Judith: treurspel in vijf bedrijven

Part 4

Chapter 44,189 wordsPublic domain

Achior. Wat zegt ge?--Ik heb een vrouw gekend, eene van mijn eigen volk, die krankzinnig werd omdat hij haar versmaadde. Zij sloop zijn slaapvertrek binnen en trad plotseling, toen hij zich juist te bed gelegd had, met getrokken dolk dreigend vóór hem.

~Judith.~ En wat deed hij?

~Achior.~ Hij lachte, lachte net zoolang tot zij zichzelf doorstak.

~Judith.~ Heb dank, Holofernes. Slechts aan deze ééne zal ik hoeven te denken om moed te hebben als een man.

~Achior.~ Wat hebt ge?

~Judith.~ O, stijgt voor mij op uit uw graven, gij, die hij liet vermoorden, dat ik in uw wonden zie; treedt vóór mij, gij die hij onteerd heeft en slaat de voor eeuwig toegevallen oogen nog één keer op, dat ik er in lezen kan hoeveel hij u schuldig is! Allen zult ge betaald worden. Doch waarom denk ik aan u, waarom niet aan de jongelingen die zijn zwaard nog vreten, aan de maagden die hij in zijn armen nog verpletteren kan! Ik wil de dooden wreken en de levenden beschermen! (_tot Achior_) Ben ik voor een offer niet schoon genoeg?

~Achior.~ Nooit zag men uwsgelijke.

~Judith~ (_tot den ouderling_). Ik heb iets bij Holofernes te doen. Wilt ge de poort voor mij doen openen?

~Ouderling.~ Wat zijt ge van plan?

~Judith.~ Niemand mag het weten als de Heer onze God.

~Ouderling.~ Zoo zij Hij met u. De poort staat voor u open.

~Ephraim.~ Judith, Judith! Nooit kun je het volvoeren!

~Judith~ (_tot Mirza_). Heb je moed mij te vergezellen?

~Mirza.~ Ik zou nog minder den moed hebben u alleen te laten gaan.

~Judith.~ En heb je gedaan wat ik je beval?

~Mirza.~ Wijn en brood heb ik hìer. 't Is maar weinig.

~Judith.~ Het is nog te veel.

~Ephraim~ (_voor zich_). Had ik dat kunnen vermoeden, dan had ik haar woorden gehoorzaamd. Wreed word ik gestraft.

~Judith~ (_gaat een paar schreden, keert zich dan nog eens tot het volk_) Bidt voor mij, als voor een stervende! Leert den kleinen kinderen mijn naam en laat ze voor mij bidden. (_Zij gaat op de poort toe, die geopend wordt. Zoodra zij buiten is zinken allen, behalve Ephraim, op de knieën_).

~Ephraim.~ Ik wil niet bidden dat God haar bescherme. Ik zal haar zelf beschermen! Zij gaat het hol van den leeuw binnen; ik geloof dat ze het alleen doet omdat ze verwacht dat alle mannen haar zullen volgen. Ik volg, als ik sterf, sterf ik immers alleen maar een beetje eerder dan de anderen. Misschien keert zij nog wel om. (_af_).

~Delia~ (_in groote ontsteltenis op_). Wee, wee!

~Een ouderling.~ Wat is er?

~Delia.~ De stomme! De vreeselijke stomme! Hij heeft mijn man gewurgd!

~Een stem.~ Dat is de vrouw van Samaja.

~Ouderling~ (_tot Delia_). Hoe is dat gebeurd?

~Delia.~ Samaja kwam met den stomme thuis. Hij ging met hem in de achterkamer en grendelde de deur. Ik hoorde Samaja luid spreken en den stomme kreunen en snikken. Wat zou er toch zijn, denk ik; sluip naar de kamerdeur en luister door een kier. Ik zie den stomme zitten met een scherp mes in de hand; Samaja staat naast hem en doet hem hevige verwijten. De stomme zet zich het mes op de borst, ik stoot een gil uit van ontzetting omdat ik zie dat Samaja hem niet in zijn razernij stuit. Maar opeens werpt de stomme zijn mes weg, stort zich op Samaja, sleurt hem met bovenmenschelijke kracht tegen den grond en pakt hem bij de keel. Samaja kon hem niet van zich afhouden en worstelt met hem. Ik roep om hulp. Buren komen er bij, de deur, die van binnen gegrendeld was, wordt ingetrapt. Te laat. De stomme heeft Samaja al gewurgd; als een beest woedt hij nog tegen den doode en lacht als hij ons ziet binnenkomen. Toen hij mij aan mijn stem herkende werd hij stil. Op zijn knieën schuift hij naar mij toe. »Moordenaar« roep ik.--Hij wijst met den vinger naar den hemel; zoekt naar het mes op den grond, raapt het op, reikt het mij over en duidt op zijn borst, alsof hij wilde dat ik hem zou doorsteken.

