Part 4
Ick stonde doen 't aengingh by de groote hals boven op 't schip en ontrent 60 persoonen stonden recht voor de groote mast, die 't water overnamen [79]; die worden al te samen wegh genomen en aan hutspot gheslaghen, datmen niet en wist waer een stuck bleef, als oock van alle de anderen. En ick, Willem Ysbrantsz. Bontekoe, doe ter tijdt schipper, vloogh mede inde lucht; wiste niet beter of ick most daer mede sterven. Ick stack mijn handen en armen nae den Hemel en riep: "Daer vaer ick heen, o Heer! weest my arme sondaer genadigh!" Meende daermede mijn eynde te hebben; doch hadde evenwel in 't op-vlieghen mijn volle verstant, en bemerckte een licht in mijn herte dat noch met eenige vrolijckheydt vermenght was, soo 't scheen, en quam alsoo wederom neer in 't water, manck de stucken en borden van 't schip, dat heel aan stucken was [80]. In 't water leggende kreegh ick sulcke nieuwe couragie gelijck of ick een nieu mensch hadde gheweest. Toe siende soo lagh de groote mast aen mijn eene zijd' en de focke-mast aen mijn ander zijd'; ick klom op de groote mast en gingh daer op leggen en sagh het werck eens over, en seyd': "O Godt! hoe is dit schoone schip vergaen, gelijck Sodoma en Gomorra."
Hier dus legghende sagh gheen levendigh mensch, waer dat ick heen sagh; en terwijl ick hier dus lagh in ghedachten, soo komter een jonghman by mijn zijd' opborlen en smeet met handen en met voeten, en hy gheraeckte aende knop vande steven (die weer was comen opdrijven) seggende: "Ick ben al klaer." Doe keeck ick om en seyde: "O Godt! leefter noch yemant?" Deze jonghman was genaemt Hermen van Kniphuysen, uyt de Eyder van daen. Ick sagh by dese jonghman een spiertjen of kleyn-mastjen drijven, en alsoo de groote mast (daer ick op lagh) vast om en wederom walterde, dat ick daer niet wel op blijven kon, seyde ick tegen hem: "schuyft my dat spiertjen toe, ick salder op gaen leggen en halen my alsoo nae u toe, soo sullen wy by malkander gaen sitten," 't welck hy dede, en quam alsoo by hem. Dat ick anders niet wel by hem soude gekomen hebben, quam omdat ick in 't opvliegen soo geslagen was. Mijn rugh was heel beschadicht, hadde oock twee gaten in 't hooft; want het quam soo aen, dat ick dochte: "o Heer! noch een beetje, soo ben ick doodt." Ja het scheen, dat my hooren en sien vergingh. Wy saten hier by malkander, elck een inneckhout vande boegh in den arm hebbende [81]. Ginghen staen en keken uyt na de schuyt en boot; wordense eyndelijck gewaer, doch waren soo verd' henen dat wy qualijck sien konden of de voor-steven of de achter-steven na ons toe lach. De son was aen 't water om onder te gaen. Seyden doen tegen mijn maet: "Harmen, het schijnt dat onse hoop hier verloren is, want het is laet, de son gaet onder, de schuyt en boot zijn soo verd', datmen haer qualijck sien kan; het schip is stucken, en wy moghen 't hier (op 't wrack) niet langh harden; daerom laet ons God almachtich bidden om een goede uytkomst." Wy deden soo en baden Godt seer ernstelijck aen om een goede uytkomste; het welcke wy kregen, want als wy weder opsagen, so was de schuyt met de boot dicht by ons, om het welcke wy seer verblijt waren. Ick riep datelijck: "Bergh de schipper! bergh de schipper!" Sy dat hoorende waren seer verblijt en riepen: "De schipper leeft noch, de schipper leeft noch!" en roeyden daerop dichte by 't wrack en bleven daer soo leggen met schuyt en boot; dorsten niet by ons komen, vermits zy vreesden, dat een stuck van 't wrack door de schuyt of boot soude stooten.
