Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer
Chapter 13
Datura arborea. Deze Peruaansche plant draagt ook nog den wetenschappelijken naam van Brugmansia suaveolens; zij behoort tot de zeer vergiftige familie der Nachtschaden. Zij kan 3 à 4 Meter hoog worden en maakt, wanneer zij jong is, dikke, vleeschachtige stengels, waaraan groote, lichtgroene, zeer fraaie bladeren zich ontwikkelen. Van den zomer tot diep in den winter ontspruiten uit die stengels zeer groote, witte, trompetvormige bloemen, die vooral des avonds een heerlijken geur verspreiden. Er bestaat een andere soort, de Datura Knightii, die gevulde bloemen heeft. Al deze boomachtige Datura's dragen in de kweekerijen dezen naam, doch behooren eigenlijk tot het geslacht Brugmansia.
Wordt deze plant goed behandeld, dan is zij spoedig voor de kamer ongeschikt, daar zij zeer snel groeit, zoodat in het voorjaar gestoken stekken in den herfst vaak planten vormen van een Meter hoogte. Als balkonplant kan de Datura, die in den winter haar meeste bladeren verliest, zeer goede diensten bewijzen. Des winters moet zij tamelijk koud en droog worden gehouden. In het voorjaar worden de overwinterde planten flink teruggesneden en in zeer voedzamen grond verpot.
De vermenigvuldiging geschiedt in het voorjaar door stekken, genomen uit de jonge scheuten, die dan in juist zooveel stukken gesneden kunnen worden, als zij oogen hebben. Ieder oog wordt dan met het daarbij behoorende stengeldeel afzonderlijk in een potje geplant, de stek moet daarna een tamelijk warme plaats hebben. De stengeldeeltjes slaan zeer spoedig wortels en het oog groeit dan verder door.
Diosma alba. Deze dankbare, zeer aromatisch riekende plant is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop. Door haar fijne bladeren doet zij denken aan de voor kamercultuur ten eenenmale ongeschikte Erica's. De bloempjes, die in het voorjaar verschijnen, zijn wit en gelijken veel op kleine Myrtebloempjes.
De Diosma groeit slechts langzaam; zij verlangt een mengsel van blad- en heideaarde, waarbij een weinig kleigrond wordt gevoegd. Om goede bossige planten te vormen, moet zij herhaalde malen worden ingesneden; daarbij moet zij dan des zomers een goede, vrije standplaats hebben en vooral goed begoten worden. Droge, warme kamerlucht is voor deze plant zeer ongeschikt. De voortkweeking geschiedt midden in den zomer door middel van stekjes.
Erythrina crista-galli. Dit is een prachtig bloeiende Braziliaansche struik met drietallige bladeren, die zij, evenals de jonge scheuten, gedurende den herfst verliest. Iedere sterke scheut eindigt, in den zomer, in een langen tros vlindervormige bloemen, die prachtig rood en geheel reukeloos zijn. De oude planten bestaan uit korte, dikke knoesten, waaruit ieder voorjaar nieuwe scheuten ontspruiten. Het beste doet men de Erythrina, des zomers op een warme, zonnige plaats in den tuin of anders op het balkon te zetten. De jonge planten moeten ieder voorjaar in goeden, voedzamen, zwaren grond verpot worden. Des zomers moeten zij rijkelijk begoten en verscheidene malen gegierd worden. Gedurende den herfst giet men langzamerhand minder om eindelijk de rustende planten, geheel droog, in een kelder of vorstvrije achterkamer te laten overwinteren.
In het voorjaar kan men de oude planten in de kamer aan den groei brengen, en dan de jonge scheuten, ter vermenigvuldiging, als stekken gebruiken. Jonge exemplaren, die nog geen stam gevormd hebben, mag men niet zoo koud en droog laten overwinteren, als de oudere. Er zijn verscheidene fraaie variëteiten van bekend. Om in de kamer en des zomers buiten voor het venster gekweekt te worden, is het meest aanbevelenswaardig de Erythrina crista-galli compacta; deze blijft steeds klein, doch bloeit zeer rijk met groote, roode bloemen.
