Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer
Chapter 10
Bol en knolgewassen, die een volmaakten rusttijd behoeven, toonen al de eigenschappen, die wij hier hebben opgesomd. De liefhebber, die dit weet, houdt bij de behandeling dier planten daarmede rekening. Met het begin van den herfst, wanneer de nachten koeler beginnen te worden, zullen de in vensterbank gekweekte bol- en knolgewassen langzamerhand hun schoonheid gaan verliezen. Men moet nu deze planten haar rusttijd laten intreden, door langzamerhand minder te gaan gieten. De potten worden dus zuiniger begoten dan des zomers en al naar de planten stengels en bladeren verliezen, geeft men minder water, totdat men ten slotte, wanneer zij geheel afgestorven zijn, met gieten ophoudt. Men neemt nu de planten uit de vensterbank en zet ze in een hoek van een koeler vertrek. Na eenigen tijd zal de aarde in de potten geheel uitdrogen, waarop de bollen of knollen er uit genomen worden. De droge aarde laat zich gemakkelijk uit de wortels schudden; deze worden dicht bij den knol afgesneden en zoo er zich nog stengels aan bevinden, worden deze diep ingesneden of geheel verwijderd. De aldus schoongemaakte bollen en knollen worden nu in een bakje met droog zand gelegd en zoo in een vorstvrije kamer bewaard. Op deze wijze behandelt men de knollen van Begonia's, Gloxinia's en de meeste Gesneriaceeën, alsook de bollen van Ismene (Pancratium), Sprekelia (Goudlelie) en verscheidene andere. De knollen van Dahlia's en Canna's, de bollen der Lilium's en verscheidene Amaryllissen laten zich bij voorkeur niet geheel droog overwinteren; zij krimpen dan geheel in, en worden ten slotte waardeloos. Deze planten behandelt men aanvankelijk juist zooals wij daareven vermeld hebben. Zijn zij uit de aarde genomen en schoongemaakt, dan doet men het beste ze gedurende haar rusttijd in een vorstvrijen kelder op slechts even vochtig zand te leggen en gedurende strenge vorst met een oud tapijt of leege zakken te bedekken. Dergelijke bollen en knollen, die niet geheel droog overwinteren willen, maken het den liefhebber zeker het lastigste; zij rotten gemakkelijk, waarom zij gedurende den winter voortdurend nagezien moeten worden. Het is dus zaak, ze dan eenige malen stuk voor stuk na te zien; vindt men aan den een of ander een rotachtige plek, dan wordt die met een scherp mesje weggesneden, en het snijvlak goed met houtskoolpoeder bestrooid.
Bij vele rustende bolgewassen zal men kunnen waarnemen, dat de dikke wortels afsterven; dit is het geval bij de Lilium's (Lelies) en eenige Amaryllis-soorten. Deze bollen, waarvan men de Lilium's zoo koel mogelijk en de Amaryllissen iets warmer moet laten overwinteren, laat men in de potten staan, of wel, men neemt ze er uit, om ze met de wortels in droog zand te graven. Een andere wijze om bol- en knolgewassen te laten overwinteren is, ze na het afsterven en opdrogen in de potten te laten staan en ze pas in het voorjaar uit te schudden en schoon te maken. Dit heeft het voordeel, dat men den wortels meer tijd geeft tot rustig afsterven; het heeft echter dit tegen, dat men niet kan nagaan of er ook rotplekken zijn ontstaan, zoodat men dikwijls in het voorjaar tot de onaangename ontdekking komt, dat de knol geheel is verrot. Past men deze wijze van overwinteren toe, dan is het voldoende die bol- en knolgewassen, welke niet geheel willen opdrogen, eenige malen per winter met een broesgietertje te besproeien.
Hebben de rustende bollen en knollen met succes overwinterd, dan komt de groote vraag, om deze schijnbaar doode voorwerpen weder tot het leven terug te roepen. Zij moeten dus ter rechtertijd weder opgeplant en aan den groei gebracht worden. Al naar den tijd, waarop men de planten in bloei wil hebben, begint men vroeger of later met het opplanten. Als vroegste datum geldt wel de maand Januari, als beste zeker de maand Maart. Iedere bol of knol wordt nu afzonderlijk in een kleinen pot geplant, waartoe men bij voorkeur zeer zandige aarde gebruikt. Al naar de soorten meer of minder warmte noodig hebben, zet men ze dan op de vensterbank, in een warmere of koudere kamer.
