Part 2
"Warempel," zei Gnoom, "daar staat 'n pantoffel van Boschwachterskind en aan den anderen kant 'n klomp van den leelijken, valschen jongen."
"Met hem hebben we niets te maken," zei Kobold. "Zet het konijntje maar bij 't schoentje, dan vindt Boschwachterskind het morgen wel. Wat zal ze blij opkijken, hè? Ik zou morgenochtend wel eens hier willen zijn!"
"Je moet niet verlangen naar onmogelijke dingen," zei Gnoom. "Laten wij nu maar weer maken, dat we weg komen."
Doch dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Ze kwamen ongehinderd tot bij het kippenhok. Maar nu moesten ze langs het touw naar boven klauteren.
[Illustratie]
Dat was heel wat anders dan zich laten zakken. 't Was gewoon tobben en nogal erg ook. Kobold, die eerst ging, had er 'n vreeselijken toer mee en Gnoom stak wel tienmaal z'n handen omhoog, uit angst, dat z'n kameraadje zich los zou laten. Kobold steunde erbarmelijk en toen hij eindelijk boven was, ging hij doodmoe op den vloer van 't kippenhok zitten. Gnoom had er minder moeite mee, maar Kobold hijgde: "Je-maakt-zoo'n-leven-Gnoom!"
Kobold had 't dezen keer eens bij 't rechte eind. Gnoom had vèèl leven gemaakt. De kippen waren er allemaal wakker van geworden.
[Illustratie]
Baas Haan zat met uitgerekten hals naar de twee indringers te loeren en bromde aanhoudend: "Tok, tok! Tok, tok!"
De kippen werden onrustig, want tok, tok, beteekent in de kippentaal: "kinderen let eens 'n beetje op. 't Is niet pluis in 't hok."
"Gauw wat," fluisterde Kobold, toen Gnoom boven was. "Haneman zit klaar om van den stok te springen en dan hebben we de poppen aan 't dansen."
De kabouters maakten dat ze weg kwamen. Doch baas Haan sloeg òòk de schrik om 't hart. Hij sprong van den stok, natuurlijk met de noodige hanedrukte, en de kippen verloren daardoor allemaal hare bezinning. 't Was 'n rumoer en 'n gekakel en 'n gefladder. De heele familie had slechts één gedachte: Vluchten! De kabouters waren 't eerst bij de opening en rolden achter elkaar zoo maar naar beneden in de sneeuw. Toen fladderde Haneman naar buiten en achter hem de kippen. Kobold en Gnoom zaten verstomd en verlamd van schrik de vluchtende kippetjes aan te staren. Doch dat duurde maar 'n oogenblik. Ze hoorden in 't boschwachtershuis gestommel als van menschen, die haastig uit bed springen. "De boschwachter is op," riep Gnoom. Hij greep z'n jas en z'n wanten en ging er van door. Kobold talmde ook niet. Als hazen holden ze door de dikke sneeuw het bosch in, zonder ook maar één keertje om te zien en bereikten in weinig tijd het hol onder den boom.
"Hè, hè," zei Gnoom, toen ze veilig binnen waren, "is dàt loopen! Dat was me 'n geschiedenis, hoor!"
"'t Is allemaal-jouw-schuld," hijgde Kobold. "Jij maakt ook altijd zoo'n leven!"
[Illustratie: hoofdstuk staartstuk]
[Illustratie: hoofdstuk kopstuk]
Koning Droom.
Het ondeugende broertje van Boschwachterskind heette Hans.
Op den Sinterklaasdag was Hans erg uit zijn humeur geweest. Het mooie konijntje, dat z'n zusje gekregen had van de Kabouters, had hem jaloersch gemaakt en tevens leek het wel, dat het opgezette diertje hem den heelen dag met wijd-open oogen had aangekeken. Dat kan je zoo hebben.
Maar nu was het avond en Hans lag in bed. Het duurde niet lang of z'n oogen gingen dicht. Slapen kon hij goed. Hij zag er dan ook niemendal van, dat iemand de kamer binnenkwam en op den rand van z'n bed ging zitten. Doch Hans zou het gauw genoeg te weten komen, wie die vreemde bezoeker was, want deze trok Hans eventjes aan z'n neus en zei:
[Illustratie]
"Toe word nu eens wakker!" Hans deed z'n oogen open en zag bij het maanlicht, dat op de dekens scheen, een alleraardigst klein kereltje met een heel vriendelijk gezichtje zitten op den rand van z'n bed. 't Leek wel een koning, want hij had een mantel om en 'n kroon op.