~Priester.~ Daniël is een profeet! De Heer heeft den stomme laten spreken. Hij heeft een wonder gedaan opdat ge gelooven zult aan de wonderen die Hij nog doen zal. Samaja is te schande gemaakt met zijn voorspelling. Aan Daniël heeft hij gezondigd, uit Daniël's hand heeft hij zijn loon ontvangen.

~Stemmen uit het volk.~ Naar Daniël! dat ze hem geen kwaad doen!

~Priester.~ De Heer heeft hem gezonden, de Heer zal hem beschermen! Gaat heen en bidt!

(_Het volk verspreidt zich naar verschillende kanten_).

~Delia.~ Een anderen troost hebben ze niet voor me, dan te zeggen dat hij, dien ik lief had, een zondaar was (_af_).

VIERDE BEDRIJF.

#(Tent van Holofernes.--Holofernes en twee zijner hoplieden).#

~Een der hoplieden.~ De veldheer ziet er uit als een vuur dat op het punt van uitgaan staat.

~De tweede hopman.~ Voor zoo'n vuur moet je oppassen, het verslindt al wat in zijn nabijheid komt om zich te voeden.

~Eerste hopman.~ Weet je dat Holofernes vannacht er dicht aan toe was zichzelf van kant te maken?

~Tweede hopman.~ Het is toch niet waar?

~Eerste hopman.~ Ja zeker. Hij had een nachtmerrie. In zijn slaap denkt hij dat iemand zich op hem stort om hem te wurgen. Hij grijpt zijn dolk en, door zijn droom misleidt, meenend den aanvaller ruggelings te doorboren, stoot hij hem in zijn eigen borst. Gelukkig glijdt het staal op een van zijn ribben af. Hij wordt wakker, ziet het en roept den kamerdienaar, die hem wil verbinden, lachend toe: »Laat maar loopen, dat koelt me af, ik heb toch te veel bloed.«

~Tweede hopman.~ Het klinkt ongelooflijk.

~Eerste hopman.~ Vraag het den kamerdienaar maar.

~Holofernes~ (_zich snel omwendend_). Vraag 't mijzelf! (_zij schrikken_). Ik roep je dit toe, omdat ik je graag mag lijden en niet wil dat twee helden, die ik gebruiken kan, uit verveling door allerlei kletspraatjes en vergelijkingen hun hoofd verspelen. (_voor zich_) Zij verbazen zich er over dat ik hun gesprek gehoord heb. Schande genoeg voor mij, dat ik er tijd en aandacht voor had. Een hoofd dat zich niet zelf met gedachten weet te vullen, dat nog ruimte heeft voor de grillen en invallen van anderen, is niet waard dat men het voedert. De ooren zijn de aalmoezeniers van den geest, alleen bedelaars en slaven hebben ze noodig en men wordt een van beiden wanneer men ze gebruikt. (_tot de hoplieden_) Ik maak je er geen verwijt van; het is mijn schuld dat je niets te doen hebt en praatjes moet maken om jezelf te kunnen voorliegen dat je leeft. Wat gisteren spijs was is vandaag drek; wee ons, dat we daarin moeten rondwoelen. Maar zegt mij toch eens: wat zoudt ge gedaan hebben als ge mij eens werkelijk vanmorgen dood in mijn bed gevonden hadt?

~De hoplieden.~ Heer, wat zouden we hebben mòeten doen?

