Joris Komijn op de Tentoonstelling Humoristische schets van Justus van Maurik

Part 2

Chapter 2 3,997 words Public domain Markdown

De Engelsche baar, ziet er uit als een lange toonbank met glazen en flesschen en jongejuffrouwen, waaronder een verkleede jongeheer, daar zullen ze mij niet mee beet hebben, ik zag dadelijk aan 't haar, dat die jongejuffrouw een manspersoon of jongeling was--Die dames vroegen mij iets wat ik niet verstond en daarom zei ik "Jes", want ik wou aan Nadaniël eens laten hooren dat ik toch wel iets Engelsch kon. Daar stonden op eens twee glazen portwijn voor ons. Nadaniël nam er een, zei: "Dank U voor uw vriendelijkheid en dronk het uit op mijn gezondheid." Alhoewel dit niet in mijn bedoeling was, kon ik beleefdheidshalve niets anders doen dan het andere uitdrinken en voor de twee, zestig cents betalen; Deze omstandigheid leerde mij dat de portwijn in de Baar smakelijk en niet zoo duur is als bij de Franschen en dat men nooit "Jes" moet zeggen als men niet weet wat een jongejuffrouw vraagt.--

Ofschoon ik vast besloten had, om niets meer te gebruiken voor ik naar huis ging, kon ik niet nalaten een glas Nectar te ledigen aan het tentje alwaar dezelve wordt verkocht.

Ik deed dit niet uit dorst of snoepzucht, maar in 't belang van Klaas, aangezien dezelve nog geen goud horloge heeft, want al degene die voor 10 cents een glas Nectar drinken, krijgen uit een naaikistje van den eigenaar een bon voor een goud horlogie, namentlijk als het nommer van den bon overeenkomt met dat no. waarop bij de tentoonstellingsverloting de hoogste prijs valt.

Ik offerde dus 10 cents in 't belang van Klaas en daarboven mij zelf op want die Nectar is een vloeistof, die naar niets smaakt, maar oplossend en op de gezondheid werkt. Nadaniël heeft mij verzekerd dat het Gemak en wasch-huisje er naast en de Nectar tent van één onderneming afstammen of companjons zijn die elkaar den bal toegooien. Ik heb er gelukkig weinig last van gehad, door de portwijn die verwarmend gewerkt heeft en mij voor pijn behoedde.

't Werd reeds laat, en wij moesten ons haasten om voor wij naar huis gingen nog het gebouw der Indische stammen en deszelfs inhoud te kunnen zien.

Daar moest ik weer 25 cent betalen, maar Nadaniël riep "pers" toonde zijn portret en betaalde niets, (ik geloof dat ik morgen ook mijn portret laat maken en 't zelfde zeg, dan komt 't mij, al neem ik een dozijn toch nog goedkooper uit).

O! dierbare wederhelft en bloedverwanten! wat ik daar gezien heb gaat alles te boven--aan de deur stond een pik zwart negerknaapje die goed Hollandsch sprekend mij voor 10 cent een boekje wilde verkoopen, dat ik niet nam. Ik voelde in zijn haar omdat het zoo erg wollig en zwart was en ik weten wou of het ook afgaf. De jongen zei "blijf van mijn kop, als jij geen tien centen geven, mag jij niet aankomen"--een voordeelig ventje dunkt U niet?--

Op natuurlijke wijze nagebootst vindt men daar hutten van een soort stroo of bladeren mij onbekend--en daarbij boschnegers die behalve hun bovenkleederen, met verlof gezegd ook hun ondergoed en hun hemd hebben uitgetrokken, de eene heeft een spiksplinternieuwe stroohoed op, maar de andere is met een veel ouderen hoed bekleed. Ze zitten bij elkaar en warmen hun handen aan een kacheltje. Nadaniël vertelde mij in 't geheim dat, ze liever weer te huis in hun bosch zouden zijn en dat ze 't land hebben omdat zij, die hen naar Holland lieten komen, beloofd hadden dat ze Z.M. den Koning waarvan ze onderdanen zijn, zouden zien en dat zij het spreekwoord "veel beloven enz. enz." niet kennen.