"Zoo, ben je wakker? Je slaapt erg vast, hoor."
Hans dacht: "Wat is dat nu? 'n Koning op den rand van m'n ledikant! 't Is gelukkig Karel de Groote niet. Dáár zou ik bang voor zijn, want die was erg ongemakkelijk. Maar zoo'n kleintje! "Wat kom je doen?" vroeg Hans.
"Je moet eventjes met me mee."
"Dat doe ik niet," zei Hans, "ik lig veel te lekker."
"'t Zal je niet veel helpen," zei 't koninkje, "je mòèt mee."
"Ik wil niet."
"Dan nèèm ik je mee."
"Wie ben je?" vroeg Hans driftig.
"Ik ben koning Droom. O, hou je handen maar thuis, slaan kan je toch niet."
't Was precies zooals koning Droom zei, Hans had willen slaan, zooals hij op school altijd dadelijk deed, wanneer hij kwaad werd, maar hij kon z'n hand nauwelijks opheffen.
"Zie je wel," lachte koning Droom. "Kom sta maar op. Ik kan hier den heelen nacht niet blijven zitten."
't Was gek, doch Hans stond gewillig op en wilde zich gaan aankleeden.
"Neen, laat dat maar," zei koning Droom "ga zoo maar mee."
"Maar 't is zoo koud," zei Hans.
"Gekheid," zei koning Droom. "'t Is heerlijk weer."
"Waar gaan we heen?" vroeg Hans.
"Wel, naar 't bosch," zei koning Droom.
"We kunnen 't huis niet uit. Vader doet 's avonds alles op slot."
"Zoo, je bent 'n slimmerd. Waar zijn we dan nu?"
[Illustratie]
Hans zette groote oogen op, want hij stond met koning Droom in 't bosch.
"Dat gaat vlug hè? En hoe vind je 't weêr?"
"Wel," zei Hans, "'t lijkt net zomer. Ik zie heel geen sneeuw meer. En wat is 't nu eigenlijk: nacht of dag?"
"O," zei koning Droom, "om je de waarheid te zeggen, 't is precies middernacht. Twaalf uur, weet je. Maar 't is voor mij 'n kleine moeite om 's nachts de zon te laten schijnen. En om eventjes den winter in den zomer te veranderen, daar draai ik m'n hand niet voor om."
"Dat zie ik," zei Hans. "Is u 'n echte koning, zooals Karel de Groote er een was?"
"Hoe kom je zoo op Karel den Groote?" vroeg koning Droom. "Ze hebben op school zeker van hem verteld, hé?"
"We hebben hem op 'n plaat in de school."
"Dat dacht ik al," zei koning Droom. "Ik ben veel machtiger dan Karel de Groote. Ik kan bijna alles, doch alleen als de menschen slapen."
"Maar u maakt ze toch wakker, niet waar?"
"Zoo'n beetje," lachte koning Droom. "Ik neem de menschen graag bij den neus."
"Waar brengt u me toch heen?" vroeg Hans na 'n oogenblik. 't Ging alles zoo vreemd, vond hij. 't Eene oogenblik wist hij precies waar hij was en dan in eens leek het wel of alles hem vreemd was. "Zijn we hier niet bij de beek?"
"Ja," zei koning Droom, "daar moeten we over."
"Er door, bedoelt u zeker."
"Neen, er over. We kunnen voor dezen keer wel eens op het water loopen. Kom maar."
Nu zag Hans tot z'n groote verbazing koning Droom op het gladde water stappen en Hans deed het hem na of 't zoo hoorde.
[Illustratie]
"Pas op, val niet," riep koning Droom, "'t water is nog gladder dan ijs."
"Ik geloof, dat ik er 'n beetje inzak," stotterde Hans.
"O," zei koning Droom, "ik kan je er wel heelemaal in laten wegzinken, tot over je ooren."
"Doe dat asjeblieft maar niet," smeekte Hans, terwijl hij koning Droom bij den arm greep.
