Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer

Chapter 11

Chapter 113,756 wordsPublic domain

Deze bakjes worden vervaardigd uit grenen- of eikenhout en uitwendig geolied. Het hout is een slechte warmtegeleider; het wordt in de zon lang niet zoo warm als metaal of steen, en de wortels van in dergelijke bakjes geplante gewassen loopen dan ook geen gevaar te verbranden. De lengte der bakjes moet natuurlijk overeenkomen met die van het balkon; zij moeten minstens 30 cM. diep zijn en in geen geval smaller wezen dan 20 cM. Natuurlijk moeten zij stevig in elkander getimmerd worden, daar zij anders door den invloed van vochtigheid en warmte licht uit elkaar zouden trekken; ook moet men er voor zorgen, dat zich in den bodem voldoende drainagegaten bevinden. Deze drainagegaten kunnen er met een groote boor in geboord worden.

Heeft men de bakjes enkele malen goed met olie laten verven en zijn zij goed droog, dan kan men ze gaan gebruiken. Het beplanten doet men het beste ter plaatse, waar men ze wil gebruiken, dus op het balkon of in de veranda. Daar de voor de beplanting gebruikte gewassen meestal in kweekerijen gekocht worden, en daar vaak onder glas zijn gekweekt, waardoor zij niet tegen koude bestand zijn, doet men wijs het beplanten niet te vroeg te verrichten. Het best is daartoe de laatste helft van Mei geschikt. Willen wij nu de bakjes beplanten, dan moeten wij in de eerste plaats daartoe goede aarde hebben en in de tweede plaats goede planten. Een zeer goede aarde voor dergelijke bakjes bestaat uit 3 deelen broeiaarde, 1 deel graszodengrond en 1/2 deel scherpzand. Aan deze aarde voegt men voor een bakje van middelbare grootte een kleine handvol hoornspaanders toe, een voor zulke inrichtingen uitnemende meststof, daar zij slechts langzaam verteert en dus den geheelen zomer door werkt. Ligt het balkon zoodanig op de zon, dat er kans bestaat voor spoedig en geheel uitdrogen der aarde, dan is het voorzichtig bij het opgegeven aardmengsel nog 1/3 deel turfstrooisel te voegen. De ondervinding heeft mij geleerd, dat turfstrooisel en ook turfmolm uitstekende hulpmiddelen bij de plantencultuur zijn. Turf bestaat uit plantaardige stoffen, en heeft de eigenschap om, zonder te rotten of zuur te worden, het overvloedige water uit de aarde op te nemen en vast te houden. Door deze eigenschap is ze dus zeer goed geschikt om planten, die niet al te onhandig gegoten worden, voor sterk uitdrogen te behoeden. Wanneer men goed oplet, dan zal men bemerken, dat de wortels van talrijke planten dikwijls in de stukjes turf doordringen en zich daar rijkelijk in vertakken.

Heeft men de aarde voor het bakje klaargemaakt en vooral goed gemengd, dan wordt de drainage er in gebracht. Op ieder drainagegaatje wordt een potscherf gelegd en de bodem verder met scherven bedekt. Hierna wordt het bakje met aarde gevuld en deze gelijk gemaakt. Wil men het doorlekken van het gietwater geheel of zoo goed als geheel voorkomen, dan wordt op de scherflaag nog een laag grove turfstrooisel gelegd van een paar vingers dikte. Indien men niet al te onbedachtzaam giet, dan is deze laag voldoende om het overvloedige water op te zuigen, dat zij dan langzamerhand eerst aan de aarde en later weder aan de wortels teruggeeft. Wanneer men het bakje goed, dat wil zeggen, tot een paar vingers beneden den rand, met aarde gevuld heeft, dan kan met het beplanten aangevangen worden. In de eerste plaats moet men daarbij in het oog houden, dat men wijd moet planten; er moeten dus slechts weinig planten in ieder bakje gezet worden, opdat zij voldoende ruimte hebben om zich goed te ontwikkelen. In den regel toch wordt veel te dicht geplant; de bakjes zien er dan wel is waar direct mooi gevuld uit, doch de planten hebben geen ruimte om goed door te groeien en kunnen dus haar natuurlijke schoonheid niet ten toon spreiden. Gebruikt men voor het beplanten potplantjes, dan neemt men ze uit den pot, maakt de wortels met een houtje een weinig los, zooals dit ook bij het verplanten geschiedt, snijdt deze wat in en plant ze hierna zóó in het bakje, dat zij even diep, of hoogstens een weinig dieper komen te staan, dan zij in haar pot stonden. Beplant men de bakjes met éénjarige zomerbloemen, die men in de kamer in schotels of kistjes uit zaad heeft gekweekt, of die in een kweekerij in een half warmen bak zijn ontwikkeld, dan moet men den hoofdwortel een weinig inkorten, ten einde de plantjes te nopen rijkelijk haarworteltjes te maken. Het planten van deze zaailingen geschiedt met behulp van een stevig, aan de punt een weinig toegespitst verplantstokje. Met dit stokje steekt men daar, waar de zaailing moet komen te staan, een voldoend diep en wijd gaatje in de aarde. Het plantje wordt nu met de linkerhand zóó daarin gehouden, dat het worteltje loodrecht naar beneden hangt, en de beide onderste blaadjes op de aarde rusten. Met het stokje wordt dan het gaatje toegedrukt, zoodat de aarde goed om het worteltje sluit en het plantje stevig vaststaat.

