoonen, dan moeten de Rozen voor het venster van een zonnig, geregeld verwarmd vertrek geplaatst worden. Het is nu een voorname zaak, goed op het gieten te letten; de planten mogen toch volstrekt niet uitdrogen, waarom tamelijk veel gegoten moet worden, echter zoo, dat de aarde niet te overdadig nat wordt. Het te gebruiken gietwater moet een temperatuur van ongeveer 65° Fahr. hebben. De scheuten beginnen zich nu krachtig te ontwikkelen en spoedig worden de eerste bloemknoppen zichtbaar. Zoodra het laatste het geval is, kan men de planten eens per week gieren, ten einde den groei nog wat te bevorderen en zoodoende groote, volkomen gaaf ontwikkelde bloemen te verkrijgen. Veel meer dan bij de cultuur buiten, zal men nu met ongedierte te kampen hebben. Men moet deze plaag voortdurend krachtig bestrijden en haar steeds meester trachten te blijven, daar zij anders al de genomen moeite kan verijdelen.

De uitgebloeide Rozen worden in een koel, doch vorstvrij vertrek gezet en slechts matig begoten; wordt het warmer, dan moet het vertrek flink gelucht worden, en is het weer bestendig geworden, dan kunnen zij buiten gezet en juist zoo behandeld worden als voor de pas opgepotte Rozen is vermeld. Voordat men de uitgebloeide Rozen in den tuin zet, is het echter zaak, ze te verplanten. Dit verplanten moet zeer voorzichtig geschieden: van de oude aarde wordt slechts weinig afgenomen en men moet er op passen, dat de kluit niet uit elkander valt. De potten, die men gebruikt, moeten slechts weinig grooter zijn, daar zij in groote potten zeer slecht groeien. Nadat deze Rozen verplant zijn, moeten zij ook gesnoeid worden, geheel op dezelfde wijze als men niet geforceerde Rozen na den bloei snoeit (Fig. 79).

Bij dezen tweeden zomersnoei verwijdert men ook de zwakke, niet bloeibare twijgjes, terwijl de sterkere en uitgebloeide twijgen voldoende worden ingesneden. De zich in den bladoksel bevindende oogen beginnen nu uit te loopen en spoedig verkrijgt men een tweeden, niet minder fraaien bloei.

De Rozen worden op verschillende wijzen gegroepeerd. Al deze groepen hier nader te beschrijven zou veel te ver voeren, wij zouden dan te uitgebreid worden. Wij geven hierbij, uit de verschillende groepen, eenige der fraaiste soorten op, die voor Potrozen geschikt zijn en ook voor kamer- en venstercultuur kunnen dienen.

Maand- of Bengaalrozen, (Rosa indica semperflorens).

Cramoisi supérieur, een kleine plant met schitterend karmijnroode bloemen. Hermosa, een zeer geliefde Maandroos, met rose bloemen. Louis Philippe (Fig. 81), laag blijvende soort, met karmijnroode bloemen. Mme Eugène Résal (Fig. 82), met roode bloemen. Mlle Laurette de Messimy, met koperkleurige bloemen. viridiflora, de Roos met groene bloemen, niet zeer schoon, maar zeer interessant.

Lilliputrozen, (Rosa indica Lawrenceana).

Gloire de Laurentia, een slechts 20 cM. hoog wordend miniatuur-Roosje, met donkerroode bloemen.

Kleinbloemige Rozen, (Rosa polyantha).

Clotilde Soupert, met tamelijk groote, rose bloemen. polyantha multiflora, een enkel- en gevuldbloemig dwergroosje, met witte of rose bloemen, dat interessant is, omdat in de kamer, in enkele maanden bloeibare planten uit zaden kunnen worden gekweekt. Paquerette, zeer rijk bloeiend met witte bloempjes. Perle d'or (Fig. 83), met nankingele bloemen. Theerozen, (Rosa indica fragans). Cathérine Mermet, met vleeschkleurige bloemen. Elise Fugier (Fig. 84), met witte, inwendig gele bloemen. Etoile de Lyon, met gele bloemen. Gloire de Dijon, met lichtgele bloemen. Mme. Falcot, met nankingele bloemen. Maman Cochet (Fig. 85), met vleeschkleurige bloemen. Niphetos, met prachtige knoppen en witte bloemen. Safrano, met oranje bloemen. Sunset, met saffraankleurige bloemen. The Bride, witte bloemen met gelen weerschijn.