Ze kwamen echter zonder ongelukken aan den overkant.
Hans keek met verwondering naar zijn droog gebleven voeten.
"Ja," zei koning Droom, "dat kunstje versta ik alleen maar."
De plek waar ze nu waren, kende Hans heel goed. Het was 'n heuvelachtig deel van 't bosch, dicht begroeid met dennen en berken. Aan het einde van de beek was tusschen de heuveltjes een diepe kuil met een groot brok graniet in 't midden. Ze noemden die plek den wolfskuil. Hans had dikwijls genoeg op die kei zitten uitrusten. Je kwam gemakkelijk genoeg naar beneden, maar om er weer uit te komen, dat was een toer. De helling was nog al steil en de bodem begroeid met mos.
In dien wolfskuil werd Hans door koning Droom gebracht. Hans verbeeldde zich, dat hij moe was, en wilde op den steen gaan zitten, maar koning Droom zei: "Kijk 'n beetje uit je oogen Hans, dat is mijn troon. Blijf jij maar staan waar je nu bent."
Hans keek eens naar den steen. Ja werkelijk, dat was de eivormige kei niet meer. Daar was aan gewerkt door 'n steenhouwer. 't Leek nu wel wat op den troon van Karel den Groote, dien Hans van de plaat kende, en koning Droom zat er op ook, heel plechtstatig. En naast den troon zat een groote kikker met 'n boek op z'n schoot en 'n penhouder in z'n rechter poot.
[Illustratie]
"Da's mijn griffier," zei koning Droom. "Dat woord versta je niet, is 't wel? Ik bedoel er schrijver mee."
Hans wist niet goed hoe hij 't had, en hij zag nog veel meer. Om den troon van koning Droom, stonden vele dieren, allen bewoners van het bosch. Eekhoorntjes, konijntjes, kraaien, vinken, spechten, katuilen en nog 'n menigte anderen. En toen Hans omkeek stond vlak achter hem netjes aangekleed met 'n sabel op zij de vos.
"Da's Reintje de veldwachter," zei koning Droom.
Hans begon 't erg benauwd te krijgen met dien vreemdsoortigen veldwachter achter zich.
Hij begreep niet wat dat alles te beteekenen had.
Zoo'n veldwachter, daar hield Hans niet van. Die kwamen altijd opdagen, als je kwaad gedaan had. Ook vond hij dat koning Droom 'n vreeselijk strak gezicht zette en dat het bizonder stil was om hem heen. 't Scheen wel dat niemand een woord durfde spreken behalve koning Droom.
Koning Droom keek de vergadering eens rond en sprak toen plechtig:
"Griffier kikvorsch, wie is 't eerst aan de beurt?"
Deze keek in z'n boek en riep toen met luider stem: "Baas konijn!"
'n Wild konijntje kwam uit de rij en plaatste zich met een diepe buiging voor koning Droom, waarna deze vroeg:
"Wel, baas konijn, wat heb jij te vertellen?"
't Konijntje wreef eens met z'n voorpootjes langs zijn neus, stak zijn eene oor omhoog en zei:
"Koning, deze leelijke jongen heeft mijn vrouw vermoord en al mijn kinderen zijn daardoor van gebrek omgekomen: 't waren er zes."
[Illustratie]
Koning Droom keek Hans streng aan en vroeg: "Is 't waar Hans?"
Hans kreeg 'n kleur en knikte ja.
"Dan ben je 'n slecht schepsel Hans. Heb je er in 't geheel niet aan gedacht, dat het konijntje misschien jongen had? Je hebt het gehoord, het had er zes. Foei! wat was dat valsch van je!"
"Wie volgt?" zei koning Droom.
Griffier kikvorsch sloeg 'n blad om en riep: "Vrouw Eekhoorn".
'n Mooi rood eekhoorntje trad voor den Koning.
"Spreek op klein ding," zei koning Droom.
"O, koning," zei 't roode eekhoorntje, "die booze jongen heeft 'n jong van me gevangen en nu zit het arme dier in 'n draaikooi. Die jongen staat er bij te lachen als het die kooi aan 't draaien maakt. Hij vindt dat aardig, 't eekhoorntje verbeeldt zich, dat 't hard over de boomtakken rent en 't komt niet eens van z'n plaats. Nu moet die stumper z'n heele leven in die akelige kooi opgesloten zitten. Z'n leven lang, de kooi laten draaien--voor 't pleizier van dien jongen!"