~Holofernes.~ Al wist ik het, ik zou het je niet zeggen. Wie zichzelf uit de wereld wegdenken en zijn plaatsvervanger noemen kan, die hoort er niet meer in! Ik ben mijn ribben er dankbaar voor dat ze van ijzer zijn. Dat zou me een dood geweest zijn als een klucht! En stellig zou deze vergissing van mijn hand een of anderen mageren god, bijvoorbeeld dien der Hebraeërs, vet hebben gemaakt. Hoe zou Achior gepraald hebben met zijn voorspelling; welk een respekt zou hij voor zichzelf hebben gekregen!--Één ding zou ik willen weten: wat de dood is.

~Eerste hopman.~ Dat is terwille waarvan wij het leven liefhebben.

~Holofernes.~ Dat is het beste antwoord. Ja, alleen omdat wij het ieder uur verliezen kunnen houden wij het vast, persen het uit en zuigen het in tot berstens toe. Ging het eeuwig maar door zooals gisteren en vandaag, dan zouden wij waarde en beteekenis van zijn tegendeel wel inzien; rusten en slapen zouden wij en in onze droomen voor niets anders sidderen dan voor het ontwaken. Nù zoeken wij ons door eten te behoeden voor het gegeten worden en vechten we met onze tanden tegen de tanden der wereld. Daarom is het ook zoo bij uitstek heerlijk door het leven zelf te sterven, den stroom zòo te laten aanzwellen dat de ader die hem moet opnemen springt, den hoogsten wellust en den huiver der vernietiging met elkaar te vermengen. Dikwijls komt het mij voor als had ik eens tot mijzelf gezegd: Nu wil ik leven! Toen werd ik losgelaten als uit een teedere omhelzing, het werd licht om mij heen, ik rilde... een schok... en ik was er! Zoo zou ik ook eens tot mijzelf willen zeggen: Nu wil ik sterven! En als ik niet, zoodra ik het woord heb gesproken, opgelost in alle winden verstuif en door alle dorstende lippen der schepping wordt opgezogen, dan zal ik mij schamen en mij zelf bekennen dat ik wortels gemaakt heb uit ketenen. Ik houd het voor mogelijk dat zich nog eens iemand doodt alleen door de gedachte.

~Eerste hopman.~ Holofernes!

~Holofernes.~ Je wilt zeggen dat men zich niet moet bedwelmen. Dat is waar, want wie geen bedwelming kent weet ook niet hoe armelijk nuchterheid is! En toch is bedwelming de weelde onzer armoede en ik heb het zoo graag, wanneer het als een zee uit mij te voorschijn breekt en al wat op dijk of beperking lijkt, wegspoelt! En wanneer het eens in àl wat leeft zoo stuwde en stroomde, zou het dan niet kunnen dòòrbreken en samenvloeien en als een geweldig onweer met donder en bliksem triomfeeren over de natte, koude, verrafelde wolken die de wind naar willekeur in het rond jaagt? O stellig! (_tot de hoplieden_) Je verbaast je over mij, omdat ik van mijn hoofd een spinnewiel maak en het droom- en hersenkluwen daarin draad na draad afwikkel als een bundel vlas. Zeker, de gedachte is de dief des levens; een kiem, die men uit de aarde rukt in het licht, zal niet uitloopen, dat weet ik heel goed; maar vandaag, na die aderlating, mag het wel! We hebben bovendien den tijd, want die daar in Bethulië schijnen niet te weten dat een soldaat zijn zwaard zoolang scherpt als men hem belet het te gebruiken.

~Een hopman~ (_binnentredend_). Heer! een Hebreeuwsche vrouw, die we op den berg hebben opgepakt, staat voor de deur.

~Holofernes.~ Wat voor soort?

