Judith: treurspel in vijf bedrijven
Part 1
Produced by The Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan | | het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven | | als _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | | ~uitgespatieerd~. Tekst in een kleiner lettertype is als | | #kleiner lettertype# weergegeven. | | | | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven | | als »aanhalingstekens«. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van | | dit e-boek op https://www.gutenberg.org | | | +------------------------------------------------------------+
JUDITH
[Decoratieve illustratie]
TOONEELBIBLIOTHEEK Onder leiding van L. Simons
HET BOEK IS DE UNIVERSITEIT ONZER DAGEN.
UITGEGEVEN DOOR: DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR·AMSTERDAM
[Decoratieve illustratie]
FRIEDRICH HEBBEL
JUDITH
TREURSPEL IN VIJF BEDRIJVEN (1839-1840)
UIT HET DUITSCH VERTAALD DOOR NICO VAN SUCHTELEN
MET INLEIDING
VOORBERICHT.
Van Friedrich Hebbel is dit het tweede werk, dat wij thans in eene vertaling het licht doen zien. In onzen eersten Jaargang W. B. verscheen in de vertaling van den heer Louis Landry zijn burgerlijk treurspel _Maria Magdalena_ met twee korte inleidingen.
_Judith_, dat we hier doen volgen in de vertaling door de Tooneelvereeniging gebruikt, dateert van 1840. De lezer, die meer over den schrijver en zijn werk wil weten, zij voorts verwezen naar De Ploeg 5e Jaarg., Afl. Mei en Juni: Dr. Léon Polak, Friedrich Hebbel's kunst en Levensbeschouwing.
REDACTIE T. B.
PERSONEN.
IN HET EERSTE BEDRIJF.
Holofernes Louis van Gasteren. De Opperpriester Joh. Schmidt. Een Heraut Carel Rijken. Een Soldaat Fré Williams. 1ste Hopman H. K. Teune. 2de Hopman Jac. van Hoven. Gezant van Lydië Joh. Brandenburg Jr. Gezant van Mesopotamië G. J. van Staalduynen. Achior Jaap van der Poll.
IN HET TWEEDE BEDRIJF.
Judith Julia Cuypers. Mirza Lize Hamel. Ephraïm Joh. Timrott.
IN HET DERDE BEDRIJF (EERSTE TAFEREEL).
Judith Julia Cuypers. Mirza Lize Hamel.
IN HET DERDE BEDRIJF (TWEEDE TAFEREEL).
Judith Julia Cuypers. Mirza Lize Hamel. Ephraïm Joh. Timrott. Ammon Joh. Brandenburg Jr. Hosea Alex Frank of Vincent Berghegge. Ben Jac. van Hoven. Samuël G. Pilger. Z'n kleinzoon Carel Rijken. Een Priester Joh. Schmidt. Assad G. J. van Staalduynen. Daniël Adolf Bouwmeester. Samaja H. K. Teune. Josua Fré Williams. Achior Jaap van der Poll.
IN HET VIERDE BEDRIJF.
Judith Julia Cuypers. Holofernes Louis van Gasteren. Mirza Lize Hamel. 1ste Hopman H. K. Teune. 2de Hopman Jac. van Hoven. 3de Hopman Alex Frank of Vincent Berghegge.
IN HET VIJFDE BEDRIJF (EERSTE TAFEREEL).
Judith Julia Cuypers. Holofernes Louis van Gasteren. Mirza Lize Hamel. 1ste Hopman H. K. Teune. 2de Hopman Jac. van Hoven. 3de Hopman Alex Frank of Vincent Berghegge. Een Dienaar Carel Rijken. Ephraïm Johan Timrott.
IN HET VIJFDE BEDRIJF (TWEEDE TAFEREEL).
Judith Julia Cuypers. Mirza Lize Hamel. Ephraïm Johan Timrott. Ammon Joh. Brandenburg Jr. Hosea Alex Frank of Vincent Berghegge. Ben Jac. van Hoven. Een Priester Joh. Schmidt. Josua Fré Williams. Een Moeder Marie Faassen. Een Bewaker Carel Rijken.
Bewakers, Burgers, Soldaten en Volk.
#De eerste opvoering van dit stuk vond plaats te Amsterdam den 4den November door de N. V. Tooneelvereeniging met bovenstaande rolverdeeling.#
EERSTE BEDRIJF.