De Negerinnen die ik gezien heb zijn precies pijpen Cassano-drop in witte papieren. Behalve Neger-Engelsch spreken ze Hollandsen en weten heel goed wat een rijksdaalder of wat een gulden is. Ze hebben negotiegeest ook, zegt Nadaniël, want ze verkoopen allerlei zaken voor wat ze krijgen kunnen.

't Mulatten kindje ziet er uit als een gepiepte kastanje maar ruikt anders. Over het algemeen heerscht er in het gebouw een variabele lucht, maar niet frisch.

De roodhuiden mijn waarde aanverwanten, kan ik niet beoordeelen daar ik door de jassen, vesten, en broeken waarmede zij overtogen zijn niet veel van hun huid zag, en ik alleen door de veêren op hun hoofd en hun gelaatstrekken gelooven moet dat 't roodhuiden zijn. Evenwel meen ik de een reeds vroeger te hebben gezien als vuureter, die levendige duiven gebruikte in een tentje van 10 cent bij ons op de Kermis, doch dit kan ook een abuis van mijnerzijds zijn, daar wil ik afwezen.

Met leedwezen bemerkte ik dat, nademaal het bijna zes uur was, ik voor heden met de bezichtiging afbreken moest, en daarom gingen wij naar den uitgang aan de van Baarlestraat om te. vertrekken.

Voor dat ik van het terrein ging zag ik nog iets dat mij onaangenaam, en ongepast voorkwam; namellijk een tentje met Bijbels en tractaatjes.

Gij weet mijn waarde wederhelft, kinderen en bloedverwanten, dat ik kerksch en hoewel niet stijl otterdoksch toch behoudend en godvreezend ben en niet velen kan dat een uwer of anderen spotten met God en zijn gebod en daarom keur ik het af, dat men aanleiding geeft om met die zaken gekheid of spotternij te drijven.

Denkt eens aan die man die in het tentje staat geeft aan iedereen tractaatjes of geschriftjes uit, waarop spreuken en teksten staan.

De meesten zeggen niet eens dankje, lachen om 't geen er op staat, of maken er aardigheden op. Dit is begrijpelijk omdat men niet in de stemming is, stichting te ontvangen. Alles op zijn tijd, zeg ik, de Bijbel en de tractaatjes in de kerk en te huis, maar op de tentoonstelling hoort zoo'n tentje niet, al was 't maar alleen om de aanleiding die 't geeft tot spotternij. Zijt gij dit niet met mij eens geliefde familieleden?

Naast den Bijbeltent is men bezig een café-chantant te bouwen. Overwegende dat ik niet wist wat een café-chantant was en Nadaniël mij een oogenblik verlaten had tot bezichtiging van de Turksche bazaar, hoewel ik vermoed hij meer de mooie witte tanden van de dame die er verkoopt bekeek, dan wel de uitgestalde goederen, zoo wende ik mij tot een heer die bij de Bijbeltent scheen te hooren om uitlegging wat of ze er naast aanbouwden.

O, geliefde vrouw en kinderen, volgens hem moet het een plaats der zonde zijn, alwaar lichtvaardige liederen worden gezongen en bij snarenspel en fluiten verderfelijke dansen worden uitgevoerd, door dames en balletdanseressen die voor jongelingen hunne verstrikkingen uitspannen. Ik ga er dus in geen geval heen, al mocht de salon gereed zijn voor mijn vertrek.

