Judith: treurspel in vijf bedrijven

Part 5

Chapter 53,860 wordsPublic domain

~Holofernes.~ Dat men zulke priesters vooral niet doode! De vertwijfeling op hun gelaat is mijn bondgenoot.

~Hopman.~ Wanneer ze nù ten hemel opzien, zoeken ze er niet hun God, maar een regenwolk. Doch de zon slurpt de dunne wolken die een druppel lafenis beloven òp en op hun berstende lippen vallen haar gloeiende stralen. Dan ballen zich vuisten, dan rollen oogen, dan stooten hoofden zich te pletter tegen de muren, dat bloed en hersens vloeien.

~Holofernes.~ Dat hebben we meer gezien. (_lachend_) Hebben we niet zelf eens een hongersnood bijgewoond, waarbij de één schuw achteruitdeinsde wanneer de ander hem kussen wilde, uit pure angst voor een beet in de wang? Hallo! Bereidt het maal; laat ons vroolijk zijn! (_het geschiedt_) Is het niet morgen de vijfde dag?

~Hopman.~ Ja.

~Holofernes.~ Dan komt de beslissing. Geeft Bethulië zich over, zooals de Hebreeuwsche voorspelde, komt ze uit eigen beweging naar mij toegekropen, de hardnekkige stad, om zich voor mijn voeten te leggen...

~Hopman.~ Twijfelt Holofernes?

~Holofernes.~ Aan al wat hij niet bevelen kan. Maar gebeurt het zooals die vrouw beloofde, doen zij open zonder dat ik met mijn zwaard behoef aan te kloppen, dan...

~Hopman.~ Dan?

~Holofernes.~ Dan krijgen wij een nieuwen God. Waarachtig! ik heb gezworen dat de God Israëls ook mijn God worden zal, wanneer hij mij een dienst bewijst, en bij allen die reeds mijn goden zijn, bij Bel te Babylon en bij den grooten Baal, ik zal woord houden! Hier, dezen beker wijn zal ik hem plengen, dien Je... Je... (_tot den kamerdienaar_) hoe zei je ook weer dat hij heet?

~Kamerdienaar.~ Jehovah!

~Holofernes.~ Laat u dit offer welgevallen, Jehovah. Een màn brengt het u, en een die het niet behoeft te doen.

~Hopman.~ En als Bethulië zich niet overgeeft?

~Holofernes.~ Eed tegen eed. Dan laat ik Jehovah afranselen en de stad... maar ik wil mijn toorn niet reeds nu zijn grenzen afbakenen. Dat ware den bliksem beschoolmeesteren. Hoe is 't met de Hebreeuwsche?

~Hopman.~ O, ze is schoon... Maar ze is ook preutsch.

~Holofernes.~ Heb je dat ondervonden?

~Hopman~ (_zwijgt verlegen_).

~Holofernes~ (_met woesten blik_). Dàt durfde je? Terwijl je wist dat ze mìj behaagt? Daar, hond! (_hij_ _slaat hem neer_) Haalt hem weg en brengt die vrouw hier. Het is een schande dat zij ongerept onder ons Assyriërs rondloopt! (_Het lijk wordt weggedragen_) Vrouw is vrouw en toch verbeeldt men zich nog dat er verschil is. Ja, wel voelt een man nergens zoo duidelijk wat hij waard is dan aan de borst eener vrouw. Ha! wanneer ze sidderen bij het verwachten zijner omhelzing, in tweestrijd tusschen wellust en schaamte; wanneer ze doen als wilden ze vluchten, maar dan opeens, door hun natuur overmand, hem om den hals vliegen als hun laatste beetje zelfstandigheid en bewustheid opvlamt en hen, omdat ze niet meer weerstaan kunnen, drijft tot vrijwillige tegemoetkoming; wanneer dan hun begeerte, door verraderlijke kussen opgewekt in iederen druppel bloed, met de begeerte van den man om het hardst loopt en zij hem aanzetten waar zij weerstand moesten bieden... ja, dàt is leven; dan voelt men 't waarom de goden zich de moeite gaven menschen te maken; dan heeft men eens genòeg, een overloopenden beker! En vooral wanneer hun kleine ziel nog een oogenblik te voren vol haat en laffen wrok was; wanneer de oogen, nu in wellust gebroken, zich donker sloten toen de overwinnaar binnentrad; wanneer de hand die nù vleiend streelt, hem graag vergif in den wijn gemengd zou hebben! Dat is een triomf als geen andere, en dikwijls heb ik dien al gevierd. Ook deze Judith... wel is haar blik vriendelijk en lachen haar wangen als zonneschijn; maar in haar hart woont niemand behalve haar God... en dien zal ik er nu uitjagen! In de dagen van mijn jeugd heb ik soms wel als ik een vijand ontmoette, inplaats van mijn eigen zwaard te trekken, hem het zijne uit de hand gewrongen en er hem mee neergeveld. Zóó wil ik ook háár vernietigen; vergaan zal zij voor mij door haar eigen gevoel, door de trouweloosheid harer zinnen.

