Judith: treurspel in vijf bedrijven
Part 3
~Hosea.~ Ik zou je wel antwoorden, als mijn keel maar niet zoo droog was. Door spreken krijg je nog erger dorst.
~Ammon.~ Je hebt gelijk.
~Ben~ (_een derde burger_). Je komt er nog toe jezelf te benijden om die paar druppels bloed die nog door je aderen kruipen. Ik zou mijzelf als een vat kunnen aftappen. (_hij steekt den vinger in den mond_).
~Hosea.~ Het is tenminste goed, dat je door den dorst den honger vergeet.
~Ammon.~ Nu, te eten hebben we nog wel.
~Hosea.~ Hoe lang zal 't duren? Vooral als we kerels als jij onder ons dulden, die meer proviand in hun maag dan op hun schouders kunnen dragen.
~Ammon.~ Ik teer van mijn eigen goed. Dat gaat niemand wat aan.
~Hosea.~ In oorlogstijd is alles gemeen. Jij en jouwsgelijken moesten op de posten waar de meeste pijlen vallen. Eigenlijk moesten de schransen altijd naar 't front; overwinnen ze, dan heeft men 't niet hen maar de ossen en gemeste kalven te danken, wier merg in hen woedt; komen zij om, dan is 't ook een voordeel.
~Ammon~ (_geeft hem een oorvijg_).
~Hosea.~ Denk maar niet dat ik teruggeef wat ik ontvang. Maar onthoud dit: als je in gevaar komt, verwacht dan van mij niet, dat ik je zal bijspringen. Ik laat het aan Holofernes over mij te wreken.
~Ammon.~ Ondankbare! Iemand slaan beteekent een pantser voor hem smeden uit eigen huid. De oorvijg van heden maakt je ongevoelig voor die, welke je morgen krijgt.
~Ben.~ Jelui bent dwazen. Staat daar te twisten en vergeet dat je dadelijk naar de wallen moet.
~Ammon.~ Neen, wij zijn juist verstandige kerels: zoolang we met elkaar twisten, denken we niet aan onze ellende.
~Ben.~ Komt, komt, we moeten hier vandaan.
~Ammon.~ Ik weet niet of 't niet maar beter was dat we de poorten voor Holofernes openden. Hem, die dat deed, zou hij zeker niet dooden.
~Ben.~ Dan zou ìk hem dooden. (_Alle drie af_).
(_Twee andere burgers_).
~Een burger.~ Heb je weer een nieuw gruwelstuk van Holofernes gehoord?
~Ander burger.~ Ja.
~Een burger.~ Waar haal je 't toch vandaan? Maar vertel.
~Ander burger.~ Hij stond met een van zijn hoplieden geheime zaken te bespreken. Opeens ziet hij in zijn nabijheid een soldaat. »Heb je gehoord,« vraagt hij dien, »wat ik gezegd heb?« »Neen« antwoordt de vent. »Dat is je geluk,« zegt de tyran, »anders liet ik je je kop afslaan, omdat er ooren aanzitten«.
~Een burger.~ Zou je niet meenen dood te zullen neervallen als je zoo iets hoort? Dat is het verschrikkelijkste van angst, dat hij je maar half doodt, niet heelemaal.
~Ander burger.~ Gods lankmoedigheid is mij onbegrijpelijk. Als hij zulk een heiden niet haat, wien zal hij dan wèl haten? (_zij gaan voorbij_).
(_Samuel, een stokoude grijsaard, door zijn kleinzoon geleid, komt op_).
~Kleinzoon.~ Zingt den Heer een nieuw lied, want zijn goedheid duurt eeuwiglijk.
~Samuel.~ Eeuwiglijk! (_hij gaat op een steen zitten_) Samuel dorst, mijn kleinzoon; waarom ga je niet een frisschen dronk voor hem halen?
~Kleinzoon.~ Grootvader, de vijand staat voor de stad! Alweer had hij het vergeten!
~Samuel.~ De psalm! luider! Waarom blijf je steken?
~Kleinzoon.~ Getuig van den Heer, o jongeling, want ge weet niet of ge een grijsaard wordt. Prijs hem, o grijsaard, want ge werd niet oud om te verzwijgen wat de barmhartigheid aan u heeft gedaan.