~De hopman.~ Heer, ieder oogenblik dat ge haar niet ziet is verloren. Als ze niet zoo schoon was, had ik haar niet bij u gebracht. Wij lagen bij de bron te wachten of ook iemand zou durven naderen. Toen zagen we haar komen, haar maagd, als haar schaduw, achter haar aan. Zij was gesluierd en liep aanvankelijk zoo snel, dat de maagd haar nauwelijks kon volgen; maar plotseling hield zij op als wilde zij omkeeren, wendde zich naar de stad, wierp zich ter aarde en scheen te bidden. Daarna kwam zij op ons af en ging naar de bron. Een van de bewakers trad haar tegemoet en ik dacht al dat hij haar iets wilde doen--want de soldaten zijn slecht geluimd door het lange luieren--maar hij bukte zich, schepte water en reikte haar de schaal toe. Zij nam het aan, zonder te danken, bracht het aan de lippen, maar liet het, vòòr zij nog gedronken had, weer zakken en goot het langzaam uit. Dit verdroot den bewaker; hij trok zijn zwaard en hief het op. Toen sloeg zij haar sluier open en zag hem aan; het scheelde weinig of hij had zich voor haar voeten geworpen. Maar zij zeide: »Breng mij naar Holofernes, ik kom om mij voor hem te verdeemoedigen en hem geheimen van mijn volk te onthullen«.

~Holofernes.~ Brengt haar hier! (_de hopman af_) Alle vrouwen ter wereld zie ik graag, behalve ééne, die heb ik nooit gezien en zal ik ook nooit zien.

~Een hopman.~ Welke is dat?

~Holofernes.~ Mijn moeder! Ik zou haar even graag zien als mijn graf. Dit verheugt mij het meest: dat ik niet weet vanwaar ik kom. Jagers hebben mij als een stevigen knaap in een leeuwenhol gevonden. Een leeuwin heeft mij gezoogd, daarom is 't geen wonder dat ik den leeuw zelf eens in deze armen dooddrukte. Wat kan dan ook een moeder voor haar zoon zijn? Een spiegel zijner onmacht van gisteren of morgen! Hij kan haar niet aanzien zonder te denken aan den tijd dat hij een erbarmelijk wurm was, dat de paar druppels melk die het slikte met smakken betaalde. En als hij dat vergeet, ziet hij een spook in haar, dat hem ouderdom en dood voorspiegelt en hem een afkeer inboezemt van zijn eigen gedaante, zijn eigen vleesch en bloed.

~Judith~ (_treedt binnen, begeleid door Mirza en den_ _hopman, die beiden bij den ingang blijven staan. Aanvankelijk is zij verward, beheerscht zich echter snel, treedt op Holofernes toe en valt hem te voet_). Gij zijt dien ik zoek, gij zijt Holofernes!

~Holofernes.~ Je denkt zeker dat hij, op wiens gewaad het meeste goud glimt, hier de meester zijn moet.

~Judith.~ Slechts één kan er zoo uitzien!

~Holofernes.~ Als ik een tweeden vond, zou ik hem het hoofd voor de voeten leggen; op mijn gezicht meen ik het eenige recht te hebben.

~Een der hoplieden~ (_tot den ander_). Een volk dat zulke vrouwen heeft is niet te verachten.

~De ander.~ Je zoudt het alleen al terwille van die vrouwen bevechten. Nu heeft Holofernes een tijdverdrijf. Misschien dat zij met kussen zijn heelen toorn verstikt.

~Holofernes~ (_in den aanblik van Judith verloren_). Is 't niet of men, zoolang men haar aanziet, een kostelijk bad nam? Men wordt wat men ziet! De rijke, groote wereld vond geen plaats in dat beetje uitgespannen huid waarin wij steken: oogen kregen wij om haar bij brokstukken te kunnen inslikken. Slechts blinden zijn rampzalig! Ik zweer het: nooit meer zal ik iemand doen blinden. (_tot Judith_) Ge ligt nog op de knieën? Sta op! (_Zij doet het, hij neemt plaats op den vorstelijken zetel onder een tapijt_) Hoe heet ge?

~Judith.~ Ik heet Judith.

~Holofernes.~ Wees niet bang, Judith. Je bevalt mij zooals nog gééne mij beviel.

~Judith.~ Dat is het doel van al mijn wenschen!

~Holofernes.~ En zeg mij nu: waarom heb je die daar in de stad verlaten en ben je bij mij gekomen?

~Judith.~ Omdat ik weet dat niemand u kan ontkomen! Omdat onze eigen God de mijnen in uw hand wil overleveren.

~Holofernes~ (_lachend_). Omdat je een vrouw bent, omdat je vertrouwt op je zelf, omdat je weet dat Holofernes oogen heeft, niet waar?

