Johan Doxa: Vier herinneringen aan een Brabantschen Gothieker
Chapter 4
Tegen Johan's verwachting in verhief Lieven Lazare zijne donderstemme niet.
Hij zei stil:
--"God straft u, Doxa. Zijne hand heeft uw huis beschaduwd. En Hij verplicht u neer te kijken op uwe monsterachtige schande. Ik zwijg en laat u over aan Hem--kom binnen."
Zachter nog, terwijl hij Johan Doxa in de kamer duwde, sprak hij:
--"Ik heb in gebed den avond en den nacht aan de sponde van uwe vrouw doorgebracht."
Het docht Johan Doxa plots dat hij geene beenen, geen armen, geen lichaam meer had. Hij had geen gevoel van lucht, van koude of warmte. Een harde band spande hem om de slapen. Hij zag de vier hooge kaarsen die brandden aan de vier hoeken van het bed.
Toen ook, daar staande in openbare dronkenschap, zag hij het witte kussen, het witte roerlooze gelaat van Julia, de witte handen gevouwd in vroome houding op de blauwe sargie, en het ivoren kruis dat uitarmde, ernstig tot onder de puntige kin.
Lieven Lazare, het hoofd buigend, zei:
--"God beproeft ons uitermate. En Hij treft ons in onze zonden.... Laat ons knielen, Johan!"
En dat deed Johan Doxa gehoorzaam, maar hij dacht al door:
--"Dat is toch een zonderling dingen, niet waar? Het water dat zoo angstig was ... en de roode kousen over de groote handen ... en het kindje heb ik wel gezien! De vrouw weende over het kindje.... Wel! wel toch! Wat een rare boel!..."
Zijne oogen bleven strak op Julia's gelaat gevestigd. Zijn geest puntte op Julia's gelaat.
--"Goede God!" fluisterde hij.
Hij begon halfluide te bidden, en sloot smartelijk zijne oogen.
De tranen, die over zijne bolle wangen rolden, vielen op het dunne leder van het trommelken, hetwelk aan Johan's buik hing, en waarlijk scheen gemaakt te zijn om dergelijke kleine klopjes te ontvangen.
* * * * *
III
JOHAN DOXA
DE BOETVAARDIGE
Julia werd door moeder Doxa met vroome zorgzaamheid gewasschen en gekist en Johan begroef haar op den derden dag, zooals het behoort. Nu bracht hij eenzame en talrijke uren om, in 't besef van zijne schuld en het docht hem daarbij dat een zeer luid sprekende wroeging hem kwelde. Dat duurde haast meer dan eene week. Dan verliet hij de kamers die het tooneel waren geweest van zijne diverse huwelijkservaringen en ging weer bij zijne moeder woonen, in het speelgoedwinkeltje van de Zes-penningenstraat.
Eene kleine maand later ontving hij van Lieven Lazare, den godvruchtigen panfletschrijver, den volgenden brief:
--"De Hemel, Johan, duldt niet langer dat ik mijn hart voor u gesloten houd. Aldus wordt door eene goddelijke inblazing het besluit gebroken dat ik in een oogenblik van rechtmatigen toorn ten uwen opzichte genomen had. Misschien is het waar dat ikzelf vreemd ben aan het opmaken van dezen brief. Misschien veracht ik u morgen even diep als ik u gisteren heb veracht. De adem althans, die door mijne woorden gaat, schijnt niet de mijne te wezen, en ik gehoorzaam aan eene geweldige bezieling zooals die ander? Lazarus gehoorzaamde toen Iemand, wiens donderende naam geen weergalm meer vindt in uw geheugen, hem gebood recht te staan uit den dood.... Beste Johan, het blijkt dat de schrikkelijke gebeurtenissen die God zelf voor uwe redding had beraamd, u niet tot inkeer hebben gebracht. Het is als of niet Hij, maar de Duivel u zou tot weduwnaar gemaakt hebben. Gij wandelt door de stad en niets in uwe houding verraadt dat de heilige Michaël u onlangs met het bliksemende vlammenzwaard heeft getroffen. Men ziet u rustig en kinderlijk kuieren langs de straatjes van Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje. Gij blijft met welbehagen lanterfanten in de nabijheid van spekslagerijen, en duwt uw neus tegen de ramen plat om met gulzige oogen het afschuwelijke schouwspel van hespen en worsten op te vangen. Gij loert de honden na, die snuffelend malkander nadrillen, en hun cyniek bedrijf wekt uwe belangstelling uitermate. Vermoedelijk hebt gij in den winkel van uwe beklagenswaardige moeder ook marbels gestolen, want op het Vossenplein heeft men u zien spelen met schoolkinderen. En elken dag, rond half-zeven, staat gij voor de _Old Curiosity Shop_ de keukenreuken op te snuiven, en ontvangt dan door de traliën van 't keldervenster een dampend pakje uit de hand van Anatole.