#(Legerkamp van Holofernes. Op den voorgrond, rechts, de tent van den veldheer. Tenten, gewoel van soldaten. De achtergrond wordt begrensd door een gebergte, waarop een stad zichtbaar is).#
(_De veldheer Holofernes treedt met zijn hoplieden uit de open tent. Er weerklinkt muziek. Na een poos geeft hij een teeken, waarop de muziek verstomt_).
~Holofernes.~ Het offer!
~Opperpriester.~ Voor welken god?
~Holofernes.~ Wien werd gisteren geofferd?
~Opperpriester.~ Volgens u bevel hebben wij geloot en het lot viel op Baal.
~Holofernes.~ Dan heeft Baal vandaag geen honger. Offert aan eenen, dien gij allen kent en toch niet kent.
~Opperpriester~ (_met luider stem_). Holofernes beveelt dat wij aan een god zullen offeren dien wij allen kennen en toch niet kennen!
~Holofernes~ (_lachend_). Dat is de god dien ik het meest vereer. _(Er wordt geofferd)._
~Holofernes.~ Trawant!
~Trawant.~ Wat beveelt Holofernes?
~Holofernes.~ Wie van mijn soldaten zich over zijn hopman heeft te beklagen, trede voor. Roep het uit!
~Heraut~ (_door de rijen der soldaten gaande_). Wie zich te beklagen heeft over zijn hopman, moet vòòrtreden. Holofernes wil hem hooren.
~Een soldaat.~ Ik klaag mijn hopman aan!
~Holofernes.~ Waarvan?
~De soldaat.~ Ik had bij de bestorming van gisteren een slavin buitgemaakt, zòò mooi, dat ik schuchter voor haar was en haar niet durfde aan te raken. De hopman komt tegen den avond in mijn tent, terwijl ik afwezig ben; hij ziet het meisje en stoot haar neer omdat ze zich tegen hem verzet.
~Holofernes.~ De beschuldigde hopman is des doods! (_tot een ruiter_) Vlug! Maar de aanklager ook. Neem hem mee. Doch de hopman sterft het eerst.
~De soldaat.~ Gij wilt mij doen dooden met hem?
~Holofernes.~ Omdat je mij te brutaal bent. Ik liet het bevel uitvaardigen om jelui op de proef te stellen. Als ik jouwsgelijken toestond je hoplieden aan te klagen, wie zou dan mij beveiligen voor de klachten der hoplieden zelf?
~De soldaat.~ Om uwentwil heb ik het meisje gespaard. Ik wilde haar ù geven.
~Holofernes.~ Als een bedelaar een kroon vindt, weet hij heel goed dat zij den koning toekomt. De koning is er hem niet bijster dankbaar voor als hij haar brengt. Maar ik wil je goede bedoeling beloonen, want ik ben hedenmorgen goed geluimd. Je moogt je bedrinken aan mijn besten wijn, voor je gedood wordt. Voort! (_De soldaat wordt door den ruiter weggeleid naar den achtergrond_).
~Holofernes~ (_tot een der hoplieden_). Laat de kameelen toomen!
~Hopman.~ Het is reeds geschied.
~Holofernes.~ Had ik het bevel dan al gegeven?
~Hopman.~ Neen, maar ik kon verwachten dat ge het dadelijk geven zoudt.
~Holofernes.~ Wie ben je dat je het waagt mij de gedachten uit het hoofd te stelen! Ik wil dat niet, dat voorkomende, opdringerige gedoe! Mijn wil is één en jullie daad twéé, niet omgekeerd. Onthoud dit!
~Hopman.~ Vergeving! (_af_).