~Judith~ (_met Mirza binnen tredend_). Ge hebt bevolen, hooge Heer, en uw maagd gehoorzaamt.

~Holofernes.~ Ga zitten Judith, eet en drink, want je hebt genade bij mij gevonden.

~Judith.~ Dat zal ik, Heer. En ik wil vroolijk zijn, want nog nooit in mijn leven ben ik zòò geëerd geworden.

~Holofernes.~ Waarom aarzel je?

~Judith~ (_huiverend, op het versche bloed wijzend_). Heer, ik ben een vrouw.

~Holofernes.~ Kijk er eens goed naar, naar dat bloed. Het zal je ijdelheid streelen; het heeft gevloeid omdat het voor jou ontbrand was.

~Judith.~ Wee mij!

~Holofernes~ (_tot den kamerdienaar_). Andere tapijten! (_tot de hoplieden_) Gaat heen. (_De tapijten worden gebracht, de hoplieden verwijderen zich_).

~Judith~ (_voor zich_). Mijn haren rijzen te berge; maar toch dank ik U, mijn God, dat Ge mij den Verschrikkelijke ook in deze gedaante liet zien. Een moordenaar zal ik lichter kunnen vermoorden.

~Holofernes.~ Ga nu zitten. Je bent bleek geworden. Je boezem jaagt. Ben ik zoo afschrikwekkend voor je?

~Judith.~ Heer, ge zijt vriendelijk voor mij geweest.

~Holofernes.~ Wees oprecht, vrouw!

~Judith.~ Heer, ge zoudt mij moeten verachten als ik...

~Holofernes.~ Nu?

~Judith.~ Als ik u kon liefhebben.

~Holofernes.~ Vrouw, je waagt veel! Vergeef, je waagt niets. Zulk een woord hoorde ik nog nooit. Neem dezen gouden ketting voor dit woord.

~Judith~ (_verlegen_). Heer, ik begrijp u niet.

~Holofernes.~ Wee! zoo je mij wèl begreep! Een leeuw ziet een kind dat hem vermetel aan de manen trekt omdat het hem niet kent, vriendelijk aan. Wilde het kind, groot en wijs geworden, hetzelfde probeeren, de leeuw zou het verscheuren. Kom bij mij zitten, laten we wat praten. Vertel mij eens: wat dacht je wel toen je voor het eerst hoorde dat ik met mijn leger je vaderland bedreigde?

~Judith.~ Niets dacht ik.

~Holofernes.~ Vrouw, men denkt aan velerlei als men van Holofernes hoort.

~Judith.~ Ik dacht aan den God mijner vaderen.

~Holofernes.~ En vervloekte mij?

~Judith.~ Neen, ik hoopte dat mijn God het doen zou.

~Holofernes.~ Geef mij den eersten kus. (_hij kust haar_).

~Judith~ (_voor zich_). O, waarom ben ik een vrouw!

~Holofernes.~ En toen je het rollen mijner wagens hoorde, het stampen mijner kameelen en het kletteren van mijn zwaarden, wat dacht je toen?

~Judith.~ Ik dacht dat ge niet de eenige man op de wereld waart en dat er uit Israël een zou opstaan die u evenaarde.

