Johan Doxa: Vier herinneringen aan een Brabantschen Gothieker
Chapter 5
--"Ik geloof niet," mijmerde hij, "dat er voor mij in dees Klooster eene uitkomst is. Ik ben te zeer beladen met zonden. Van het drooge brood, dat men mij als een prop in de keel zal steken, spreek ik niet. Maar het pompwater? Wanneer ik zal tot op de pees uitgedroogd zijn, en wanneer ik zal bezig zijn mijne ribben te tellen, wat rest mij dan nog dan dood te gaan? Ik kan mij nauwelijks inbeelden dat Onze-Lieve-Heer zich meer wil erbarmen over een pannelikker dan over een smeerbuik. Maar Zijne inzichten zijn verborgen en ik ben inderdaad door en door slecht. Ik zal bidden om veel moed te krijgen, en God helpt niet waar men zijn eigen niet helpt. In deze gevangenis zal ik wel eene spinnekop vinden, en ik wil ze tam maken en haar allerhande kunstjes aanleeren. Het lieve dier zal mijne gevangenschap bekoren. Ik zal een aardig wagentje bouwen waar ik haar inspannen kan. Zij zal aan een fijne draad 's nachts komen hangen boven mijn aangezicht. Ik houd niet veel van muizen, anders zou 'k gaarne ook een muisje dresseeren. De staart van eene muis is zoo vies dat ik er niet aan denken durf. Ze zullen mij waarschijnlijk groote latijnsche boeken geven om in te lezen. Roode en zwarte letters zijn mooie dingen, maar ik zal toch niet lezen in zulke boeken, vrees ik. Zullen ze ook een doodshoofd aan mijn voeteinde leggen? Er zijn twee dingen die ik, behalve een doodshoofd, voor mijne oogen niet verdragen kan: een zeisen en een zandlooper. Ik heb mijne pijp thuis gelaten. Dat is heel goed zoo, Johan. Die menschen weten van geen tabak te spreken. Altijd wierook, altijd wierook. Wanneer mijne retraite uit is, hoop ik dat Anatole mij weer eene van die dikke sigaren mag geven, gelijk de oude heeren smooren in de _Shop_. Maar ach! ach! ik zal nooit van mijn leven meer kunnen rooken!... Morgen komen ze met koorden aan en ik zal mij moeten kastijden ten bloede. Ze zullen azijn over mijn mond gieten. Ik zal blootsvoets naar de kerk gaan.... Wanneer heb ik den laatsten keer mijne voeten gewasschen?"
Hij lag zeer rustig. Er zweefden nog twee drie lichte gedachtekens voorbij en hij fluisterde:
--"Sakkerloot...."
Toen sliep hij vast in.
* * * * *
De Kloosterklok was bezig met volle geluid als Johan Doxa wakker schoot. De cel was vol licht, alsof daarbuiten een liefelijke Lente gebeurende was. En waarachtig: door 't kleine raam zag Johan een stuk hemel heerlijk-blauw, bespot met witte krullende wolkjes en overstraald met zonnegeweld. Hij ging op zijn bedde staan en keek uit langs het venster. Wat zag hij daar voor moois?...
De binnentuin van 't Klooster lag vierkant tusschen de met mos en veil begroeide gevels te leven in prachtig kleurengedoe. Er was veel laag groen waar zes ronde perken tulpen bloeiden. Net geteekend en effen van verve, ringden er omme de safraangele kiezelpaadjes. Van uit Johan's venster, leek de tuin een vurige rozet, gelijk men er vindt op bonte ramen van kathedralen. Als een bruine mier kroop een pater-hovenier er over. Zijn rozige schedel was gepolijst.
Toen werd Johan Doxa vervuld met eene eindelooze vreugde.
--"Hee-la!" riep hij luid.
Hij schrok bij den klank van zijne stem en trok zich schielijk terug. Daar zag hij een rosten capucien op de zuil van zijn celletje staan.
--"Goeden morgen," zei de capucien minzaam, "ik ben de pater-hotelier."
