Part 12
[49] "Vertuyen": voor twee ankers voor anker gaan, waarvan het eene voor aan de plecht (plechtanker) en het andere (vertui-anker) aan den achtersteven wordt uitgebracht. Op deze wijze kan het schip met stroom of getij niet afzwaaien.--Men denke aan het slotkoor van Hooft's Granida: "Liefd' en Min aen een vertuyt"; of waar hij elders spreekt van "welige vlechten", die met "veel strickjens soo dertel sijn vertuit". Jan Luyken zegt van zijn ziel (Antiopana, zijn lief, toesprekende): "Want aen uw oogen is zij vast vertuyt".
[50] "Boscharen" of "boschkaren": verzamelen, fourageeren.
[51] "Lege-leggers": ledige watervaten.
[52] Adriaan Martensz Block was in 1601 schipper op de Zwarte Leeuw, een van de schepen waarmede Jacob van Heemskerck zijn tocht naar O. I. deed. In Dec. 1611 stak hij zelf als commandeur met een smaldeel in zee, bestemd naar Indië. Op deze reis, dezelfde waarvan hier sprake is, ontmoette hij op de Afrikaansche kust een vloot van 17 Spaansche oorlogschepen, die hij aangreep met het gevolg dat er slechts 4 de tijding van de nederlaag in Spanje konden brengen. Een derden tocht ondernam Block in 1627 met elf schepen, om J. Pz. Coen ondersteuning te brengen.
[53] Voedden zich.
[54] "Worden" voor "werden"; ook elders.
[55] Portugeesch "sagueiro" is zoowel palmwijn als de boom, die den palmwijn levert (suikerpalm). Elders: "sageweer".--"Way" of "wei" is de ondermelk van karnemelk. Vgl. Hooft's tweespraak tusschen Cephalus en Amaryllis:
C. Mijn harte gloeyt als vuir van binnen!-- A. Wel neemt het soete weij van geijten inne.
[56] D. i.: onder den wind.
[57] Moesson-winden.
[58] "Ontschieten": te machtig worden. In eigenlijke beteekenis van een schoot of zeil gezegd, dat door te harden wind uit de hand schiet.--"Invallen", n.l. de zieken.
[59] Messen met koper hecht.
[60] Savoyekoolen.
[61] Dit moet eveneens een vrucht zijn.
[62] "Krengen": het schip bij de masten overtakelen, zoodat het scheef en zooveel mogelijk dwars op het water komt te liggen, waarna men het van onderen kan schoonmaken en opnieuw teeren. In een geval als dit werd volstaan met geschut en lading, zooveel doenlijk, naar eene zijde te verplaatsen.
[63] "Mutsje": nap van bepaalden inhoud.
[64] "Steker": kandelaar met een punt, die in het hout kon vastgezet worden.--"Boom" = bodem. Vgl. Vondel's: "Het is al boter tot den boôm".
[65] "Dief": scheefbrandende kaarspit, die veroorzaakt dat het vet gaat afdruipen.
[66] Nl. van de verschansing. Het boevenet (bovenet) is het opperste verdek achteruit.
[67] Ontsteld.
[68] Van benauwdheid.
[69] Wij hieuwen daarna gaten in het tusschendek.
[70] "Het water mannen" d.i.: de wateremmers van man tot man doorgeven.
[71] Ontsteltenis.
[72] "Rusten": dwarshouten buiten boord, waaraan het staande want, dat de masten helpt overeind houden, bevestigd is.
[73] "Gelderij": de open gaanderij achter aan den spiegel van het schip, waar de kajuit op uitkwam.
[74] "Sticken": stuk, aan stuk.
[75] D.w.z. tegen den mast. Blijkbaar had men het schip laten bijdraaien, om het vuur beter te kunnen blusschen.
[76] In vanglijnen ("gijtouwen") opgenomen.
[77] Overzeilen en in den grond varen.
[78] "Naveger"; voor navegaar (avegaar), d. i. een groote houtboor, waaraan van boven een kruk of dwarsstang is bevestigd.--Een "dopguds" is een holle beitel.