~Holofernes.~ Maar toen je zag dat mijn naam alleen voldoende was om je volk in het stof te werpen; dat je God het wonderen-doen verleerd had en dat je mannen naar vrouwenkleeren verlangden?

~Judith.~ Toen riep ik schande over hen en verborg mijn gelaat wanneer ik maar een man zag en als ik bidden wilde kwamen mijn gedachten tegen mijzelf in opstand, verscheurden elkaar wederkeerig en kronkelden zich als slangen om het beeld van mijn God. O, sinds ik dàt voelde, gruw ik van mijn eigen hart; het komt mij voor als een hol waar de zon inschijnt, maar dat toch in verborgen hoeken het gevaarlijkste gedierte herbergt.

~Holofernes~ (_haar van terzijde aanziend_). Hoe zij gloeit! Zij doet mij denken aan een vuurbal dien ik eens in een donkeren nacht aan den hemel zag opstijgen. Wees mij welkom, wellust, ziedend bij de vlammen van den haat!--Kus mij, Judith! (_zij doet het_) Haar lippen zuigen zich vast als bloedzuigers, en toch zijn zij koud. Drink wijn, Judith. In den wijn is al wat ons ontbreekt.

~Judith~ (_drinkt, nadat Mirza haar heeft ingeschonken_). Ja, in den wijn is moed, moed!

~Holofernes.~ Dus moed heb je noodig om met mij aan tafel te zitten, om mijn blik te verduren en mijn kussen te beantwoorden? Arm schepsel.

~Judith.~ O gij... (_zich beheerschend_) Vergeef. (_zij weent_).

~Holofernes.~ Judith, ik zie in je hart. Je haat mij. Geef mij je hand en vertel mij van je haat.

~Judith.~ Mijn hand? O hoon! die de bijl slaat aan de wortels mijner menschelijkheid!

~Holofernes.~ Waarlijk, waarlijk, die vrouw is begeerenswaardig!

~Judith.~ Spring open dan, mijn hart, houdt nu niets meer terug! (_zij richt zich op_) Ja, ik haat je, ik vervloek je en ik moet het je zeggen, weten moet je hòe ik je haat, hoe ik je vervloek, wil ik niet krankzinnig worden.--Doodt mij nu!

~Holofernes.~ Je dooden? Morgen misschien; vandaag zullen we eerst samen naar bed gaan.

~Judith~ (_voor zich_). Hoe is het mij opeens zoo licht? Nù mag ik het doen!

~Kamerdienaar~ (_treedt binnen_). Heer, een Hebraeër wacht buiten voor de tent. Hij verzoekt dringend toegelaten te worden. Zaken van 't hoogste belang...

~Holofernes~ (_opstaand_). Van den vijand? Breng hem binnen. (_tot Judith_) Zouden zij zich willen overgeven? Noem mij dan nog gauw de namen van je bloedverwanten en vrienden; die zal ik sparen.

~Ephraim~ (_hem te voet vallend_). Heer, waarborgt ge mij mijn leven?

~Holofernes.~ Ja.

~Ephraim.~ Welaan! (_nadert hem, trekt snel zijn zwaard en slaat naar Holofernes, die uitwijkt_).

~Kamerdienaar~ (_snel binnen tredend_). Schurk! ik zal je leeren hoe je een man neerslaat. (_wil Ephraim neerslaan_).

~Holofernes.~ Halt!

~Ephraim~ (_wil zich in zijn eigen zwaard storten_). Judith heeft het gezien! Eeuwige schande over mij!

~Holofernes~ (_hem weerhoudend_). Probeer dat niet voor den tweeden keer! Wil je 't mij onmogelijk maken mijn woord te houden? Ik heb je het leven toegezegd en moet je dus ook tegen jezelf beschermen. Grijpt hem! Is mijn lievelings-aap nìet verrekt? Stopt hem in zijn kooi en leert hem de kunstjes van zijn potsierlijken voorganger. Die kerel is een merkwaardigheid; hij is de eenige die er zich op beroemen kan, naar Holofernes geslagen te hebben en er heelhuids te zijn afgekomen. Ik wil hem aan 't hof laten kijken. (_Kamerdienaar met Ephraim af_). (_tot Judith_) Zijn er veel slangen in Bethulië?