Van uit de hoogte waar hij zich geheven had, keek Johan Doxa hem aan, plotseling duizelig wordend. Langzaam hurkte hij op zijn bed neer, in de meening dat zulke trage inkrimping wellicht ongemerkt kon gebeuren en hem maken tot een fatsoenlijk mensch van normale grootte. De capucien stond goud-rost als een najaarsmiddag. Zijn kastanje-oogen blonken in een besproet gelaat dat weelderig was omhangen met een baard van duizend kurkvormige krullekens. Het was alsof een late zon schuin aanglom over heel dat harig hoofd, en over 't gele haar ook van zijne sterke handen. De capucien was dik en wel te pas.
--"En wat zoudt gij nu willen eten?" vroeg hij.
--"Willen eten?... Ha! willen eten, zegt gij...."
--"Ik heb hesp en Zwitsersche kaas en goede boter en roommelk. De koffie is klaar. Maar ge kunt ook thee krijgen. Onze thee is niet al te best, moet ik zeggen."
Daar de pater-hotelier glimlachte, lachte Johan Doxa mee. Hij lachte gedwongen, al peinzende: "dat is een geestige keukenbroeder, die aardige namen aan zijn pompwater geeft."
--"Ik zal koffie gebruiken, en hesp of zoo...." zei hij gekscheerend.
Maar hij viel niet omver van verbazing, toen, na de korte vroegmis, de heerlijke pater-hotelier hem voor een frisch-blanke tafeltje deed aanzitten, waar een soliede ontbijt was opgediend. Johan Doxa, moet ge weten, is nooit in zijn leven zoo verbaasd geweest dat hij ervan omver zou vallen.
* * * * *
Na drie dagen besloot Johan Doxa de overtuiging te aanvaarden, dat een retraite bij de Franciscanen eigenlijk behoorde tot een der aangenaamste tijdkortingen van de wereld. Hij kon zonder moeite gehoorzamen aan de regels van den huize, volgde gewillig alle kapeldiensten, hanteerde zoetekens zijn dikken paternoster en bladerde devotelijk in zijn kerkboek. Dagelijks moest hij een apart en stichtelijk sermoontje hooren van pater Hilarius, en hij deed het zooals een zieke de siroopdrankjes van den doctor inneemt. Maar zijn groote vrienden waren de kale pater-hovenier en de haar-rijke pater-hotelier.
Den pater-hovenier hielp hij de vele tulpen verzorgen in den zymetrieken tuin. Hij reekte en sproeide en weerde het kleine woekerkruid. Ze verstonden malkander goed, ofschoon de oude capucien geen woordje sprak en alles zwijgend te beduiden gaf met bevende gebaren van zijn voorzichtige hand. Te zamen versierden zij met klaterende bloemen de Lente die in den tuin van dag tot dag gulziger aan het leven ging.
De pater-hotelier echter zat in het hart van Johan Doxa gelijk op een troon. Hij was ook de majordoom van zijne maag. Hij kon dingen bereiden die de herinnering aan de geuren van de _Curiosity Shop_ geheel uitvaagden. En hij had een wijnkelder. De retraite-verordeningen, zooals de pater-hotelier ze uitvoerde, waren zoet om dragen en indien God-de-Vader uit den hemel op Johan in dien tijd heeft neergezien, dan heeft hij moeten vaststellen dat deze boeteling zich gedwee aan al de gestrengheid der orde-geboden heeft kunnen onderwerpen. Een voortreffelijk berouw was blijkbaar het mystieke sieraad van zijne ziel, want het geweten van Johan Doxa was nu geleedelijk zoo rustig geworden, dat--om het met een stoffelijk beeld uit te drukken--zijne broek buiten alle verhouding te spannen begon.