Bij het beplanten der bakjes moet men met het kiezen der planten natuurlijk rekening houden met het doel, dat men er mede wil bereiken. Wil men een balkon laten begroeien, zoodat het hekwerk daarvan geheel met bladeren bedekt wordt, dan is het verkieselijkste klimplanten te gebruiken. In dit geval moet men, wanneer aan het balkon of de warande geen bijzondere inrichtingen daartoe zijn, een hekje van hout of ijzer aan ieder bakje laten bevestigen, opdat de jonge plantjes daar in den beginne tegenop kunnen klimmen. Wil men het geheele balkon in een priëel veranderen, dan moet men niet te wijd uit elkander ijzerdraden spannen van een bepaalde hoogte van het huis naar de balustrade der veranda. Hoe rechter deze draden loopen, des te sneller zal men het gewenschte doel bereiken.

Wanneer men klimplanten wil gebruiken, die weinig moeite veroorzaken en een ongunstige ligging van het balkon, hetzij door gebrek aan zon, hetzij doordat het veel aan den wind is blootgesteld, voor lief nemen, dan neemt men Vitis quinquefolia (Wilde Wingerd) of Hedera Helix (Klimop). De grootere kweekerijen zijn meestal goed voorzien van deze planten, waarvan men ook verschillende variëteiten heeft gewonnen. Een met Klimop of Wilde Wingerd beplant bakje vereischt in de eerste jaren niet bijzonder veel zorg. Wanneer men niet verzuimt deze planten, wanneer zij zich in haar krachtigsten groei bevinden, een paar keeren te gieren, dan kunnen zij vier à vijf jaar in dezelfde aarde blijven staan. Men vervangt dan hoogstens in het voorjaar de bovenlaag der aarde door wat verschen grond. Bij gewone winters is het voldoende de bakjes met wat blad of stroo te bedekken, teneinde het geheel bevriezen der aarde te voorkomen; is de winter buitengewoon streng, dan doet men voorzichtiger de bakjes binnenshuis, b.v. in den kelder, te laten overwinteren. De Klimop behoeft in het geheel niet gesnoeid te worden, de Wilde Wingerd echter doet men beter in het voorjaar goed te snoeien; men snijdt daartoe de voorjarige gezonde scheuten, al naar gelang der sterkte, op 2 tot 5 oogen terug.