~Samuel~ (_boos_). Geeft de bron niet zooveel water meer als Samuel noodig heeft, wanneer hij voor het laatst wil drinken? Kan mijn kleinzoon niet scheppen al is de middag heet?
~Kleinzoon~ (_zeer luid_). Zwaarden bewaken de bron, speren blinken, de heidenen hebben groote macht over Israël!
~Samuel~ (_opstaand_). Niet over Israël! Wien zocht de Heer, toen hij golven en winden macht gaf over het scheepken, dat het op en neder danste? Niet den man die aan het roer zat, noch een ander. Doch den weerspannigen Jonas alleen, die rustig sliep. Uit het veilige schip joeg hij hem in de stormende golven, uit de golven in Leviathan's muil, uit den muil van het ondier door de klippen zijner tanden in zijn donkeren buik. Maar, toen Jonas boete deed, was de Heer toen niet sterk genoeg hem weer uit den buik des Leviathan's te verlossen? Staat op, gij verborgen boosdoeners, die slaapt in uzelve, gelijk Jonas sliep! Wacht niet tot de teerling over u wordt geworpen; komt te voorschijn en spreekt: Wij zijn het, opdat niet de onschuldige verdelgt worde met den schuldige. (_hij grijpt zich in den baard_) Samuel versloeg Aäron! Scherp was de spijker, week waren de hersenen, diep was Aäron's sluimer in den schoot zijner vrouw. Samuel nam Aäron's vrouw en teelde Ham met haar; maar zij stierf van ontzetting toen zij het kind zag, want op het hoofd droeg het kind het teeken van den spijker, als het hoofd van den doode. En Samuel ging in tot zichzelf en keerde zijn aangezicht tegen zichzelf.
~Kleinzoon.~ Grootvader, grootvader! Uzelf bent Samuel en ik ben de zoon van Ham.
~Samuel.~ Samuel schoor zich het hoofd en plaatste zich voor zijn deur, wachtend op wraak, zooals men wacht op het geluk. Zeventig jaren en langer, tot hij zijn dagen niet meer vermocht te tellen. Maar de pest ging voorbij zonder dat haar adem hem trof; en de ellende ging voorbij, zonder hem aan te raken. De wraak kwam niet vanzelf en hij had den moed niet haar te roepen.
~Kleinzoon.~ Kom, kom! (_hij leidt hem terzijde_).
~Samuel.~ Zoon van Aäron! waar zijt ge, of zoon van zijn zoon, of zijn broeder? Waarom voelt Samuel niet den stoot uwer handen noch den schop uwer voeten? Oog om oog, sprak de Heer, tand om tand, bloed om bloed!
~Kleinzoon.~ Aäron's zoon is dood en de zoon van zijn zoon, en zijn broeder, het gansche geslacht.
~Samuel.~ Bleef dan geen wreker over? Zijn dit de laatste tijden, dat de Heer de zonde hoogopgeschoten staan laat en de zeisen breekt? Wee, wee! (_de kleinzoon leidt hem weg_).
(_Twee burgers_).
~Eerste burger.~ Wat ik je zeg, er is niet òveral gebrek aan water. Er zijn er onder ons die zich niet alleen volzuipen, maar zich zelfs dagelijks een paar keer wasschen.
~Tweede burger.~ O, ik wil 't best gelooven. Ik zal je eens iets vertellen. Mijn buurman Assaph had een geit die vroolijk en wel in zijn tuintje graasde. Ik kijk juist op dat tuintje uit en iederen keer dat ik 't beest met zijn volle uiers zag, werd het mij te moede als een zwangere vrouw. Gisteren zocht ik Assaph eens op en vroeg hem een beetje melk. Toen hij 't mij weigerde, greep ik mijn boog, doodde met een snel schot de geit en zond hem daarna wat ze waard was. Ik deed er goed aan, want de geit verleidde hem tot hardvochtigheid jegens zijn naaste.
~Eerste burger.~ Zoo'n streek was van jou te verwachten. Heb je niet als klein kind al eens een maagd tot moeder gemaakt?
~Tweede burger.~ Wat?
~Eerste burger.~ Zeker. Ben je soms niet de eerstgeborene? (_gaan voorbij_).