"Ik ween van schaamte wanneer ik hoor verhalen hoe ge, ontdaan van alle menschelijke waardigheid, in de Kapellewijk de tonnen doet klinken.... Johan, Johan, aanzie uwe zonden, eer God de ultieme en onherroepelijke straf uitvaardigt. Ik sta verbaasd bij 't aanschouwen van Zijne matelooze lankmoedigheid--maar wee u! als straks over u Zijne alverteerende gramschap losbreekt!... Ik ben gezonden door Hem, Johan, ik kom tot u met de boodschap der Goddelijke verzoening. Nader ootmoedig den drempel der eeuwige Kerk, Johan. Nog niet als Job draagt ge potscherven in wonden van berouw, maar belaad nu uw hoofd met uw mesthoop en snoer uw reistasch rond uw hart. Nader, Johan, met den stank van uwe naaktheid en de vloeken van uwe wanhoop het gouden tabernakel waar Krist, die gekruizigd werd, thans Zijn eeuwig leven viert. Hem rijkdom, roem en liefde opofferen verblijdt Zijn hart niet zoo zeer,--dat hart omkransd met doornen ...--maar offer Hem de zoete genuchten van uwe zwakheid en de brandende lusten van uw geil vleesch: dat is nog uw eenig bezit, en zoo, waarlijk, wordt ge de armste aller menschen. God, Johan, heeft de armen lief...."
Tot daar kon Johan den brief zonder bezwaar doorlezen. Nu echter begon hij te pinkoogen en, alsof het daglicht op de letteren verflauwde, ging hij naar het venster en boog zijn hoofd voorover, tot tegen de koude ruit. Gouden sterretjes regenden allerzijds. Maar algauw las Johan Doxa verder:
--"De Heilige Geest vleugelt in mijne woorden, en ik zeg het u, ellendige vriend: Jesus is een eindelooze zee van genade, een zee die alle wrakken dragen kan. Neem tijdelijk afscheid van uwe moeder--wat toch heeft eene moeder van een zoon die zelf voor God verloren is?--en vertrek van huis. Gij zult in het Franciscaner Klooster van de Miniemenstraat eene heilzame retraite doen. Ga.
"Klop nederig aan de groote poort. Het is een heilig huis en pater Hilarius, dien ik gewaarschuwd heb, zal u met medelijden ontvangen. Toef niet. Het ontzaglijke geluid van Hem, die mijne ziel opnieuw in lichtelaaie zet voor u, davert op mijne tong en ik roep het u toe, armzalige Johan: toef niet, toef niet; uwe dagen zijn geteld!"
De brief hield op te beven in de hand van Johan Doxa. De brief gleed ritselend langs de witte venstergordijntjes neerwaarts en kwam zacht, gelijk een dubbele vlerk, op het plankier terecht. Hij ging liggen naast een sikkelvormige oranjeappelschil. En Johan keek op, door 't raam, naar den hemel die lichtblauw over vuile daken was uitgespannen. Hij stak zijne handen in zijne broekzakken. Met den wijsvinger van zijne rechterhand raakte hij er 't benageld paviljoentje van een kletsdop. Maar hij vond geen neusdoek om zich te snuiten.
Johan Doxa zat 's avonds met zijne moeder in het kleine achterkeukentje dat bij den winkel aanpaalt. Moeder Doxa had den winkel gesloten en bereidde zich om de keukenlamp aan te steken. Johan zei:
--"Maak geen licht, ik bid u. Ik heb u iets te zeggen, lieve moeder."