~Holofernes~ (_alleen_). Dàt is de kunst: zich niet laten raden, eeuwig een geheim blijven! Het water verstaat die kunst niet: voor de zee bouwde men dijken, voor rivieren groef men een bedding. Het vuur verstaat haar ook niet; dat is zóó ontaard dat koksmaatjes zijn natuur al door en door kennen en nu heeft het voor iederen schooier zijn kool gaar te koken. Zelfs niet eens de zon verstaat haar; men heeft haar baan bespied en schoenlappers en kleermakers meten den tijd naar hun schaduw.--Maar ik versta haar! Ze spionneeren rond mij heen en gluren door de kieren en reten van mijn ziel naar binnen en probeeren uit ieder woord van mijn mond een looper te smeden op mijn hart. Maar mijn Heden past niet op mijn Gisteren; ik ben niet een van die dwazen die in laffe ijdelheid voor zichzelf knielen en altijd den eenen dag tot den nar van den anderen maken; ik hak den Holofernes van heden getroost in stukken en geef hem den Holofernes van morgen te eten. Ik zie het leven niet als een bloot, vervelend voederen, maar als een voortdurend òm- en herscheppen van het bestaan. Ja, onder al dit armzalig volk komt het mij soms voor, alsof ìk alleen bestond; alsof zij slechts daardoor tot het besef van zichzelf konden komen, dat ik hen een arm of been afhouw. Ze merken het ook meer en meer. Maar inplaats van dichter tot mij te komen en tot mij op te klimmen, trekken zij zich schuw terug en ontvluchten mij, als een haas het vuur dat zijn knevel zou kunnen schroeien. Had ik maar een vijand, éénen slechts, die het waagde mij te weerstaan! Ik zou hem willen omhelzen; ik zou, als ik hem in heeten strijd in 't stof geworpen had, mij op hem willen storten en met hem sterven! Helaas! Nebucad Nezar is niets dan een verwaand cijfer, dat den tijd verdrijft door zich steeds maar met zichzelf te vermenigvuldigen. Wanneer ik mijzelf en Assyrië niet meetel, blijft er niets over dan een met vet opgevulde menschenhuid. Ik zal de wereld voor hem onderwerpen, en als hij haar hééft, zal ik haar hem weer afnemen!
~Een hopman.~ Er kwam zoo juist een bode aan van onzen grooten koning.
~Holofernes.~ Breng hem dadelijk bij mij! (_voor zich_). Nek, zijt ge nog lenig genoeg? Nebucad Nezar zorgt er wel voor dat ge het buigen niet verleert!
~Bode.~ Nebucad Nezar, voor wien de aarde zich kromt en wien macht en heerschappij gegeven is van opgang tot ondergang, biedt zijn veldheer Holofernes den groet des Gezags.
~Holofernes.~ Deemoedig wacht ik zijn bevelen.
~Bode.~ Nebucad Nezar wil niet, dat voortaan andere goden naast hem worden vereerd.
~Holofernes~ (_trotsch_). Waarschijnlijk heeft hij dit besluit genomen, toen hij het bericht van mijn laatste overwinningen ontvangen had.
~Bode.~ Nebucad Nezar beveelt, dat men hèm alleen zal offeren en de altaren en tempels der andere goden met vuur en vlam verdelgen.
~Holofernes.~ Één in plaats van zoo velen; dat is een groot gemak. Maar niemand heeft het gemakkelijker dan de koning zelf. Hij neemt zijn blanken helm in de hand en verricht zijn gebed voor de eigen beeltenis. Alleen moet hij oppassen voor buikpijn, dat hij geen grimassen maakt en zichzelf doet schrikken. (_luid_) Nebucad Nezar heeft zeker de laatste maanden geen kiespijn gehad!
~Bode.~ Wij zijn de goden daarvoor dankbaar.
~Holofernes.~ Hemzelf, wilt ge zeggen.
~Bode.~ Nebucad Nezar beveelt dat men hem iederen morgen bij zonsopgang een offer brenge.
~Holofernes.~ Vandaag is het helaas reeds te laat; wij zullen bij zonsondergang aan hem denken.
~Bode.~ Nebucad Nezar beveelt ten slotte nog u, Holofernes, dat ge uzelf zult sparen en uw leven niet aan elk gevaar bloot stellen.
~Holofernes.~ Ja vriend, als zwaarden maar iets behoorlijks konden uitrichten zonder mannen! En bovendien, kijk, door niets breng ik mijn leven zoozeer in gevaar als door drinken op de gezondheid des konings en daarmede zou ik toch onmogelijk kunnen uitscheiden.
~Bode.~ Nebucad Nezar zeide dat geen van zijn dienaren u kon vervangen en dat hij nog veel voor u te doen had.
~Holofernes.~ Goed; ik zal mijzelf liefhebben, omdat mijn koning het beveelt. Ik kus zijn voetschabel! (_Bode af_). Trawant!