[79] D.i.: de emmers met water van elkaar overnamen en doorgaven, bij het blusschingswerk. Vgl. boven.
[80] "Manck": tusschen, onder.--"Borden": planken.
[81] "Inneckhouten": inhouten of ribben.
[82] "Loof": vermoeid, afgemat.
[83] "Willen": zak van zeildoek of gevlochten touw, gevuld met werk (of tegenwoordig meest met kurk), die buiten boord worden bevestigd of gehangen, om te voorkomen, dat een boot of schip door stooten tegen ander vaartuig of tegen den wal beschadigd wordt.
[84] "Platting": van werk gevlochten bindsel, dat voor touw had te dienen; "platting" genoemd, omdat het plat was en niet (als touw) gedraaid.--"Geerden": de touwen waarmede de gaffel in zijn stand wordt gehouden.
[85] Een bolkvanger (later baaivanger) is een korte overjas, die door zeelieden bij ruw weer gedragen werd.--"Bolk": hevige regenbui of vlaag.
[86] Zoowel op zee als te land tevens heelmeester, kortweg: "meester".
[87] Zonshoogte namen. Op den "stock" was de graadverdeeling aangebracht. "Cruys": verstelbaar dwarshout.
[88] "Scheren": uitspannen. Vgl. den term "schering en inslag" bij het weefgetouw.
[89] "Blinde": het zeil dat de schepen van dien tijd voor onder den boegspriet voerden. Vgl. het plaatje.--"Bezaen" is, zooals bekend, het zeil van den achtermast.
[90] Geweerkogels.
[91] Overreedde hen, bracht hen daarvan af.
[92] "Dookig" of "dijzig" = mistig; een "dikke" lucht, zooals de zeelui nu gewoonlijk zeggen, hoewel de woorden dookig en dijzig nog bekend zijn. Bogaers gebruikt het laatste in zijn "Schipper de Zwart."
[93] De "voorlezer" was de godsdienstonderwijzer of wat iets later "ziekentrooster" heet. De koopvaarders hadden meestal zulk een persoon aan boord, om "het woord te bedienen"; grootere oorlogsschepen of eskaders voerden doorgaans een "dominee". Was er geen predikant of voorlezer aan boord, dan was de schipper, of bij het schaften de stuurman, volgens instructie verplicht in het gebed voor te gaan en 's Zondags de preek te lezen uit een "predicatie-boeck". Van welk gehalte de zee-dominees soms waren, daarover kan een plaats verder in dit journaal verrassend inlichten!
[94] Klein anker, bootanker.
[95] Vgl. boven blz. 35.
[96] "Barning": branding.
[97] Effen, kalm water.
[98] "Toeback drincken": zooals men weet in de 17de eeuw de gewone term voor "rooken".
[99] Gewaar.
[100] Wij ondervroegen elkaar.
[101] Een "rejael" is een kleine Spaansche zilveren munt, oorspronkelijk ter waarde van 3 1/2 stuiver. Behalve dubbele en vierdubbele waren vooral de achtdubbele rejaelen in de Nederlanden druk in omloop. Ze werden gewoonlijk "stukken van achten" genoemd en zijn als "Spaansche matten" befaamd geworden! Vooral in O. Indië waren deze stukken bij de inlanders zeer gewilde munt, zoodat de "Compagnie van Verre" te Amsterdam ze dan ook in 1601 te Dordrecht liet aanmaken, met eigen stempel en opschrift. Door de Staten van Zeeland werden in 1602 te Middelburg eveneens "rejaelen van achten" geslagen. In de eerste helft der 17de eeuw deden de "stukken van achten" of z.g. "heele rejaelen" 47, later 48 of 50 stuivers. (Vgl. vooral J. E. ter Gouw, in het Tijdschrift v. h. Kon. Ned. Genootschap voor Munt- en Penningkunde, XIV, 1906.)
[102] Zekerheid hadden, er op vertrouwden.
[103] De bedoelde drank is arak: gegiste palmwijn, toddy.
[104] "Haperen": druk en verward spreken.
[105] Pagaai, schepriem.
[106] Met gevlamde kling; een vorm dien de inlandsche krissen, zooals bekend is, ook heden nog dikwijls vertoonen.