Fuchsia. Onder de meest geliefde potplanten, die men overal voor het venster, op de vensterbank, op het balkon en in den tuin vindt staan, die door rijk en arm worden gekweekt, neemt de Fuchsia zeker wel een eerste plaats in. Wie kent dezen lieven bloemstruik niet, wiens sierlijke, hoewel reukelooze, roode, paarse of witte bloemen, hetzij alleen, hetzij in trosjes, naar beneden hangen en somtijds bij honderdtallen aan één plant gevonden worden? De roode of witte kelkbladeren staan horizontaal, of zijn om het vruchtbeginsel teruggeslagen. De bloembladeren vormen meestal een trechtervormige kroon. Somtijds krijgt de bloem ook door den pijpvormigen kelk een meer buisvormig voorkomen. Hierbij geven de ver uit de bloem stekende meeldraden en de nog verder uitstekende stamper aan de enkelbloemige soorten een zeer eigenaardig voorkomen. De eerste Fuchsia werd in 1696, dus ruim 200 jaar geleden, door Plumier in Amerika ontdekt en onder den naam Fuchsia triphylla flore coccineo beschreven. Hoewel in den loop der tijden honderden variëteiten, door het kruisen van soorten onderling en van soorten met variëteiten gewonnen zijn, worden er nog altijd veel echte soorten om haar fraai voorkomen gekweekt. Zoo is de lang vergeten Fuchsia triphylla (Fig. 70) tegenwoordig weer in de mode gekomen; zij wordt in den laatsten tijd met bijzondere voorliefde gekweekt, en men heeft er ook reeds verbeterde variëteiten van gewonnen. Een van de meest verspreide echte soorten is zeker wel de Fuchsia gracilis, waarvan jonge plantjes dikwijls met honderden kleine, roode bloempjes bedekt zijn (Fig. 71, bovenste twijg). Een zeer schoone soort is ook nog de Fuchsia fulgens met fraaie, lange, pijpvormige bloemen en zeer groote bladeren; ook de Fuchsia coccinea verdient aanbeveling.
Zoowel de groot- als kleinbloemige soorten, de enkele of gevulde, alle Fuchsia's zijn, wanneer zij rijk bloeien, zeer fraai. De Fuchsia's rusten des winters volkomen; zij verliezen dan haar blad en men kan ze in een vorstvrijen kelder laten overwinteren. Tijdig in het voorjaar haalt men ze voor den dag; zij worden dan ingesneden, uit den pot genomen en, nadat de kluit voorzichtig losgemaakt is, verplant in matig groote potten. Voor het verplanten gebruikt men goede broeiaarde. Deze bewerking is geraden wanneer men een op het zuiden gelegen venster heeft, waar zij aan den groei gebracht kunnen worden; heeft men dit niet, dan doet men wijzer de planten tot het begin van Mei in den kelder te laten staan, om ze dan direct buiten te zetten. Geeft men den versch verpotten Fuchsia's een lichte standplaats, en vergeet men niet ze bij zonnig weer te bespuiten, dan gaan zij spoedig aan den groei en de jonge scheuten zullen weldra in bloei komen. Zeer bruikbaar zijn de jonge, bossige planten, die men, door van de jonge twijgen stekken te nemen, zeer gemakkelijk kan kweeken. Gewoonlijk wortelen deze stekken, wanneer men ze onder een stolp zet, na 8 of 10 dagen, en spoedig daarop kunnen de jonge plantjes in potjes worden uitgeplant.
Zoodra er geregeld warm weer begint te heerschen, verdragen de Fuchsia's de kamerlucht niet meer. Het liefst staan zij op een eenigszins beschaduwde plek in den tuin of op een balkon of bloemrekje, waarop de morgenzon schijnt. Wanneer men de Fuchsia's nog eens verpot en men zorgt goed voor de begieting, terwijl het toedienen van gier niet vergeten wordt, dan ontwikkelen zij gedurende den zomer een waren bloemenrijkdom. Men moet ze dan echter op haar plaats laten staan, en niet van de eene naar de andere dragen, wijl zij daar niet tegen kunnen en direct daarop haar bloemen en knoppen laten vallen. Het rijkste bloeien de kleinbloemige soorten.
Voor het bloemenrekje kan men slechts jonge planten gebruiken, die van onder tot boven met blad bezet zijn. Oudere, overwinterde planten kan men met goed succes in bakjes aanwenden, waarin zij dan uitgeplant kunnen worden. Als alleen staande planten in den tuin of op het balkon gebruikt men het beste oudere Fuchsia's, die in kroonvorm zijn gekweekt. Deze kroonboompjes plant men in kuipjes of groote potten, waarin zij, wanneer men ze nu en dan giert, jarenlang kunnen staan. Zulke kroonboompjes kunnen inderdaad prachtig bloeien. Voor dezen kroonvorm leent zich bij uitnemendheid de Fuchsia gracilis.