~Judith.~ Hoor mij genadig aan. Onze God is vertoornd op ons, hij heeft sinds lang door zijn profeten laten verkondigen dat hij zijn volk wil straffen om zijner zonden wil.

~Holofernes.~ Wat is zonde?

~Judith~ (_na een pooze_). Een kind heeft mij dit eens gevraagd. Dat kind heb ik gekust. Wat ik u antwoorden moet weet ik niet.

~Holofernes.~ Vertel verder.

~Judith.~ Nu staan zij tusschen Gods toorn en ùw toorn en zijn zeer bevreesd. Daarbij lijden zij honger en moeten versmachten van dorst. En hun groote nood verleidt hen tot nieuwe misdaden. Zij willen eten van het heilige offer, dat ook maar aan te raken hen verboden is. Het zal tot vuur worden in hun ingewanden!

~Holofernes.~ Waarom geven zij zich niet over?

~Judith.~ Zij hebben er den moed niet toe. Zij weten dat zij het ergste hebben verdiend; hoe zouden zij nog kunnen gelooven dat God het van hen zal afwenden? (_voor zich_). Ik wil hem verzoeken. (_luid_) In hun angst gaan zij nog verder dan gij in uw toorn gaan kunt. Uw wraak zou mij verpletteren als ik het waagde u te zeggen hoe hun vrees den held en man in u durft te bezoedelen! Ik zie tot u op; ik bespeur in uw gelaat de edele grenzen van uw toorn; ik ontdek het punt waarboven hij in zijn wildste vlammen niet kan uitlaaien. En nu moet ik blozen, want ik herinner mij daarbij hoe zij zich niet schamen iedere gruweldaad van u te verwachten, die een schuldig geweten in laffe zelfkwelling maar weet te verzinnen; hoe zij zich verstouten in u een beul te zien omdat zijzelf den dood waardig zijn. (_zij valt voor hem neer_) Op mijn knieën smeek ik u om vergeving voor deze beleediging van mijn verblinde volk.

~Holofernes.~ Wat doet ge; ik wil niet dat ge voor mij knielt.

~Judith~ (_opstaand_). Ze denken dat ge hen allen zult dooden. Ge glimlacht inplaats van te toornen? O, ik vergat wie ge zijt. Ge kent het gemoed der menschen; u kan niets verbazen; u prikkelt het slechts tot spot wanneer uw beeld in een doffen spiegel misvormd en vertrokken schijnt. Maar dìt moet ik toch ten gunste der mijnen zeggen: zijzelf zouden nooit op die gedachte gekomen zijn. Zij wilden u de poort openen, toen Achior, de aanvoerder der Moabieten, tusschen hen trad en hen bang maakte. »Wat wilt ge doen?« riep hij. »Weet ge niet dat hij u allen den ondergang gezworen heeft?« Ik weet dat ge hem het leven en de vrijheid geschonken hebt; ge hebt, omdat ge geen wraak wildet nemen op een onwaardige, hem tot ons gezonden, hem grootmoedig in de rijen uwer vijanden geplaatst. Hij loont het u door uw beeld in bloed te schilderen en elks hart van u af te keeren. Niet waar, mijn klein volkje verbeeldt zich àl te veel, wanneer het zich uw toorn waardig acht. Hoe zoudt ge kunnen haten wie ge in het geheel niet kendet, wie ge maar op uw weg tegenkwaamt en die slechts daarom niet voor u weken, omdat de angst hen verstijfde en hen leven en bezinning roofde? En wanneer werkelijk iets als moed hen had bezield, zou dàt dan u er toe kunnen prikkelen, uzelf ontrouw te worden? Zou Holofernes zichzelf, al wat hem groot en éénig maakt, in anderen haten en vervolgen? Dat is tegennatuurlijk, dat kan niet gebeuren! (_zij ziet hem aan, hij zwijgt_) O, ik wilde dat ik u was! Eén dag maar, één uur maar! Dan zou ik daardoor dat ik het zwaard in de scheede stak, een triomf vieren als nog niemand door het zwaard gevierd heeft. Duizenden sidderen nu voor u in gindsche stad. »Ge hebt mij getrotseerd,« zou ik hen toeroepen, »maar juist omdat ge mij beleedigd hebt, schenk ik u het leven; ik wil mij op u wreken, maar door uzelf; ik straf u niet, opdat ge geheel en al mijn slaven zijn zult.«

~Holofernes.~ Vrouw! beseft ge niet dat ge mij dit alles onmogelijk maakt doordat ge er mij toe aanspoort? Als die gedachte in mijzelf was opgekomen, misschien had ik haar uitgevoerd. Nu is zij de uwe en kan nooit de mijne worden. Het spijt mij, maar Achior zal gelijk krijgen!