[107] Oorspronkelijk wellicht "diefsack": binnenzak in een mansbroek. In N. Holland is het woord nog gebruikelijk.
[108] Druk te spreken.
[109] Op deze passage dichtte Potgieter zijn tiental "Liedjes van Bontekoe".
[110] Wij kunnen geen schade, verlies verduren.
[111] Voor hieuw; vgl. boven blz. 42.
[112] Ontsteld.
[113] Onklaar.
[114] Assegaaien.
[115] Vgl. boven blz. 32.
[116] In één slag; zonder dat het noodig was te laveeren.
[117] Niets.
[118] Willem Cornelisz. Schouten: Hij had als schipper met Jacob le Maire deelgenomen aan den bekenden tocht om de wereld in 1615--'17, waarbij o. a. de Straat le Maire ontdekt werd. Het zeer merkwaardige journaal van deze reis werd in 1618 reeds driemaal uitgegeven en voorts in de 17de eeuw nog meer dan 15 maal herdrukt. Een Duitsche vertaling verscheen eveneens reeds in 1618 en twee Fransche in hetzelfde jaar. Een derde Fransche en een Latijnsche kwamen in 1619 uit. Alles wel een bewijs, dat reisbeschrijvingen als deze in hun tijd lezenswaard werden gevonden! Schouten overleed in 1625 op zijn terugreis naar het Vaderland, in de "Baai van Antongiel" op de Oostkust van Madagascar, zooals wij aan het slot van dit journaal zelf nog zullen zien.
[119] "Glop": een open ruimte, doorgang.
[120] "Peuren": trekken, gaan, zich begeven.
[121] Hielden het voor een kraak. De kraak was een eigenaardig Spaansch en Portugeesch scheepstype, hoog en hol, en nog op de oude wijze gebouwd met een "kasteel" voor en achter.
[122] Men zou kunnen twijfelen, of deze Frederik Houtman van Alkmaar, die in Bontekoe's journaal ook beneden voorkomt, wel dezelfde is als de broeder van Cornelis de Houtman van Gouda, den grondlegger van onzen handel in de Oost. Frederik de H. vergezelde zijn broeder op beide diens tochten in 1595--'97 en in 1598. Toen Cornelis in 1598 door den koning van Achin werd omgebracht, bleef Frederik meerdere jaren diens gevangene. Hij keerde in 1601 of 1602 naar het Vaderland terug en vergezelde in 1603 den commandeur Steven van der Haghen op diens Indische reis. In 1605 werd hij onze eerste Gouverneur op Amboina, toen dat eiland door van der Haghen op de Portugeezen was veroverd (Amboina is, zooals bekend, onze eerste bepaalde nederzetting in de Oost).--Het lijkt haast uitgesloten, dat twee De Houtman's van gelijken voornaam, tegelijkertijd in O. I. geweest zouden zijn, beide met een zelfde gezag bekleed, zonder dat wij daarvan iets zouden weten. Hoogstens zou men kunnen aannemen, dat Cornelis de Houtman van Gouda en Frederik Houtman van Alkmaar geen broeders doch neven waren. Echter noemt Frederik (Pietersz.) de Houtman van Gouda in de voorrede van zijn werk "Spraeck ende Woordboeck inde Maleysche en de Madagaskarsche Talen" (Amsterdam 1603) zich zelf den broeder van Cornelis de Houtman. Hij maakte ook als sterrekundige naam. In 1597 komt Frederik Houtman voor als gehuwd met Vroutje Cornelisd. van Alkmaar. In 1625 legde hij zijn post in Indië voor goed neder en keerde naar het Vaderland terug. Reeds vroeger was hij te Alkmaar gevestigd geweest en overleed aldaar als schepen der stad (blijkens zijn grafsteen) 21 Oct. 1627: "Frederick Pietersz. Houtman, in syn leven geweest Gouverneur van Amboine .... etc." Sedert 1614 was hij in de vroedschap gebracht.--Men merke op, dat een "kijcker of bril" in de handen van den gouverneur-astronoom Frederik de Houtman zeer goed past. Zulke instrumenten waren in het eerste kwartaal der 17de eeuw nog hoogst zeldzaam en hoofdzakelijk voor sterrekundige waarnemingen bestemd. De verrekijker was eerst in de laatste jaren der 16de eeuw te Middelburg door Zacharias Jansen en Johannes Lipperhey uitgevonden. Voor zoover mij bekend, is dit de allervroegste vermelding van een verrekijker, die in de journalen voorkomt. Het woord "bril" behoeft niet op een dubbelen kijker te slaan.--"Gelderije": vgl. blz. 43.