De zevenden dag besloot pater Hilarius zijn familiaire preek met een voorstel dat Johan in verrukking bracht. Hij sprak:
--"Ieder moet den Heere loven naar zijne vermogens, mijn zoon. Even eerbiedwaardig als het statige lied van den nachtegaal, klinkt in zijne ooren de drooge roep van den krekel. Al wat ter eere van God opgaat in dank, behaagt Hem uitermate. Daarom dunkt mij, Johan, dat gij zoudt moeten denken aan het werk, waarmede gij Hem naar uwe beste krachten huldigen kunt. Ik meen bij voorbeeld--een schilderij...."
De tranen schoten Johan in de oogen. Hij omhelsde den pater niet, omdat hij zelden iets deed, waartoe hij vast was besloten.
* * * * *
Johan Doxa miek een schilderij. Het moest naar het aanvankelijk ontwerp, worden een beeld ten-voete-uit van den Heiligen Franciscus en het zou op den grooten outer van de Kloosterkapel prijken. Maar het werd een kleine Jesus, blond en rozig, gezeten op een kussen van weidebloempjes, de eene hand rustend op een blauwen wereldbol, de andere zegenend ten hooge geheven. Het hangt thans links in het kerkje, rechtover den preekstoel, als een ex-voto van blijvende schoonheid, voor alle tijden....
* * * * *
Terwijl Johan Doxa bij een hoog raam aan het schilderen zat, kwam de pater-hotelier op geregelde uren met hem een praatje doen.
Bij voorbeeld bracht hij hem een bruin-geboterd kipje en zei:
--"De pater-hovenier is nu met jacynthen bezig. Ik houd in het geheel niet van hem, Johan."
--"Ik hoop dat ge u vergist."
--"Ik houd niet van wat hij is, wil ik zeggen. Hij is een vrijheidschender. Hij zet al de lieve bloemen in perken, gelijk men kinderkens in kerkers zou steken."
--"Bloemen voelen dat niet. Zij bloeien maar...."
--"Wie weet? Vogeltjes sluit men ook op, en zij zingen maar...."
Johan liet zijne vork op den rug van het kipje rusten en keek verwonderd naar den pater. Hij dacht aan een vinkje dat hij overlang bezeten had en dat in zijn kooi was doodgegaan. Werktuigelijk zei hij:
--"En een eekhoorn houdt men wel eens in een traliëntrommel gevangen, en hij danst maar...."
Hij wendde zijn aangezicht naar 't open venster en blikte in het wijde azuur. En de pater vroeg:
--"Hebt ge geen eetlust, beste Johan?" Neen, hij had geen eetlust. Hij hoorde verre geluiden over den hemel gaan. En het werd hem ineens zoo droef te moede, zoo droef te moede, zoo eindeloos droef te moede....
* * * * *
Op een zondag-avond, na 't lof, lag Johan Doxa in zijne cel, op het nauwe ijzere bed. Het Klooster sliep. Johan lag met open oogen tusschen denken en niet denken. Was dat mijmeren? Was dat rusten? Voor de eerste maal sinds zijne aankomst bij de paters, lag hij zoo en glariede in de duisternis. Er kwamen geen beelden op, maar iets heel warms, gelijk eene onzichtbare pels, omdoezelde hem gansch. Zijne voeten en zijne handen gloeiden, en langzaam vergingen ze in donzigheid, en hij zou ze niet kunnen verroeren, want had hij nu nog handen en voeten? Hij voelde zijn eigen niet meer.
Het vensterken was niet dicht. Hij hield hel open omdat, van af eergisteren al, een zwaluwenpaar hier rond vleugelde, een hoekje zoekend om hun nest te bouwen. En van heel wijd naderde hem een wolk van wattige gepeinzen, tot hij, buiten alle verwachting, werkelijk te denken begon.
--"Van waar komen toch die zwaluwen, ieder jaar?"
En de wolk dreef op, in langzame vaart. Ze zweefde over lage landouwen, over steden en dorpen, over wouden en stroomen, over bergen van groen en bergen van sneeuw, en dan daalde ze glijdend en voer over zee, de matelooze, ruischende zee.