~Judith~ (_in een wild lachen uitbarstend_). Vergeef. Sta toe dat ik mijzelf hoon! Er zijn kinderen in de stad, zóó onschuldig dat zij lachen zullen als zij het staal zien blinken dat hen moet spietsen. Er zijn maagden in de stad, die sidderen voor den lichtstraal die door hun sluier dringt. Ik dacht aan den dood die deze kinderen wacht, ik dacht aan de schande die deze maagden bedreigt; ik stelde mij het afschuwelijkste voor en ik dacht dat niemand zóó sterk kon zijn dat hij niet ineen zou huiveren voor zulke tafereelen. Vergeef dat ik ù mijn eigen zwakheid onderschoof.

~Holofernes.~ Je wilde mij vermooien en dat verdient mijn dank, al staat de manier mij ook niet aan. Judith, wij moeten niet met elkaar kibbelen. Ik ben voorbeschikt wonden te slaan, jìj wonden te heelen. Als ik nalatig was bij mijn werk, had jij geen tijdverdrijf. En met mijn soldaten moet je 't zoo nauw niet nemen. Lieden, die vandaag niet weten of ze er morgen nog zijn zullen, moeten wel driest toegrijpen en zich de maag wat overladen, wanneer ze hun deel van het leven willen krijgen.

~Judith.~ Heer, ge overtreft mij in wijsheid evenzeer als in moed en kracht. Ik was verdwaald in mijzelf en ù dank ik het dat ik den weg weer vond. Ah, hoe dwaas was ik! Ik weet dat zij allen den dood verdiend hebben, dat hij hun allang voorspeld is; ik weet dat de Heer, mijn God, aan ù de wraak heeft overgedragen; en toch werp ik mij, door een erbarmelijk medelijden overmand, tusschen u en hen. Heil mij! dat uw hand het zwaard vast hield, dat ge het niet vallen liet om de tranen eener vrouw te drogen. Hoe zouden zij versterkt zijn geworden in hun overmoed! Wat hadden zij nog te vreezen wanneer Holofernes hen voorbij trok als een onweer dat niet tot uitbarsting kwam? Wie weet of zij niet lafheid zouden zien in uw grootmoedigheid en spotliedjes zouden maken op uw barmhartigheid. Nù zitten zij in zak en asch en doen boete. Maar voor ieder uur van ingetogenheid zouden zij zich misschien schadeloos stellen door een dag van wilde uitspatting en razernij. En al hun zonden zouden op mìjn rekening komen; ik zou vergaan van berouw en schaamte. Neen Heer, gedenk uw eed en verdelg hen! Dìt laat de Heer, mijn God, u gelasten door mìjn mond; Hij wil uw vriend zijn, zooals gij hun vijand zijt.

~Holofernes.~ Vrouw, het komt mij voor dat ge met mij speelt. Maar neen, ik beleedig mijzelf door dit voor mogelijk te houden. (_na een poos_) Ge beschuldigt de uwen zwaar.