[123] Geen pleziervaartuig, doch een rank schip van kleiner tonnemaat, zooals er aan schepen, die in admiraalschap uitvoeren, gewoonlijk werden meegegeven, voor ophelderingsdienst, enz.
[124] "By-setten": voorzien van.
[125] Jan Pietersz. Coen was in October 1617 Laurens Reael als Gouverneur-Generaal der O. I. C. opgevolgd. Bij de aankomst van Bontekoe te Batavia (December 1619) was die stad niet langer dan zes maanden geleden op de ruïne van het vermeesterde Jacatra gesticht. Den 30en Mei van datzelfde jaar toch had de inneming plaats gehad, onder de aanvoering van Coen zelf. Zie de stukken, die op het beleg van Jacatra en op de vestiging van ons gezag op Java betrekking hebben, bij J. K. J. de Jonge, Opkomst van het Nederl. Gezag in O. Indië, Dl. IV, blz. 138 vgg.
[126] Beker.
[127] Drink u toe. Ook in het volkslied: "Ick brenght u, haveloos meyske".
[128] Gresse of Grisse: een stad op Java, aan de Straat van Madoera.
[129] Larantoeka, op de oostpunt van Flores, tegenover het eiland Solor.
[130] "Specken": het gewone scheldwoord voor de Spanjaarden in die dagen.--"Mostiesen" voor mestiezen: kleurlingen.
[131] Dit te ondernemen.
[132] "Baets Jan". Bedoeld is het eiland Batjan, een der Molukken, ten Z.W. van Djilolo (Halmaheira).
[133] Afgelost.
[134] Het eiland Boeton ligt ten Z.O. van Celebes.
[135] "Java Minor": Madoera.
[136] Djambi.
[137] Koelies.
[138] Versta: achter op het verdek, bij den spiegel van het jacht.
[139] Macao: de Portugeesche nederzetting aan den mond van de Canton-rivier; vgl. nader de Inleiding hiervoor.--"Incorpereren": inlijven, bezetten.
[140] Pescadores: eilandengroep tusschen Formosa en den vasten wal van China, door de onzen als handelsbasis gebruikt en als zoodanig van groot gewicht; totdat wij in 1624 Formosa zelf in bezit namen, van welk eiland--door den heldendood van den predikant Anth. van Hambroeck vermaard geworden--wij, zooals bekend is, in 1662 werden verdreven; waarna wij geen moeite deden er ons opnieuw te vestigen.
[141] Samenwerking met de Engelschen komt in dezen tijd, na het verbijsterende succes van Coen, meer voor. Kort te voren waren zij ons nog vijandig gezind geweest en zouden dit, uit verklaarbaren naijver, weldra weer worden.
[142] Voor anker moesten gaan. Vgl. boven blz. 35.
[143] Ankergrond; grond waar men "het steken" kan.
[144] De mededeelingen omtrent koers en vaarwater worden gedaan ten dienste van mogelijke "nakomers". Men ziet, hoe de journalen ook in dit opzicht bestemd waren van nut te zijn.
[145] Het heeft geen zin de ligging van elk der hier en in 't vervolg genoemde eilanden afzonderlijk aan te geven. "Poele" beteekent: eiland. 't Land van Champay is het vaste land van Achter-Indië (Cochinchina).
[146] Deze zin is in het journaal, blijkbaar wegens het gewicht der aanwijzingen, gecursiveerd.
[147] Laagachtig.
[148] Ook deze zin is in het journaal gecursiveerd.
[149] Inham, baai.