Koning Droom schudde z'n hoofd, keek Hans eens aan, maar zei niets. 't Eekhoorntje sprong weg en griffier Kikvorsch had z'n blad al weer omgeslagen en riep "Juffrouw Vink."
Een schildvink sprong van 'n boomtak en ging voor koning Droom zitten. Ze begon te vertellen, dat Hans nesten uithaalde en de jonge vogeltjes dood maakte. Maar 't ergste was, dat Hans Juffrouw Vink d'r man had gevangen onder een mand, die hij met lekker eten er onder in de sneeuw had gezet. Juffrouw Vink had de kooi zien staan, waar mijnheer Vink zich nu in zat dood te kniezen. "Want ziet u, mijnheer de Koning," zei juffrouw Vink, "al krijgt m'n man nu volop te eten, hij is toch liever vrij. 't Is wel 'n toer in den winter om aan den kost te komen, maar we zijn niet te lui en goeie menschen strooien nog wel eens wat voor ons op den grond. Doch niet onder 'n mand mijnheer de Koning, dàt doen alleen valsche menschen. En, mijnheer de koning, we zijn pas een jaar getrouwd en nu wou ik zoo graag m'n man terughebben."
Toen vloog juffrouw Vink op 'n wenk van griffier kikvorsch weer weg, vlak langs Hans z'n hoofd en ze piepte in 't voorbij vliegen "leelijke valschert!"
Er kwamen nog veel meer dieren klagen. Allen had Hans kwaad gedaan. En koning Droom hoorde ze geduldig aan. Hans was niet op z'n gemak. Koning Droom keek beslist boos en dat leek Hans 'n slecht teeken. Koning Droom was machtig, dat had hij zelf bij ondervinding. Wegloopen? Gemakkelijk gezegd. Als je in koning Droom's handen valt, komt er nooit veel van wegloopen.
"Niemand meer?" vroeg koning Droom.
"Jawel, koning," zei griffier kikvorsch, z'n boek dichtslaand dat het door den wolfskuil weerklonk, "Ik zelf!"
De dieren wisten geen raad van pret toen de griffier dit zeide, want hij zag er zoo dwaas uit en hij stapte zoo verwaand tot voor den troon.
"Doe nu niet zoo gek," zei koning Droom. "'t Is nu geen tijd voor grappen?"
"Ik maak geen grappen," zei griffier kikvorsch. "Deze jongen heeft al ik weet niet hoeveel neefjes en nichtjes van me gevangen in de beek. Eens heeft hij mij ook te pakken gehad, maar ik was hem te glad. Ik kroop door z'n vingers en wip, ik weer 't water in. Ik was toen maar 'n gewone kikker en nog geen reus zooals ik nu ben. Laat Hans nu nog maar eens opkomen, als hij durft. Ik slok hem op, in één hap!"
Hans stond te bibberen van angst. 'n Klein kikkertje doodgooien was makkelijk genoeg, maar zoo'n reus. Die griffier zag er lang niet malsch uit. Wat 'n bek!
Koning Droom keek naar Hans en zei: "Durf je? Mijn griffier daagt je uit tot 'n tweegevecht".
[Illustratie]
Maar Hans was 'n lafaard. Zijn knieën knikten en hij was zoo bleek als 'n doek.
"Ik zie het al", zei koning Droom. "Diertjes die niets terug kunnen doen, die durf je aan, hè? Je bent slecht Hans, slecht en wreed en laf ook nog. Mijn vonnis zal zeer streng zijn."
Nu was het plotseling doodstil. Alle dieren waren een en al aandacht. Maar Hans wierp zich voor Koning Droom neder en riep: "Ik zal het nooit wèèr doen. Nooit, nooit meer!"
Alle dieren riepen: "Hij jokt koning, hij jokt!"
"Stilte!" brulde griffier kikvorsch.
Toen 't stil was geworden, was koning Droom aan 't woord en zei: "Meen je 't Hans?"
"Ja, gerust," zei Hans.
