Judith: treurspel in vijf bedrijven
Part 6
~Judith.~ Niet waar, Mirza? de slaap is God zelf, die de moede menschen omarmt; wie slaapt moet veilig zijn. (_Zij staat op en beschouwt Holofernes_) En hij slaapt zoo rustig, hij vermoedt niet dat de moord zijn eigen zwaard tegen hem opheft. Hij slaapt rustig... Ha! laffe vrouw! wat je in opstand brengen moest, wekt je medelijden? Die rustige slaap, na zùlk een oogenblik... is dat niet de ergste misdaad? Ben ik dan een wurm dat men mij mag vertreden en dan, alsof er niets gebeurd was, kalm inslapen? Ik ben geen wurm! (_zij trekt het zwaard uit de scheede_) Hij glimlacht. Ik ken hem, dien helschen glimlach, zòò glimlachte hij toen hij mij tot zich neertrok, toen hij... Doodt hem, Judith! hij onteert je ten tweeden male in zijn droom; zijn slaap is niets anders dan een hondsch herkauwen van je schande. Hij beweegt zich. Zal je dralen, tot de weer hongerige begeerte hem wekt, tot hij je opnieuw grijpt en... (_zij slaat Holofernes het hoofd af_). Zie, Mirza! daar ligt zijn hoofd. Ha! Holofernes, acht ge mij nu?
~Mirza~ (_bezwijmt_). Houdt mij vast!
~Judith~ (_door een siddering overvallen_). Zij bezwijmt; is mijn daad dan zulk een gruwel dat zij deze vrouw het bloed in de aderen doet verstijven en haar voor dood neerwerpt? (_heftig_) Ontwaak uit je onmacht, zottin, die onmacht is een aanklacht tegen mij en dat duld ik niet.
~Mirza~ (_weer bijkomend_). Werp er toch een doek overheen!
~Judith.~ Wees sterk, Mirza, ik smeek het je, wees sterk! Elke huivering van je kost mij een deel van mijn zelf. Je terugduizelen, dat wreede afwenden van je blikken, dat verbleeken van je gelaat zou mij kunnen doen denken dat ik iets onmenschelijks gedaan heb en dan moest ik immers ook mijzelf... (_zij grijpt naar het zwaard_).
~Mirza~ (_werpt zich aan haar borst_).
~Judith.~ Juich, mijn hart! Mirza kan mij nog omarmen! Maar wee mij, zij vlucht misschien alleen maar aan mijn borst omdat zij den doode niet zien kan, omdat zij beeft voor een tweede onmacht. Of kòst je die omarming een tweede onmacht? (_stoot haar van zich weg_).
~Mirza.~ U doet me pijn, en uzelf nog meer.
~Judith~ (_haar hand vattend_). Niet waar Mirza, als het een gruwelstuk was, als ik werkelijk een wandaad begaan had, dan zou je mij dat immers niet laten voelen? Je zoudt, al wilde ikzelf mij vonnissen en verdoemen, vriendelijk tot mij zeggen: »Je doet jezelf onrecht, het was een heldendaad?«
~Mirza~ (_zwijgt_).
~Judith.~ Ah! verbeeld je maar niet dat ik al als een bedelares voor je sta, dat ik mij reeds veroordeeld heb en van jou begenadiging verwacht. Het ìs een heldendaad, want hìj was Holofernes en ìk... ik ben een ding, als jij. Het is meer dan een heldendaad; ik zou den held willen zien, wiens grootste daad hem slechts half zooveel gekost heeft als mij de mijne!
~Mirza.~ U sprak van wraak. Eén ding moet ik u vragen: Waarom kwaamt ge in den glans uwer schoonheid in dit heidensch kamp? Hadt ge het nooit betreden, dan had ge niets te wreken gehad.