Enkele Fuchsia's zijn door haar groeiwijze zeer goed geschikt voor ampelplanten. De sierlijkste van deze hangende Fuchsia's is de Fuchsia procumbens, een kruipende soort uit Australië, met kleine bladeren, vurig purperroode bloempjes en betrekkelijk groote vruchten.
Van de lente tot den herfst zijn alle gekweekte Fuchsia's met bloemen overdekt, die tot de uiterste twijgspitsjes ontspruiten. De aanhoudende koude najaarsregens maken aan den bloei pas een einde. Indien men oude Fuchsia's zoo lang mogelijk in den kelder laat rusten, ze gedurende den zomer herhaaldelijk insnijdt, zoodat zij niet tot bloeien kunnen komen, dan maakt men er najaarsbloeiers van, die gedurende den herfst en den voorwinter veel genot kunnen verschaffen. Bij de gewone behandeling giet men in het najaar langzamerhand minder en brengt men ze in November, nadat men er vooraf al de bladeren afgeplukt heeft, ter overwintering in den kelder, waar zij droog kunnen blijven staan. Er moet echter op gelet worden, dat men ze niet zoodanig laat uitdrogen, dat de bast gaat rimpelen, aangezien dit minder goed voor de planten is.
Men heeft verscheidene soorten (Fuchsia gracilis, F. coccinea, e.a.) winterhard genoemd; ook zijn er eenige soorten als buitengewoon winterhard in den handel gebracht. Inderdaad zijn de meeste Fuchsia's zóó hard, dat zij best wat vorst kunnen verdragen en dan ook, onder een droge bedekking, zeer goed buiten overwinteren.
Het zou geen zin hebben hier enkele variëteiten der Fuchsia's aan te bevelen. Zij worden in iedere kweekerij in groote keuze gekweekt en men doet het beste die uit te zoeken, welke men zelf het fraaiste vindt.
Habrothamnus elegans. Deze plant komt zeer nabij de reeds besproken Cestrum. Zij is uit Mexico afkomstig, heeft lancetvormige bladeren en pijpvormige, purperroode bloemen, die in losse trossen aan het einde der scheuten hangen.
Deze fraaie struik ontwikkelt zich het best, wanneer men hem in Mei flink terugsnijdt, dan zoo mogelijk in den tuin uitplant op een zonnige plaats en in September weder in potten zet. Totdat kouder weer begint te heerschen, laat men hem buiten staan, waarop men hem in een vertrek met een temperatuur van 45°-50° Fahr. plaatst. Hij is een zeer schoone winterbloeier, waarvan men veel pleizier kan hebben.
De voortkweeking geschiedt door middel van stekken.
Heliotropium peruvianum (Heliotroop). Dit is zeker wel een der meest geliefde planten. Zij is uit Peru afkomstig, heeft eivormige, ruwe bladeren en wordt om de kleine, in dichte bundeltjes te zamen staande bloemen gekweekt (Fig. 72). Deze min of meer intensief blauwe bloemen, die bij sommige minder gezochte soorten ook bijna wit zijn, kenmerken zich door een overheerlijken, zachten vanille-geur. De Heliotroop stelt ongeveer dezelfde eischen als de Fuchsia. Ook zij verlangt een goeden, voedzamen grond, die met wat graszodengrond vermengd kan worden. Voor het verpotten, in het voorjaar, wordt zij flink ingesneden en des zomers op een eenigszins beschaduwde plek buiten gekweekt. Zij verdraagt niet de minste vorst, en moet daarom in een vorstvrij vertrek, met een temperatuur van 40°-45° Fahr. overwinteren. Indien zij haar bladeren niet afgeworpen heeft, moet men haar op een lichte standplaats zetten. In struikvorm gekweekt, heeft men alleen genot van jonge planten, daar zij, ouder geworden, haar onderste bladeren laten vallen en dan een minder mooi voorkomen verkrijgen. Kweekt men er stamboompjes van, dan is zij vele jaren een dankbare bloeister. Uit de, in het voorjaar, gestoken stekken laten zich het eerste jaar reeds aardige kroonboompjes kweeken. Om dit doel te bereiken, zoekt men de sterkste stekplanten uit, zet er 80-100 cM. lange stokjes bij en bindt de jonge plantjes, vooral niet te stijf, daaraan vast. Geeft men deze stekplantjes een zonnige, lichte plaats, dan groeien zij spoedig flink door. Men laat nu de bladeren onaangeroerd, doch verwijdert, zoo spoedig mogelijk, de jonge zijscheuten, terwijl ook de bloemen, zoo spoedig men ze kan vatten, weggesneden moeten worden. Al naar de plantjes hooger worden, bindt men ze aan stokjes, totdat zij daareven bovenuit gegroeid zijn. Hebben de plantjes op deze wijze de verlangde hoogte bereikt, dan worden de koppen er uit gesneden. Er zullen zich dan spoedig bovenaan jonge zijscheuten ontwikkelen, die men laat staan, omdat zij de kronen moeten vormen. Om goede kronen te krijgen, moeten deze zijscheuten ook herhaaldelijk ingesneden worden, zoo lang totdat de kroontjes dicht genoeg geworden zijn. Snijdt men bij zoo gevormde kroonboompjes de bloemen geregeld des zomers weg en zet men ze des winters op een lichte plaats, dan zullen zij den ganschen winter door bloemen geven. Geheel op dezelfde wijze kan men ook van Fuchsia's in den zomer kroonboompjes kweeken.