Noisetrozen (Rosa indica Noisettiana).

Céline Forestier, met lichtgele bloemen. Mme. Pierre Cochet (Fig. 86), met gele bloemen.

Theehybriden (Rosa thea hybrida.)

Augustine Guinoisseau, met witte bloemen. Camoëns (Fig. 87), rose bloemen met gelen grond. Caroline Testout, met prachtige vleeschkleurig-rose bloemen. Kaiserin Augusta Victoria (Fig. 88), met prachtige bloemen, uitwendig wit, inwendig lichtgeel. La France, prachtige lichtroode bloemen. William Francis Bennet, met karmijnroode bloemen.

Remontantrozen (Rosa hybrida bifera).

Alfred Colomb, met vuurroode bloemen. Foliis tricoloribus (Fig. 90), met donkerroode bloemen en fraaie geel-wit-bonte bladeren. Baronne de Rothschild, met rose bloemen. Frau Karl Druschki, met groote sneeuwwitte bloemen. Général Baron Berge (Fig. 91), met granaatroode bloemen. Jean Lambert, met hoogroode bloemen. Jules Margottin, met kersroode bloemen. Paul Neyron, met donkerroode, zeer groote bloemen. Pierre Notting, met zwartachtig roode bloemen. Van Houtte, met vuurroode bloemen. Victor Verdier, met schitterend karmijnroode bloemen.

Rosmarinus officinalis (Rozemarijn). De Rozemarijn werd vroeger bijna overal aangetroffen, tegenwoordig echter veel minder, en alleen hier en daar in dorpen kan men haar nog wel eens vinden. Het is een klein struikje, met glimmende, naaldvormige blaadjes en kleine lilakleurige bloempjes. Haar vaderland is Zuid-Europa en de Levant. Er bestaan twee variëteiten van: een met wit- en een met geelbonte blaadjes. In haar vaderland groeit de Rozemarijn in een drogen bodem. Dit sierplantje moet in goede, zware aarde geplant; het kan des zomers buiten staan en ook buiten uitgeplant worden; des winters verlangt het een koel vertrek. De Rozemarijn is wel een zeer bescheiden, tevens een zeer harde, maar zeker ook een uitnemende kamerplant.

De voortkweeking geschiedt door stekken, die zeer gemakkelijk wortelen.

Salvia. Van dit geslacht zijn vele soorten bekend, die zich alle onderscheiden door den aromatischen geur harer bladeren, en vele ook door de fraaie kleur van haar bloemen. Voor venster- en balkon-cultuur moeten wij er in de eerste plaats twee aanbevelen. De Salvia patens, uit Mexico, vormt een kleinen Meter hoogen half-heester, met hoekige bladeren en groote aren van prachtig blauwe bloemen. De bloeitijd van iedere bloem afzonderlijk is slechts zeer kort, wat niet wegneemt, dat de plant bijna den geheelen zomer onafgebroken doorbloeit, daar de knoppen zich pas na elkander openen en de bloemstelen zeer rijk met knoppen bezet zijn. Een nog dankbaarder bloeiende soort met roode bloemen is de Salvia splendens, uit Brazilië. Beide soorten, waarvan de eerste een knolvormigen wortelstok heeft, rusten des winters volkomen: zij laten dan al haar bladeren vallen en kunnen in een luchtigen kelder of een koele achterkamer bijna geheel droog overwinteren. Wanneer men de planten vroeg in het voorjaar diep insnijdt, in goede voedzame aarde verplant en voor een zonnig venster in een warm vertrek plaatst, dan groeien zij zeer spoedig uit. Van de jonge scheuten kan men er nu enkele als stekken gebruiken, die zeer spoedig en gemakkelijk wortelen; ook de vermenigvuldiging uit zaden gaat zeer goed. Gedurende den zomer verlangen deze Salvia's zeer rijkelijk begoten te worden, en kweekt men ze in potten, dan moeten zij meermalen verplant en gegierd worden. Een heel aardige, doch zeer onbeduidend bloeiende soort is de bonte variëteit van de Salvia officinalis. Deze heeft gele, witte en groene bladeren. Zij moet in een zeer koude kamer overwinteren, daar zij dan haar fraai gekleurde bladeren behoudt.