~Trawant.~ Wat beveelt Holofernes?
~Holofernes.~ Er is geen god buiten Nebucad Nezar! Roep het uit!
~Heraut~ (_door de rijen der soldaten loopend_). Er is geen god buiten Nebucad Nezar! (_Een opperpriester gaat voorbij_).
~Holofernes.~ Priester! Hebt ge gehoord wat ik liet uitroepen?
~Priester.~ Ja.
~Holofernes.~ Zoo ga en sla den Baal stuk, dien we meeslepen. Het hout schenk ik u.
~Priester.~ Hoe kan ik stuk slaan wat ik aanbeden heb?
~Holofernes.~ Laat Baal voor zichzelf opkomen! Een van beiden: Ge slaat den god stuk of ge hangt uzelf op.
~Priester.~ Ik zal hem stuk slaan. (_voor zich_) Baal draagt gouden armbanden.
~Holofernes~ (_alleen_). Vervloekt zij Nebucad Nezar! Vervloekt zij hij, omdat hij een groote gedachte had; een gedachte, die hij niet tot eere brengen, maar alleen verknoeien en belachelijk maken kan. Wèl heb ik het reeds lang gevoeld: de menschheid heeft maar één groot doel; een god te baren uit zichzelf; en die god dien zij baart... hoe zal hij toonen, dat hij god is, dan door zich in eeuwigen strijd tegenover haar te stellen; door alle dwaze aandoeningen van medelijden, van huiveren voor zichzelf, van terugduizelen voor zijn ontzaglijke taak, te onderdrukken; door haar tot stof te vermorselen en haar nog in het doodsuur een jubelkreet af te dwingen!--Nebucad Nezar weet het zich gemakkelijker te maken. Een heraut moet hem tot god stempelen, en ik moet der wereld het bewijs leveren dat hij het is! (_De opperpriester gaat weer voorbij_). Is Baal verbrijzeld?
~Priester.~ Hij staat in laaien brand! Moog hij 't vergeven!
~Holofernes.~ Er is geen god buiten Nebucad Nezar! U beveel ik de gronden daarvoor te ontdekken. Iederen grond betaal ik met een ons goud en ge hebt drie dagen tijd.
~Priester.~ Ik hoop aan uw bevel te kunnen voldoen. (_Af_).
~Hopman.~ Gezanten van een koning smeeken om gehoor!
~Holofernes.~ Van welken koning?
~Hopman.~ Vergeving. Men kan de namen aller koningen die zich voor u verdeemoedigden, onmogelijk onthouden!
~Holofernes~ (_werpt hem een gouden ketting toe_). De eerste onmogelijkheid die mij bevalt. Breng ze voor! (_De gezanten komen op en werpen zich voor Holofernes ter aarde_).
~Gezant.~ Zòò zal de koning van Lybië zich voor u in 't stof werpen, wanneer ge hem de genade betoont zijn hoofdstad binnen te trekken.
~Holofernes.~ Waarom kwaamt ge niet al gisteren? Waarom kwaamt ge niet éérgisteren?
~Gezant.~ Heer!
~Holofernes.~ Was de afstand te groot, of de eerbied te klein?
~Gezant.~ Wee ons!
~Holofernes~ (_voor zich_). Gramschap vervult mijn ziel, gramschap tegen Nebucad Nezar. Ik moet wel genadig zijn, dat deze wurmen niet te verwaand worden en zichzelf voor de bron van mijn gramschap houden! (_luid_). Staat op en zegt uwen koning...
~Hopman~ (_op_). Gezanten uit Mesopotamië!
~Holofernes.~ Breng ze binnen. (_De gezanten op, zij werpen zich ter aarde_).
~Gezant uit Mes.~ Mesopotamië biedt den grooten Holofernes zijn onderwerping aan, wanneer het daardoor zijn genade kan verkrijgen.
~Holofernes.~ Mijn genade schenk ik, ik verkoop haar niet.
~Gezant uit Mes.~ Zoo meende ik het niet. Mesopotamië onderwerpt zich op iedere voorwaarde; het hoopt slechts op genade.
~Holofernes.~ Ik weet niet of ik die hoop vervullen mag. Ge hebt lang getalmd.
~Gezant uit Mes.~ Niet langer dan de verre weg noodzakelijk maakte.