~Judith.~ Neen, maar veel razenden.

~Holofernes.~ Holofernes dooden! Den bliksem uitdooven die met den wereldbrand dreigt; een onsterfelijkheid in de kiem smoren; een koen begin maken tot een praalhans met een grooten mond, door hem vóór zijn tijd te dooden! O, dat moet iets aanlokkelijks zijn! Dat noem ik het noodlot de teugels uit de hand nemen! Daartoe zou ikzelf mij kunnen verleiden, als ik niet was die ik ben! Maar het groote willen doen op kleine wijze, voor den leeuw eerst een net knoopen uit zijn eigen edelmoedigheid om hem dàn te sluipmoorden; de daad wagen, maar laf en listig het gevaar van tevoren ontduiken; niet waar Judith, dat is goden maken van drek, daarover zul je toch schande roepen moeten, al probeerde je beste vriend het tegenover je ergsten vijand.

~Judith.~ Gij zijt groot en de anderen zijn klein. (_zacht_) God mijner vaderen! bescherm mij tegen mijzelf, dat ik niet vereeren moet wat ik het diepst verafschuw. Hij is een màn!

~Holofernes~ (_tot den kamerdienaar_). Maak mijn leger gereed. (_Kamerdienaar af_) Ziehier, vrouw! Deze armen waren tot de elbogen gedompeld in bloed, elk mijner gedachten baart gruwelen en verwoesting; mijn woord is de dood; de wereld lijkt mij jammerlijk en ik geloof dat ik geboren ben om haar te verwoesten, opdat er iets beters komen kan. De menschen vervloeken mij, maar hun vloek hecht zich niet aan mijn ziel; die breidt haar wieken uit en schudt hen van zich af als niets. Ik moet dus wel gelijk hebben. »O Holofernes, ge weet niet wat dit is« kreunde eens een man dien ik op een gloeiend rooster liet braden. »Dat weet ik werkelijk niet« zei ik en ging naast hem liggen. Bewonder dat niet, het was een dwaasheid.

~Judith~ (_voor zich_). Houdt op, houdt op! Ik moet hem vermoorden als ik niet voor hem knielen wil.

~Holofernes.~ Kracht, kracht! dat is alles! Laat komen wie tegen mij opstaat, wie mij neerwerpt! Ik hunker naar hem! Het is eenzaam niets te kunnen eeren dan zichzelf. Hij mag mij in een vijzel laten fijnstampen en als hij er zin in heeft met den brij het gat stoppen dat ik in de wereld reit. Dieper en dieper boor ik met mijn zwaard; als het angstgeschreeuw den redder niet wekt, dan is er geen. De orkaan bruist door de lucht: hij wil zijn broeder leeren kennen. Maar de eiken die hem schijnen te trotseeren ontwortelt hij, de torens werpt hij omver en den aardbol heft hij uit zijn aspunten. Dan wordt het hem helder dat zijnsgelijke niet bestaat en hij slaapt in van walging. Of Nebucad-Nezar misschien mijn broeder is? Mijn gebieder is hij zeker. Misschien werpt hij mijn hoofd nog eens den honden voor. Wel bekome 't hen. Misschien voer ik met zìjn ingewanden nog eens de tijgers van Assyrië. Dan, ja dàn zal ik weten dat ìk de grens der menschheid ben en een eeuwigheid lang zal ik voor hun duizelende oogen staan als een onbereikbare, schrik-omgorde godheid! O, het laatste oogenblik, het laatste! Was het er toch reeds nù! »Komt hier, allen die ik leed gedaan heb«, roep ik uit, »gij, die ik verminkte, wien ik uw vrouw uit de armen, uw dochters van de zijde sleurde, komt allen en verzint martelingen voor mìj! Tapt mij het bloed af en laat het mij drinken; snijdt het vleesch uit mijn lendenen en geeft het mij te eten.« En wanneer ze meenen mij het ergste te hebben aangedaan en ik hun nog steeds iets ergers noem en hen vriendelijk verzoek het mij niet te onthouden: wanneer zij in gruwende verbazing rondom mij staan en ik hen, trots al mijn pijnen, door mijn glimlach tot dood en waanzin drijf; dan zal ik hen toedonderen: »Knielt neer, want ìk ben ùw god«. En dan lippen en oogen sluiten, en sterven, stil en ongemerkt.