Meer moeite, maar zeker ook meer genot, verschaffen de met éénjarige klimplanten beplante bakjes. Een dergelijk pas beplant bakje toont ons Fig. 66. Onder de éénjarige planten zijn er vele, die dadelijk na het uitplanten in Mei flink gaan doorgroeien. In Juli kan het balkon, wanneer men deze planten gebruikt, reeds volgegroeid zijn. In deze maand beginnen de éénjarige planten te bloeien, en vele gaan dan tot aan de intredende vorst daarmede door. De bewonderenswaardig snelle groei van deze éénjarige klimplanten wijst er natuurlijk reeds op, dat zij zeer veel voedsel noodig hebben. Wanneer wij kunnen veronderstellen, dat de wortels het bakje goed gevuld hebben, dan moet men beginnen den grond te gieren; men kan de planten dan wekelijks een paar keer met gier begieten. Laat men dit gieren na, dan houden de planten op met groeien, zij krijgen een matte, gele kleur en worden daardoor veel minder fraai. Heeft men een bakje van een paar Meter lengte, dan moet men daarin niet meer dan drie klimplanten zetten, wanneer dit sterk groeiende soorten zijn. Heeft men minder snel groeiende soorten, dan kan dat aantal verdubbeld worden. Het is niet raadzaam, het bakje met andere planten dan klimplanten te vullen. Deze toch laten, wanneer zij in vollen groei zijn, ook verscheidene scheuten naar beneden hangen, zoodat zij het bakje volkomen bedekken; voor andere planten is hier dus geen plaats. Zeer geschikt om in bakjes geplant te worden zijn de volgende éénjarige of wel als éénjarig beschouwd wordende klimplanten, namelijk: Humulus japonicus en Humulus japonicus fol. var. (groene en bontbladerige Japansche Hop), de Melothria abyssinica, een zeer schoone Pompoensoort met fraaie bladeren, kleine stervormige bloemen en aan bosjes samenhangende mooie oranjeroode vruchten; de Lophospermum scandens met donkere, karmijnroode, trompetvormige bloemen, die in vorm veel overeenkomst hebben met die van een Gloxinia, en de Cobæa scandens met gevinde in een rank eindigende bladeren en groote, klokvormige, lilakleurige bloemen. Van de hoofdzakelijk om haar fraaie bladeren gekweekte éénjarige planten willen wij naast de reeds genoemde Humulus nog vermelden de Micania scandens met bladeren als die van een Klimop en de Pilogyne suavis, een zeer fraaie Pompoensoort, wier bladeren dikwijls een zeer aangenamen geur verspreiden. Zeer veel worden ook gebruikt de Phaseolus multiflorus (Pronkboonen) en Ipomæa purpurea (Winde). Van de fraaie klimplanten, die zeer geschikt zijn om gebruikt te worden, wanneer alleen de balustrade van het balkon bekleed moet worden, noemen wij slechts de zich met schoone roode bloemen tooiende Maurandia, alsook enkele lage soorten Tropæolum (Oost-Indische kers). Voor ditzelfde doel laten zich ook zeer goed enkele dunstengelige gewassen gebruiken, die toch eigenlijk geen klimplanten zijn. Onder deze noemen wij de Pelargonium peltatum (Klimopbladerige Pelargonium) en enkel bloeiende Petunia's. Voor meerdere soorten raadplege men het hoofdstuk "Klimplanten".

Moeten de bakjes dienen om op de balustraden der balkons te worden geplaatst, en deze met een bloemenrand te sieren, zonder ten doel te hebben schaduw te geven, terwijl zij ook het uitzicht niet mogen belemmeren, dan worden zij met fraai bloeiende potplanten bezet. In dit geval kan men met goed gevolg verschillende soorten Pelargoniums, de lekker riekende, blauw bloeiende Heliotropium en de lief met rood en zwarte bloempjes bloeiende Cuphea platycentra gebruiken. Ook enkelen gevuldbloemige Petunia's, alsmede blauwe en witte Lobelia's zijn hier zeer op haar plaats. Deze planten, die veel voor bloembedden worden gebruikt, kan men in het voorjaar in iedere kweekerij koopen. Wanneer men de bakjes met dergelijke planten beplant, moet men vooral niet vergeten langs den rand eenige hangplanten te zetten, bij voorbeeld de bonte en groene Tradescantia, die zeer welig groeien en een schoon effect teweegbrengen.

De zoogenaamde zomerbloemen,--dit zijn de éénjarige planten, die zeer goedkoop zijn en die men zelf gemakkelijk uit zaad kan kweeken--, worden slechts zelden voor het beplanten der bakjes gebruikt. Men schenkt, zeer ten onrechte, slechts dan zijn aandacht aan dergelijke planten, wanneer men een uiterst goedkoope beplanting wil bewerkstelligen. Nadere mededeelingen hierover kan men in het hoofdstuk "Zomerbloemen" vinden.

Het binnenbrengen der gedurende den zomer buiten gekweekte planten.

Wanneer in de tweede helft van September koude regens beginnen te vallen en dikwijls op warme dagen zeer koude nachten volgen, moet men aanvangen met de teedere planten, die men gedurende den zomer buiten kweekte, weder binnen te brengen.