Ik kon niet nalaten op te merken, dat hier alweder de wereldverordening zichtbaar is, dat zonde en braafheid steeds naast elkander gevonden worden. Bovendien trof mij de aanwezigheid van het Mohamedaansche geloof, (Tunis) aan den anderen kant. Dit toeval is treffend. De zonde en de lichtvaardigheid tusschen Christus en Mahomet. Ook de bakkerij van de "Voorzorg" is daartusschen bemerkbaar. Daar heb ik mij verlustigd, namentlijk zoowel in het overheerlijke krentenbrood, dat men er geniet, als door het ouderwetsche huisje, dat zoo natuurlijk gemaakt is alsof het leefde. Bij ons en in Enkhuizen ziet men er verscheidene zoo, diensvolgens alle eer en lof aan den bouwmeester, maar de bakkerij is ook niet versmadelijk om te zien, door de vlugheid der bewerking en de zuiverheid, benevens de netheid der bakkers.

Wij reden dus met de tram naar huis, waar Klaas mij opwachtte met hartelijkheid en osselappen met aardappelen en spinazie die mij na de vermoeienis goed deden.--Morgen ga ik vroegtijdig weer naar de Tentoonstelling. Als Klaas vrij af krijgt gaat hij mee en ook Nadaniël.

Vaarwel, ik verblijf uw waarde echtgenoot, vader en bloedverwant.

JORIS KOMIJN.

P.S. Denk er om 's avonds het geld uit de lade te nemen en keer de kazen in den kelder.

* * * * *

Tweede Dag.

AMSTERDAM, Mei 1883.

_Geliefde wederhelft kinderen en bloedverwanten!_

Heden had onze Klaas een vrijen dag, aangezien zijn patroon, mij als vader willende vereeren, hem verlof gaf mij te vergezellen, ook Nadaniël heeft zich tot ons gevoegd.

Om te beginnen meld ik u, dat wij te voet naar de tentoonstelling wandelden, waardoor ik gelegenheid had eenige der schoonste gedeelten der stad met bewondering te zien, zooals de bogt van de Heerengracht, de Vijzelstraat, de Reguliersdwarsstraat, de groote Broodfabriek, het Wale Weeshuis en meer andere straten.

't Eerste wat mij opviel toen ik het terrein wilde betreden was dat ik nu een gulden moest betalen voor intrée, zoowel voor Klaas als voor mij zelven; te samen twee. Nademaal ik den vorigen dag maar 50 cents had betaald, maakte ik aanmerking tegen de kioskjuffrouw die zich evenwel niet wilde laten afdingen, zeggende dat er geen kwaad geld bij was. Ik betaalde dus met een zuchtend gemoed.

N.B. Zend mij cito een bankje van f 25, maar aan geteekend. Adres den heer J. Komijn, Singel over de Appelenmarkt boven de kruier, 't geld raakt hier veel gauwer op dan in Medemblik; maar dat is minder, 't is Goddank aanwezig.

Ik vervolg mijn dagreisboek.

Met aandachtige eerbiedigheid beschouwde ik op het buitenterrein het standbeeld voor de gevallenen in Atjeh, met bescheidenheid opmerkende dat dit beeld heel mooi is en overdenkend welk beeld wel passelijk zou zijn als de oorlog met de Atjineezen voor goed uit is, 't mag dan nog wel eens zoo mooi en groot zijn. 't Zou zwaar verguld moeten worden ook zegt Nadaniël, om te herinneren aan de batige saldo's die de Atjehkrijgen gaf.

De Heer Jan Pieterszoon Koen, ook figuurlijk voorgesteld door gips, staat voor de Koloniale afdeeling en wijst met zijn rechterhand naar den grond, alsof hij zeggen wil: "Hier is het, de tentoonstelling." Jan Pietersz. Koen zal u nog wel bekend zijn, als de uitvinder van Batavia uit het stuk van Van Lennep, dat de rederijkers te Medemblik in den verloopen winter zoo mooi hebben opgevoerd.