"Nu dan, ik wil je gelooven. Ik zal zien wat je doen zult. Maar denk er aan: "'n Man, 'n man; 'n woord, 'n woord!" Dezen keer kom je met den schrik vrij."
Hans sprong van blijdschap overeind... en zat in z'n bed, in het kleine kamertje, waar nog altijd de maan door het venster keek en op de dekens scheen.
"Hé," dacht Hans, "wat heb ik raar gedroomd van dien koning en al die dieren en van dien reus van 'n kikker." Hij kroop gauw weer onder de dekens.
Maar den volgenden dag vroeg hij aan z'n vader: "Vader mag ik het eekhoorntje in het bosch brengen en de vink weg laten vliegen?"
De boschwachter keek Hans eens aan en zei toen: "Wel zeker jongen mag je dat, maar je moet er mee wachten tot het voorjaar. 't Is nu zulk bar weer, hè?"
[Illustratie: hoofdstuk kopstuk]
De Kabouters en de City-bag.
De lente was in 't Bosch gekomen met heerlijk weer en jong groen. Alles leefde weer op. De vogels waren luidruchtig en alle dieren hadden het druk. Zelfs de dieren, die zich den heelen langen winter verstopt hadden, waren weer voor den dag gekomen.
Kobold en Gnoom hadden de lente ook gevoeld en hadden pret in al dat nieuw ontwakende leven. Ze wandelden samen op hun zachte pantoffeltjes over het opveerende mos en bekeken de uitbottende knoppen en fluweelige blaadjes aan struiken en boomen, mooi afstekend tegen de dennenaalden, die het den heelen barren winter hadden moeten uithouden.
Alle dieren, die zij tegenkwamen, groetten ze vroolijk en aan de winterslapers vroegen ze schertsend of 't geen toer was geweest zoo'n maand of wat te dutten. Ze wisten wel, dat die langslapers van het bosch nog zoo dom niet waren.
"Zullen we eens aan de beek gaan kijken?" stelde Kobold voor.
"Mij goed," zei Gnoom, "ik wil de kikkers wel eens zien."
"En ik ben nieuwsgierig naar m'n bloemetjes," voegde Kobold er bij.
Ze gingen den kant op, waar de beek stroomde. Ze hadden geen haast en drentelden heuveltje op en heuveltje af, overal staan blijvend om te kijken, te ruiken en te luisteren. Ze hadden niemendal te doen en hadden 't toch zoo druk, dat ze haast geen tijd hadden om vooruit te komen. Ze waren nog lang niet aan de beek, toen Gnoom zei:
"Ik ben warempel nu al moe. Ik moet eens even rusten, Kobold. Zullen we 'n oogenblikje op die stronk gaan zitten?"
"Zooals je wilt," zei Kobold. "Maar ik ga in 't mos liggen."
Toen Gnoom op den afgezaagden boomstomp zat, zei Kobold:
"De menschen hebben voor 'n mooi bankje gezorgd, Gnoom, doch ik wou liever, dat ze onze boomen ongemoeid lieten. Als ik die houthakkers bezig hoor, zou ik wel kunnen huilen, en jij?"
[Illustratie]
"Ik loop hard weg, wanneer ik die groote kerels met hun bijlen en zagen maar zie aankomen," antwoordde Gnoom.
"Kijk eens, ze zijn van den winter hier ook weer bezig geweest. Eén, twee, drie, vier vijf dikke boomen hebben ze meegenomen."
"Ja," zuchtte Kobold, "'t is erg. Maar hier laten ze gelukkig genoeg staan. Dit bosch blijft. Weet je nog, dat we jaren geleden hierheen verhuisd zijn, omdat de menschen ons heele bosch hadden omgehakt? Al onze mooie boomen vielen onder hun bijlen en nu groeit er koren, geloof ik."
"De menschen zijn de baas, Kobold, wat zij willen dat gebeurt."
"Precies," zei Kobold. "En je moet ook niet vergeten, dat de menschen niet zooals wij in 'n bosch leven kunnen. 'n Enkele, zooals de boschwachter, dat gaat, maar die moet z'n voedsel toch nog ergens anders vandaan halen."