Bij het behandelen van bol- en knolgewassen moet men er in de eerste plaats om denken, dat zij, in tegenstelling met alle andere planten, niet direct na het opplanten aangegoten mogen worden. Men moet hier enkele dagen mede wachten, totdat de aarde, waarin men ze geplant heeft, behoorlijk is opgedroogd. Het begieten moet ook gedurende den eersten tijd zeer voorzichtig geschieden, daar men moet toezien, dat de knollen niet direct met het water in aanraking komen. Men giet dus langs den rand van den pot en met het oog hierop zal men wel doen zóó te planten, dat de aarde naar het midden toe een weinig oploopt. Wanneer de bollen en knollen eenmaal flink aan het groeien zijn, en men veronderstellen kan, dat de wortels goed in de aarde zijn doorgedrongen, dan kan men meer en ook geregelder gieten.
Doordat vele liefhebbers met den rusttijd dezer gewassen onbekend zijn en zoodoende vele bol- en knolgewassen òf in het najaar worden weggeworpen, òf in het voorjaar verkeerd behandeld, worden zeer veel fraaie planten geheel ten gronde gericht. Veel schade wordt ook aangericht door het ongeduld van vele liefhebbers. Een bol of knol, dien men vandaag geplant heeft, begint niet direct morgen te groeien; vele liggen verscheidene weken, sommige wel twee maanden, voordat er werking in komt. Men moet daarom geduld hebben, en mag hoogstens door een laagje aarde te verwijderen en voorzichtig met den vinger te voelen, zich overtuigen of de bol of knol niet tot rotting is overgegaan. Dit rotten heeft meestal plaats, wanneer men de knollen of bollen te veel begiet, te diep in de aarde geplant heeft en ook, wanneer een ongeduldige ze telkens weder uit de aarde neemt om te zien of ze nog geen wortels maken of uitgroeien. Wil men ook in dit opzicht zijn pogingen met succes bekroond zien, dan moet men in de eerste plaats geduld oefenen.
De kamerplanten gedurende den zomer.
A. In den Tuin.
Wanneer het ongestadige voorjaarsweer voorbij is en voor een meer geregelde zomerwarmte heeft plaats gemaakt, waardoor de tuin zich weder in zijn fraaiste blader- en bloemenkleed heeft gestoken, dan is het niet geraden alle kamerplanten, die men des winters binnenhield, nog steeds binnen te doen blijven. De meeste kamerplanten houden er van des zomers in de frissche, vrije lucht te staan en versche lucht kan men den planten, zelfs met de beste ventilatie-inrichting, in de kamers slechts weinig geven. Betrekkelijk weinige, zeer gevoelige planten moeten ook des zomers in gesloten kamers gekweekt worden; verreweg het meerendeel doet men beter andere plaatsen te geven. De beste plaats voor alle, niet te teere, gewassen is zeker wel in den tuin. Een liefhebber zal zeker aanmoedigende resultaten verkrijgen, wanneer hij een zonnig en beschut stukje grond bij zijn huis heeft, dat hij des zomers niet alleen met eigenlijke tuinplanten, maar ook met zijn kamerplanten kan versieren. De veelvuldige vormen, die de uit zeer verschillende streken stammende kamerplanten bezitten, kunnen aan een tuintje een zeer eigenaardig en aantrekkelijk voorkomen geven.
Al naar den aard van de buiten te brengen potplanten moet de plaats bepaald worden, waar men ze zetten zal. Terwijl bijna alle Cactussen en Vetplanten bij voorkeur in de volle zon staan, moeten de meeste bloemplanten een eenigszins meer beschaduwde standplaats bekomen. Palmen, en andere tropische bladplanten, verkiezen bij voorkeur een plaats in halfschaduw, terwijl Varens op een zeer schaduwrijke plek moeten gezet worden. Wat de hardere decoratie-planten betreft, zooals: Laurus (Laurier), Citrus (Oranjeboom), Laurus-Tinus, Rhododendron (Alpenroos), Evonymus en vele andere, deze zijn wat de plaats betreft niet zoo heel erg kieskeurig. Zij groeien in de volle zon even goed als in een niet te dichte schaduw. In ieder geval moet er echter op gelet worden, dat men de planten zóó plaatst, dat zij beveiligd zijn tegen tocht of harden wind. Tocht is zeer schadelijk voor alle planten en harde wind kan groote schade aanrichten, door het uit den pot rukken der planten, het breken van takken en het scheuren der grootere bladeren.