Voor dat ik in de Koloniale afdeeling binnentrad, heb ik met mijn gezelschap nog verder het buitenterrein bezocht, namentlijk die contrijen waar ik gisteren niet aan toe kwam. Eerstens de Indische huisjes waarbij stallen met karbouwen, Oost-Indische paardjes wagentjes enz. enz. enz. Aangezien de huisjes met matten dicht waren gemaakt, en ik niet onbescheiden wilde zijn heb ik er niet ingekeken, maar Nadaniël, luisterde niet naar mijn vermaning en ging er toch in, hij zegt de "pers" is nooit onbescheiden en 't is haar roeping overal den neus in te steken. Ik vermeende het anders en hield Klaas terug, hem medenemend naar een groen geschilderd huisje voor de bloemen enz., hetwelk wij dadelijk weer verwisselden voor het pavieljoen der stad Parijs dat evenzeer door sluiting uitmunt en ons deed streven naar de machinegalerij die nog niet gereed is, maar gedeeltelijk als geraamte zichtbaar, waarover ik mij troosten moet, want bijaldien ik de machines en de galerij in werking zou willen aanschouwen moest ik hier minstens nog een maand blijven, iets wat onmogelijk is, eerstens door de zaken, tweedens door het vele geld dat ik zou moeten verkwisten wat mij bij mijn beperkte vermogens niet past.

We zijn derhalve de machines die er nog niet zijn voorbij geloopen en hebben een koffiehuis ontdekt dat de Bomarsjee heet, een naam die "goedkoop" beteekend. Door de wandeling was ik al weder dorstig en daarom hebben Klaas Nadaniël en ik aldaar een glaasje bier genoten, dat niet duur was en overheerlijk.

Het terrein in dien omtrek is vervaardigd van zand. Men heeft mij ingelicht, dat dit zand eene eksposietsie van de woestijn Sahara is, in verbindtenis met een pakkisten fabriek en een stroomagazijn, en daaraan is het waarschijnlijk te danken, dat men zoo moede wordt van het loopen en zoo droog in de keel; derhalve is de Bomarsjee een publieke weldaad.

Terwijl wij daar eendrachtiglijk zaten vermeende ik weder thuis te zijn in de achterkamer, want ik hoorde duidelijk onzen buurman Salie zoethoutstampen. Ik vroeg dus aan Klaas "Is hier een drogist in de buurt?" waarop hij mij met verwondering antwoordde "Neen vader, maar ik hoor het stampen ook en zelfs duidelijk hoe de stamper eerst dof op 't zoethout stoot en dan tusschenbeiden tegen de rand van den vijzel klinkt. Nademaal er echter geen drogist of apteker in die contrije te bekennen was bemerkten wij dat het geluid, waarop ons oor viel, van de Gamalang kwam. Daar ik nu evenmin als gij, dierbare aanverwanten, wist wat de Gamalang is, wendde ik mij tot Nadaniël die mij uitlegde, dat het een Indisch orkest is dat speelde. Overmits dit merkwaardig genoeg ter bezichtiging en beluistering is, gingen wij derwaarts en geef ik u als volgt de duidelijke beschrijving van deze muziek. Bruine Javanen en Maleiers zitten op hun hurken en spelen op allerlei wonderlijke dingen. Twee vergulde canapees met vertinde braadpannen worden met stokken door hen beslagen; een paar groote tinnen soepketels hangen in de perspektief aan een mooi geschilderde en versierde galg en aan een dito dito hangen huisschellen. Nu en dan beukt een chocolaadkleurige man met een onverschillig gezicht daarop, terwijl anderen met hamers op voetenbankjes slaan, waarop stukken hout en ijzer liggen, die muziekgeluid voortbrengen. Een maleier met een zwart gezicht, verhelderd door een grijze snor, piept op een fluitje van riet en een ander strijkt over een soortement basviool met twee snaren, dewelke een geluid afgeven zooals onze poes maakt als zij op 't dak zit.

Dan is er nog een trommel, waarop een Javaan nu eens hard dan weer zachtjes slaat met de vlakke hand en somtijds een geluid verschaft evenals de hond van Arie Bakker als hij met zijn stompjestaart op den houten vloer kwispelt. Nog meer instrumenten zijn er die ik niet beschrijven kan. Alles is buitengewoon met kleuren beschilderd en met goud verheerlijkt,--prachtig! zoodat ik voor mij alleen overwegende zeggen moest dat het nog ruim zoo mooi is om te zien dan wel om te hooren.