~Judith.~ Waarom ik kwam? De ellende van mijn volk zweepte mij hierheen, de dreigende hongersnood, de gedachte aan die moeder die zich den pols openreet om haar versmachtend kind te laten drinken. O, nù ben ik weer met mezelf verzoend. Dit alles had ik vergeten door mijn eigen smart.
~Mirza.~ Ge hadt het vergeten. Dàt was het dus nìet wat u dreef toen ge uw hand in bloed dompelde.
~Judith~ (_langzaam, vernietigd_). Neen, neen, je hebt gelijk... dat was het niet... niets anders dreef mij dan de gedachte aan mijzelf. O, hier zit de knoop! Mijn volk is verlost, maar als een steen Holofernes verpletterd had, zou het dien steen meer dank verschuldigd zijn dan nù mij. Dank? Wie vraagt om dank? Maar nu moet ik mijn daad alléén dragen en ze vermorzelt mij!
~Mirza.~ Holofernes heeft u omhelsd. Als ge hem een zoon baart, wat zult ge dien dan antwoorden wanneer hij naar zijn vader vraagt?
~Judith.~ O Mirza! Ik moet sterven en ik wil het. Ha! ik zal door het slapende kamp hollen, ik zal het hoofd van Holofernes in de hoogte houden en mijn moord uitschreeuwen, dat duizenden opspringen en mij in stukken scheuren! (_zij wil gaan_).
~Mirza~ (_kalm_). Dan verscheuren ze mij ook.
~Judith~ (_blijft staan_). Wat moet ik doen? Mijn hersens lossen op tot rook, mijn hart is één doodwond. En toch kan ik aan niets denken dan aan mezelf. O dat dit toch anders was! Ik voel mij als een oog dat naar binnen gericht is. En terwijl ik mij zoo scherp bekijk, wordt ik kleiner, steeds maar kleiner, nog kleiner... ik moet ophouden of ik zal in niets verdwijnen.
~Mirza~ (_luisterend_). God! men komt!
~Judith~ (_verward_). Kalm, kalm. Er kan niemand komen. Ik heb de wereld in het hart gestoken. (_lachend_) En ik trof haar goed. Moet ze blijven bestaan? Wat God er wel van zeggen zal als hij morgen vroeg naar omlaag kijkt en ziet dat de zon niet meer gaan kan en dat de sterren lam geworden zijn! Of hij mij wel straffen zal? O neen, ik ben immers de eenige die nog leeft? Waar zou dan nieuw leven vandaan komen? Hoe zou hij mij kùnnen dooden?
~Mirza.~ Judith!
~Judith.~ Au! mijn naam doet mij pijn!
~Mirza.~ Judith!
~Judith~ (_als wrevelig_). Laat mij slapen; droomen zijn droomen! Is 't niet belachelijk? Ik zou kunnen weenen als er maar iemand was die mij zeide waarom.
~Mirza.~ Het is met haar gedaan... Judith, je bent een kìnd.
~Judith.~ Ja ja, goddank! Verbeeld je, dat wist ik niet meer, ik had me echt in de verstandigheid ingespeeld; als in een kerker, en ze was achter mij dicht gevallen; vreeselijk, dicht als een bronzen deur. (_lachend_) Niet waar? morgen ben ik nog niet oud en overmorgen ook nog niet. Kom, laten we weer wat gaan spelen, maar iets beters. Daareven was ik een slechte vrouw, die iemand had omgebracht. Hu! Zeg maar wat ik nu zijn moet.
~Mirza~ (_afgewend_). God, ze wordt krankzinnig!
~Judith.~ Zeg me wat ik zijn moet! Gauw, gauw! Anders wordt ik weer wat ik was.
~Mirza~ (_op Holofernes wijzend_). Kijk!
~Judith.~ Denk je dat ik het niet meer weet? O zeker, zeker! Ik bedel immers maar om den waanzin; maar het schemert alleen zoo hier en daar een beetje in me, donker wordt het niet. In mijn hoofd zijn duizend molsgangen, maar zij zijn allen te klein voor mijn groote, logge verstand, het probeert vergeefs er in te kruipen.