Kweekt men de Heliotroop in de kamer, dan moet men haar een zeer lichte standplaats geven, daar zij anders zwakke, dunne scheuten en onbeduidende, bleeke bloemen ontwikkelt. Om in de bakjes uit te planten, zijn de Heliotropen uitstekend geschikt.
Er zijn slechts betrekkelijk weinig Heliotroop-soorten, waarvan, zooals wij reeds zeiden, de donkerblauwe verreweg de schoonste zijn.
Hydrangea (Hortensia). Dit is een algemeen bekende Japansche bloemstruik, die om zijn, wel reukelooze, maar fraaie groote schermen vormende bloemen zeer gezocht wordt.
De gewone Hortensia (Hydrangea Hortensia), waarvan Fig. 73 een paar bloemschermen toont, komt in talrijke soorten en variëteiten voor en behoort tot een van de meest verspreide potplanten. Al de variëteiten kenmerken zich door deels geslachtelooze bloemen, aangezien die bloemen, waarin meeldraden en stampers voorkomen, als sierbloemen geen waarde hebben. Dergelijke bloemen treft men nogal eens bij een bontbladerige variëteit aan, die echter zeer zwak groeit en dus in alle opzichten niet zeer aan te bevelen is. De kleur der Hortensia-bloemen is wit, of ook wel lichtrood. Plant men ze echter in ijzerhoudende aarde, of wel, begiet men ze met water, waarin men roestige ijzeren voorwerpen eenigen tijd laat liggen, dan verkrijgen de bloemen een meer of minder intensief blauwe kleur.
De Hortensia kan best enkele graden vorst verdragen. In het najaar plukt men er de bladeren af, om haar in den kelder te laten overwinteren. Zij behoort tot die bloemplanten, die in Januari of Februari, voor een zonnig venster in een warm vertrek geplaatst, zich zeer goed in bloei laten trekken. Om dit te doen, moeten de planten eerst verpot worden, waartoe men een mengsel gebruikt van heide- en veengrond, benevens een weinig klei en een goede hoeveelheid zand. Staan de twijgen te dicht, dan kunnen de zwakste geheel weggesneden worden; aan de krachtige twijgen echter, die moeten bloeien, mag in het geheel niet gesneden worden, omdat de bloemen zich uit de eindknoppen ontwikkelen. Begiet men de aan den groei gebrachte planten rijkelijk, dan zullen zij spoedig krachtig doorgroeien en zullen uit den wortel een aantal jonge scheuten ontspruiten. Op drie of vijf na moeten deze scheuten echter alle weggesneden worden. Die, welke men laat staan, dienen om enkele uitgebloeide scheuten, die leelijk zijn geworden, te vervangen. De uitgesneden jonge scheuten zijn zeer goed als stekken te gebruiken en wortelen gemakkelijk. Tijdig aan den groei gebrachte Hortensia's kunnen reeds in April of Mei bloeien. Wil men de Hortensia's niet in bloei trekken, dan laat men ze tot het begin van April in den kelder staan, waarop men ze in den tuin of op het balkon zet; zij bloeien dan van het midden van den zomer tot aan den herfst. De Hortensia houdt niet van de volle zon; men moet haar dus een beschaduwde standplaats geven, of anders tegen de felle middagzon beschermen. Dezen planten, die des winters volkomen droog moeten blijven, kan men des zomers bijna geen water genoeg geven. Verzuimt men ze tijdig te begieten, dan hangen zij maar al spoedig te slap, en herstellen zich in den loop van den zomer niet gemakkelijk. Houdt men de Hortensia's gedurende den winter te vochtig, dan worden zij wortelziek en het gevolg zal zijn, dat zij den volgenden zomer slechts zwakke scheuten en gele bladeren zullen voortbrengen.