Sparmannia africana. De Sparmannia is een Kaapsche plant, die tot de familie der Lindeboomen behoort. Zij heeft groote, viltachtige, eenigszins hartvormige bladeren van lichtgroene kleur en vrij groote, gedurende den winter en het vroege voorjaar verschijnende bloemen. Deze bezitten witte bloembladeren en verkrijgen door de purperkleurige helmknopjes een zeer eigenaardig aanzien. Er is ook een variëteit met gevulde bloemen van bekend. De Sparmannia neemt, zonder twijfel, een eerste plaats onder de kamerplanten in. Deze plant, die, des zomers in den tuin uitgeplant, zich tot een grooten struik ontwikkelt, kan ook het geheele jaar door in de kamer gekweekt worden. Daar wordt zij natuurlijk lang zoo sterk niet; zjj krijgt dan echter zeer groote en fraaie bladeren, waardoor zij geheel het voorkomen van een prachtige bladplant heeft. Heeft men, om deze plant buiten te kweeken, geen beschutte plek in den tuin of een zonnig gelegen balkon, dan houdt men ze beter in de kamer, bij voorkeur voor een geopend venster. De Sparmannia verlangt een grooten pot en goede, zware aarde; een grondmengsel, bestaande uit broeiaarde en graszodengrond, waarbij eenige hoornspaanders of wat schapenmest gevoegd worden, zal haar zeker wel aanstaan. Gedurende den zomer moet men haar zeer veel begieten en, wanneer zij in vollen wasdom is, rijkelijk gieren. Goed onderhouden exemplaren moeten twee keer per jaar verpot worden.

Des winters kan men de Sparmannia, al naar verkiezing, in een koud of warm vertrek kweeken. Doet men het in een warme kamer, dan zal zij weinig of niet rusten. Plaatst men haar des winters in een kamer met een temperatuur van 55° Fahr., geeft men haar daarbij een lichte standplaats en wordt zij op zonnige dagen nu en dan bespoten, dan zullen zich enkele bloemtrossen ontwikkelen. Kweekt men deze plant in een warm vertrek, dan moet men haar zeer goed in het oog houden en vooral op ongedierte letten, waardoor zij zeer licht wordt aangetast. Pas gekochte planten hebben meestal eenigen tijd noodig, voordat zij aan de kamer gewend zijn.

De vermenigvuldiging geschiedt door stekken, die men van de twijgspitsen of van korte zijscheuten snijdt. De groote bladeren, die aan de stekken zitten, worden op de helft ingekort, waarna men iedere stek afzonderlijk in een klein, met zandige heide- of bladaarde gevuld potje zet. Onder glas geplaatst, wortelen deze stekken in zeer korten tijd. De bewortelde stekken kunnen dadelijk in potten van 10 à 14 cM. wijdte worden geplant.

Veronica (Eereprijs). Van het geslacht Veronica, waartoe ook enkele hier te lande inheemsche soorten behooren, hebben die, welke op de Australische eilanden gevonden worden, als harde kamer-, decoratie- of bloemplanten een niet onbelangrijke waarde. De bladeren van deze groenblijvende planten zijn meestal glimmend en lederachtig, zij zijn òf groot en dan lancetvormig òf klein, in welk laatste geval de plant wel eenige overeenkomst heeft met een Mirt.

De kleinbladerige, laag groeiende soorten bloeien slechts zelden, en hebben kleine, onaanzienlijke bloemen; de grootbladerige daarentegen hebben tamelijk groote, uit de bladoksels ontspruitende aren, uit talrijke, blauwe of witte reukelooze bloempjes bestaande. Bijna in ieder jaargetijde verschijnen die bloemaren; nu eens zijn zij rijkelijk, dan weder spaarzaam aan de plant te vinden; zonder bloemen zijn zij echter slechts bij uitzondering.