Plots ontlook in de stilte een verre muziek. Ze breidde zich uit en ontwikkelde allengerhand zeer hoorbaar hare blijde cadensen. Ze vulde weldra de lucht met zwellende klankondulatiën, en Johan kon eindelijk herkennen wat daar een fluit deed, een klarinet, een koperen hoorn, een brommende trombone, en al zulke plezante tuigen meer. Een trom klopte de rythmen. 't Werd kermis, kermis in de stad--kermis in de ledige ziel van Johan Doxa, die, met één schok, zijne handen weerkreeg, en zijne voeten.
Hij zag nu, alsof hij er bij meehuppelde, den ommegang van de fanfare in Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje-wijk. Hij zag de kinderen dansen, hij snoof de vetwalmen der oliekoeken en den stikkenden rook der fakkels. Hij zag de ruiten der herbergen branden en flappende vlagen kleuren in den gloed. Hij zag de mannen en de vrouwen....
Hij zag de vrouwen. God vergeve hem, hij zag ééne vrouw, eene met krullekens voor hare slapen en die, met bloote armen, twee schuimende pinten geuslambik bood.
--"Wilt ge meedrinken, als 't u belieft?" vroeg Johan.
En ze zei terwijl ze op hem afkwam met den tooghanddoek:
--"Ge hebt u een beetje vuil gemaakt, geloof ik."
Hare stem was wonderzoet. Nu naderde ze minzaam en lachte in zijn aangezicht. En Johan draaide zich gauw om in zijn bed, vatte wanhopig zijn hoofdkussen in beide armen, en pletterde daar zijn mond tegen, om 't huilen te smoren dat onweerstaanbaar uit zijn hart opjoeg.
--"Moeder! Moeder! Moederken!..." kloeg hij.
En dat duurde een heelen tijd zonder dat het baatte.
Toen het schilderij af was, verklaarde Johan Doxa dat de retraite hem voor goed van al zijne slechtheid gezuiverd had en vroeg hij om zijne uiterste biecht te zeggen. Met één woord: hij wilde uit het klooster weg.
Pater Hilarius hoorde de biecht, een mooien middag van April, even voor vespertijd. Johan ging met hem in de schoone Kapel, knielde voor den outer en verdween in het donkere hokje, waar hij, tegen een plank met gaatjes, woorden prevelde in het oor van zijn biechtvader. Dan moest hij onder het groote Kruis-Lieven-Heer gaan liggen en met zijn voorhoofd lang die koude vloertichels raken. Eindelijk hoorde hij de vespers zingen. 't Was uit. Hij nam afscheid van de Kloosterlingen, waaronder velen hem liefdelijk behandeld hadden. Hij nam met melancholische hartelijkheid afscheid van den ouden pater-hovenier, die hem drie zeldzame begoniabollen ten geschenke gaf. En zijn gemoed kwam nog even vol toen hij in de vestibule afscheid nam van den gulden pater-hotelier, die zijne zware handen op Johan's schouders legde. De pater-hotelier zei:
--"Vaarwel, lieve vriend. Ik zal steeds u in mijne gebeden herdenken. Van menschen zooals gij, Johan, gewaagde Krist toen hij ergens de Pharizeërs toeriep: "Laat af, gij die schraapzuchtig zorgt voor den dag van morgen!" God, toen hij de Toekomst schiep, schiep ook de Voorzienigheid, en beide blijven in Zijne handen. Ga, Johan, onbekommerd uwen levensgang. God spijzigt de vogelkens van uur tot uur. Waarom zou Hij u niet spijzigen?"
Hij drukte Johan in zijne armen en zegende hem....
Daar stond met zijn zwarten baard en rozig gezicht, de goedige pater-poortier vergeefs zijn best te doen om in de schaduw van pater Hilarius te verdwijnen. Johan hoorde zonder ongeduld een laatste sermoen, een klein deur-sermoentje maar, vol liefelijke en lichte dingetjes, gelijk van een chirurgijn, die een patiënt op krukken doorzendt, waarvan hij een been of zoo heeft afgezaagd. Dan stopte pater Hilarius hem een papieren omslag in de hand en fluisterde, half-wegloopend:
--"Van den prior ... voor het schilderij ... adieu! adieu!"