~Judith~ (_sidderend_). En als de hemel een bliksem naar u slingert om u te verpletteren?

~Holofernes.~ Dan strek ik mijn hand uit, alsof ikzelf het hem gebood en de doodende straal zal mij met duistere majesteit omkleeden.

~Judith.~ Ondier! Gruwelijk! Mijn gevoelens en gedachten stuiven door elkaar als dorre blaren. Mensch! vreeselijke mensch, ge dringt u tusschen mij en mijn God. Ik moest bidden en ik kan niet.

~Holofernes.~ Val neer en aanbidt mìj!

~Judith.~ Ha! Nù zie ik weer helder! U? Ge pocht op uw kracht. Voelt ge dan heel niet dat ze veranderd is, dat zij uw vijand is geworden?

~Holofernes.~ Ik ben blij eens iets nieuws te hooren.

~Judith.~ Ge meent dat ze er is om storm te loopen tegen de wereld? En als ze er eens was om zichzelf te beheerschen? Maar gìj hebt haar tot voedsel van uw hartstocht gemaakt. Gij zijt een ruiter, die door zijn rossen wordt verslonden.

~Holofernes.~ Ja ja, kracht is tot zelfmoord geroepen, zegt de wijsheid, die geen kracht is. Strijden met mijzelf; uit mijn linkerbeen den knook maken waarover mijn rechter struikelt, om toch vooral niet op den mierenhoop er naast te trappen! Die zot in de woestijn, die tegen zijn eigen schaduw vocht en toen het nacht werd uitriep: »Nu ben ik verslagen, nu is mijn vijand zoo groot als de wereld!« die zot was eigenlijk heel verstandig, niet waar? O, toont mij het vuur dat zichzelf uitdooft! Kunt ge het niet vinden? Dan toont mij toch het vuur dat zichzelf voedt! Kunt ge 't ook niet vinden? Maar zegt mij dan of de boom dien het verteert, wel het recht heeft over het vuur te vonnissen!

~Judith.~ Ik weet niet of men u iets antwoorden kan. Waar mijn gedachten huisden is nu leegte en duisternis. Zelfs mijn hart versta ik niet meer.

~Holofernes.~ Je hebt het recht mij uit te lachen. Men moet een vrouw zooiets niet begrijpelijk willen maken.

~Judith.~ Ge zult de vrouw leeren achten! Zij staat vòòr u om u te vermoorden! En zij zegt het u!

~Holofernes.~ En zij zegt het slechts om zich die daad onmogelijk te maken! O lafheid die zichzelf voor grootheid houdt! Maar je wilt dat ook omdat ik nog altijd niet met je naar bed ging. Om mij voor je te beveiligen hoef ik je alleen maar een kind te maken.

~Judith.~ Ge kent geen Hebreeuwsche vrouw. Ge kent slechts schepsels die zich het gelukkigst voelen in hun diepste vernedering.

~Holofernes.~ Kom Judith, ik wil je leeren kennen! Spartel nog maar wat tegen, ik zal je zelf wel zeggen hoelang. Nog een beker! (_hij drinkt_) Nu is 't genoeg, nu is 't uit met tegenstribbelen! (_tot den kamerdienaar_) Weg met jou! En wie mij dezen nacht stoort, dien kost het zijn kop. (_hij trekt Judith met geweld mee_).

~Judith.~ Ik moet... ik wil... schande over mij in tijd en eeuwigheid als ik niet kan! (_beiden af in het slaapvertrek_).

~Kamerdienaar~ (_tot Mirza_). Blijf je hier?

~Mirza.~ Ik moet mijn meesteres bedienen.

~Kamerdienaar.~ Waarom ben je toch niet een vrouw zooals Judith? Dan kon ik even gelukkig zijn als mijn Heer.