[150] Het eiland Ceceer de Tor ("met de steen-klippen") is nog heden ten dage bekend om zijn eetbare vogelnestjes, die naar China worden uitgevoerd.
[151] Portugees of Spanjaard.
[152] Naar den naam te oordeelen een veroverd vaartuig, evenals het schip (jacht) St. Nicolaas.
[153] "Aenhalen": enteren en buitmaken.
[154] Coxbroad.
[155] Vermoedelijk wel als belangstellende toeschouwers; vgl. beneden.
[156] Exerceeren.
[157] In den tekst staat "onsen commandeur Nieuwenroode", doch voor in het journaal wordt den lezer verzocht "deze faut te verbeteren". Een koopman Nieuwenroode was nochtans bij de onderneming inderdaad aanwezig en diende in December van ditzelfde jaar (1622) en gedurende 1623 op het schip van Bontekoe; zooals beneden op blz. 94 en 99 vg. blijkt.
[158] Indien het.
[159] In het geheel.
[160] Pedro Blanco is een zeer klein eiland op de kust van China (22°, 22' N.br.).
[161] "Bey": baai.--"Steck-grondt" vgl. boven blz. 79.
[162] Verzamelplaats, zooals de schepen toenmaals gewoon waren die af te spreken.
[163] Tayowan of Taiwan is de hoofdstad van Formosa en de Chineesche naam voor het eiland zelf. Vgl. over onze vestiging aldaar blz. 78, noot 2.
[164] Kan.
[165] Chincheo of Tsintsjoe. De lieden van dit zeegewest staan nog bekend als de beste matrozen en kooplui van China.
[166] Vgl. het Itinerario, in de uitg. der Linschoten-Vereeniging, I, blz. 48 vgg.
[167] Laag.
[168] De "lijk" is het touw waarmede het zeil omboord is. Over het voeren van de fok bij stormweer zie boven blz. 30.
[169] "Af en aan houden": laveeren.
[170] Inlandsch schuitje; ook beneden herhaaldelijk.
[171] Uit deze mededeeling blijkt nauwkeurig van wanneer de versterking der handelsbasis op de Piscadores dateert. Vgl. boven blz. 78.
[172] Singapoor.
[173] Vergaan was.
[174] Niets.
[175] "Setten": voor anker gaan. "Geset": geankerd.
[176] 't Is opmerkelijk, dat het woord "hulde" hier nog in de oude, middeleeuwsche beteekenis voorkomt van: welwillendheid, gunst, genade.
[177] Nl. de zes andere van de boot.
[178] Geslagen.
[179] "Scampan" of "ciampan" (zie boven blz. 86): inlandsch schuitje.
[180] Stukken, waaruit met steenen kogels geschoten kon worden. Te land en voor grootere schepen was dit soort geschut al in onbruik geraakt, maar voor bewapening van kleine vaartuigen is er nog in den loop van de 17de eeuw sprake van.
[181] Revanche.
[182] Kleine kanonnen.
[183] Een en twintig balen gedubbeld zijden garen. Van "fijn getweernd linnen" is bijv. in de Staten-vertaling herhaaldelijk sprake, als in 't boek Exodus aanwijzingen voor het maken van den Tabernakel worden gegeven. Tegenwoordig meest "twijnen".--Een "kanasser" of "kanaster" is een mat of korf van gevlochten biezen, zooals nog gebruikt wordt voor emballage van tabak, suiker en thee.
[184] Ontsteltenis.
[185] Dwars met het boord.
[186] T.w. de in vlammen staande jonk.
[187] Een aardige "volksetymologie" van schipper Bontekoe voor: "korte metten". Hij heeft er elders meer van die kracht.
[188] Versta: voor het anker afzwaaide.
[189] In 't midden van het water; versta: halfweg, in open zee.
[190] Spuigaten, de gaten waardoor het opgepompte water uit het schip wordt verwijderd.
[191] Dreven meer af dan wij (met laveeren en opkruisen) konden winnen.--"Overstuur zijn" en zich of anderen "overstuur maken" behoort mede tot de zeemansuitdrukkingen, die in onze dagelijksche omgangstaal zijn overgegaan.