Ik heb een knoop in mijn zakdoek gelegd om het geluid goed te onthouden, daardoor ben ik nu in staat om u het genoegen te verschaffen met de kinderen te huis den Gamalang te hooren, zonder de onkosten van 25 cents entreé, als men geen pers is.

Waarde wederhelft en kinderen, luistert nu goed naar 't geen ik schrijf:

Neemt het Theeblad van de bovenkamer, zet er behalve het gewone theegoed een stuk of wat bier- en wijnglazen op haalt uit de keuken een vertinde pan en een talhout benevens de blikken theestoof. Vervolgens een leeg botervaatje uit den winkel en de koperen kettingen van de weegschalen, verder nog uit de keuken, de vijzel en de koffiemolen.

Let nu goed op. Een van u lieve kinderen! moet het theeblad zachtjes heen en weerschudden, zoodat alles rammelt en rinkelt, nu eens hard dan weer zacht. Laat moeder met de eene hand op den bodem van het botervaatje slaan en met de andere, met 't talhout op de vertinde pan, dan kan zij van tijd tot tijd de blikken theestoof met den voet omschoppen, terwijl de loopjongen, aan de voordeur, de winkelschel zachtjes laat bellen.

Wanneer Jantje dan op zijn blikken fluitje blaast zoo: "tuut, tuut, tuurelureluut, tuuteruteruut, tuluut! en Pietje zijn muziektol aftrekt en daarna de koffiemolen draait, kan de meid, in den vijzel, wat beschuit stampen en de koperen kettingen laten rammelen--tot afwisseling.

Wanneer ge nu niet te gelijk begint en ongelijk weer uitscheidt, hebt ge als twee druppelen water de muziek van den Gamalang.

Behalve de mannelijke spelers vindt men ook in de Gamalang nog vrouwelijke dansmeisjes, die Tandakmeiden heeten. Alhoewel ik vroeger vermeende dat dansen met de beenen geschiedde, ben ik nu overtuigend verzekerd, dat het in de Oost met de handen gebeurt, want de Tandakmeiden bewegen alleenlijk de handen en armen, die zij met vreemdheid verdraaien.

Het mooiste aan haar is het hoofdstel, dat ik op een goede honderd vijftig gulden aan oud zilver en goud stel, terwijl hare bekleedselen zijn, zooals de schrift zegt--"vol gestikt met rood goud en de kostelijkste sieradieën," maar desniettemin zet de eene een zuur gezicht en kijkt de andere mankoliek, eene omstandigheid die ik aan het klimaat van de lucht, als onpasselijk voor haar, toeschrijf.

Klaas vond het nochtans mooi en een heer die naast ons zat, zei dat er minstens evenveel melodie in de Gamalang was als in de Wagenaarsche muziek, dat wij alleen maar niet begrepen wáár de melodie zat, en dat men eigenlijk zoo'n Gamalang in Indië moet hooren op een verren afstand met warm weer en dan slapend.

Ik voor mij waarde wederhelft en verdere aanverwanten! hoor even lief een draaiorgel als 't met gevoel wordt bespeeld, of de voorzanger van de groote kerk wanneer hij niet verkouden is.

Daar we nu toch eenmaal aan het muzikaal genot bezig waren hebben wij ook het Theelefoon huis bezocht, al waar men door middel van de elektriek van de lucht een concert dat aan het Tolhuis wordt gegeven op de tentoonstelling kan verstaan en waarnemen.