Indien men de planten boven op den grond plaatste, dan zouden zij bij warm zomerweer zeer snel en bijna geheel uitdrogen, wat voor de ontwikkeling zeer schadelijk is. Een tweede bezwaar zou zijn, dat de grootere planten bij den minsten wind zouden omwaaien. Beide bezwaren kan men gemakkelijk voorkomen, door de potten in te graven. De plaats, waar men zijn planten wil ingraven, moet eerst omgespit en gelijk geharkt worden. Het zou nu zeker het gemakkelijkst zijn met een kleine spade de gaten te maken, waar men zijn planten in wil zetten. Toch doet men beter dit met een ander werktuig en wel met een puntigen dikken paal te doen. Eerst rangschikt men de planten op de bepaalde plaats, waarbij men er op moet letten, dat iedere plant de noodige ruimte heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen, waarom zij dus niet te dicht op elkander mogen staan. In de tweede plaats moet men zorgen, dat al de planten te zamen een goede groep vormen, die een aangenamen indruk maakt. Heeft men de planten gerangschikt, dan neemt men ze een voor een van haar plaats en maakt op de plek, waar zij stonden, een diep gat. Men doet dit door den paal midden op de plek, waar de pot stond, flink diep in den grond te drukken en hem dan, al naar de grootte van den pot, in meer of minder schuine houding eenige malen rond te draaien. Heeft men op deze wijze het gat zóó wijd gemaakt, dat de pot er gemakkelijk in kan, dan wordt de plant er in gezet en de aarde rondom den pot aangedrukt. Deze wijze van ingraven heeft zeer veel voordeelen. Onder den pot toch blijft een vrij diep spits toeloopend gat, dat goede diensten zal bewijzen om het overvloedige water, dat, hetzij door het gieten, hetzij door zwaren regen, op den pot komt, gemakkelijk door het drainagegaatje te doen wegloopen. Een tweede voordeel is, dat door het geheel vrij liggen van het drainagegaatje, regenwormen en ander ongedierte verhinderd worden, daardoor in den pot te dringen. Bij het ingraven moet men er ook op letten, dat niet de rand van den pot gelijk met de aarde komt te staan; deze moet er minstens één of twee centimeter uit steken, daar anders bij zware regens de tuinaarde op de potaarde wordt gespoeld, wat minder wenschelijk is. Grootere planten, die in kuipen staan, graaft men niet in, daar dan de kuipen gemakkelijk rotten. Men zet de kuip echter op drie baksteenen, er op lettende, dat zij in alle richtingen waterpas staat, en slaat dan door de ooren een paar stevige stokken, ten einde het omwaaien te voorkomen.
Wanneer dit eenigszins mogelijk is, moet men er voor zorgen, dat de kamerplanten, vóórdat zij buiten gezet worden, tijdig verplant zijn, zoodat zij eenigen tijd rustig kunnen blijven staan op de plaats, waar men ze ingegraven heeft.