~Holofernes.~ Ik heb gezworen dat ik het volk, dat zich het laatst voor mij zou verdeemoedigen, verdelgen zal. Die eed moet ik houden.
~Gezant uit Mes.~ Wij zijn de laatsten niet. Onderweg hoorden wij, dat de Hebraeërs, van allen de eenigen, u willen trotseeren en zich verschanst hebben.
~Holofernes.~ Zoo brengt dan uwen koning de tijding dat ik de onderwerping aanvaard. Op welke voorwaarden, dat zal hij vernemen van diengene mijner hoplieden dien ik hem voor de nakoming zal zenden. (_tot de Lybische gezanten_) Meldt gij uw koning hetzelfde! (_tot de Mesopotamische gezanten_) Wie zijn die Hebraeërs?
~Gezant uit Mes.~ Heer, dat is een volk van krankzinnigen. Ge ziet het reeds hieraan dat zij het wagen zich tegen u te verzetten. En nog beter kunt ge het daaraan merken, dat zij een god aanbidden dien zij niet zien noch hooren kunnen, van wien niemand weet waar hij woont en wien zij toch offeren, alsof hij woest en dreigend, zooals ònze goden, van het altaar op hen neerzag. Zij huizen in 't gebergte.
~Holofernes.~ Welke steden bezitten ze? Wat kunnen ze, welke koning heerscht over hen; hoeveel krijgsvolk staat hem ter beschikking?
~Gezant uit Mes.~ Heer, dat volk is schuw en wantrouwend. Wij weten niets van hun onzichtbaren god. Zij vermijden alle aanraking met vreemde volken. Zij eten en drinken niet met ons, op z'n hoogst vechten zij met ons.
~Holofernes.~ Waarom spreekt ge, als ge mijn vraag niet kunt beantwoorden? (_Hij wenkt met de hand, de gezanten vertrekken na kniebuiging en nedervallen_) De hoplieden der Moabieten en Ammonieten moeten vòòrkomen! (_Heraut af_) Ik acht een volk dat mij tegenstand wil bieden. Jammer, dat ik alles wat ik acht moet vernietigen! (_De hoplieden op, onder hen Achior_).
~Holofernes.~ Wat is dat voor een volk dat in 't gebergte huist?
~Achior.~ Heer, ik ken het wel en ik zal u vertellen hoe het er mee gesteld is. Dit volk is verachtelijk wanneer het uittrekt met speer en zwaard; wapenen zijn in zijn hand ijdel speelgoed, dat zijn eigen god stuk breekt, want die wil niet dat het vecht en zich met bloed bevlekt: hìj alleen wil zijn vijanden vernietigen. Maar vreeselijk is dit volk als het zich verootmoedigt voor zijn god, zooals hij dat verlangt; als het zich op de knieën werpt en het hoofd met asch bestrooit; als het weeklachten uitstoot en zichzelf vervloekt. Dan is het alsof de wereld veranderde, alsof de natuur haar eigen wetten vergat; het onmogelijke wordt werkelijk, de zee splijt uiteen, zòò dat het water stilstaat aan weerszijden als muren, waartusschen een weg loopt; brood valt uit den hemel en uit het zand der woestijn borrelt een koele dronk.
~Holofernes.~ Hoe heet hun god?
~Achior.~ Zij beschouwen het als een roof jegens hem zijn naam uit te spreken en zouden den vreemdeling die het deed, zeker dooden.
~Holofernes.~ Welke steden hebben zij?
~Achior~ (_wijzend op de stad in het gebergte_). De stad die het dichtst bij ligt en die ge ginds ziet, heet Bethulië. Maar hun hoofdstad heet Jerusalem. Ik ben er geweest en heb den tempel van hun god gezien. Hij heeft op aarde zijns gelijke niet. Het was mij, toen ik er bewonderend vòòr stond, alsof zich iets mij op den nek legde en mij omlaag drukte; ik lag opeens op mijn knieën, zonder dat ik wist hoe het kwam. Ze hadden mij bijna gesteenigd, want toen ik opstond, voelde ik een onweerstaanbaren drang het heiligdom binnen te treden. En daarop staat de dood. Een mooi meisje trad mij in den weg en vertelde mij dit, ik weet niet of ze het deed uit medelijden met mijn jeugd of uit vrees voor de verontreiniging des tempels door een heiden.--Luister nu naar mij, o Heer, en acht mijn woorden niet gering. Laat uitvorschen of dit volk ook tegen zijn god gezondigd heeft; en is dat zoo, laat ons dan er op los trekken; dan zal hun god ze zeker aan u overleveren en zult ge ze gemakkelijk onder den voet krijgen. Maar hebben ze nìet tegen hun god gezondigd, keer dan om; want hun god zal hen beschermen en wij zullen tot spot worden voor het geheele land. Gij zijt een geweldìg held, maar hun god is te machtig; en al kan hij niemand tegenover u stellen die u evenaardt, zoo kan hij u toch dwingen tegen uzelf in opstand te komen en u met eigen hand uit den weg te ruimen.