De struikachtige Veronica is zeer hard en kan dan ook in een vorstvrijen kelder of achterkamer overwinteren. In het voorjaar wordt zij flink ingesneden, en daarna voorzichtig in voedzame aarde verplant. Bij dit verplanten moet men voorzichtig zijn, de weeke viltachtige wortels, die langs den binnenkant van den pot groeien, niet te veel te beschadigen. Deze planten stellen geen bijzonder hooge eischen; zij groeien in de volle zon en ook in halfschaduw, voor het venster, op het balkon of in den tuin. Zij worden slechts zelden door ongedierte aangetast. Des zomers, wanneer zij in haar groeiperiode zijn, verlangen zij volop water en nu en dan een weinig gier.

De voortkweeking geschiedt door stekken; deze worden van de toppen der scheuten gesneden en wortelen in enkele dagen. De jonge stekplantjes worden herhaaldelijk verpot, terwijl men ze zóó dikwijls de kopjes innijpt, totdat zij goed vertakt zijn. Hierdoor wordt in den beginne de bladontwikkeling wel een weinig vertraagd. Uit de talrijke grootbladerige soorten hebben de kweekers fraaie bastaarden gewonnen, die zeer rijk bloeien en als veelgezochte kamerplanten in vrij grooten getale voorkomen.

Viburnum Tinus. Deze heester behoort in Zuid-Europa thuis en is onder den naam Laurus Tinus vrij algemeen bekend. Hij is na verwant aan onzen gewonen Sneeuwbal en onderscheidt zich door donkergroene, langwerpig-ovale bladeren en fraaie, kleine, witte bloemen. Deze bloempjes zijn in schermpjes vereenigd en verschijnen in het voorjaar. Geeft men hem echter een warme standplaats, dan zullen de twijgspitsen zich reeds in den winter met bloemen tooien en dikwijls zullen zij dan zóó rijk bloeien, dat de bladeren door de bloemen aan het gezicht onttrokken worden. Deze Viburnum wordt meestal als struik gekweekt, in welk geval hij in het voorjaar of den zomer door middel van stekken wordt vermenigvuldigd, welke stekken men òf in de aarde steekt, òf, juist als de Oleander, in een fleschje met water. Kweekt men hem echter als kroonboompje, dan moet hij op den gewonen Sneeuwbal veredeld worden, wat men het beste in een kweekerij laat doen.

De meest geschikte grond is goede bladaarde, waardoor een derde klei- of graszodengrond wordt gemengd. Na den bloei worden de planten gesnoeid, waarbij men vooral op den vorm moet letten; hierna worden zij in betrekkelijk kleine potten verplant en met Mei, op een tamelijk zonnige plek, buiten gezet. Tot midden in den zomer wordt rijkelijk gegoten; hierna begint men minder te gieten, ook al hangen de jonge blaadjes in den beginne wat slap. Door deze behandeling wordt de te sterke bladvorming gestremd, en begint de bloemknopvorming, waarom het toch eigenlijk te doen is. Tegen den herfst zijn de bloemknoppen reeds duidelijk te zien. Heeft men zieke exemplaren, dan is het raadzaam ze een zomer in den tuin te planten; zij zullen zich dan weder flink ontwikkelen, doch den eersten daarop volgenden winter zal men weinig of geen bloemen hebben. Viburnums, zonder bloemknoppen kan men zeer goed in een luchtigen kelder laten overwinteren; zijn zij echter goed geknopt, dan moet men ze in een koele, lichte kamer zetten. Hoewel men den bloei kan bespoedigen, door ze in een warm vertrek te houden, is dit minder raadzaam, omdat de planten daar zeer licht door thrips worden aangetast.

Des winters moet men met gieten zeer voorzichtig zijn, omdat de Viburnum, hoe hard zij ook is, vooral als oudere plant, in haar rusttijd zeer gevoelig is voor te veel water. Zij wordt dan niet alleen gauw ziek, maar gaat ook gemakkelijk dood.

Struikachtige bloemplanten voor warme vertrekken.

Aphelandra. Onder de fraaie, kleine bloemplanten voor warme vertrekken nemen de Aphelandra's, naast de verderop te behandelen Justicia's, een belangrijke plaats in. Deze kleine, tropisch-Amerikaansche struikjes groeien in de kamer zeer goed. Zij munten niet alleen uit door hun dikwijls fraai gekleurde of geteekende bladeren, maar ook door de fraaie uit de toppen der takjes ontspruitende bloemaren. Deze bloemaren bestaan uit schitterend roode, dakpansgewijze over elkander liggende schutbladeren, waartusschen zich de pijpvormige, gele of roode lipbloempjes ontwikkelen.