~Mirza~ (_in hoogsten angst_). De morgen is niet ver meer; ze zullen mij en u doodmartelen als ze ons hier vinden, ze zullen ons lid na lid uitrukken.
~Judith.~ Geloof je werkelijk dat men sterven kan? Ik weet wel dat allen dat gelooven en dat men het moet gelooven. Vroeger geloofde ik het ook, nù lijkt de dood mij een onding, een onmogelijkheid. Sterven! Ah! wat nu in mij knaagt, zal eeuwig in mij knagen; dat is niet als kiespijn of koorts, het is één met mijzelf en het is genoeg voor altijd. O, men léért iets in smart. (_op Holofernes wijzend_) Ook die is niet dood. Wie weet of niet hìj het is die mij dit alles zegt, of hij zich niet daardoor op mij wreekt, dat hij mijn gruwenden geest het geheim zijner onsterfelijkheid openbaart.
~Mirza.~ Judith, heb medelijden, ga mee!
~Judith.~ Ja, ja... ik smeek je, Mirza, zeg mij maar telkens wat ik doen moet, ik heb zoo'n angst er voor zelf nog iets te doen.
~Mirza.~ Volg mij dan.
~Judith.~ Ach... maar je moet het belangrijkste niet vergeten. Steek het hoofd in dien zak daar, dat laat ik hier niet achter. Je wilt niet? Dan verzet ik geen voet! (_Mirza gehoorzaamt met afschuw_) Kijk, dat hoofd is mijn eigendom, dat moet ik meebrengen, opdat men het in Bethulië geloove dat ik... Wee, wee! men zal mij roemen en prijzen wanneer ik het vertel. En nog eens wee!... het is me als had ik ook dááraan tevoren gedacht.
~Mirza~ (_wil gaan_). Nu?
~Judith.~ Het wordt licht in me. Mirza, luister, ik zal zeggen dat jij het gedaan hebt.
~Mirza.~ Ik?
~Judith.~ Ja Mirza, ik zal zeggen dat op het beslissend oogenblik de moed mij ontzonken was, maar dat de geest des Heeren over jou gekomen is en dat jij je volk van zijn grooten vijand hebt verlost. Dan zal men mij verachten als een werktuig dat de Heer heeft verworpen en jouw deel zal eer en lofzang zijn in Israël.
~Mirza.~ Nooit.
~Judith.~ O, je hebt gelijk! Het was een lafheid. Hun gejubel, de klank hunner cymbalen, het gedreun hunner pauken zal mij verpletteren en dat zal mijn loon zijn. Kom! (_beiden af_).
* * * * *
#(De stad Bethulië, zooals in het derde bedrijf. Openbaar plein met gezicht op de poort, waarbij wachtposten. Veel volk, liggend en staand in verschillende groepen. Het wordt dag).#
(_Twee priesters, omringd door een groep vrouwen, moeders enz._).
~Een vrouw.~ Hebt ge ons dan bedrogen, toen ge zeidet dat onze God almachtig is? Is hij als een mensch, dat hij niet kan nakomen wat hij belooft?
~Priester.~ Hij ìs almachtig. Maar gijzelf hebt hem de handen gebonden. Hij kan jelui slechts helpen naarmate ge het verdient.
~Vrouwen.~ Wee, wee! wat zal er met ons gebeuren?
~Priester.~ Ziet achter u, dan weet ge ook wat vóór u staat.
~Een moeder.~ Kan een moeder dan zóó zondigen, dat haar onschuldig kind moet verdorsten? (_zij houdt haar kind omhoog_).
~Priester.~ De wraak heeft geen grenzen, want ook de zonde heeft er geen.
~De moeder.~ En ik zeg u, priester, dat een moeder niet zoo kan zondigen. In haar schoot kan de Heer, zoo hij toornt, haar kind nog verstikken, maar is het geboren, dan moet het leven. Daarom baren wij, om ons Zelf dubbel te bezitten, opdat wij het in het kind, als het ons rein en heilig toelacht, kunnen liefhebben wanneer wij het in òns moeten haten en verachten.