De jonghman Harmen van Kniphuysen was noch soo moedich, dat hy hem van 't wrack af begaf en swom aende boot. Hy hadde weynigh letsel gekregen van 't opvliegen, maer ick riep: "Wilt ghy my hebben, soo moet ghy my halen, want ick ben soo geslagen, dat ick niet swemmen kan". Doen sprongh de trompetter uyt de boot overboort met een loodlijn, (die sy noch hadden) en brocht my het end'. Ick maeckte die om mijn middel vast en sy haelden my nae de boot toe, en quam alsoo (de Heer sy gelooft!) inde boot. Inde boot wesende quam achter by Heyn Rol, Willem van Galen en de onderstierman, genaemt Meyndert Krijnsz. van Hoorn, die seer verwondert waren dat ick noch in 't leven was. Ick hadde inde boot achter een roefjen laten maken, daer wel een paer man in mocht, dwars over de boot; daer kroop ick in en dochte: ick mocht wat overleggen; want ick giste niet langh te sullen leven, door de slagh aen mijn rugh en de twee gaeten in mijn hooft; doch seyde evenwel tegen Heyn Rol en de anderen: "Blijft te nacht by 't wrack; wy sullen morgen alst dagh is wel eenige fictualie bergen, en mogelijck noch wel een compas vinden om het landt te vinden." Want daer was in de schuyt en boot noch compas, noch kaert, noch boogh, noch geen of weynigh eten en gheen drincken; met sulcken haestigheyt waren sy van 't schip ghevaren. Seyden oock, dat de opper-stierman, Jan Piet van Hoorn, de compassen uyt het nachthuys hadde genomen; 't scheen dat hy al vrees hadde, datse het schip souden verlaten, 't welck evenwel noch geschiede.
Nu terwijl ick alhier in dat gat of roefje lagh, soo liet de coopman het volck de riemen uytleggen en stelde het volck aen 't roeyen, gelijck of hy alst dagh was landt meende te hebben. Maer alst dagh worde, waren wy van 't wrack versteken, en ooc mede van 't lant. Waren heel mismoedigh; quamen en keken in 't gat, daer ick lagh, of ick noch leefde, en siende dat ick noch leefde spraken: "Och lieve schipper! Wat sullen wy doen? Wy sijn van 't wrack versteken en wy sien geen landt; hebben eten noch drincken, noch boogh, noch kaert, noch compas! Wat raedt gaet ons aen?" Daer op ick seyde: "Mannen, men moste my ghehoort hebben als ick gister avondt seyde: dat ghy te nacht by 't wrack sout blijven, dat wy wel fictualie souden krijgen, want het vlees en speck en kaes dreef my om de beenen, dat ick er qualijck door konde komen." Sy seyden: "Lieve schipper, komt daer uyt." Ick sey: "Ick ben soo lam, dat ick my qualijck kan reppen; wilt ghy my hier uyt hebben, soo moet ghy my helpen." Doe quamen sy en holpen my daer uyt, en ick gingh sitten, keeck het volck over, en sy roeyden. Ick vraeghde datelijck: "Mannen, wat eten hebt ghy in de boot?" en sy brochten omtrent 7 a 8 pont broodt uyt, met alle man; wy hadden twee lege vaetjes, daer leyden wy dat broot in. Ick seyde vorder: "Mannen, legh de riemen in, het moet anders komen, want ghy sult loof [82] worden, en wy hebben geen eten te geven. Legh in de riemen." Doen seyden sy: "Wat sullen wy dan doen?" Maer seyd ick: "Treckt uwe hemden uyt en maeckt daer seylen van." Sy seyden: "Wy hebben geen seyl-garen." Ick seyde: "Neemt de willen van de boot [83] en pluyst die aen werck en draeyt daer seyl-garen af; van de rest leght plattingh tot schooten en geerden [84]." Daer op trock een yder sijn hemt uyt, en flanstese aen malkander tot seylen, 't selfde deden sy inde schuyt mede. Telden als doen ons volck en bevonden inde boot 46 en inde schuyt 26 persoonen; maeckt 72 persoonen in 't geheel.
Daer was een blauwe bolckvanger [85] met een kussen inde boot; die worde my gegeven. De bolckvanger trock ick aen en het kussen sette ick op mijn hooft, door dien ick (als verhaelt) twee gaten in 't hooft hadde. De barbier [86] hadden wy wel mede inde boot, maer hy en hadde geen medicamenten; doch kaude evenwel wat broodt en leyd' de kauwen also op de wonden; waer mede ick (door Godts genade) genesen worde. Ick presenteerde mijn hemt mede uyt te trecken, maer sy wildent niet hebben; droegen noch sorge voor my, om my in 't leven te houden. Wy lietent de geheelen dagh voortdrijven; waren ondertusschen besich met de seylen te maecken. 's Avondts warense klaer, settender die by, en trocken aen 't seylen. Dit was den 20. dagh van November 1619. Begonnen koers te stellen aende sterren, want wy wisten goelijck waer de sterren behoorden op ende onder te gaen; stelden 's nachts alsoo onse koers.