[192] "Verdubbelen": met een betimmering het schip van binnen onder de waterlijn versterken.
[193] D. i. waterdicht.
[194] Over het leggen van een "wang" zie boven blz. 27.
[195] Nl. de sloep, waaraan men werkte.
[196] Werd nagelaten.
[197] D.w.z. twee glazen lang, dus een uur.
[198] Aan boord was het etmaal verdeeld in vier wachten, elk van omstreeks zes uur:
de eerste- of morgenwacht, van het vroegschaften tot den middag;
de tweede- of dagwacht, van den middag (tweede schaften) tot 't vallen van 't donker (in noordelijke en tropische zeeën tot zoolang de schipper het gelast);
de eerste nachtwacht of voormiddernachtwacht, van het afloopen der dagwacht tot middernacht;
de tweede nachtwacht of hondenwacht, van middernacht tot den morgen.
Later werden zes wachten elk van vier uur ingevoerd. Het tellen en afroepen der "glazen" begon met elke wacht opnieuw. Het "glas" was oorspronkelijk de zandlooper, die achter op de campagne stond en elk half uur gekeerd werd. Tegenwoordig worden de glazen afgeluid.
[199] "Teysing" niet voor Taischöng, d. i. Formosa, doch een punt op den vasten wal; vgl. de volgende blz.
[200] Sloten zich boord aan boord aaneen.
[201] "Napeuren": achterna gaan; vgl. boven blz. 69, noot 3.
[202] "Opgijen"; vgl. boven blz. 44.
[203] T.w. de ankertros.--"Catsje" is Kiatsu, op 22° 53' N.br.
[204] Meer naar land toe.
[205] Te onderzoeken.
[206] Vermoedelijk doordat hij er een pijpje gesmookt had. "Toeback drincken" was alleen boven op het verdek geoorloofd.
[207] Een verdrag gesloten had.
[208] Losprijs.
[209] "Roopaert": affuit van een kanon.--"Bas": zie blz. 92.
[210] Dat zal een stichtelijke Paaschpreek geweest zijn, die in de ijzers werd voorbereid!--Wij lezen anno 1671: "Het is de eenighe taek van de predicanten en krankbezoekers de kerken-dienst waer te nemen. De raet doet hen in achting houden en niet bestraffen in 't bijzijn van het volck, ten waer de misgreep grovelijck waer."--Dat Bontekoe op 15 Februari zijn eersten stuurman en nu weer den dominee in de boeien laat zetten, bewijst dat hij met dat al een streng heer kon zijn.
[211] Vgl. boven blz. 25.
[212] In 't nauw brengen; insluiten en overvallen.
[213] Zie boven blz. 43, noot 3.
[214] Kuiten.
[215] Boven blz. 85; over het fort vgl. blz. 87.
[216] Dit is niet wel mogelijk: het getal schijnt veel te groot, gezien dat Bontekoe zelf met 206 "eters" uitvoer; misschien hadden de beide schepen samen zooveel volk verloren.
[217] In een brief van 11 Mei 1621 had Coen aan de Heeren Bewindhebbers der Compagnie om ontslag gevraagd. Volgens gemeenlijk gangbare berichten vertrok hij van Batavia op 31 Januari 1623, met het schip Dordrecht. Den 19 Sept. 1624 liep hij met vijf schepen in Zeeland binnen. Alleen de peper, welke deze schepen in hadden, werd berekend op 19.000 balen, die voor 45 ton gouds werden verkocht. In het voorjaar van 1627 zeilde Coen opnieuw naar Indië, kwam daar 27 Sept. aan en overleed 20 Sept. 1629.
[218] Over deze kolonisatie op Java is nog weinig bekend.
[219] Om met ons te spreken. "Verspreken" beteekent in de scheepstaal der 17de eeuw ook "praaien".
[220] "Balie": tobbe.
[221] Maakten de stukken vaardig.
[222] Een "totock" is een door de Chineesche overheid aangesteld commissaris of handelsagent. Het woord heeft thans gemeenlijk een andere beteekenis, zooals bekend is.