De teerste planten dus, waaronder Palmen, Varens en zachte blad- en bloemplanten, blijven niet langer dan tot de tweede helft van September buiten staan. Alle hardere planten, namelijk die, welke des winters in koudere, slechts even vorstvrije vertrekken staan, en die gedeeltelijk zelfs enkele graden vorst zonder schade kunnen verdragen, kan men langer buiten houden; de uiterste termijn is echter half October. Als regel moet men aannemen na 15 October geen kamerplanten meer buiten te hebben staan, hoewel het zaak is er op te passen, dat de hardere planten niet te vroeg binnen gezet worden. Een bezwaar is het, dat ook de hardere planten in den nazomer veel te lijden hebben van koude regenvlagen, die de aarde doorweeken en afkoelen, terwijl de planten reeds in rust zijn. Om dit bezwaar te voorkomen, is het voorzichtig deze planten van af half September in een prieel te plaatsen of een op palen rustend dak te laten maken en ze daaronder te zetten. Deze laatste maatregel heeft nog een groot voordeel; wanneer men, voordat de planten buiten gebracht zijn, voor onverwachte nachtvorsten vreest, kan men tegen dit dak rietmatten zetten of er iets aan hangen, waardoor de planten dan voldoende beschermd staan. Kan men niet over een prieel beschikken en heeft ook het maken van een tijdelijk dak bezwaar, dan doet men voorzichtig de planten bij een muur of schutting te verzamelen. Gaat het zwaar regenen, dan kan men door ze om te leggen, voorkomen, dat te veel water in de kluiten dringt, terwijl zij zoo staande met geringe moeite tegen onverwachte vorst beschermd kunnen worden.

De allerhardste planten zooals Hydrangea's, Fuchsia's, Granaten, Laurieren, Oranjeboomen, Evonymussen en andere worden, al naar gelang van het weer, tusschen 15 October en 't begin van November binnengebracht. Dikwijls kunnen zij nog langer buiten blijven staan, daar zij best eenige graden vorst kunnen verdragen; men vergete echter niet, dat de potten licht kunnen springen, wanneer de kluiten bevriezen.

Vóór het binnenbrengen worden al de potten en kuipen met een stijven boenborstel, die wel in elke huishouding voorradig is, goed afgeboend. Is men hiermede klaar, dan wordt de aarde der potten gereinigd, door alle mos en onkruid te verwijderen; hierna worden de dorre bladeren en doode twijgjes afgesneden. De door ongedierte aangetaste planten worden op de genoemde wijze gewasschen en de met aarde volgespatte bladeren goed schoongemaakt. Is men met deze werkzaamheden gereed, dan ziet men na of de planten ook opgebonden moeten worden en vernieuwt men zoo noodig de banden, stokjes en etiquetten. Planten, die ziek zijn, of door de een of andere oorzaak geleden hebben, werpt men eenvoudig op den mesthoop. Zieke planten zien er in de eerste plaats allesbehalve fraai uit, en kunnen dus niet als kamerversiering dienen; brengt men ze daarenboven in het najaar ziek binnen, dan is de kans zeer groot, dat zij gedurende den winter gaandeweg afsterven.

Heeft men de planten geheel klaargemaakt om binnengebracht te worden, dan moet men letten op de eischen, die zij stellen aan temperatuur en licht. De warmere planten, die reeds in September zijn binnengebracht, verlangen over het algemeen een zeer lichte standplaats, dus zoo dicht mogelijk bij het venster. Van de hardere planten, stellen die, welke des winters bloeien, ook nogal hooge eischen wat licht betreft; de niet-bloeiende zijn des winters minder veeleischend. Ten laatste moet men niet vergeten, dat alle kruidachtige planten, onverschillig welke temperatuur zij verlangen, steeds zeer licht willen staan, daar zij bij gebrek aan licht gemakkelijk gaan rotten en schimmelen.