Het was by nacht soo kout, dat het volck klaptanden, en by daegh soo heet, datmen vergaen wou van hetten; want de son was meest boven 't hooft.
Den 21, 22 en 23 dito practiseerden wy een graed-boogh, om hooghte te nemen; sloegen een quadrant op de plecht en teeckenden een stock met een cruys daer uyt. Wy hadden de kistemaecker Teunis Sybrantsz van Hoorn in; die hadde een passer. Hy hadde oock ten deele eenighe wetenschap om een stock te teyckenen, soo dat wy met malcander alsoo een graed-boogh maeckten en formeerden, daer wy mede schooten [87]. Ick sneed oock een paskaert achter op 't boort, en leyd' het eylandt van Sumatra daer in, met het eylandt van Java, met de straet van Sunda, die tusschen beyde eylanden in loopt. En die selfde dagh dat wy 't schip verlooren, des middaeghs, hadde ick noch hooghte ghenomen aen de son, en bevond' vijf en een halve graed Suyder-breete vande Equinoctiael, en het besteck inde kaert stont omtrent 90 mijlen van landt. Ick sneet ook een compas daer in; paste doe alle dagen met de passer by gissingh of, en stelde de koers 70 mijlen besijen of boven 't gat, om, als wy landt kreghen, te beter te weten wat heen dat wy mosten. Seylden alsoo op het schieten met onse boogh en het passen aen.
Ick gaf van de 7 a 8 pont broodt elck alle dagen sijn rantsoen, soo langh alst dueren mocht; doch was wel haest op. Elck kreegh des daeghs ontrent een stuckjen soo groot als een lit van een vinger. Wy hadden geen drincken; daerom alst reghende, namen wy onse seylen neer en schoorense [88] dwars over de boot heen, en vinghen het water alsoo op 't seyl en gaerden dat in onse twee vaetjes; en als die vol waren setten die uyt de weegh, tot alst een droge dagh was dat het niet en regende. Ick sneed een neusje van een schoen en een yder quam by 't vaetje en schepten het neusje vol en dronckent uyt, en gingh weder aen sijn plaets, daer hy gheseten had. En alhoewel wy in sulcke benautheydt waren, seydent volck: "Schipper, neemt ghy soo veel als u lust, want het mach ons doch allegaer niet helpen." Doen ick haer beleeftheydt sagh, wilde niet meer hebben als sy. Aldus seylende met schuyt en boot, en dewijl de boot harder seylde als de schuyt, en datter niemandt inde schuyt was die hem op navegatie verstondt, soo baden dieghene die inde schuyt waren (als sy dicht by ons quamen) of sy by ons inde boot mochten over komen en seyden: "Lieve schipper neemt ons doch over, opdat wy by malcander moghen wesen"; vreesden van ons af te dwalen. Maer het volck inde boot die waren daer teghen en seyden: "Schipper, nemen wy haer over, soo sijn wy altemael om den hals, want de boot kan al het volck niet voeren". Mosten derhalven dan wederom vande boot afhouwen.
De ellende was onder ons groot; wy hadden geen meer broodt en konden gheen landt sien. Ick maekten het volck altijdt wijs, dat wy dicht aen landt waren, datse goede moet souden houwen; maer sy murmereerden onder malcander daer al teghen en seyden tegen malcander: "De schipper mach seggen dat wy nae landt toe seylen, maer wy seylen moghelijck van landt af." Op een dagh (alsoo het leeck dat wy 't niet langer konden harden sonder eten) gaf Godt almachtigh datter mieuwen over de boot quamen vlieghen, ghelijck oftse gevangen wilden wesen, want sy vlogen ons bynae inde handen en lieten haer grijpen. Wy pluckten haer de veeren af en snedense aen stickjes; gaven elck wat; atense soo rau op, en het smaeckten my soo wel als ick mijn leven kost ghe-eten heb; jae, smaeckte soo soet of ick honigh in mijn mondt en keel stack. Hadden wy maer wat meer ghehadt; was pas of ter nauwer noodt soo veel dat wy konden leven, en meer niet.