(_Een der ouderlingen op_).
~Ouderling.~ Hoort, hoort! mannen van Bethulië (_het volk verzamelt zich om hem heen_). Hoort wat de vrome Hoogepriester Jojakim u door mijn mond weten doet!
~Assad~ (_een burger, zijn stommen en blinden broeder bij de hand leidend_). Let op, de Hoogepriester verlangt dat wij leeuwen zijn zullen. Dan kan hìj des te beter een haas blijven.
~Een ander burger.~ Laster niet!
~Assad.~ Ik laat geen andere troostredenen gelden dan die ik uit de bron kan scheppen.
~Ouderling.~ Denkt aan Mozes, den dienaar des Heeren, die niet met het zwaard, doch door het gebed Amalek versloeg. Ge moogt niet sidderen voor schild en speer, want één woord des Heeren maakt ze te schande.
~Assad.~ Waar is Mozes? Waar zijn die heiligen?
~Ouderling.~ Moed zult ge scheppen en indachtig zijn dat het Heiligdom des Heeren in gevaar ìs.
~Assad.~ Ik dacht dat de Heer òns beschermen zou. Nu komt het er op neer dat wij Hèm beschermen moeten.
~Ouderling.~ En bovenal moogt ge niet vergeten dat de Heer, zoo hij u laat omkomen, u uwen dood en uw martelingen in uw kinderen en kindskinderen tot in het tiende geslacht kan vergoeden.
~Assad.~ Wie zegt mij hoe mijn kinderen en kindskinderen zullen uitvallen? Kunnen het niet rakkers zijn waarover ik me te schamen heb, die tot mijn schande rondloopen? (_tot den ouderling_) Man, je lippen beven, je oogen dwalen onzeker, je tanden zouden de klinkende woorden, waarachter je je angst verbergt wel willen verscheuren. Hoe kun je van ons den moed verlangen dien je zelf niet bezit? Ik zal nu eens uit naam van al dezen tot je spreken. Geef bevel om de poorten der stad te openen. Onderworpenheid ontmoet barmhartigheid. Ik zeg het niet voor mijzelf; ik zeg het terwille van dien armen stomme; terwille van de vrouwen en kinderen. (_omstanders geven teekenen van instemming_) Geef het bevel, dadelijk, of we doen het zonder uw bevel.
~Daniël~ (_zich losrukkend_). Steenigt hem! Steenigt hem!
~Volk.~ Was die man niet stom?
~Assad~ (_vol ontzetting zijn broeder aanziend_). Stom en blind! Hij is mijn broeder. Dertig jaar is hij en nooit heeft hij een woord gesproken.
~Daniël.~ Ja, dat is mijn broeder. Hij heeft mij gelaafd met spijs en drank; hij heeft mij gekleed en liet mij bij zich wonen. Hij heeft voor mij gezorgd bij dag en bij nacht. Geef mij uw hand, mijn trouwe broeder. (_zoodra hij zijn hand genomen heeft slingert hij haar weer als door ontzetting aangegrepen van zich weg_) Steenigt hem! Steenigt hem!
~Assad.~ Wee, wee! de geest des Heeren spreekt uit den mond van den stomme! Steenigt mij, steenigt mij! (_Het volk achtervolgt hem, hem steenigend_).
~Samaja~ (_hen verschrikt naloopend_). Wat wilt ge doen! (_Af_).
~Daniël~ (_in vervoering_). Ik kom, ik kom, spreekt de Heer. Maar ge moogt niet vragen vanwaar. Meent ge dat het tijd is? Ik alleen weet wanneer het tijd is.
~Volk.~ Een profeet, een profeet!
~Daniël.~ Ik liet u groeien en gedijen als het koren in zomertijd. Meent ge dat ik den heidenen mijn oogst zal overlaten? Waarlijk, ik zeg u, dat zal nooit geschieden! (_Judith en Mirza verschijnen onder de burgers_).
~Volk~ (_zich ter aarde werpend_). Heil ons!
~Daniël.~ En al is uw vijand nog zoo groot, ik heb slechts weinig noodig om hem te vernietigen. Heiligt u, heiligt u; want ik wil wonen bij u en zal u niet verlaten, zoo ge mìj niet verlaat. (_na een pauze_) Broeder, je hand!