~Judith.~ Denkt ge dat het mij gemakkelijk valt? Het is de straf voor mijn eigen zonden dat ik hen moet aanklagen wegens de hunne. Geloof niet dat ik slechts daarom van hen gevlucht ben omdat ik den algemeenen ondergang dien ik zag naderen, wilde ontloopen. Wie voelt zich zòò rein, dat hij wanneer de Heer een groot gericht houdt, zou durven wagen zich er aan te onttrekken? Ik kwam tot u omdat mijn God het mij gebood. Ik moet u naar Jeruzalem voeren, ik moet u mijn volk overleveren als een kudde die geen herder heeft. Dat heeft Hij mij gelast in een nacht toen ik in vertwijfeld gebed voor Hem op de knieën lag en duizendvoudig verderf over u en uw mannen van Hem afsmeekte; toen elk mijner gedachten u zocht te omsnoeren en te wurgen. Zijn stem klonk en ik jubelde luid... maar Hij had mijn gebed verworpen, Hij sprak het doodvonnis over zijn volk uit en belastte mijn ziel met het beulsambt. O, welk een verandering! Ik verstijfde, maar ik gehoorzaamde; haastig verliet ik de stad, schudde het stof van mijn voeten en trad voor u om u aan te sporen hen te vernietigen, voor wier redding ik nog kort te voren lijf en leven zou hebben geofferd. Zie, zij zullen mij smaden en mijn naam voor eeuwig brandmerken. Dat is méér dan de dood; en toch blijf ik standvastig en weifel niet.

~Holofernes.~ Dat zullen zij nìet. Kan iemand je smaden wanneer ik niemand in leven laat? Waarlijk, als je God volbrengt wat je gezegd hebt, dan zal Hij ook mìjn God worden, en jou zal ik groot maken als nog nooit een vrouw geweest is. (_tot den kamerdienaar_) Breng haar naar de schatkamer en geef haar te eten van mìjn tafel.

~Judith.~ Heer, ik mag nog niet eten van uw spijs, ik zou mij bezondigen. Ik kwam immers niet tot u om van mijn God af te vallen, maar juist om Hem goed te dienen. Ik heb zelf iets meegebracht om van te eten.

~Holofernes.~ En als dat op is?

~Judith.~ Wees gerust. Nog vòòr ik dit weinige kan nuttigen, zal mijn God door mij hebben uitgevoerd wat Hij van plan is. Voor vijf dagen heb ik genoeg en binnen vijf dagen volbrengt Hij het. Nog weet ik het uur niet, en mijn God zal het mij niet eer zeggen voor het er is. Geef daarom bevel dat ik, zonder door uw mannen gehinderd te worden, naar buiten kan gaan, naar het gebergte, tot voor de stad, opdat ik daar bidden kan en wachten op een openbaring.

~Holofernes.~ Het verlof heb je. De schreden eener vrouw liet ik nog nooit bewaken. Dus binnen vijf dagen, Judith!

~Judith~ (_werpt zich voor zijn voeten, gaat dan naar de deur_). Binnen vijf dagen, Holofernes!

~Mirza~ (_die haar ontzetting en afschuw reeds een poos door gebaren te kennen gaf_). Vervloekte! zijt ge gegaan om uw volk te verraden?

~Judith.~ Spreek luider! Het is goed dat allen hooren dat ook jij mijn woorden gelooft.

~Mirza.~ Maar zeg zelf, Judith, mòet ik u niet vervloeken?

~Judith.~ Heil mij! als jìj niet twijfelt, zal Holofernes het zeker niet!

~Mirza.~ Weent ge?

~Judith.~ Vreugdetranen omdat ik je misleidde. Ik huiver voor de kracht der leugen in mijn mond. (_af_).

VIJFDE BEDRIJF.

#(Avond. De verlichte tent van Holofernes. Op den achtergrond een gordijn dat het slaapvertrek afscheidt).#

(_Holofernes. Hoplieden. Kamerdienaar_).

~Holofernes~ (_tot een der hoplieden_). Ben je op verkenning uitgeweest? Hoe staat het er mee in de stad?

~Hopman.~ Het is of ze zich daar allemaal begraven hebben. Die de poort bewaken zien er uit alsof ze uit hun graf zijn verrezen. Op een van hen legde ik aan, maar nog éér ik kon afschieten viel hij al vanzelf dood neer.

~Holofernes.~ Dus overwinning zonder strijd. Als ik jonger was zou 't mij ergeren. Toen dacht ik mijn leven te stelen als ik het mij niet dagelijks opnieuw veroverde; wat mij geschonken werd meende ik in het geheel niet te bezitten.

~Hopman.~ Priesters ziet men stom en ernstig door de straten sluipen. Lange, witte gewaden, zooals bij ons de dooden dragen. Holle oogen die den hemel pogen te doorboren. Kramp in de vingers wanneer zij de handen vouwen.