Een zeer mooie soort is de Aphelandra aurantiaca, waarvan vooral een, uit Mexico afkomstige, variëteit, de A. aurantiaca Roezlii veel gekweekt wordt. De bladeren van dit fraaie plantje hebben een grijsgroene kleur en worden door zilverkleurige aderen doorsneden. De bloemen zijn fraai oranjerood. Andere soorten van dit geslacht zijn in den handel moeilijk of in het geheel niet te verkrijgen.

De Aphelandra's moeten des winters in een vertrek staan, dat een temperatuur heeft van 55°-65° Fahr. Des zomers mag de warmtegraad wel 10° hooger zijn. Het dankbaarste zijn jonge planten, die in goede, niet te lichte aarde moeten gekweekt worden. De potten mogen niet wijder zijn dan 10 à 12 cM. In den groeitijd moet men ze veel water en ook nu en dan wat gier geven.

Na den bloei ontstaan er ter weerszijden van de bloemaar jonge scheuten, die gemakkelijk doorgroeien en ook wel weer tot bloei komen. Deze tweede bloemen zijn echter lang zoo mooi niet als de eerste; ook verliest de plant haar fraai voorkomen, zoodat men wijzer doet de oude planten, nadat het zaad rijp geworden is, weg te werpen.

De voortkweeking geschiedt het gemakkelijkst door zaden, die ook in de kamer rijp worden. Ook door middel van stekken laten zij zich vermenigvuldigen. De zaad- en stekpotten moeten, totdat men jonge plantjes heeft, gesloten en warm gehouden worden.

Franciscea. De Franciscea dankt haar naam aan keizer Frans II, onder wiens regeeringstijd zij in Brazilië gevonden werd. De enkele soorten van dit geslacht hebben langwerpige, lederachtige, lichtgroene bladeren en blauwe of violette bloemen, die tamelijk groot zijn, vlak uitstaan en een vreemden geur verspreiden. Hoewel deze fraaie struiken gedurende den winter bloeien, zijn zij toch maar weinig bekend en worden zij slechts zelden in kamers gekweekt.

De Franciscea moet het geheele jaar door in de kamer gekweekt worden. Des winters verlangt zij een temperatuur van 60°-65° Fahr., des zomers moet zij flink geschermd en het vertrek, waarin zij staat, ruimschoots gelucht worden. Evenals talrijke warme bloemplanten, houden de Franciscea's er veel van bespoten te worden. Groeien zij goed, dan kunnen zij een paar keer per jaar in goede nogal zware aarde verplant worden. Vertoont zich ongedierte, dan moet dit dadelijk verwijderd worden.

De vermenigvuldiging geschiedt door stekken. Dit is echter den liefhebber niet aan te raden, daar zij wel op een warme standplaats wortelen, doch zich in de kamer niet tot bloeibare planten laten opkweeken.

Gardenia. Onder de bloemplanten, bekend om haar fraaie, zeer welriekende bloemen, nemen de Gardenia's zeker wel een eerste plaats in. Ter wille van de fraaie, schoon gevormde, schitterend witte, zeer welriekende bloemen, maken wij van deze plant melding, hoewel zij voor kamercultuur verre van dankbaar is. De Gardenia's vormen kleine struiken, met vrij groote, glanzend groene, ei-lancetvormige bladeren. De eigenlijke bloeitijd valt in den herfst; toch verschijnen de bloemen, bij een goede cultuur, hoewel niet zoo talrijk, het gansche jaar door. Bij zonnig weer opent de Gardenia-bloem zich zeer gemakkelijk, bij donker weer echter slecht. Hoofdzakelijk worden de gevuldbloemige variëteiten van twee soorten gekweekt, namelijk van de Gardenia florida en de Gardenia radicans.