~Samaja~ (_terugkeerend_). Je broeder is dood! Jìj hebt hem vermoord! Dàt was je dank voor al zijn liefde. O, hoe graag had ik hem gered; wij waren vrienden van jeugd af! Maar wat kon ik doen tegen zoo velen die jouw dwaasheid krankzinnig gemaakt had. »Zorg voor Daniël!« riep hij mij nog toe, toen zijn brekende oogen mij herkenden. »Als een gloeiende plicht leg ik dit woord in je ziel.«
~Daniël~ (_wil spreken, maar kan het niet; hij kreunt_).
~Samaja~ (_tot het volk_). Schaamt u, dat ge op de knieën ligt, en schaamt u nog dieper, dat ge een edelen man, die het wel meent met u allen, hebt vermoord. Ha! ge hebt hem zòò verwoed vervolgd, als woudt ge in hem uw eigen zonden dood steenigen! Alles wat hij hier tegen den ouderling, niet uit lafheid, maar uit medelijden met uw ellende, heeft gezegd, was al heden morgen tusschen ons afgesproken; de stomme zat er in elkaar gedoken en onverschillig, als altijd, bij; met geen spier verried hij zijn afschuw. (_tot den ouderling_) Al wat mijn vriend eischte, eisch ik nog; onmiddellijk openen der poorten, onderwerping op genade of ongenade. (_tot Daniël_) Laat nu zien dat de Heer uit je sprak. Vervloek mij, zooals je je broeder vervloekte!
~Daniël~ (_in hoogsten angst, wil spreken, maar kan niet_).
~Samaja.~ Ziet ge nu den profeet? Een demon der hel, die u verzoeken wilde, ontzegelde zijn mond, maar God sloot hem weer en sloot hem voor eeuwig. Of kunt ge gelooven dat de Heer de stommen doet spreken om ze tot broedermoordenaars te maken.
~Daniël~ (_slaat zichzelf_).
~Judith~ (_tusschen het volk tredend_). Laat u niet in verzoeking brengen. Heeft het u niet aangegrepen als Gods nabijheid en in heiligen ootmoed ter aarde geworpen? En zult ge het dan nu dulden dat men uw diepste gevoel liegen heet?
~Samaja.~ Vrouw, wat wilt ge? Ziet ge niet dat deze man vertwijfelt? Voelt ge niet dat hij vertwijfelen mòet als hij een mensch is? (_tot Daniël_) Ruk je de haren uit! Stoot je hoofd te pletter tegen den muur, dat de honden je hersens oplikken, dat is het eenige wat je nog op de wereld te doen hebt! Wat tegen de natuur is, dat ìs tegen God.
~Volk.~ Hij heeft gelijk!
~Judith~ (_tot Samaja_). Wilt ge den Heer den weg voorschrijven dien Hij gaan moet? Reinigt Hij niet iederen weg dààrdoor dàt Hij hem gaat?
~Samaja.~ Wat tegen de natuur is, is tegen God! De Heer deed wonderen onder onze vaderen, onze vaderen waren beter dan wij. Als Hij nù wonderen wilde doen, waarom laat Hij het dan niet regenen? En waarom bewerkt hij niet een wonder in het hart van Holofernes om hem tot den aftocht te bewegen?
~Een burger~ (_op Daniël indringend_). Sterf, zondaar, die ons er toe verleid hebt ons te bezoedelen met het bloed eens rechtvaardigen.