Niet weinig kamerplanten hebben gedurende den winter in de woonvertrekken armoede geleden; zij zien er dan in het voorjaar ziekelijk uit en gaan zeker dood, wanneer geen bijzondere maatregelen genomen worden. Gewoonlijk behooren deze patiënten tot de hardere planten, en deze knapt men het beste op, door ze uit den pot te nemen, de kluit wat los te maken, de zieke wortels weg te snijden en ze dan vrij in den tuin uit te planten. Wanneer dit uitplanten moet dienen om zieke planten weder gezond te doen worden, dan moet men ze niet alleen op een gunstige plaats zetten, doch ook in een goed bereiden grond planten. Het beste doet men door op de bepaalde plaats de aarde een goeden steek diep uit te graven en die te vervangen door goede compostaarde. Is dit niet mogelijk, dan spit men den grond om, na er een flinke hoeveelheid zand en ouden koemest op gebracht te hebben. Het gebruik van verschen mest is voor dit doel niet raadzaam; het geschiktst is koemest, die een jaar oud is. Kan men niet over ouden koemest beschikken, dan spit men de aarde alleen met zand om en zoodra de uitgeplante gewassen krachtig beginnen door te groeien, giet men enkele malen met verdunden koemest. De zoogenaamde harde planten, die het uitplanten verdragen, ontwikkelen zich daarna prachtig. Het beste voorbeeld daarvan levert de Musa Ensete (Abessinische Banaan), die dikwijls in het voorjaar, zelfs bij de kweekers, geen enkel blad meer bezit en uitgeplant, in den herfst somtijds vijftien tot twintig reusachtige bladeren gemaakt heeft, die niet zelden een lengte bereiken van 2 of 3 meter. Afgezien van de Palmen, die nooit in den tuin uitgeplant mogen worden, is het uitplanten van de meeste kamerplanten, mits geen absoluut warme planten, zeer aan te bevelen. Willen wij bij het uitplanten van die gewassen, welke des winters in de warme kamer moeten staan, een zeer goed succes hebben, dan moet men ze een z.g.n. warmen voet geven. Hiertoe wordt een gat gegraven van ongeveer een Meter diep; hierin brengt men, op dezelfde wijze als een kweeker dat in zijn warmen bak doet, een laag van 80 cM. verschen paardenmest, die er in lagen wordt ingebracht d.w.z. de mest wordt er bij gedeelten in geworpen, goed gelijk gemaakt en stevig vastgetrapt. Op deze laag mest brengt men de aarde, die zóó hoog opgewerkt wordt, dat er een flink verhoogd, doch van boven vlak vak ontstaat. De aardlaag op den mest moet, al naar de grootte der planten, 30-60 cM. dik zijn en moet minstens 20 cM. boven den beganen grond uitsteken. Deze verhooging is zeer noodig. Te gelijk met het verteren, zakt toch de paardenmest en natuurlijk dus ook de aardlaag met de planten. Heeft men nu de opgebrachte aarde niet behoorlijk boven den beganen grond doen uitsteken, dan zal in het najaar de plant in een kuil komen te staan, die uit den aard der zaak koud en vochtig is. Wanneer men het niet te veel moeite acht, dan kan men op dezelfde wijze ook aan die planten, die niet uitgeplant worden, een warmen voet geven, door op de mestlaag een zoo dikke laag aarde te brengen als de potten hoog zijn en deze daarin te graven. Ook in dit geval moet men zorgen, dat de potten minstens 20 cM. boven den beganen grond staan. Een warme voet bevordert sterk de wortelvorming, en heeft daarom zulk een gunstigen invloed op den groei. De in den tuin uitgeplante of ingegraven gewassen veroorzaken den liefhebber niet zeer veel moeite. Een hoofdzaak is, dat men de planten 's morgens vroeg, wanneer de zon nog niet brandt, en des avonds direct na het gieten, met de handspuit goed besproeit, of wel men giet de bladeren en twijgen met een broesgietertje goed nat. Het gieten doet men steeds des avonds en mocht dit wegens de groote zomer warmte, gepaard met droogte, niet voldoende zijn, dan giet men 's morgens vroeg nog eens over.
Wat nu het verplanten en bemesten betreft, gelden voor de buiten ingegraven planten dezelfde regels, die wij reeds vermeld hebben. Wat de uitgeplante kamerplanten betreft, moeten wij er op letten, dat deze tijdig weder in de potten worden gezet. De lastigste onder haar, die moeilijk aan den groei gaan, moeten in de laatste helft van Augustus, de andere in de eerste helft van September opgenomen worden. Wanneer men al de voordeelen, die met het uitplanten bereikt zijn, niet weder met het in de potten zetten wil verliezen, dan moet dit zeer voorzichtig geschieden. Men doet dit op een donkeren, regenachtigen dag, neemt de planten voorzichtig op, zoodat zij zoo weinig mogelijk wortels verliezen en zet ze in goed passende potten. Zijn de planten voorzichtig opgepot, dan worden zij op een beschutte, schaduwrijke plek gezet en goed aangegoten. Op deze plek laat men ze nog een dag of veertien staan, er voor zorgende, dat bladeren en takken, zoowel als de kluit, goed vochtig blijven. Gedurende deze veertien dagen en ook gedurende de eerste dagen, nadat zij weer in de kamer staan, zorgt men er voor, dat de planten niet door de zon beschenen worden, ten einde het afvallen van bladeren te voorkomen.