En dewijl het landt hem noch niet op dee, soo wierden wy soo dwee gemaeckt, dat het volck resolveerden (doen die vande schuyt ons weder baden datse mochten overkomen) haer over te nemen; want daer en quam geen uytkomste met het landt; vreesden dat wy van dorst en van honger souden moeten sterven, en als wy mosten sterven, soo resolveerden wy noch liever met en by malcander te sterven. Namen daerop het volck uyt de schuyt over inde boot en namen al de riemen uyt de schuyt met de seylen, die setten wy mede op de boot. Hadden doen op de boot een blind, fock, groot-zeyl en besaen [89]. Wy hadden doe oock ontrent 30 riemen, die leyden wy over de doften heen, als een overloop. De boot was soo hol, dat het volck onder de riemen op haer neers moy mochten sitten; setten alsoo de eene helft van 't volck onder de riemen en de ander helft boven de riemen; mochten hiermede het volk moy bergen. Waren doe met ons 72 personen inde boot; saghen malcanderen met bedroefde ooghen aen, hebbende noch eten noch drincken. Daer en was gheen meer broodt, noch de mieuwen quamen niet meer, en het wilde niet regenen.
Doen 't nu weder op het ongesienste was om 't leven te houden, soo quamen (door des Heeren barmhertigheydt) oversiens uytter zee op-barsten een perthy vliegende visschen, zijnde soo groot als een groote spieringh, in maniere als een school musschen, en vlogen in de boot. Daer wast doe aen 't grabbelen! Elck dee sijn best om wat te krijghen. Wy deylden die om en aten die rau op, en smaeckten als honigh; doch het mocht al weynigh helpen. Evenwel sterckte het min of meer, en dee sooveel (met Godt) datter niemandt en sturf, 't welck te verwonderen was, want het volck begon al sout water te drincken, teghen mijn waerschuwingh aen. Ick seyde tegen haer: "Mannen, en drinckt geen sout water, want het en sal u geen dorst verslaen; ghy sult de loop daer van krijghen en daer af sterven". Andere kauden bosse-klooten [90] en musquets-koegels; andere droncken haer eygen water. Ick dronck mijn eyghen water soo langh alst goedt was; want het worde achter nae onbequaem om gedroncken te worden.
De benauwtheydt wierde hoe langher hoe swaerder en grooter, en het volck begon soo wanhoopigh, mistroostigh en wreedt op malcanderen te sien, dat het leeck datse malcander bykans souden aenghetast hebben om te eten; jae, spraecken daer van onder malcander, en vonden goedt de jongens eerst op te eten; die op zijnde, wilden sy daer om werpen, wie men dan aentasten soud; waer over ick in mijn geest seer ontroert wierde en uyt grooter benauwtheydt badt ick Godt almachtigh, dat het sijn Vaderlijcke ontfermhertigheydt daer toe doch niet soude laten komen, en ons niet versoecken boven 't vermoghen, wetende wat maecksel dat wy waren. Ick kan niet wel seggen hoe bang dat my was om dese voorslagh, te meer omdat icker (soo my docht) wel eenige sach die 't begonnen souden hebben om de jonghens te dooden; doch ick versprack haer [91] (met Godts hulpe) en bad voor de jongens en seyde: "Mannen, laet ons dat niet doen. Godt sal wel een uytkomst geven, want wy konnen niet ver van landt zijn, uytwijsende ons daghelijcx afpassen en schieten." Sy gaven voor antwoordt: "Dat hebt ghy al langh geseyt en wy krijgen geen landt; jae, seylen mogelijck van 't landt af"; wesende geheel t' onvreden. Sy stelden my doe de tijdt van drie dagen, om, indien wy in dien tijdt gheen landt beseylden, de jongens te eten. Voorwaer een desperaet voornemen! Badt daerover met een vyerighen ernst aen Godt, dat hy sijn genadighe ooghen op ons soude nederslaen en gheleyden ons binnen die tijdt te lande, opdat wy gheen grouwelen souden bedrijven voor sijn ooghen.