~Samaja~ (_tusschen beiden tredend_). Niemand zal Kaïn dooden! Zoo sprak de Heer. Maar Kaïn mag zichzelf dooden. Zoo spreekt een stem in mij. En Kaïn zal het doen! Dit zij u een teeken: leeft deze mensch nog tot morgen, kan hij zijn daad een ganschen dag en een ganschen nacht dragen, doet dan naar zijn woorden en houdt vol tot ge er dood bij neer zinkt of tot een wonder u verlost. Zoo niet, doet dan wat Assad u zeide: opent de poorten en geeft u over. En als ge onder het gewicht uwer zonden niet waagt te hopen dat de Heer het hart van Holofernes zal verzachten, slaat dan de hand aan uzelf, doodt elkander en laat alleen de kinderen in leven. Hen zullen de Assyriërs sparen, want zij hebben zelf kinderen of verlangen ze te krijgen. Maakt er een groote moordpartij van, waarin de zoon den vader neersteekt en de vriend den vriend zijn liefde bewijst door hem de keel af te snijden zonder zich eerst te laten bidden. (_grijpt Daniël bij de hand_) Den stomme neem ik mee naar mijn huis. (_voor zich_) Neen zeker, de stad, die zijn broeder wilde redden, mag niet door zìjn razernij te gronde gaan. Ik zal hem in een kamer opsluiten, ik zal hem een blank mes in de hand duwen en zoolang tot zijn geweten spreken, tot hij volbrengt wat ik in naam der natuur en als haar profeet van te voren heb verkondigd. Goddank dat hij slechts stom en blind is en niet òòk doof. (_met Daniël af_).
~Volk~ (_door elkaar_). Waarom worden ons de oogen eerst zoo laat geopend. Wij willen niet langer wachten. Geen uur langer! Wij willen de poorten openen. Komt!
~Josua~ (_een burger_). Wie waren er schuld aan dat wij ons niet verootmoedigden zooals de andere volken? Wie overreedden ons de reeds gebogen nekken weer trotsch omhoog te heffen? Wie heetten ons naar de wolken te kijken en daardoor de aarde te vergeten?
~Volk.~ Wie anders dan de priesters en de ouderlingen?
~Judith.~ O God, nu twisten de rampzaligen met hen die hen van niets tot iets gemaakt hebben!--(_luid_) Ziet ge in het ongeluk dat u treft slechts een aanleiding om het door uw laaghartigheid te verdienen?
~Josua~ (_tusschen de burgers rondgaande_). Toen ik van Holofernes' tocht hoorde was mijn eerste gedachte dat we hem tegemoet gaan en om genade smeeken moesten. Wie van jelui dacht daar anders over? (_allen zwijgen_) Waarvoor kwam Holofernes? Toch alleen om ons te onderwerpen; had hij die onderwerping halfweegs gevonden, dan zou hij den héélen weg niet gekomen zijn, maar rechtsomkeert gemaakt hebben; hij heeft genoeg te doen. Dan zaten we ons nu in vrede aan spijs en drank te vergasten, terwijl ons ellendig leven nù niets anders is dan een vòòrproefje van alle mogelijke martelingen.
~Volk.~ Wee, wee!
~Josua.~ En we zijn onschuldig; we hebben nooit getrotseerd, altijd hebben we gesidderd. Maar Holofernes was nog zoo ver en de ouderlingen en priesters waren dichtbij om ons te bedreigen. Zoo vergaten we den eenen angst door den andere. Weet jelui wat? Laten we de ouderlingen en priesters de stad uitjagen en tegen Holofernes zeggen: Daar heb je de oproerlingen! Ontfermt hij zich over hen, best; doet hij het niet, dan willen we toch liever om hen klagen dan om ons zelf.
~Volk.~ Zal dat ons redden?
~Judith.~ Dat is alsof iemand met het zwaard waarmee hij zich niet kan verdedigen, den wapensmid die het hem gaf, wilde vermoorden.
~Volk.~ Zou het werkelijk helpen?
~Josua.~ Natuurlijk zou het! Hoofd af, heet het, niet voet af of hand af.
~Volk.~ Je hebt gelijk. Dat is de weg.
~Josua~ (_tot den ouderling die ernstig heeft toegekeken_). Wat zeg je daarvan?
~Ouderling.~ Ik zou er zelf den raad toe geven als 't helpen kon. Ik ben vandaag juist drie-en-zeventig jaar geworden en graag zou ik tot mijn vaderen ingaan; op een paar ademtochtjes meer of minder komt het er niet aan. Wel geloof ik een eerlijk graf verdiend te hebben en ik zou liever in den grond dan in de maag van een wild beest rusten; maar als ge meent dat ik genoeg ben voor u allen, ben ik bereid. Ik schenk u dit grijze hoofd; maar maakt voort, dat de Dood je niet vòòr is en het geschenk hoonlachend in een kuil werpt. Maar sta me toe dit hoofd, dat nu aan u behoort, nog één keer te gebruiken. Niet van mij alleen, van alle ouderlingen en priesters was hier sprake. Zoudt ge niet, éér ge begint te offeren, u de moeite getroosten, de offerdieren te tellen?