De hooge poort schoof langzaam open. Een geweldige adem sloeg Johan tegen de borst. Hij wankelde. Hij had willen een glasje water drinken terstond, en hij besloot om een glasje water te vragen....
Maar hij kon nooit iets doen, waartoe hij besloten was. Hij stikte. God! wat een ontzaglijke lucht hier!... De poort ging dicht. Johan Doxa stond buiten.
* * * * *
--"Pouah! chéri, hoe ruikt ge zóó naar den wierook?" Twee heerlijk-zwarte marolle-meisjes zaten nevens Johan Doxa, aan weerskanten, op de nauwe bank van de friture-kroeg. Johan had kennis met haar gemaakt op de Hoogstraat, zoodra hij had ondervonden dat het paketje van den prior eene banknoot van honderd frank bevatte. Eigenlijk had hij met iedereen willen kennis maken. Althans lachte hij vriendelijk elken voorbijganger in het gelaat, en waartoe zou hij dat anders hebben gedaan? Maar deze twee hadden hem direkt tegengelonkt. Zijne minzaamheid verminderde er blijkbaar niet om, want seffens hingen zij aan zijne armen en vroegen schuldeloos:
--"Tu paies rien, vetzakske?"
Of hij niets wilde betalen? Wel lieven-adieu! hij had lust om de geheele wereld op te koopen!... Er werd besloten dat ze zouden mosselen eten en patates frites. En zij zaten nu in de friture-kroeg.
--"Pff!" deed Johan Doxa, "ik weet niet eens wat wierook is."
De andere maagd ging met haar klein wipneusje over zijne mouwen snuffelen.
--"Neen," zei ze, "'t is eau de Cologne--ge hebt al-ze-leven in fijne gezelschap gedineerd."
Hij pinkoogde geheimzinnig, als om te laten onderstellen dat hij nog veel erger had gedaan, en liet daarna fier zijne borst opzwellen.
Als ze gegeten hadden, merkten de meisjes dat ze dorst kregen, Johan trok met haar naar het "Kapiteintje" waar ze geus dronken, en naderhand in den "Moriaan" waar hij trakteerde met krieken-lambic. Nauwelijks had hij daar de derde flesch besteld, of een troepje wallebakken kwam dansend binnengesprongen, vergezeld door een klein straatorkest--met name een harmonica, een piston en een triangel. Ze dansten feestelijk de herberg tweemaal rond en schaarden zich dan, rood van pret, bij den toog om schuimende streepkens faro te zuipen. Johan Doxa stond plots recht en riep:
--"Een pint geus voor heel de Kompanie!"
Het docht hem dat zijn gansch wezen openging. De woorden die hij geschreeuwd had bleven trillen door zijn lichaam, als op pezen van metaal. Hij viel neer op zijn stoel en zweette een beetje. De jonge paren keken om en naderden de tafel waar hij zat gelijk een, die, bedwelmd, zijne eigene troonplechtigheid bijwoont. Hij kreeg eene ovatie....