~Priester.~ Je vleit je. God laat je baren om je in je eigen vleesch en bloed te kastijden, om je nog tot voorbij het graf te kunnen vervolgen.
~Tweede priester~ (_tot den eerste_). Is er nog niet genoeg vertwijfeling in de stad?
~Eerste priester.~ Wilt ge luieren terwijl ge zaaien moest? Schiet wortel waar de bodem los is.
~Moeder.~ Mijn kind mag niet voor mìj lijden. Hier, neem het. Ik zal mij opsluiten in mijn kamer; ik zal al mijn zonden overdenken en mij voor elke een dubbel zoo groote marteling aandoen; ik zal mijzelf pijnigen tot ik sterf of tot God zelf uit den hemel roept: houdt op!
~Tweede priester.~ Behoud je kind en verzorg het. Dàt wil de Heer, je God.
~De moeder~ (_drukt het aan haar borst_). Ja, ik zal het zóó lang aanzien tot het bleek wordt, tot zijn kreunen stikt in zichzelf en zijn adem ophoudt; geen oog zal ik van hem afwenden, zelfs dan niet als de foltering zijn kinderlijk oog vóór den tijd wijs maakt en een afgrond van ellende er mij uit tegen huivert. Ik zal het doen, om te boeten zooals nog niemand boette. Maar wat, zoo het nòg wijzer wordt en naar omhoog ziet en de vuistjes balt?
~Eerste priester.~ Dan zult ge zijn handen vouwen en met sidderen erkennen dat ook een kind in opstand kan komen tegen God.
~De moeder.~ Mozes' staf sloeg op een rots en een koele bron sprong te voorschijn. Dat was een rots! (_slaat zich op de borst_) Vervloekte borst, wat ben jij? Van binnen dringt de gloeiendste liefde, van buiten drukken je heete, onschuldige lippen, maar toch geef je geen druppel! Doe het, doe het! Zuig me alle aderen uit en geef het wurm nog één keer te drinken!
~Tweede priester~ (_tot den eerste_). Ontroert u dit niet?
~Eerste priester.~ Zeker. Maar ik zie in die ontroering altijd slechts een verleiding tot ontrouw aan mijzelf en onderdruk haar. Bij u lost de man zich op in water; ge kunt hem opvangen in uw zakdoek of er viooltjes mee laven.
~Tweede priester.~ Tranen, waarvan men zelf niets weet, zijn geoorloofd.
~Een andere vrouw~ (_op de moeder wijzend_). Hebt ge geen troost voor haar?
~Eerste priester~ (_koud_). Neen.
~De vrouw.~ Dan woont uw God nergens dan op uw lippen!
~Eerste priester.~ Dit woord alleen verdient dat Bethulië in Holofernes' handen valt. Op jouw ziel wentel ik den ondergang der stad. Je vraagt waarom zìj lijdt? Omdat jìj haar zuster bent. (_zij gaan voorbij_).
(_Twee burgers die het tooneel aanzagen, komen naar voren_).
~Eerste burger.~ Door mijn eigen leed heen voel ik het leed van deze vrouw. Het is ontzettend.
~Tweede burger.~ Het is het ontzettendste nog niet. Dat begint eerst, als die moeder op het denkbeeld komt dat ze haar kind kan opeten! (_Hij slaat zich voor het hoofd_) Ik ben bang dat mìjn vrouw dit al bedacht heeft.
~Eerste burger.~ Je raast!