Hier gingh de tijdt in en de noot was soo groot, dat wy 't niet wel langher harden konden. Wy dochten dickwils: waren wy aen landt dat wy maer gras mochten eten, wat noodt wast. Ick vermaende het volck met soo veel troostelijcke reden als ick op die tijdt konde bybrenghen. Seyde dat sy doch goedts moedts souden wesen; dat de Heer het versien soude; doch was self kleynmoedigh; soude een ander troosten en behoefde self wel ghetroost te worden. Sprak menigh woordt boven 't hert. Verdroegen en leden alsoo met malcander, dat wy soo moe en mat wierden, dat wy qualijck de macht hadden op te staen. Heyn Rol, de coopman, was soo verd', daer hy sat daer sat hy; konde niet verder komen. Ick was noch soo moedigh, dat ick van achteren tot voor inde boot konde komen. Swarlden alsoo op Godts ghenade tot den 2. December 1619, zijnde de 13. dagh dat wy het schip verloren; doen wast een grauwe lucht met regen en stiltjes; maeckten de seylen los, schoren die dwars over de boot en kropen al te samen onder de seylen, en gaerden onse vaetjes vol water. Het volck hadden weynigh kleeren, door dien sy soo haestigh waren vertrocken, en hare hemden waren tot seylen ghemaeckt, als voor verhaelt is; hadden de meestendeel geen meer als een linnen broeckjen aen, waren met de bovenlijven naeckt. Kropen alsoo (om de warmte te scheppen) onder de seylen by malcander, en ick stont op die tijdt aen 't roer en mijn gissingh was dicht by landt. Hoopte dat het op soude klaeren, terwijl ick aen 't roer stondt, maer bleef even mistigh sonder dat het op wilde klaren. Ick wierde door de doockighe [92] lucht en regen soo kout, dat ick 't niet langher aen 't roer konde harden, riep daerom een vande quartier-meesters en seyde: "Komt en verlost my eens van 't roer, want ick macht niet langer harden." Doe quam de quartier-meester en verloste my; ick kroop mede manck het volck om de warmte weder te krijghen.
De quartier-meester hadde gheen uur aen 't roer ghestaen, of het begon al op te klaeren, en hy siet toe en siet terstondt landt. Hy riep met groot verheugen: "Mannen komt uyt, het landt leydt dicht voor ons! Landt! Landt!" Hadt ghy ghesien hoe dra wy onder het seyl van daen waren en voor den dagh quamen. Settender de seylen weder by en seylden nae 't landt toe; quamen dien selfden dagh noch aen landt. De Heer almachtigh zy gelooft en gepresen, die onse bidden en smeken heeft verhoort; want wy deden des morgens en 's avondts het gebedt, met vyerigen aendacht tot Godt en songhen oock een psalm voor en nae het ghebedt, want wy hadden noch eenighe psalm-boeckjes by ons. De meeste tijdt was ick hierin voor-leser, doch daer nae, doe de voor-leser uyt de schuyt in ons boot quam, deed hy 't selver [93].
Nu by 't landt komende, liep de zee soo aen het landt, dat wy niet landen dorsten; doch vonden aende binnekant van 't eylandt (want het een eylandt was) een inwijckjen; daer lieten wy de dregh [94] t' zee vallen, en hadden noch een dreghjen, dat setten wy aen landt, soo dat de boot vertuyt lagh [95], en spronghen (soo goedt als wy konden) met alle man aen landt en trocken elck sijns weeghs aen 't boschkaren2. Maer soo drae ick op 't landt quam, viel ick op mijn knien en kuste de aerde van blijdtschap en danckte Godt voor sijn genade en barmhertigheydt, dat hy ons niet en hadde versocht, of had tot noch toe een uytkomst inde saeck gegeven; want dese dagh was de laetste, nae welcke het volck gheresolveert waren de jonghens aen te tasten en op te eten. Hier bleeckt dat de Heere de beste Stierman was, die ons gheleyde en stierde dat wy het landt kreghen, als verhaelt is.
Wy vonden op dit eylandt veel kokus-noten, maer konden (wat wy sochten) geen versch water bekomen; doch geneerden ons met het sap uyt de jonghe kokus-noten, dat een goede dranck was. En van de oude noten (die 't pit hardt was) aten wy; maer wat te veel en onvoorsichtigh, want wy wierden dien selfden nacht al te samen heel sieck, met sulcke ellendighe pijn ende snyingh in 't lijf en inde buyck, dat het scheen of wy barsten mosten. Kropen by malcander in 't sant, elck klaeghde meer als d' aer; en achternae begon het purgatie te baren, daer door wy datelijck verlichtingh gevoelden; waren 's anderendaeghs weder fris en liepen dit eylandt bykans rondtom. Wy vonden daer geen volck, maer saghen wel tekens datter volck op geweest hadde. Hier was anders niet op om te eten als kokus-noten. Ons volck seyden tegen my dat sy aldaer een slangh ghesien hadden, die wel een vaem dick was, maer ick heb hem self niet ghesien.