~Judith~ (_woest_). Dit kunt ge aanhooren zonder u op de borst te slaan, zonder u neer te werpen en dien grijsaard de voeten te kussen? O, nu zou ik Holofernes bij de hand willen nemen en binnen de stad leiden, nu zou ik zelf zijn zwaard willen scherpen als het bot werd éér het al deze hoofden had afgemaaid!
~Josua.~ De ouderling sprak listig, heel listig. Verzetten kon hij zich niet, dat zag hij wel. Daarom schikte hij zich in zijn lot en dat op een manier... ik wed dat als de lammetjes spreken konden er geen enkel geslacht zou worden. (_tot Judith_) U zult stellig de eenige niet zijn die hij geroerd heeft.
~Judith.~ Verzetten kon hij zich niet, maar hij kon je laag plan toch te schande maken, hij kon zich dooden. En krampachtig greep hij naar zijn zwaard, ik zag het wel en trad dichter bij hem om het te beletten; maar dadelijk daarop straalde als een innerlijke zegepraal uit zijn gelaat, hij trok zijn hand terug en zag naar boven.
~Ouderling.~ Ge denkt te edel van mij. Niet op mijzelf, op hèm was het gemunt.
~Volk.~ Je raad is slecht, Josua, we zullen hem niet opvolgen.
~Judith.~ Hebt dank.
~Josua.~ Maar dat de poorten geopend worden, daarop blijft ge toch zeker staan? Bedenkt dat een vijand, wien ge de poorten opent nooit zoo wreed kan zijn als een die ze zelf moet openen. (_tot den ouderling_) Geef het bevel! Ik wil u vergeving vragen voor mijn voorstel, dat wil zeggen morgen, als ik dan nog leef.
~Judith~ (_tot den ouderling_). Zeg neen!
~Ouderling.~ Ik zeg ja, want ik zie zelf niet waar nog hulp vandaan moet komen.
~Achior~ (_tusschen het volk tredend_). Zet maar open, maar verwacht geen genade van Holofernes. Hij heeft gezworen het volk dat zich het laatst aan hem zou onderwerpen, van de aarde te verdelgen, zoodat er geen spoor van overbleef. Gij zijt de laatsten.
~Judith.~ Dat heeft hij gezworen?
~Achior.~ Ik stond er zelf bij. En dat hij zijn eed zal houden kunt ge daaraan zien: hij geraakte in toorn tegen mij toen ik van de macht van uw God sprak; en zijn toorn is de dood. Maar inplaats van mij neer te slaan, beval hij, zooals ge weet, mij naar u te brengen. Ge ziet, zòò weinig twijfelt hij aan uw ondergang dat hij den man dien hij haat en wiens hoofd hij met zijn gewicht aan goud wil betalen, laat loopen omdat hij zich eerst dàn op hem wreken wil wanneer hij zich tegelijk kan wreken op u. En zòò ver is hem iedere gedachte aan genade dat hij voor zijn vijand geen harder straf weet te verzinnen dan die welke hij u heeft toegedacht.
~Volk.~ We zullen niet open doen. Als we door het zwaard moeten sterven, dan hebben we zelf nog zwaarden!
~Josua.~ Laten we dan een tijd bepalen. Aan alles moet een einde komen.
~Volk.~ Een tijd, een tijd!
~Ouderling.~ Lieve broeders, hebt dan nog vijf dagen geduld en beidt de hulp des Heeren.
~Judith.~ En als de Heer nu nog eens vijf dagen langer noodig had?
~Ouderling.~ Dan zijn wij dood. Wil de Heer ons redden, dan moet het in deze vijf dagen gebeuren, wij zullen toch al niet allen hun afloop beleven.
~Judith~ (_plechtig, als sprak zij een doodvonnis uit_). Dus binnen vijf dagen moet hij sterven!
~Ouderling.~ Wij moeten het uiterste doen om het nog zòò lang uit te houden. Wij moeten de offergaven des Heeren, den heiligen wijn en de olie, onder ons verdeelen. Wee mij, dat ik zulk een raad moet geven!