~Tweede burger.~ Om haar niet te moeten doodslaan, ben ik uit huis gevlucht. Lieg niet! Ik holde weg, omdat ik gruwde van de onmenschelijke spijs, waarnaar zij begeerig scheen en omdat ik tòch vreesde dat ik zou kunnen mee-eten. Ons zoontje lag op sterven, zij, in vreeselijke smart, was op den grond neergevallen. Plotseling stond zij op en zei, zacht, heel zacht: »is 't dan een òngeluk dat de jongen sterft?« Daarna boog ze zich over hem en mompelde, als wrevelig: »Er is nog leven in hem«. 't Werd mij gruwelijk duidelijk: ze zag in haar kind alleen nog maar een stuk vleesch.
~Eerste burger.~ Ik zou je vrouw zòò kunnen gaan neersteken, al is ze mijn eigen zuster.
~Tweede burger.~ Je zoudt te vroeg of te laat komen. Wanneer ze zich niet zelf doodde vòòr ze at, deed ze 't toch zeker nadat ze gegeten had.
~Derde burger~ (_er bij komend_). Misschien komt nog redding. Heden is 't de dag waarop Judith terug zou komen.
~Tweede burger.~ Nù nog redding? Nu nog? God, God! ik herroep al mijn gebeden. Dat Gij ze zoudt kunnen verhooren nu het te laat is, dat is een gedachte die ik nog niet dacht, die ik niet verdraag. Ik zal U roemen en prijzen als ge Uw oneindigheid òòk kunt openbaren in toenemende ellende, als Ge mijn ontzetten geest buiten zijn grenzen kunt drijven, als Ge mij een gruwel kunt laten zien die mij alle gruwelen die ik tot nu aanschouwde, doet vergeten en bespotten. Maar vervloeken zal ik U, als Ge nù nog tusschen mij en mijn graf treedt, als ik vrouw en kind begraven en met aarde in plaats van met de klei en rotting van mijn eigen lichaam moet bedekken! (_gaan voorbij_).
~Mirza~ (_voor de poort_). Doet open, doet open!
~Bewakers.~ Wie daar?
~Mirza.~ Judith is het. Judith, met het hoofd van Holofernes!
~Bewakers~ (_roepen, terwijl zij openen, de stad in_). Hallo, hallo! Judith is terug!
(_Het volk verzamelt zich, ouderlingen en priesters komen. Judith en Mirza treden de poort binnen_).
~Mirza~ (_werpt het hoofd neer_). Kent ge dien?
~Volk.~ Neen, dien kennen wij niet.
~Achior~ (_naderbij tredend, valt op de knieën_). Groot zijt ge, God van Israël! en er is geen God buiten u! (_hij staat op_) Dit is het hoofd van Holofernes! (_hij grijpt Judith bij de hand_) En dit is de hand, waarin hij gegeven werd? Vrouw, het duizelt mij wanneer ik u aanzie!
~Ouderlingen.~ Judith heeft haar volk bevrijd! Haar naam zij geloofd!
~Volk~ (_bijeen stroomend_). Heil Judith!
~Judith.~ Ja, ik heb den eersten en laatsten man op aarde gedood, opdat gìj (_tot een der omstanders_) in vrede uw schapen weiden en gij (_tot een ander_) uw kool planten en gij (_tot een derde_) uw nering drijven en kinderen die u gelijken, teelen kunt.
~Stemmen uit het volk.~ Op! naar het kamp! Nú zijn ze zonder Heer!
~Achior.~ Wacht nog even. Zij weten nog niet wat vannacht gebeurde. Wacht, tot ze ons zelf het teeken tot den aanval geven. Als we ze hooren schreeuwen, zullen we ze bespringen.
~Judith.~ Ge zijt mij dank schuldig, dank, dien ge mij niet kunt afbetalen met de eerstelingen uwer kudden en tuinen. Ik moest de daad doen, aan ù is het haar te rechtvaardigen! Wordt heilig en rein, dan kan ik haar verantwoorden. (_Men hoort een wild verward getier_).
~Achior.~ Hoort! nu is het tijd!
~Een priester~ (_op het hoofd wijzend_). Steekt het op een spiets en draagt het vooraan!