Beste vrouw en kinderen, dit is een wonder der natuur waarbij ik verbazend stil stond. Weet gij wat de Theelefoon eigentlijk is. Neen niet waar! daarom heb ik mij er omtrent doen inlichten, dat het een toestel is, dat de spraak der menschen door den electriek overbrengt op onbepaalde afstanden, onmiddelijk antwoord gevende per zelfde gelegenheid. Nadaniël had mij reeds verteld, dat wanneer men met verlof gezegd in de Theelefoon "niest" men onmiddelijk uit Azië, Amerika, Hoorn, Engeland Buiksloot en alle andere werelddeelen hoort zeggen "wel bekome 't u," ik meende dat Nadaniël overdreef maar nu ik de Theelefoon heb gehoord kan 't wel waar zijn. O! dierbare bloedverwanten 't is bepaald eenigszins tooverachtig. Denk eens aan, men komt in de _Auditions Telefoniques_ (NB) de directeur heeft den naam voor mij opgeschreven, 't Is er keurig netjes en doodstil; men neemt twee groote ijzeren oorlepels houdt die aan de ooren en men geraakt op eens in verrukking door de vroolijke Tolhuis-muziek.

Ik heb mij alles natuurkundig door den vriendelijken heer, die directeur over het huis is, laten uitleggen en ik deel ter uwer ontwikkeling hetzelfde mede, luistert dus:

Het instrument bestaat uit een electrieken magneet in een mahoniehouten kast, en een dito dito in twee groote oorlepels één aan het Tolhuis en één _te_ Amsterdam. Wanneer nu aan het Tolhuis het orkest bespeeld wordt, trekt de magneet het muziek aan; de electriek brengt het over de gespannen draden naar Amsterdam en als gij dan den magneet aan uw oor houdt, trekt uw gehoorvlies de muziek weer uit den magneet in uw hersens waardoor het u duidelijk wordt wat men speelt. Mij dunkt nu zult ge goed kunnen begrijpen wat de Theelefoon is en bewonderend stilstaan voor dit wonder der schepping, waaruit wij al weder de macht der Natuur en de ondoorgrondelijke wijsheid der Voorzienigheid vernemen, dankbaar dat ons deze wonderen worden geopenbaard door de dochter van Madam Angot, die men aan 't Tolhuis liet spelen, raakte ik in vroolijke stemming.

De muziek was overheerlijk, maar ik vroeg of een stichtelijk lied ook over de draden ging en de vriendelijke heer theelephoonde naar de muziekanten, die "Uren, maanden, dagen, jaren" aanhieven, 't welk ik tot mijn verwondering eveneens met de grootste natuurlijkheid hoorde wederklinken en daarom met hoedafneming eerbiediglijk meezong. NB. Als men de Theelephoon niet aan de ooren houdt, is het geluid niemendal, een omstandigheid die nuttig is als men zaken wil zeggen die geheim zijn voor anderen.

Ook de wassenbeelden muziek uit het Panopticum zal men in de Theelefoon kunnen hooren en al zoude het ook mijn laatste kwartje kosten, dit kunstgenot moet ik nog eens smaken, want ook de ziel stemt daardoor tot nadenken en eerbied voor de kwartgulden, dat heel goedkoop is heeft men wel drie gulden genot.

Klaas heeft gehoord, dat er ook een verbinding zal gemaakt worden met het Café-chantant, dit is jammer. Bij natuurwonderen behooren geen lichtvaardige liederen en ik zou mij schamen als ik de onwelvoegelijke dansen in mijn hersens trok door den electrieken magneet. Nadaniël beweert, dat het Café-chantant niets onzedelijk is en dat ik er heen moet gaan, omdat niemand het verzuimt. Waarde bloedverwanten, als ik het goed overdenk _moet_ ik er toch wel naar toe, om Klaas er desnoods voor te kunnen waarschuwen als 't al te erg is. Morgenmiddag wordt het geopend en ik ga er heen, niet om mijnentwille maar om Klaas; hij is nog zoo jong en onervaren. Nadaniël is reeds door de wol geverwd en wil mede. Hierover nader. Voordat we het terrein verlieten zijn we nog in de Indische Kampong geweest, waar allerlei soorten van loofhutten staan, zooals bij ons, Simon de slager voor zijn huis zet, als 't loofhuttenfeest is. Evenwel de Indische loofhutten zijn veel grooter, mooier en hooger op de pooten, ook bemerkt men onder dezelve een Indiaansche brug van bamboes, zeer mooi gebouwd en eigenaardig om te zien.