~Holofernes.~ Profeteert ge mij uit vrees of uit arglistigheid? Ik kon u straffen, omdat ge u verstout naast mij nog een ander te vreezen. Maar ik wil het niet doen; ge zult uw eigen vonnis gesproken hebben. Wat den Hebraeërs wacht, staat ook u te wachten! Grijpt hem en voert hem ongedeerd tot hen! (_het geschiedt_) En wie hem, bij de inneming der stad, neerstoot en mij zijn hoofd brengt, zal ik het met zijn gewicht in goud betalen. (_met verheffing van stem_) En nu, op naar Bethulië! (_De stoet zet zich in beweging_).
TWEEDE BEDRIJF.
(_Vertrek van Judith. Judith en Mirza aan het weefgetouw_).
~Judith.~ Wat denk je van dien droom?
~Mirza.~ Ach, luister toch liever naar wat ik u zeide.
~Judith.~ Ik liep al maar door en voelde me zoo gejaagd, en toch wist ik niet waar het mij heen dreef. Nu en dan stond ik stil en dacht na; dan was 't me alsof ik een groote zonde beging. Voort, voort! zei ik tegen mijzelf en liep nog sneller dan eerst.
~Mirza.~ Daar ging juist Ephraim voorbij. Hij zag er erg bedroefd uit.
~Judith~ (_zonder naar haar te luisteren_). Plotseling stond ik op een hoogen berg; het duizelde mij. Maar daarna voelde ik mij trotsch; de zon was zoo dicht bij, ik knikte haar toe en zag voortdurend naar boven. Opeens bemerkte ik een afgrond voor mijn voeten, een paar schreden van mij af, donker, onafzienbaar, vol rook en kwalm. En ik was niet in staat terug te gaan, noch stil te staan; ik wankelde voorwaarts. »God, God,« riep ik in mijn angst. »Hier ben ik,« klonk het uit den afgrond omhoog, vriendelijk, lieflijk. Ik sprong; zachte armen vingen mij op, ik dacht dat ik rustte aan het hart van iemand dien ik niet zag en ik voelde mij onzeggelijk gelukkig. Maar ik was te zwaar, hij kon mij niet houden; ik zonk en zonk... ik hoorde hem weenen, en als gloeiende tranen drupten op mijn wang...
~Mirza.~ Ik ken een droomuitlegger. Zal ik hem laten halen?
~Judith.~ 't Is helaas tegen de wet. Maar dàt weet ik wel: zulke droomen moet men niet geringschatten! Kijk, ik stel me dat zòò voor: als een mensch slaapt, ontbonden, niet meer bijeengehouden door zijn zelfbewustzijn; dan verdringt een besef der toekomst alle gedachten en beelden van het heden en de dingen die komen moeten glijden als schaduwen door zijn ziel, voorbereidend, waarschuwend of vertroostend. Dààrdoor komt het dat zoo zelden of nooit iets ons werkelijk verrast; dat we op het goede al lang te voren met zoo groot vertrouwen hopen en voor alle kwaad onwillekeurig sidderen. Ik heb dikwijls gedacht of men kort voor zijn dood nog wel zou droomen.
~Mirza.~ Waarom luistert u nooit als ik over Ephraim spreek?
~Judith.~ Omdat ik gruw van mannen.
~Mirza.~ En u hebt toch zelf een man gehad!
~Judith.~ Ik wil je een geheim toevertrouwen: mijn man was krankzinnig!
~Mirza.~ Onmogelijk! Zou ik dat dan niet gemerkt hebben?