Naast de gewone Hydrangea Hortensia wordt tegenwoordig de Hydrangea paniculata (Trosvormige Hortensia) ook veel aangetroffen. Deze soort stamt ook uit Japan en draagt groote, witte bloemen. Deze zeer harde plant is, als kroonboompje gekweekt (Fig. 74), zeer fraai en uitstekend geschikt ter versiering van het balkon of den tuin. Deze winterharde soort laat zich minder goed in bloei trekken; voor het overige kan zij als de gewone Hortensia behandeld worden.
Oude, in kuipjes staande, goed behandelde Hortensia's zijn gedurende haar langen bloeitijd ware prachtplanten, waarvan iedere liefhebber zeer veel genot kan hebben.
Lantana hybrida. De Lantana met haar kegelvormige, gele of roode bloemhoofdjes, die snel ontluiken, doch even spoedig afvallen, wordt tegenwoordig niet veel gekweekt. Onze tuinvariëteiten stammen alle van enkele Zuid-Amerikaansche soorten af, en kenmerken zich daardoor, dat de bloemen, al naar zij ouder worden, van kleur veranderen. Dit heeft ten gevolge, dat de bloemtuiltjes meestal verschillend gekleurde bloemen dragen. Wrijft men de bladeren tusschen de vingers, dan verspreiden zij een onaangenamen geur.
De Lantana verlangt een goeden, weinig zwaren grond, niet te kleine potten, een zonnige plaats voor het venster en overwintering in een temperatuur van 40°-45° Fahr. In het voorjaar worden de overwinterde planten ingesneden, verpot en aan den groei gebracht.
De voortkweeking gaat gemakkelijk uit stekken, die men van de, zich in de kamer ontwikkelende, scheuten snijdt en die zeer vlug wortelen.
Libonia floribunda. Deze zeer klein blijvende, bossige, somtijds kogelrond groeiende struik is uit Brazilië afkomstig. De bladeren zijn langwerpig en klein; de bloemen zijn ook niet groot, buisvormig, half rood, half geel en reukeloos.
De Libonia houdt van zandige broeiaarde; zij wordt in den zomer buiten voor het venster, in den winter op de vensterbank van een koel vertrek, of, nog beter, tusschen de dubbele vensters van het woonvertrek gekweekt. Jammer is het, dat de Libonia, die tegenwoordig niet veel meer aangetroffen wordt, in den winter dikwerf veel blad verliest. Het is anders een echte bloemplant voor den winter. In den laatsten tijd wordt de Libonia penrhosiensis, een in Engeland gewonnen variëteit, als winterbloemplant zeer aanbevolen. Deze verliest wel is waar niet zoo gemakkelijk haar blad, maar zij is ook niet bijzonder mooi.
De Libonia laat zich in het voorjaar gemakkelijk voortkweeken uit stekken, of ook wel door het verdeelen der oude planten.
Myrtus communis (Mirt). De verschillende kleinbladerige vormen van den in Zuid-Europa algemeen voorkomenden Mirt behooren tot de lievelingsplanten van vele dames, die zich met het verzorgen van planten bezighouden. Vooral in Duitschland is deze plant bij de dames zeer in trek; het komt daar niet zelden voor, dat een jong meisje zelf haar Mirte-boompje kweekt, uit welks jonge twijgjes zij later haar bruidskrans windt, om als getrouwde vrouw de zorgvuldige verpleegster van dit boompje te blijven.