B. De kamerplanten op het balkon en in de vensterbank.
Er zijn helaas slechts weinig liefhebbers, die over een tuin kunnen beschikken, om er des zomers hun planten in te kweeken. In de grootere steden heeft men slechts te beschikken over kamers, vensterbanken en in het gunstigste geval over een balkon, en met deze hulpmiddelen moet men dan zijn planten kweeken. Die liefhebbers, die maar een beperkte ruimte hebben, kweeken in den regel slechts planten, van kleine afmetingen. Wanneer tegen het einde van Mei meer bestendig weer gaat heerschen, moet men ook de planten buiten brengen, die dan op het balkon of op de buitenvensterbank worden gezet. Een fraaie versiering der balkons en vensterbanken zal den waren liefhebber, die over geen tuin kan beschikken, altijd zeer veel genot verschaffen. Wel is waar staan nu de bloemen boven de straten en zijn zij daardoor voortdurend aan den wind blootgesteld, terwijl het van de straten opwaaiende stof ze bevuilt, waardoor zij lang niet zoo gunstig staan als in den tuin, maar bij een oplettende behandeling kan men toch met het balkon en de vensterbank zeer aardige resultaten verkrijgen. Afgezien van de bakjes, waarop wij later terugkomen, is het balkon het best geschikt om de grootere potgewassen te herbergen, aangenomen natuurlijk, dat de ligging eenigszins gunstig is en dat het nu en dan wat zon heeft. Voor het plaatsen der planten in de vensterbank heeft de liefhebber meestal een betere keus, daar veelal de vensters in verschillende hemelstreken liggen. Voor planten, die veel zon verlangen, gebruikt men de vensters op het zuiden; voor de andere planten kan men de verschillende vensters gebruiken, doch bij voorkeur die, welke morgenzon hebben. De vrij in het venster staande planten hebben echter, vooral bij groote hitte midden in den zomer, veel te lijden van de zon, wanneer daartegen geen maatregelen genomen worden. Zeer goede beschermers tegen de zon zijn buitenjaloezieën, die men met een paar ijzeren haken zóó geleidt, dat zij over de planten neergelaten kunnen worden, zonder die aan te raken. Door meer of minder opentrekken der jaloezieën, kan men den planten juist zooveel zon geven, als wordt noodig geacht.
De plantenrekjes, die meestal in de vensterbanken worden aangebracht, zien er wel heel aardig uit, maar zijn voor het doel, waarvoor zij moeten dienen, meestal geheel ongeschikt. Deze bloemenrekjes bestaan gewoonlijk uit een paar plankjes om er de potten op te zetten en een hekje, dat moet dienen, om het naar beneden vallen der potten te voorkomen. Dat hekwerk nu is zoo onpractisch mogelijk. Wel wordt het naar beneden vallen der potten er door verhinderd, doch het beschermt deze geenszins tegen de zon. In den zomer brandt de middagzon met volle kracht op de steenen potten, waardoor deze overmatig verhit worden. Het gevolg daarvan is niet alleen, dat de aarde snel en volkomen uitdroogt, maar ook, dat de tegen den potwand liggende wortels verbranden en natuurlijk dood gaan. Hier heeft men met gevallen te doen, waarover wij vroeger reeds spraken. De kluiten worden toch geheel droog en nemen ten laatste geen water meer op. Als gevolg hiervan, en van het verbranden der wortels, gaan de planten merkbaar achteruit en tevergeefs gist de liefhebber naar de oorzaak van den slechten groei zijner lievelingen. Fig. 63 toont ons een zoodanig bloemenrekje en tegelijkertijd, hoe slecht de planten er daarin kunnen uitzien. Een goed bruikbaar plantenrekje moet geheel van hout zijn en het voorkomen van een bakje hebben, waardoor de potten doelmatig tegen het inwerken der zon beschut worden. Toch kan zoo'n gesloten plantenrekje er zeer elegant uitzien, wanneer men het uit besneden hout laat vervaardigen, of wel het met kurkschors of andere