~Judith~ (_zich voor het hoofd plaatsend_). Dit hoofd moet dadelijk begraven worden!
~Bewakers~ (_van den muur af roepend_). De bewakers van de bron vluchten in wilde wanorde. Een van de hoplieden treedt hen in den weg, zij trekken de zwaarden tegen hem. Een der onzen komt hen tegemoet hollen. Het is Ephraim; zij zien hem in het geheel niet!
~Ephraim~ (_voor de poort_). Open, open!
(_De poort wordt geopend, Ephraim stormt binnen. De poort blijft open, men ziet voorbij vluchtende Assyriërs_).
~Ephraim.~ Ze hadden mij kunnen spietsen, op een rooster braden. Dat alles ben ik ontkomen! Nu Holofernes zijn hoofd kwijt is, zijn ze 't allemaal. Komt, komt! Een dwaas, die nog bang zou zijn!
~Achior.~ Op, op!
(_Zij stormen de poort uit, men hoort stemmen roepen: In naam van Judith!_)
~Judith~ (_wendt zich walgend af_). Dat is slagersmoed.
(_De priesters en ouderlingen vormen een kring om haar heen_).
~Een der ouderlingen.~ Ge hebt de namen der helden gebluscht en de uwe in hun plaats gezet.
~Eerste priester.~ Volk en kerk hebt ge een grooten dienst bewezen. Niet meer om het duister verleden, op u zal ik voortaan wijzen als ik toonen wil hoe groot de Heer, onze God is.
~Priesters en ouderlingen.~ Eisch uw loon!
~Judith.~ Spot ge met mij? (_tot de ouderlingen_) Als het geen heilige plicht was, als ik het had mogen laten, was het dan geen hoogmoed en misdaad? (_tot de priesters_) Wanneer een offerdier rochelend voor het altaar neerstort, kwelt ge het dan nog met de vraag welken prijs het zou verlangen voor zijn bloed en leven? (_na een pauze, als bij plotselinge ingeving_) En tòch... ik eisch mijn loon! Belooft mij te voren, dat ge het niet zult weigeren!
~Ouderlingen en priesters.~ Wij beloven het. Uit naam van gansch Israël!
~Judith.~ Dan zult ge mij dooden, wanneer ik het verlang!
~Allen~ (_ontzet_). U dooden?
~Judith.~ Ja. En ik heb uw woord.
~Allen~ (_gruwend_). Ge hebt ons woord.
~Mirza~ (_grijpt Judith bij den arm en leidt haar uit den kring naar voren_) Judith! Judith!
~Judith.~ Ik wil Holofernes geen zoon baren. Bid God dat mijn schoot onvruchtbaar moge zijn. Misschien is hij mij genadig!
EINDE.
+---------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst | | aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: verschansd hebben. | | C: verschanst hebben. | | B: als gevonnisd wanneer ik haar | | C: als gevonnist wanneer ik haar | | B: ~Ephraim~ Ik bèn een man en | | C: ~Ephraim.~ Ik bèn een man en | | B: ~Judith~ Het is zoo blank | | C: ~Judith.~ Het is zoo blank | | B: ~Daniel.~ Ja, dat is | | C: ~Daniël.~ Ja, dat is | | B: beleedigd hebt, sçhenk ik u het | | C: beleedigd hebt, schenk ik u het | | B: al mijn slaven zijn zult. | | C: al mijn slaven zijn zult.« | | B: spin, en houdt je stil | | C: spin, en houdt je stil | | B: Mirza, o, wat bidt je daar? | | C: Mirza, o, wat bidt je daar? | | B: Ah! verbeeldt je maar niet | | C: Ah! verbeeld je maar niet | | B: je bent een kind. | | C: je bent een kìnd. | | B: ~Judìth.~ Ja ja, goddank! Verbeeldt je, | | C: ~Judith.~ Ja ja, goddank! Verbeeld je, | | B: Hallo, Hallo! | | C: Hallo, hallo! | | | +---------------------------------------------+