Wanneer men de planten, die des zomers in den tuin, op het balkon of de vensterbank hebben gestaan, binnen gaat brengen, dan komt men vaak tot de ontdekking, gebrek aan ruimte te hebben. Zij moeten dan dicht op elkander gezet worden, hoewel het veel beter is, dat zij zóó wijd staan, dat zij elkander niet raken. Om dit laatste te bereiken, is het dus noodig, vóór men planten binnenbrengt, alle zieke of overcomplete exemplaren op te ruimen, waardoor vaak een aanmerkelijke ruimte gewonnen wordt. Vele planten laten zich ook, zooals uit het volgende hoofdstuk zal blijken, zeer goed in den kelder overwinteren. Heeft men de planten op tijd en met de noodige voorzorgsmaatregelen binnengebracht, dan zijn zij tegen regen, wind en vorst beveiligd, maar zij missen dan de frissche lucht, waarvan zij gedurende den zomer zoo ruimschoots genoten hebben. Men moet nu in den overgangstijd de planten hierin zooveel mogelijk te gemoet komen, door de vertrekken, zoolang het weer dit toestaat, op de vroeger reeds beschreven wijze te luchten. De vertrekken waarin men de warmere planten laat overwinteren, worden natuurlijk slechts bij fraai weer eenigen tijd midden op den dag gelucht; die, waarin de hardere planten staan, kan men op schoone herfstdagen gerust tot aan den avond openlaten.

De kelder als overwinteringsplaats voor harde planten.

Wij hebben reeds gezegd, dat men, wanneer men in den herfst de hardere planten wil gaan binnenbrengen, maar al te dikwijls bemerkt geen ruimte genoeg te hebben. Om hieraan te gemoet te komen, om veel planten, die gedurende den winter een minder fraai aanzien krijgen, aan het oog te onttrekken en ze toch goed te laten overwinteren, wordt vaak de kelder gebruikt.

Een kelder, dien men voor het overwinteren van planten wil gebruiken, moet in de eerste plaats goed luchtig zijn, daar anders de planten licht schimmelen. Wanneer men niet in de gelegenheid is hem te verwarmen--en dit is maar hoogst zelden het geval--dan moet hij door zijn inrichting vorstvrij zijn. Ook moet men goede gelegenheid hebben om te luchten en mag er vooral des winters geen water in komen.

Voor overwintering in den kelder komen in de eerste plaats in aanmerking alle grootere kuipplanten, die men des zomers gebruikt om den tuin, het balkon of de waranda te versieren, en die men, om groote kosten te vermijden, niet in een kweekerij ter bewaring wil geven. Tot deze planten behooren o.a. de Laurieren, Granaten, Oleanders, Coniferen, enz. Verder kan men hierin laten overwinteren alle kleinere groenblijvende harde planten, de bladverliezende bloemstruiken, zooals Fuchsia's, Hortensia's en Rozen en ten laatste alle tot op den wortelstok afstervende vaste planten. Van de bladverliezende struiken plukt men, alvorens ze in den kelder te brengen, alle bladeren af, aangezien die anders licht tot bederf overgaan, dan schimmelen en zoodoende rotting in de stengels kunnen veroorzaken. De overige planten moet men geregeld nazien en alle bladeren met schimmel direct verwijderen. Van de vaste-planten snijdt men de stengels tot 10 cM. boven den pot af, alvorens ze binnen te brengen.

De planten, die men in den kelder laat overwinteren, moeten daar pas laat ingebracht en er weer zoo vroeg mogelijk uit genomen worden. Men geeft ze zooveel mogelijk frissche lucht, door het keldervenster, indien dit kan, open te laten staan. Daalt de buitentemperatuur onder 35° Fahr., dan is het voorzichtig, het te sluiten. De planten, die in den kelder staan, veroorzaken weinig moeite; men heeft er slechts voor te zorgen, dat zij schoon blijven, dat er geen rotting in ontstaat en dat er zich geen muizen in nestelen. Vinden deze laatste geen ander voedsel, dan kunnen zij, door het afknagen van takjes en knollen, aanmerkelijk schade veroorzaken.

Daar de in den kelder overwinterende planten meestal volkomen rusten, is het natuurlijk onnoodig ze veel, ja dikwijls goed ze in het geheel niet te begieten. In het hoofdstuk over het gieten hebben wij hieromtrent reeds de noodige wenken gegeven; alleen willen wij er hier nog op wijzen, dat men er, bij de bladverliezende planten, op moet letten, of de bast door te groote droogte niet gaat rimpelen.

De in het najaar in den kelder geplaatste planten kunnen reeds vroeg, gewoonlijk tusschen 15 Maart en 15 April buiten gebracht worden, aangezien zij van de nachtvorsten niet lijden. Men doet dit bij voorkeur op een donkeren, regenachtigen, zachten dag. Veel planten, zooals Rozen, Fuchsia's, Hortensia's, enz., die men gedurende den winter wil forceeren, brengt men in Januari of Februari uit den kelder in de woonvertrekken. Najaarsbloeisters, zooals Bouvardia's en Chrysanthemums, die na den bloei leelijk worden en dan volkomen rusten, kunnen dan in den kelder gezet worden en daar tot aan het intreden van haar groeitijd blijven.