"Laten we nu maar opstappen en naar de beek gaan," zei Gnoom. "Ik ben weer heelemaal uitgerust. Met dat praten over de menschen raak je je vroolijkheid maar kwijt en daar is 't veel te mooi weer voor. Hoor je dien koekoek? Die heeft er ook zin in vandaag. Hij is al wel vijf minuten aan het koekoeken."
"En kijk eens," riep Kobold, "daar zit baas Specht met z'n vrouw te kloppen. Hé, Specht, goeien morgen, hoe heb jij 't met het mooie weer?"
"'k Heb geen tijd om te praten," riep de specht terug. "We moeten nog een gat hakken voor ons nest."
"Maar je hadt toch 'n flinke woning hier in de buurt, verleden jaar?" vroeg Gnoom.
"Jawel," schreeuwde nu vrouw Specht, "hier vlak bij. Maar ze hebben van den winter den boom omgehakt."
Klop, klop, klop gingen de bekken der spechten weer en de kabouters wandelden verder.
"Ik ben blij, dat ik geen specht ben," lachte Kobold. "Zoo'n gat in 'n boom hakken lijkt me 'n lastig werkje, zoo zonder gereedschap."
"Zonder gereedschap? Neen maar, hoe kom je dààr bij? Wou je nog mooier beitel hebben, dan zoo'n spechtensnavel? Ik wed dat de specht het vlugger doet, dan 'n timmerman!"
"Je hebt gelijk," zei Kobold. "'t Was dom van me."
"Zeg eens Kobold," zei Gnoom na 'n poosje, "we komen zoo nooit bij de beek. We loopen verkeerd."
"Dat zie ik ook," zei Kobold. "Maar dat is niemendal. Wij zijn hier vlak bij den plas. Daar is 't ook mooi, en naar de beek kunnen we morgen nog wel gaan."
[Illustratie]
"Ook goed. Ik vind het bij den plas nog wel zoo prettig," zei Gnoom. "Je kunt zoo'n eind over 't water kijken, dat net voor je ligt als 'n spiegel en aan den overkant zie je heel ver weg de boomen. En dan in 't midden het eilandje met al dat riet er om. Ik zou wel eens op dat eilandje willen kijken. Ben jij er wel eens geweest?"
"Ik wel," zei Kobold. "Maar 't is lang geleden. Op 'n boomstam ben ik er heen gevaren."
"Op 'n boomstam!" gaapte Gnoom. "Hoe durfde je! Kunnen we dat niet nog eens doen?"
"Als er maar 'n boom in 't water ligt," zei Kobold, "dan met alle plezier." Doch toen ze bij den plas kwamen lag er geen boomstam in 't water, hoe ze ook tusschen 't riet zochten, wat 'n heel erg gevaarlijk werk voor de kleine kabouters was, want zonder dat ze er erg in hadden stapten ze soms in 't nat. Maar ze hadden toch schik, want 't was o zoo mooi bij den plas. Tusschen de gele rietstengels, die hard en droog geknakt en verwaaid den heelen winter waren blijven staan, wuifden nu weer de groene biezen en riethalmen. De plompeblaren dreven al hier en daar boven als groene schuitjes en andere, die 't nog niet zoover gebracht hadden, kwamen met 'n randje boven 't watervlak uit. Er stond vlak bij de kabouters 'n reiger met z'n lange beenen in het water, alsof hij over iets stond na te denken, en tusschen het riet zwommen vlugge waterhoentjes met kleine donkere kuikentjes. En de zon scheen over de boomen van het bosch heen en spiegelde zich in het stille water, zoodat er twee zonnetjes waren.
De kabouters vonden het prachtig bij den plas. Ze raakten niet uitgekeken. Telkens wezen ze elkaar weer wat anders, dat ze nog niet opgemerkt hadden. Tot eindelijk Gnoom riep:
"Daar komt me zoo waar Troll ook aan!"
"Wat zeg je," riep Kobold, "Troll? Waar dan?"
[Illustratie]
"Wel daar, recht voor je, tusschen de boomen."
"Heb je ooit," prevelde Kobold verwonderd, "waar zou die zoo lang gezeten hebben? Den heelen winter heb ik niets van hem gezien of gehoord. Jij?"
"Ik ook niet," zei Gnoom. "Kijk, hij komt regelrecht op ons af. Hij heeft ons zeker gezien, Kobold, kan jij zien wat hij in z'n hand heeft?"