ornamenten laat bekleeden. Maar zelfs het eenvoudigste groen geverfde bloemenrekje voldoet uitstekend, wanneer men slechts zorgt, dat het gesloten is. Ook kan zulk een eenvoudig rekje er zeer mooi uitzien, wanneer men de planten zóó schikt, dat de buitenwand geheel met hangplanten wordt bedekt. Voordat de planten in het rekje gezet worden, vult men het voor twee derden met zaagsel of nog beter met fijnen turfmolm; hierin worden de planten tot op 2 à 3 cM. onder den rand ingegraven. De pot kan, daar hij poreus is, een goede hoeveelheid water opnemen; en staat hij nu ingegraven, dan blijft hij steeds vochtig, wat den tegen den binnenwand groeiende wortels ten goede komt. De op deze wijze ingegraven potten zijn geheel tegen den schadelijken invloed der zon beschermd. Een groot voordeel heeft het ingraven in turfstrooisel ook nog. Dit neemt veel water op en door de verdamping hiervan wordt de lucht rondom de planten altijd eenigszins vochtig gehouden, terwijl men ook niet behoeft te vreezen, dat het gietwater, wanneer het bakje niet waterdicht is of geen afvoerbuisje heeft, den vloer zal beschadigen. Dit water wordt toch door het turfstrooisel openomen (Fig. 64).
In veel gevallen moeten echter de planten voor het venster gezet worden, zonder dat men een plantenrekje kan aanbrengen, zij worden dan door een ijzeren stang voor afvallen behoed. Dan beschut men den pot tegen de te felle zonnestralen, door hem in een grooteren te zetten, en de tusschenruimte met mos of turfstrooisel op te vullen (Fig. 65). Dit mos kan men gemakkelijk voldoende vochtig houden.
De planten, die op het balkon of voor het venster staan, veroorzaken heel wat meer moeite dan die, welke in den tuin staan. Vooreerst moeten wij er op rekenen, dat de planten, die in de kamer gestaan hebben, verwend zijn en gewoonlijk is het de zon, die in den beginne het meeste kwaad doet. De bladeren krijgen, wanneer men ze ondoordacht buiten zet, brandvlekken; en zelfs vetplanten, die van veel zon houden, kunnen in den beginne daarvan lijden. Het is niet alleen raadzaam de planten, die men buiten wil zetten, eerst langzamerhand door meer luchten te harden, maar men moet ze ook, wanneer men ze buiten heeft gebracht, in den beginne tegen de zon beschermen. Langzamerhand schermt men wat minder, totdat de planten ten laatste aan de zon gewend zijn. Dit geldt niet alleen voor planten, die op het balkon of in de vensterbank worden gekweekt, doch ook voor die, welke men des zomers in den tuin zet. Het bespuiten moet zoowel des avonds als des morgens geschieden, en vooral op het gieten moet goed acht gegeven worden. Bij het rangschikken der planten moet men er niet alleen op letten of zij, van uit de straat gezien, een mooi effect maken, doch men zie toe of zij wel goed ruim en luchtig staan, zoodat zij zich naar alle zijden goed kunnen ontwikkelen.
Plantenbakjes en hun Beplanting.
De balkons en waranda's zijn in de steden slechts zelden zóó ingericht, dat men ze met overblijvende klimplanten kan laten begroeien. Deze moeten dicht tegen het huis in den vollen grond geplant worden, en kunnen dan in betrekkelijk korten tijd een groot gedeelte van het huis zeer fraai bekleeden. Een liefhebber zou nu wel deze klimplanten in potten kunnen kweeken, doch dat gaat niet heel best. De potten moeten, zooals wij reeds gezien hebben, tegen de zonnestralen beschermd worden, iets, dat in de vensterbank tamelijk gemakkelijk gaat, doch dat op het balkon meestal tamelijk lastig te bewerkstelligen is. Daarbij komt nog, dat dergelijke planten zich in potten lang niet zoo goed ontwikkelen als die, welke voldoende ruimte hebben om haar wortels naar alle zijden uit te spreiden. Voor dergelijke doeleinden worden dan de plantenbakjes gebruikt.