~Mirza.~ Waarom ben jij niet een man als Holofernes?

~Kamerdienaar.~ Ik ben wie ik ben, opdat Holofernes zijn gemak hebbe. Opdat de groote held niet zelf zijn spijzen behoeft op te dienen en zijn wijn in te schenken. Opdat hij iemand hebbe die hem naar bed brengt als hij dronken is. Maar geef jij mij nu eens antwoord: Waarvoor zijn er leelijke vrouwen op de wereld.

~Mirza.~ Opdat een zot ze zal kunnen bespotten.

~Kamerdienaar.~ Ja, en opdat men hen bij licht in het gelaat kan spuwen, als men het ongeluk had ze in het donker te kussen. Holofernes heeft eens een vrouw die op een ongelegen oogenblik bij hem kwam, neergeslagen omdat hij haar niet mooi genoeg vond. Die heeft het altijd bij het rechte eind. Kruip maar weg in een hoek, jij Hebreeuwsche spin, en houd je stil (_af_).

~Mirza~ (_alleen_). Stil, ja stil. Ik geloof (_wijst naar het slaapvertrek_) dat daar iemand vermoord wordt; ik weet niet of het Holofernes is of Judith. Stil, stil! Ik stond eens bij een water en zag een mensch verdrinken. De angst dreef mij hem na te springen en de angst hield mij er ook van terug. Toen schreeuwde ik zoo hard als ik kon en ik schreeuwde àlleen om ~zijn~ schreeuwen niet te hooren. Zòò spreek ik nu. O Judith! Toen je bij Holofernes kwam en hem in een spel dat ik niet begreep beloofde je volk aan hem over te leveren, hield ik je een oogenblik voor een verraderes. Ik deed je onrecht, dat voelde ik dadelijk. O deed ik je ook nù onrecht! Je halve woorden, je blikken en gebaren, bedrogen zij mij ook nù zooals toen! Ik heb geen moed, ik ben heel bang, maar het is nu geen vrees die uit mij spreekt, niet de vrees voor mislukking. Een vrouw moet mannen baren, nooit mag zij mannen dooden!

~Judith~ (_stort met loshangend haar wankelend naar binnen. Een tweede gordijn wordt opengeslagen. Men ziet Holofernes slapen. Aan het hoofdeinde van zijn leger hangt een zwaard_). Het is hier te licht. Doe de lichten uit, Mirza, ze zijn te onbeschaamd.

~Mirza~ (_jubelend_). Zij leeft... en ~hij~ leeft (_tot Judith_). Wat hebt ge, Judith? Uw wangen gloeien, als wilde het bloed er uitbersten! Uw oogen zien zoo schuw.

~Judith.~ Zie mij niet aan, meisje, niemand mag mij meer aanzien (_zij wankelt_).

~Mirza.~ Leun tegen mij aan, ge wankelt.

~Judith.~ Wat? Zou ik zòò zwak zijn? Weg van mij! Ik kan staan, o ik kan nog meer dan staan, ìk kan oneindig veel meer!

~Mirza.~ Kom, laten we vanhier vluchten!

~Judith.~ Ben je in zijn dienst? Dat hij mij meesleurde, dat hij mij tot zich trok op zijn schandelijk leger, dat hij mijn ziel verstikte, dat alles liet je toe? En nu ik mij wil doen betalen voor de vernietiging die ik in zijn armen onderging, nu ik mij wreken wil over die ruwe greep in mijn menschelijkheid, nu ik met zijn hartebloed de onteerende kussen die nog op mijn lippen branden wil afwasschen, nu bloos je er niet over dat je mij wilt meetronen?

~Mirza.~ Ongelukkige, waaraan denkt ge?

~Judith.~ Ellendig schepsel. Dat zou je niet weten? Dat zou je hart je niet zeggen? Ik denk aan moord! (_als Mirza achteruit deinst_) Is er dan nog een keus? Zeg 't me, Mirza! Ik kies geen moord als ik... Wat zeg ik daar? Spreek geen woord meer, Mirza. De wereld draait nu om mij!

~Mirza.~ Kom!