II. DE BESTE KAMERPLANTEN.

Inleiding.

In het nu volgende gedeelte worden de beste kamerplanten behandeld, practisch gerangschikt in verschillende groepen. Ik heb mij hierbij bepaald niet alleen tot die planten, welke dankbaar en gemakkelijk te kweeken, maar ook tot die, welke gemakkelijk verkrijgbaar zijn en die in iedere goede kweekerij gevonden worden. Van verscheidene soorten, die ik graag behandeld had, heb ik afgezien, wetende, dat de aanschaffing zeer veel moeite zou veroorzaken. Het is toch doelloos den liefhebber planten aan te bevelen, die hij zich òf in het geheel niet, òf slechts met veel moeite en opoffering van veel geld, kan aanschaffen.

Wat de namen der planten aangaat, was het onmogelijk de wetenschappelijke namen te vermijden; ten eerste, wijl talrijke planten geen Nederlandsche namen bezitten, en in de tweede plaats, wijl deze namen dikwijls in verscheidene deelen des lands verschillen. Waar dit mogelijk was, zijn achter de wetenschappelijke namen ook de Nederlandsche gevoegd.

De verschillende planten worden gedeeltelijk zoo practisch mogelijk in groepen verdeeld. Eenige grootere geslachten en familiën echter, waarvan de soorten ongeveer een gelijke behandeling verlangen, worden afzonderlijk behandeld. Bij de behandeling der verschillende groepen--niet bij die der geslachten of familiën--zijn de planten naar de wetenschappelijke namen alphabetisch gerangschikt. Bij het inkoopen toch, moet men den kweeker steeds den wetenschappelijken naam opgeven, aangezien deze niet altijd met de Nederlandsche namen bekend is.

Struikachtige bloemplanten voor koele vertrekken, het balkon en de vensterbank.

Abutilon. De Abutilon behoort tot de dankbaarste en rijk bloeiendste kamerplanten. De plant op zichzelf is zeer elegant en licht gebouwd, de bladeren zijn meestal lichtgroen, fraai ingesneden en gewoonlijk nogal groot. De bloemen hangen aan een dun steeltje naar beneden; het is uitzondering, wanneer men er twee of drie vereenigd ziet. De kleur der bloemen is wit, geel of rood, met talrijke gele meeldraden; ze zijn klokvormig. De oudere Abutilon-soorten zijn sterke, in de kamer niet zeer dankbaar bloeiende struiken; zij groeien erg in de lengte en worden spoedig onhandig, wanneer men ze in het voorjaar niet diep terugsnijdt, welke bewerking zij zeer goed verdragen. Deze zijn dan ook beter geschikt om op het balkon of in de waranda gebruikt te worden, waar zij in bakjes geplant, zeer rijk bloeien. Zeer geschikt zijn deze soorten ook om in den tuin uitgeplant te worden; zij ontwikkelen zich daar vaak tot struiken van 2 à 3 Meter hoogte.

Als kamerplanten zijn de nieuwere dwergvariëteiten veel meer aan te bevelen, ook om haar rijken bloei. Deze variëteiten komen in den handel voor onder den naam Abutilon hybridum nanum compactum en de bloemen zijn zeer verschillend van kleur: wit, geel, oranje en vuurrood. Een bijzonder fraaie variëteit, die zeer laag blijft en rijk bloeit met donker vuurroode bloemen, is de Abutilon Boule de feu. Een mooie bontbladerige variëteit is de Abutilon Thompsonii, die lichtgroene met geel gemarmerde bladeren heeft en met lichtoranje bloemen bloeit. Van deze soort bestaat ook een variëteit met gevulde bloemen, de eenige gevulde Abutilon, die bekend is; zij is echter niet zeer aanbevelenswaardig.

De nieuwste variëteiten zijn die met witbonte bladeren, die echter uitsluitend als fraaie bladplanten waarde hebben. Twee daarvan zijn het meest bekend geworden, namelijk: de Souvenir de Bonn met lichtgroene, wit omzoomde bladeren, en de Sawitzers Ruhm met lichtgele bladeren, die een groen hart hebben.