Dit eylandt leydt ontrent 14 a 15 mijl van 't landt van Sumatra. Wy haelden sooveel kokus-noten in de boot als wy konden voeren, tot victualie: de oude kokussen om te eten en de jonghe om uyt te drincken. Staken 's avondts wederom van 't eylandt af nae het landt van Sumatra; kregen het 's anderendaeghs in 't ghesicht. Quamen daer by, liepen by 't landt langhs met een voor de windt, Oostelijck aen of om de Oost, soo langh tot dat de noten weder op waren. Doen wilden 't volck weder aen landt; seylden dicht by de barningen van 't landt langhs [96], maer vonden geen gelegenheyt om te landen, door dien dat de zee soo geweldigh aenliep.
Doe resolveerden wy dat er 4 a 5 mannen overboort souden springen en sien of sy door de barningh aan 't landt konden swemmen, en loopen dan by de strandt langhs, om te sien of sy nerghens eenige openingh konden sien, om met de boot in te komen. 't Welk geschieden. Sprongen overboort, raeckten door de barningh aen landt en liepen by 't strandt langhs, en wy seylden oock met de boot al by de wal henen.
Ten lesten vonden sy een revier. Doen trocken sy haer broecken uyt, en wuyfden dat wy daer nae toe souden komen. Wy dat siende seylden datelijck daer nae toe. Daer by komende lagh daer een banck recht voor de mondt van de revier, daer de zee soo geweldigh op storte, dat ick seyde: "Mannen, ick steeck hier niet in, of ghy moet het altemael consenteren, want raeckt de boot om, dat ghy 't my dan niet hebt te wijten." En vraeghden by de ry om, wat elck daer toe seyde. Gaven voor antwoort: jae, en dat sy 't wel wilden avonturen. Doen seyd' ick: "Ick avontuer mijn lijf by 't uwe". Ick stelde datelijck ordre, datse achter aen beyde zijden een riem souden uytvoeren en aen yder riem twee man. Ick stondt aen 't roer, om de boot alsoo recht voor zee te houden. Doe staecken wy alsoo met de boot in de barningh. De eerste zee, dieder quam, bonsde de boot wel half vol water. Ick riep: "Mannen, hoos uyt! hoos uyt!" En sy hoosden uyt, met hoeden, met schoenen en met de lege vaetjes, die wy in de boot hadden; en kreghen het water meest uyt. Doe quam de tweede zee; die worp de boot bykans tot de doften toe vol water, waer door de boot soo mal lagh, of hy sincken wilde. En ick riep al: "Mannen, hou recht, hou recht! hoos uyt, hoos uyt! of wy zijn altemael lijveloos!"--Wy hieldent noch recht voor zee en hoosden 't water uyt, soo veel wy konden.
Doe quam de derde zee en die storte te kort, soo dat wy daar weynigh water van inkreghen; en doe wast datelijck slecht water [97]. Raecktender alsoo met Godes hulp door. Wy proefden het water en was datelijck versch, waer over wy al te samen seer verblijdt waren en leyden de boot aen de rechterhandt vande revier aen de wal.
Op 't landt komende was het met langh gras bewossen; toe siende, soo laghender boonen in 't gras, ghelijck oft Eydersche boontjes waren. Doe met alle man aen 't soecken en eten; ick self dede mede mijn best, dachte: ick sal mijn part mede sien te krijgen, en ons volck liepen een weynigh nae de hoek toe. Vonden daer vyer met eenighe toeback legghen, waer door wy heel verblijdt waren. Het scheen datter volck van 't landt hadden gheweest, die daer vyer aen geleydt hadden, en toeback ghedroncken hebbende eenige toeback vergeten hadden, of met wil legghen laten [98]. Wy hadden in de boot twee bijlen, daer hackten wy boomen mede om en tacken mede af, en leyden wel tot 5 a 6 plaetsen vyer aen. Daer gingen ons volck by thienen en twaelven om staen en sitten, en droncken toeback. Doen 't avondt was, leyden wy lustighe vyeren aen en stelden tot drie plaetsen wachten uyt, uyt vreese vande inwoonders van 't landt, want het was donckere maen.