~Judith.~ Nooit! Ik zal je je plicht leeren. Zie, Mirza, ik ben een vrouw. O, dat moest ik nu niet voelen! Hoor mij aan, en doe wat ik je vraag. Als mijn kracht mij verlaten mocht, als ik in onmacht mocht vallen, besprenkel mij dan niet met water. Dat helpt niets. Roep mij in 't oor: »Je bent een hoer!« Dan zal ik opspringen; misschien grijp ik je beet om je te wurgen. Schrik dan niet, maar roep me toe: »Holofernes heeft je tot een hoer gemaakt en Holofernes leeft nog!« O, Mirza, dan zal ik een held zijn, een held als Holofernes.

~Mirza.~ Uw gedachten groeien u boven het hoofd.

~Judith.~ Je begrijpt mij niet. Maar je zult, je mòet mij begrijpen. Mirza, je bent een maagd, laat mij een lichtschijn werpen in het heiligdom van je maagdenziel. Een maagd is een dwaas wezen, dat siddert voor zijn eigen droomen, omdat een droom het doodelijk kan kwetsen, en dat toch alleen maar leeft van de hoop niet eeuwig maagd te blijven. Voor een maagd ìs er geen grooter moment dan dat waarin zij ophoudt maagd te zijn en iedere aandrift van het bloed, dien zij eerst bestreed, iedere zucht die zij versmoorde, verhoogt de waarde van het offer dat zij in dat moment moet brengen. Zij geeft alles... is het dan een te trotsch verlangen door dit alles ook verrukking en zaligheid te willen geven? Mirza, luister je?

~Mirza.~ Hoe zou ìk niet luisteren?

~Judith.~ Denk het je nu in zijn heele, naakte afschuwelijkheid; stel het je voor tot aan het punt, waarop de schaamte zich met geheven handen tusschen jou en je verbeelding werpt en je een wereld vervloekt waarin dit ontzettendste mogelijk is.

~Mirza.~ Wat dan? Wàt moet ik mij voorstellen?

~Judith.~ Wat je je voorstellen moet? Jezelf in je diepste vernedering; het oogenblik waarop je naar lichaam en ziel uitgeperst wordt om in de plaats van misbruikten wijn te treden en een gemeenen roes met een nog gemeeneren te helpen besluiten; het oogenblik waarop de inslapende begeerte van je eigen lippen zooveel vuur leent als ze noodig heeft om het heiligste in je te vermoorden: waarop je zinnen zelf, als dronken gemaakte slaven die hun meester niet meer kennen, tegen je opstaan; waarop je begint je heele voorafgaande leven, al je denken en voelen, voor niets dan hoogmoedig gedroom te houden en je schande voor je waarachtige wezen.

~Mirza.~ Wèl mij, dat ik niet schoon ben!

~Judith.~ Daaraan dacht ik niet, toen ik naar hier kwam. Maar hoe zichtbaar trad het mij tegemoet toen ik (_zij wijst naar het slaapvertrek_) daar binnen ging, toen mijn eerste blik viel op het klaarstaande leger. Op mijn knieën wierp ik mij neer voor den verschrikkelijke en steunde: »Spaar me!« Had hij naar den angstkreet van mijn ziel geluisterd, nooit, nooit zou ik hem... maar zijn antwoord was dat hij mij den halsdoek openrukte en mijn borsten prees. In zijn lippen beet ik hem, toen hij mij kuste. »Matig je gloed, je gaat te ver!« lachte hij hoonend en... O, mijn bewustzijn ging mij begeven, ik was alleen nog maar één kramp... Toen blonk mij iets glanzends in de oogen, het was zijn zwaard. Aan dit zwaard klemde mijn duizelende gedachten zich vast, en heb ik ook door mijn onteering mijn recht op bestaan verspeeld, met dit zwaard zal ik het mij weer heroveren! Bid voor mij... nu doe ik het! (_zij stort de kamer binnen en neemt het zwaard af_).

~Mirza~ (_op haar knieën_). God, laat hem wakker worden!

~Judith~ (_op de knieën vallend_). Mirza, o, wat bid je daar?

~Mirza~ (_weer opstaand_). God zij geloofd, zij kan het niet!