De Mirt is een plant voor het koele, vorstvrije vertrek, die des zomers wel in een goed geluchte kamer doorgroeit, doch zich dan buiten beter houdt. Hij wordt hoofdzakelijk als kroonboompje gekweekt, in welk geval hij een klein, kogelvormig kroontje krijgt; men ziet hem echter ook in struik- en pyramide-vorm. Kleine struik- en pyramideboompjes kunnen zich uit stekken reeds gedurende één zomer ontwikkelen; wil men echter kroonboompjes kweeken, dan duurt dit verscheidene jaren. Laat men een jonge, krachtige stekplant, nadat men haar aan een stokje gebonden heeft, rustig doorgroeien, zonder de zijscheuten weg te snijden, dan ontwikkelt zij zich vanzelf tot een pyramide; snijdt men uit een dergelijke stekplant direct den kop, dan zal zij tot een struikje opgroeien. Stamboompjes worden gekweekt aan een stokje van 50-60 cM. hoogte; men bindt den hoofdscheut daaraan geregeld vast, snijdt de sterke zijscheuten geheel weg en laat de zwakke zoo lang doorgroeien, totdat het stammetje de noodige sterkte verkregen heeft. Snijdt men steeds álle zijscheuten weg, dan wordt het stammetje te zwak.
De Mirten moeten in goede broeiaarde gekweekt worden en bij het oppotten gebruikt men bij voorkeur kleine potten. Moeten zij verplant worden, dan past men op, niet te diep te planten; komt toch een gedeelte van den stam in de aarde, dan wordt dit spoedig door rotting aangetast. Houdt men deze plantjes te vochtig, dan krijgen zij in plaats van fraai groene, dof gele bladeren, en zet men ze te warm of te donker, dan maken zij lange, zwakke scheuten, die door thrips worden aangetast. Op deze wijzen kan men gezonde exemplaren in korten tijd ziek maken. De witte bloempjes, die zeer snel uitbloeien, verschijnen bij den Mirt slechts zelden, daar men door het insnijden, ter wille van den vorm, de bloem wegsnijdt. Een kleine vorm, de Myrtus nana compacta multiflora, bloeit geregeld iederen zomer. Een variëteit van dezen vorm is de Myrtus Jenny Reitenbach, ook wel Koningsberger Bruidsmirt genaamd, die uitstekend geschikt is om als kroonboompje gekweekt te worden en in dien vorm des zomers met duizenden bloemen prijkt.
De vermenigvuldiging van den Mirt geschiedt het beste door middel van stekken, die, koud en beschaduwd geplaatst, in 4-6 weken wortelen.
Nerium Oleander (Oleander). De Oleander, wiens eigenlijk vaderland Klein-Azië is, wordt tegenwoordig in Zuid-Europa overal in het wild groeiend aangetroffen. Deze, ook bij ons zeer in trek zijnde sierstruik komt daar langs de oevers der beken en rivieren voor, die daardoor een zeer aantrekkelijk voorkomen verkrijgen. De Heer C. Sprenger, te Napels, schrijft in het tijdschrift "Natur und Haus" het volgende over den Oleander: "De wilde Oleander-struik wordt zelden hooger dan vier Meter; in de meeste gevallen blijft hij lager, daar hij als oeverstruik zich hoofdzakelijk in de breedte ontwikkelt. Op deze wijze vormt hij dichte boschjes, die, wanneer zij met bloemen overdekt zijn, een prachtigen aanblik opleveren en de lucht met heerlijke geuren vervullen. Met verwondering volgt het oog deze roode banden, hoe zij tegen de bergen oploopen om van daar af, de beken volgend, in gebogen lijnen terug te keeren."
Bij ons ziet men den Oleander wel vaak als sterke pot- of kuipplant, doch slechts zelden ziet men hem in zijn ware bloemenpracht. Dikwijls is dit niet-bloeien het gevolg van gebrek aan zon, waardoor de bloemen niet tot ontwikkeling kunnen komen. De knoppen blijven dan des winters aan de takken zitten, om in een volgenden zomer, bij gunstig weer, open te komen. Dikwijls ook is het gevolg van gebrek aan voedsel en water, en bij oudere exemplaren wordt het weer veroorzaakt door het niet-tijdige insnijden. Wanneer oude Oleanders niet goed meer groeien en bloeien, dan moet men ze flink insnijden, desnoods zóó diep, dat er slechts een paar takken met bladeren overblijven. Op dit insnijden laat men dan een verplanten volgen. Bij voorkeur moeten zij geplant worden in ouden, verteerden koemest, die met wat kleiaarde en zand vermengd wordt. Goed bewortelde Oleanders moet men niet verzuimen des zomers flink te gieren. Plant men ze in te armen grond of wel, houdt men ze des winters te warm, dan worden zij aangetast door de Oleander-schildluis, die zich vaak op beide zijden der bladeren zet, en die zeer lastig te verwijderen is.