~Judith.~ Ja, wee u! Waarom raadt ge niet liever een ander uiterste aan? (_tot het volk_) Mannen van Bethulië, waagt een uitval! De kleine bronnen liggen vlak bij den muur, splitst u in twee helften, de eene moet den terugtocht en de poort dekken, terwijl de andere in dichten drom aanstormt. Het kan niet missen of ge brengt water mee.
~Ouderling.~ Ge ziet het, niemand antwoordt.
~Judith~ (_tot het volk_). Wat moet ik hiervan denken? (_na een pauze_) En toch verheugt het mij. Als ge niet den moed hebt het op te nemen tegen een paar honderd soldaten, dan zult ge ook niet zoo vermetel zijn den Heer tot wrake uit te dagen door uw misdadige hand uit te strekken naar zijn altaarspijzen.
~Ouderling.~ Het is noodig. Honderdvoudig zal het vergoed worden. Dat andere is te bedenkelijk. Een geopende poort ware de doodwond der stad. Ook David at van de heilige brooden en hij at zich niet den dood.
~Judith.~ David was een gewijde des Heeren. Wilt ge eten als David, zoo wordt ook eerst als David. Eet en drinkt, maar heiligt u eerst.
~Een uit het volk.~ Waarom luisteren we toch naar haar?
~Ander.~ Schaamt je die het niet doen. Lijkt ze niet een engel?
~Een derde.~ Zij is de godvruchtigste vrouw in de stad. Zoolang het ons goed ging, zat ze stil in haar kamertje; heeft ooit iemand haar in het openbaar gezien behalve als zij ging bidden of offeren? Maar nù, nu we op het punt staan te vertwijfelen, verlaat ze haar huis en loopt tusschen ons om ons moed in te spreken.
~Vorige.~ Zij is rijk en bezit veel goederen. Maar weet ge wat zij ééns gezegd heeft? »Ik beheer die goederen slechts, zij behooren den armen.« En zij zègt dat niet alleen, zij dòet het. Ik geloof dat zij alleen daarom geen man meer neemt, omdat zij dan zou moeten ophouden de moeder der behoeftigen te zijn. Als de Heer ons helpt, doet hij het om harentwil!
~Judith~ (_tot Achior_). Gij kent Holofernes; vertel mij van hem.
~Achior.~ Ik weet dat hij dorst naar mijn bloed, maar denk niet dat ik hem zal smaden. Wanneer hij met geheven zwaard voor mij stond en mij toeriep: »Doodt mij, anders dood ik jou!«... ik weet niet wat ik zou doen.
~Judith.~ Dat is uw gevoel. Hij had u in zijn macht en heeft u vrij gelaten.
~Achior.~ Neen, dat is het niet! Dat brengt mij éér in opstand. Het bloed stijgt mij naar de wangen, wanneer ik er aan denk, hoe gering hij een man moet achten, dien hij zelf, met de wapenen in de hand, tot zijn vijanden stuurt.
~Judith.~ Hij is een tyran.
~Achior.~ Ja, maar hij werd geboren om het te worden. Men houdt zichzelf en de wereld voor niets wanneer men bij hem is. Eens reed ik met hem door het meest woeste gedeelte van het gebergte. Wij komen aan een kloof, breed en duizelingwekkend diep. Hij geeft zijn paard de sporen, maar ik grijp het bij den teugel, wijs op den afgrond en zeg: »hij is bodemloos«. »Ik wil ook niet er in, maar er òver!« roept hij en waagt den vreeselijken sprong. Nog éér ik volgen kan is hij alweer omgekeerd en naast mij. »Ik dacht daar een bron te zien,« zeide hij, »en wilde drinken, maar het was niets. Laten we onzen dorst maar verslapen.« Meteen werpt hij mij de teugels toe, springt van zijn paard en slaapt. Ik kon mij niet bedwingen; ik steeg eveneens af, raakte zijn gewaad aan met mijn lippen en plaatste mij tegen de zon, dat hij schaduw had. Schande over mij! Zoozeer ben ik zijn slaaf dat ik hem prijs wanneer ik over hem spreek.
~Judith.~ Houdt hij van vrouwen?
~Achior.~ Ja, maar niet anders dan van eten en drìnken.
~Judith.~ Vloek over hem!