Eigenlijk is de cultuur der Gardenia's zoo erg moeilijk niet; zij worden het geheele jaar door in het vertrek gehouden, dat des zomers rijkelijk gelucht en des winters op een temperatuur van 60° Fahr. verwarmd wordt. Gedurende den zomer willen zij rijkelijk begoten en bespoten en bij scherpe zon beschermd worden; des winters geeft men haar minder water en spuit men slechts bij helder weer. Men lette er vooral op, voor het spuiten en gieten kalkvrij water te gebruiken. De verplanting geschiedt in het voorjaar, in zandigen bladgrond, waar men een weinig ouden graszodengrond doorheen kan mengen.

Jammer is het, dat de Gardenia sterk door insecten, bij voorkeur thrips en wolluis wordt aangetast; deze zijn het, die de cultuur zoo ondankbaar maken, daar zij juist in de droge kamerlucht bijna niet met goed gevolg te bestrijden zijn.

Gezonde, bloeiende exemplaren zijn prachtig, doch ook niet-bloeiend, is de Gardenia een zeer mooie plant. De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door stekken, die warm gehouden moeten worden.

Hibiscus rosa chinensis. Deze Hibiscus vormt een middelmatig grooten struik, die waarschijnhjk uit Zuid-China en Noordelijk Indië afkomstig is. Tegenwoordig wordt zij daar overal gekweekt aangetroffen, in het wild vindt men haar er echter niet meer. Zij vormt een fraaie plant met vrij groote, glanzend groene bladeren en schoone enkele bloemen, waarvan de kleuren afwisselen tusschen het zachtste rose en het vurigste rood. In vorm en grootte komen deze bloemen veel overeen met die van onze enkelbloemige stokrozen, tot welker familie de plant dan ook behoort. De bloeitijd valt in de zomermaanden, en deze Hibiscus biedt, wanneer zij met haar fraaie bloemen prijkt, een prachtigen aanblik.

Lastig om te kweeken is de Hibiscus niet, maar om haar stuggen groei is de plant toch niet zoo aanbevelenswaardig als de bloemen wel verdienen.

In het voorjaar verplant men de Hibiscus in zeer voedzamen met eenige hoornspaanders doormengden grond; zij wordt dan tegelijkertijd flink ingesneden. Men kan ze den geheelen zomer door in een zonnig gelegen vertrek kweeken, wanneer men er voor zorgt het rijkelijk te luchten. Dikwijls spuiten zal den groei zeer bevorderen en ook het optreden van schild- en groene luis, waardoor deze plant gemakkelijk wordt aangetast, voorkomen. Gedurende den groeitijd verlangt de Hibiscus rijkelijk water; ook kan men haar gerust enkele malen goed gieren. Wil men ze in den herfst in bloei hebben, dan wordt zij in Mei verplant, waarop men door matig gieten den groei zooveel mogelijk tracht tegen te houden. Zoodra men meer gaat gieten, begint zij zich krachtig te ontwikkelen; in Juli worden de scheuten weer ingesneden, waarop in October en November de bloemen zullen verschijnen. In dezen aan bloemen armen tijd zijn zij dan natuurlijk dubbel welkom. Des winters moet de Hibiscus slechts matig begoten en niet te warm gehouden worden.

De vermenigvuldiging geschiedt in het voorjaar door stekken, die men van de jonge scheuten snijdt. In het kamerkasje of onder een stolp groeien deze stekken zeer gemakkelijk.

Jasminum. Deze plant mag niet verward worden met een zeer veel in de tuinen gekweekten fraaien bloemheester, die zeer ten onrechte onder den naam Jasmijn bekend is.

Van de vele echte Jasminum-soorten, die zich door meestal kleine, witte of gele, doch zeer sterk riekende bloemen onderscheiden, zijn slechts twee soorten zóó fraai, dat zij waard zijn in de kamer gekweekt te worden. Dit zijn de Jasminum grandiflorum en de Jasminum Sambac. De eerste is een zeer slanke, ijle, groen blijvende struik met gedeelde bladeren en groote stervormige bloemen, zij komt in geheel tropisch en subtropisch Azië voor. De tweede soort, de Jasminum Sambac is, vooral bij hen, die Indië bezochten, meer algemeen bekend onder den naam "Melatti". Het is een struik met glanzend groene, eivormige bladeren en zeer welriekende, witte bloemen. Van deze soort wordt tegenwoordig meestal de gevuldbloemige variëteit gekweekt.