[223] Op 's lands vloot werden zij die op wacht slapende gevonden waren, volgens de geldende ordonnantiën, enkel voor den mast geleersd, d.w.z. met een eind touw op den blooten rug gegeeseld. Behalve "leerzen" of "laarzen" kende men ook "britsen", 't geen met een dunner touw geschiedde, zonder dat de kleeren werden uitgetrokken. Jongens werden niet gegeeseld, doch ontbloot en met een bos dunne touwtjes of twijgen gekastijd. De Ruyter "condemneerde" eens (in 1664, op 't schip "de Spieghel") vier man, "die haer wacht verslapen hadden, om drie weken lang voor het gantsche scheepsvolck stockvis te beucken"!--Van de ra vallen of loopen (ook: van de ra dansen) geschiedde van een tot zes malen: de veroordeelde moest in de groote mars klimmen en vandaar de ra afloopende zich in zee storten, waarna hij weder werd opgehaald.--Kielhalen is als een zwaardere vorm van deze straf te beschouwen, waarbij de "delinquent" onder de kiel van 't schip door, aan 't andere uiteinde der ra weder werd opgetrokken. Openlijke insubordinatie en muiterij werd gewoonlijk aldus gestraft, of naar omstandigheden ook strenger. Voor mindere ongehoorzaamheid, evenals voor diefstal, werd na ondergane geeseling van de ree geloopen, doch op het stelen van vivres stond als regel 't hangen ("executie met den koorde"). Wie aan boord het mes trok, "in evelen moede", werd, na meestal eerst te zijn gekielhaald en geleersd, met een mes door de hand aan den mast gestoken, waarna hij moest blijven staan tot hij het er zelf uittrok. Nog in 1667 werd deze straf op "de Zeven Provinciën" toegepast. Wie "plockhaerde" of dronken was, werd geleersd en in de ijzers gezet. Wie een ander doodde, werd zonder verschooning bij den doode gelegd en met hem levend over boord gezet; in later tijd ook "gearquebuseerd". Niet zelden ging een lijfstraf met korting der soldij gepaard.--Aldus leeren de artikel-brieven en journalen.
[224] Chineesch regeeringspersoon, gouverneur van een district.
[225] Voor "Mandarijn".
[226] "Uytrechten": beslechten.
[227] Geschil.
[228] Opdat.
[229] Teyowan of Taiwan is de hoofdplaats van Formosa (vgl. blz. 78). Dit had aldus de aanleiding kunnen worden, dat wij daar reeds in 1623 een factorij vestigden. Nu werd het 1624, zooals men weet.
[230] Versta: Nederlandsch.
[231] "Ostagiers": gijzelaars.--In margine staat hierbij de volgende aanteekening: "Manderijns zijn gouverneurs of oversten; dan daer sijn noch manderijns, die onder de opper-manderijn staen van de Provincie: van sulcke schijnen dese drie gheweest te zijn." De eigenlijke beteekenis van het woord manderijn is: raadsheer, minister. Vgl. Linschoten, Itinerario I, blz. 91, noot.
[232] Aan de Vecht, tusschen Loenen en Nieuwersluis, ligt nog een oud kasteeltje Oudaen geheeten. Het Huis Oudaen binnen Utrecht is welbekend.
[233] T.w. de Commandeur met de andere afgevaardigden.
[234] Bemerkt.
[235] In het opschrift is de naam van 't schip van Bontekoe zelf vergeten.
[236] Nogmaals een gegeven voor de nauwkeurige dateering onzer vestiging op Formosa; vgl. boven blz. 114. Het vertrek was aanvankelijk voorloopig.
[237] Een tropische vrucht.
[238] Hier schijnt het journaal te zijn bekort: van 20 Nov. 1623 op 20 Febr. 1624.
[239] Onhandelbaar, bij het overstag loopen.
[240] "Dragende houden": rechtstreekschen, bestendigen koers houden.
[241] Vgl. boven blz. 76.--Hier is weder een bekorting op te merken.
[242] Vgl. boven blz. 69 vg.
[243] Maakten een "slag" of "gang", bij het laveeren.
[244] Afnemende noordwestering. Deze mededeeling slaat op de miswijzing van het kompas; vgl. boven blz. 30.