Als alles daar beplant is en er menscheneters, koppensnellers en ander dergelijk gedierte in hun natuurstaat vertegenwoordigd is, zal de belangrijkheid toenemen, vooral als er zooals Klaas beweert gelegenheid komt om de Indi-sche Rijsttafel te gebruiken ineen der gebouwen, dat zooveel als een restoraatsie wordt.

Al wandelende viel ons oog op het Maastrichtsche bier hetwelk wij met een bezoek vereerden en dat ik, nademaal Klaas en Nadaniël beiden verzekerden dat, dit Bier een volksdrank moet worden met oplettendheid heb onderzocht.

Het Maastrichtsche bier is uitmuntend voor den dorst en vindt veel aftrek voor de liefhebbers, ik geloof dat het ook erg gezond is. Voor mij partiklier beste vrouw beviel het niet. Nadaniël zei mij dat het 't oudste bier van Nederland is en dat 't daarom zoo zuur smaakt, min of meer naar zure appelen, waarvan het ook de werking op de ingewanden heeft.

Hoe verschillend de smaken zijn in het menschelijk leven ziet men hier alweder ten duidelijkste want er worden groote hoeveelheden van gedronken.

Met suiker er in, moet een goed voorbehoedmiddel voor de cholera zijn zegt Nadaniël, die liever Pilsener drinkt al is het duurder. Hij zegt het Pilsener van Fisslthaler is het lekkerste bier van de heele tentoonstelling en de bediening in zijn biertent laat niets te wenschen over.

Behalve het gebouw van 't Maastrichts vindt men daaromtrent nog het huisje van den Volksbond tegen drankmisbruik, dat heeft men met wijsheid ver van de restoraatsie die "Vergunning" hebben en heel ver van 't likeurenhuis van de erven Lucas Bols gezet om geen ruzie te maken.

Aperpo van Lucas Bols; morgen ga ik er naar toe. Ik heb een uitnoodiging gekregen om de likeuren te komen proeven en zal u waarde echtgenoote, omdat ge zooveel van aniesette en kurassou houdt, de smaak der likeuren duidelijk beschrijven, dan hebt ge er toch personeel ook iets aan dat ik hier ben; daarover dus nader.--

Voor dat ik besloot om het binnengedeelte der tentoonstelling te gaan zien, heb ik nog een oppervlakkige wandeling gemaakt over het terrein om alles wat ik nog niet had gezien, goed in mijn geheugen te prenten. Ik merkte de tent op waar allerlei artiekelen worden verkocht ten voordeele van de _Weezenverpleging in het huisgezin_. Veel menschen loopen er voorbij omdat zij gelooven dat alles er schreeuwend duur is. Waarde echtgenoot en kinderen! ik ben overtuigd geworden van het contrarie; ik kocht er voor de kleintjes een verrassing en was zeer tevreden over de billijkheid der prijsberekening. Dit is een natuurlijk gevolg van de welwillendheid der menschen die de artikelen meestal kado gaven, zoodat ze goedkoop kunnen worden verkocht. Zeg dit aan Kees Vrieman die met zijn vrouw naar de tentoonstelling wil, dan kan hij ook iets koopen goedkoop en voor een goed doel.

Zoo vindt men ook nog een tent voor verminkten, dat wil zeggen een kiosk, waar men iets geven kan voor menschen die door een of ander ongeval een lichaamsdeel hebben verloren. Men vindt er kunstarmen en beenen; ik heb 't adres opgeschreven van den maker, men kan nooit weten waar 't goed voor is, als men een groot huishouden heeft,--ook met het oog op u waarde vrouw! die dikwijls zoo'n geweldige rimmathiek in den rechterarm heeft, waarvan het eind en de gevolgen nog niet te overzien zijn.