Nu begon, van taveerne tot taveerne, eene processie die waarlijk niet te beschrijven is. De muziekanten stapten voorop. Dan, met de voornaamheid van een paasch-os, Johan Doxa, geflankeerd door de twee mooie marolle-deernen. Dan de woeling der uitgenoodigde menigte, die steeds aangroeide. Kinderen huppelden ommendom, de handen zwaaiend omhoog. In den beginne zong men allerhande liedjes, maar weldra, om zooveel lawaai mogelijk te maken, ging zich het repertorium beperken bij één en hetzelfde couplet, dat iedereen goed kon en dat onvermoeid weer en terug en altijd werd aangeheven:
/* En een dikke pens En een snee van 't verken, Boerenleven dat is plezant! Boerenleven dat is plezant! */
Er geraakten diep-dronken menschen in het gezelschap. De piston, een blonde reus, had vrijwillig op zich de verantwoordelijkheid van het behoud der orde genomen, en meermaals was hij tot zijn leedwezen verplicht eenige muilperen uit te deelen. Johan bewonderde hem uitermate. Hij betaalde maar. Hij was gelukkig als een Koning. Het bloed klopte hem weldadig op de slapen. Zijne kinderlijke lippen stonden in den vorm van een glimlachend toeterken, alsof er zoo juist een melkzoete flep was uitgevallen. Zijne meisjes hingen aan zijne mouw en soms moest hij een kusje krijgen of een kittelig kneepje in de leen. De wereld ruischte alom op hooghemelsche maat:
/* En een dikke pens En een snee van 't verken.... */
De harmonica-speler was een bult. Hij dronk gelijk een Zwitser. Daar was een oud ventje met rooden neus. Die kwam gedurig tegen Johan's buik niezen. Hij dronk gelijk de bult. Allemaal dronken. Johan Doxa betaalde maar....
--"Vooruit naar De Dikke Luis!" riep de piston.
Weer 't zalige gedrang van lijven. Johan werd als opgenomen in de stuwing en meende te zweven en stapte plots met zijn stoet en zijne muziek op straat.
--"Waar gaan we naartoe?" vroeg hij onnoozel aan het meisje links.
--"Naar De Dikke Luis!"
Het docht hem dat hij het zevende paradijs te gemoet ging. De heele boel was een wonder. Hij zong slapjes:
/* En een dikke pens.... */
Er schoot hem iets te binnen en hij vertraagde zijn stap. Naar het lieve meisje links boog hij zich en dan voelde hij hoe zwaar zijn hoofd was geworden.
--"Ik heb nog twintig frank" fluisterde hij haar in het oor.
--"Hoeveel?"
Hij taste in zijn broekzak en bracht zijne hand voor haar ten voorschijn. Een met koper benagelde kletsdop lag daarin, en een bankbriefje.
--"Twintig," zei het meisje, "kom; 'k zal ik verder betalen--ge zijt zat."
Wat een heerlijk leven was het in "De Dikke Luis", een gloeiende roze leven binnen een zachtblauwe tabakwolk! Het drieledig orkest speelde er de Brabaçonne. Het glanzende bier ging rond van hand tot hand. De breede baas stond te midden van kannen en glazen te tappen.
--"Wat zoudt ge er van pein-einzen," vroeg de bult aan Johan tusschen twee hiksnokken.
Johan Doxa lachte simpel. Zijne tong, docht hem, lag vast in een soort van elastieke meelpap. Hij peinsde niets. Weer riep de piston:
--"Nu naar den Heeten Ketel!"
De troep pakte zich saam, rumoerde op naar de deur. De harmonica begon te blazen en de triangel, week-bellend, sloeg.
--"Halt!" schreeuwde de baas, "wie moet dat allemaal betalen."
Johan Doxa keek lui om. Hij schudde zijn hoofd onder het schrikkelijke hoofd van den baas. Hij had willen uitleggen dat daar ergens een zwart meisje moest zijn, dat het geld bewaarde. Maar zoo'n meisje was er in huis niet meer. Had hij haar het geld inderdaad gegeven? Langzaam ging hij met zijn eigen daarover redeneeren. De piston sprong naar den baas toe. Een paar glazen vielen van den toog en dan....
Johan Doxa werd links en rechts gestoten. Nu zat hij op een stoel. Nu zat hij op een tafel. Nu lag hij tegen den muur. Nu stond hij te waggelen overeind. Nu kwam iets hards en vlugs tegen zijn kop aanbonzen. Nu knielde hij. Nu werd hij van achteren opgestampt. En ineens beukte een zwarte masse aan op zijn voorhoofd.--Was tegelijk het licht uitgegaan?...
Het licht was uit.
In Johan Doxa was het licht uit. Daar kan niet aan getwijfeld worden.