"Ik niet," zei Kobold. "Ik kan er niets van maken. Wat zou 't zijn?"
"Ik word nieuwsgierig," zei Gnoom "Ga je mee?"
Ze gingen met hun beiden den ander te gemoet en waren in 'n wip bij hem. Die ander was ook 'n kabouter en heette Troll, maar den heelen winter was hij zoek geweest en nu stond hij daar opeens weer voor Kobold's en Gnoom's oogen. Ze waren blij, dat ze hun kameraadje weer terugzagen en wel wat nieuwsgierig te vernemen waar hij dien heelen winter gezeten had, maar nog nieuwsgieriger waren ze te weten wat voor 'n ding hij bij zich had. Zoo iets hadden ze nog nooit gezien.
"Goeie morgen," riep Gnoom, "waar kom jij vandaan?"
En Kobold riep: "Dag Troll, hoe maak je het?"
"Dank je, heel goed," zei Troll, "en hoe maken jullie het? Den heelen winter in je holletjes gezeten?"
"Dat kan je begrijpen," zei Gnoom. "We hebben pret genoeg gehad, niet Kobold, met dat opgezette konijntje, hè?"
"Nou," zei Kobold, "of we. En toen 't erg koud was zijn we binnen gebleven, zooals kaboutertjes altijd doen."
"Zoo," kwam Troll, "doen kabouters dat altijd.... Behalve ik, hè? Ik ben op reis geweest."
"Den heelen winter?" vroeg Gnoom ongeloovig. "We dachten, dat je weggekropen was ergens diep onder den grond."
"Heelemaal mis--glad mis," lachte Troll. "Ik heb gedaan net als de menschen en ben ergens geweest waar 't gèèn winter was."
"Wat zèg je?" riepen Kobold en Gnoom te gelijk. "Dat jok je. 't Is overal winter."
"Je hebt geslapen al dien tijd, man," zei Gnoom, "en wat gedroomd en dat speldt je ons nu op de mouw. Loop heen, mannetje, wou jij twee slimme kabouters wat wijs maken?"
"Zoo, en wat is dit dan?" zei Troll triomfantelijk en hij hield hun het vreemde ding onder den neus. "Daaraan kan je zien, dat ik op reis geweest ben, of niet?"
"Dat weet 'k niet," zei Kobold. "Ik kan niks aan 't ding zien. Jij Gnoom?"
"Niemendal," zei Gnoom. "Wat is 't voor 'n ding?"
"Dat is mijn City-bag," antwoordde Troll, met 'n wijs gezicht.
Kobold stipte met z'n vinger op 't geel leeren ding en herhaalde: "Cit-y-bag. Cit-y-bag."
En toen zei Gnoom: "Cit-y-bag, Cit-y-bag. Begrijp jij er wat van, Kobold?"
"Geen steek."
"Ik ook niet. Cit-y-bag zeg je, hè Troll en 't is 'n tasch?"
"Dat is het," riep Kobold. "'t Is 'n tasch en jij zegt.... Wat zei je er ook weer tegen, Troll. Ik ben 't al weer vergeten."
"'t Is ook 'n tasch," zei Troll, "maar 't heet city-bag."
"Da's malligheid," riep Gnoom, "'n tasch is 'n tasch en geen... 'k ben 'n boon als ik 't nog zeggen kan."
"Dat komt," zei Troll, "omdat jullie nooit op reis geweest bent. Tegenwoordig gaat niemand meer uit zonder zoo'n city-bag. Daaraan ziet iedereen dadelijk, dat je op reis bent."
"Wat zit er in?" vroeg Kobold.
"O, van alles," legde Troll uit, "Ik heb er m'n kam in en...."
"En wat nog meer?" vroeg Kobold nieuwsgierig.
"Niks meer," zei Troll, "ik had niets meer om er in te doen."
Kobold rolde in 't gras van 't lachen toen Gnoom zei: "Je hadt er zelf dan nog best bij gekund."
"Och," riep Troll 'n beetje boos, "dat weet ik ook wel. Ik had die kam best in m'n zak kunnen steken, maar op reis hoor je alles in 'n city-bag te doen, al heb je niemendal, dan doe je 't nog in 'n city-bag."