* * * * *
Door een vensterken met ijzeren staven drong de prille Lentedag, toen Johan Doxa zijne oogen openstak. Zijne oogen gingen op langs vochtige muren. Ze bleven daar staren op zonderlinge teekeningen en schrifturen. De klok van het Klooster klepte niet. Hij wilde iets vragen....
O, hoe akelig was zijn mond! Zijne kaken stonden stijf. Een loome pijn hing in zijne leden. Hij keek naar zijne handen, zijne smerige handen, bemorst met bruin-gedroogde bloedvlekken. Zijn rechterknie stak bloot door een scheur van zijne broek. Zijn hoed lag bij de deur--een platgeblutste hoed met afgerukte randen.
--"Het stinkt hier" dacht Johan. Hij kwam moeilijk recht. Zijne beenen waren als bevroren vodden. Hij begon stillekens over zijn hoed te strijken, met werktuiglijke zorgzaamheid.
Toen rinkelde daarbuiten een bussel sleutels en iemand opende deze onbegrijpelijke cel. Het was een soort van politie-agent.
--"Allee," sprak de ruwe deurwaarder, "krab op--ge moest u schamen."
Geen de minste aandoening werd wakker in Johan Doxa. Hij liet zich geleiden. Hij mankte. Hij verliet de Amigo[1] zonder hoop en zonder wanhoop. Hij kwam thuis. Hij vond er zijn moederken. Hij hoorde zijn moederken zeggen:
--"Ach mijn jongen! mijn lieve jongen! ach, wat hebben de paters toch met u gedaan!"
Hij ging in een hoek zitten. Hij vertelde niets. En 's anderendaags ook vertelde hij niets. En nog dagen en dagen nadien bleef hij, en vertelde niets. Hij nam nooit het besluit iets van dat alles aan zijne moeder te vertellen.
Maar wat zou het eigenlijk helpen, als hij nu daaromtrent een besluit genomen had?
Niets.
Noot:
[1] Stedelijke gevangenis voor tijdelijke verbrekers der openbare orde.
* * * * *
IV
JOHAN DOXA
DE SCHADUW
Ik kon dien nacht geen oog dicht doen. 't Sloeg vier uur op ons Empireklokje, wanneer ik besloot het bed te verlaten, dat mij geen rust geven wou. Terwijl ik me aankleedde en daarbij het groene nachtlichtje had aangestoken, zette ik mijne morgenmelk op het kleine gasfornuis. Ik dronk ze zonder smaak en verlangde reeds om buiten te zijn, in de frischheid van den uchtend.
Die frischheid was echter niet aangenaam, maar ik liep toch de vochtige straten door, gelijk ik meer placht te doen om mijne overspannen zenuwen te stillen.
Ik wandel gaarne in den vroegen dag. De stad heeft telkens zoo ongewone, zoo uitzonderlijke uitzichten. Zij ontwaakt met schokjes. De blauwende donkerte laat de grijze gevels opklaren en verft de gladde eenzaamheid der macadamlanen en asphalten bolwerken. De lantaarnlichten weifelen, grauwen wittig uit de nevelen, werpen geen schaduwen meer. En het zeldzame menschengedoe gaat traag op, nooit veranderlijk, gebaren makend die een definitief teeken van den uchtend zijn.
Ik loop meestal de lage stad om en verwijl dan het liefst rondom de Zuiderstatie. Het is daar schoon om zien, want schoon is het morgenlicht over de rookwolken der locomotievenhal. Het donkere gebouw is al vol bedrijf en voert de werkluibenden op het statieplein. Er gebeurt een gewoel van lijven, maar de lippen zijn zonder gerucht. De arbeid wenkt zwijgend zijne zwijgende slaven....
Dien keer was ik zeer vroeg voor de hal aangekomen en ik slenterde onwillig, de hielen slepend. De nevellucht spande pijnlijk om mijn voorhoofd. Ik stond een paar ezelwagetjes na te gapen, die fluks opreden met nieuwe groenten, de stad binnen. Musschen sprongen in de dahlia- perkjes van het plein.