Ze zaten aan weerskanten van de oude Leuvensche stoof, en de stoof zong, en het was heerlijk donker. De buik van de stoof glom gelijk een reusachtige, zacht-blozende pronkappel. Een purperen glanzing gleed over het vriendelijke aangezicht van moeder Doxa, over hare gevouwen handjes, over haar hoogen boezem, over haar bolle knieën,--en eenderlijk kwam uitgloeien langs de ronde wangen van Johan, langs de mooi-versierde pijp waaruit hij rookte, en tot op de randen van zijne lompe schoenen, die daar nevenseen op den vloer stonden en waarnaar hij keek alsof ze anderman's voeten omsloten.
--"He-wel?" vroeg eindelijk moeder Doxa, en het trof hem hoe minzaam ze was. Hij antwoordde niet seffens. Hij had de gewoonte om lang te dubben eer hij een besluit nam en dan toch besluiteloos te blijven. Maar moeder Doxa drong niet dadelijk aan, want ze kende haren jongen. Hij dampte maar.
--"Zie, moeder," zei Johan, "ik zou mij moeten beteren. Ach, ik weet wel, gij denkt niet dat ik slecht ben. Gij weet niet, gij weet alleen van een kindje dat ge in uw schoot gedragen hebt en dat zoetekens aan uwe borst heeft gehangen. Maar al groeiende is hij ver van u geraakt, en hij is nu een groote zondaar, en hij moet God vreezen."
--"Gij zijt niet slecht, gij zijt misschien lui," meende moeder Doxa goedig.
--"Ja, ik ben lui," zei Johan, "en nog iets anders ben ik, maar ik ben waarlijk lui."
Hij bloosde erg. Telkens als hij ergens zijn eigen ontdekte bloosde hij zoo.
--"Na den dood van uwe vrouw," hernam moeder Doxa en zij maakte het teeken des kruis, "heb ik gedacht: nu gaat mijn jongen weer aan 't werk, want hij is krachtig en jong, nu gaat hij schoone schilderijen maken, en we zullen alle twee gelukkig zijn. Ik dank den hemel dat het eindelijk toch zoo gebeuren zal."
Johan keek niet op naar heur en zei:
--"Ge zijt edel, beste moeder. Wanneer ge zoo spreekt voel ik eerst hoe diep ik gezonken ben, maar...."
Hij aarzelde. Hij zocht naar woorden, gelijk een dronkaard naar het sleutelgat zoekt. Hij vond in zijn geheugen een half-uitgevaagden zin van Lazare's brief en pruttelde:
--"... maar, moeder, Jesus is een zee van genade, waarin ... waarin ik zou kunnen verzuipen ... als ik niet oppas."
--"Ja, Jesus is zoo goed als men maar denken kan."
--"Zoo zegt ge. En nu moet ik in de Miniemenstraat, bij de Capucienen eene retraite doen. Dat duurt nog al lang. Ik weet niet hoelang dat het eigenlijk duurt."
--"Lang?... En wat is dat dan, eene retraite?"
--"Eene retraite?... Weet gij niet wat eene retraite is, moeder?"
Hij vond het heerlijk dat moeder Doxa zoo luchtig de boodschap aanvaardde en omdat zij, de goede ziel, zelfs niet wist wat eene retraite was, lachte hij stille hare lieve onwetendheid tegen. Maar hij wist ook niet wat eene retraite was.
--"Kom, kom, moedertje," deed hij, "bekommer u niet om mij. De paters zullen mij niet opeten. Ik moet een beetje boeten, een beetje te communie gaan en mis hooren, en dergelijke meer. Ik kom zoo frisch als een botvink terug."
Hij betastte zijn wegend buikje en zag de kleine vleeschkuiltjes van zijne handen rozig aanglimmen onder de heete kaak van den kachelpot. Inderdaad geloofde hij zelf niet wat hij daar vertelde. In zijne meening moest de retraite iets schrikkelijks zijn, vermits Lieven Lazare ze hem als eene straf opgelegd had. Hij had er den heelen middag met angst over nagedacht: het klooster zou hem eene donkere gevangenis zijn en de Franciscanen akelige cipiers. Hij moest er voorzeker op roggebrood en lauw water leven. Er was daar geen lucht. 's Nachts hoorde men er vreeslijke geraamten rammelen, en 's morgens moest men naakt in zijn celletje staan en er zichzelf met knoestige riemen afranselen. Hij betastte zijn buikje als om het voor eeuwig vaarwel te zeggen, met een zucht....
--"En wanneer vertrekt ge?" vroeg moeder Doxa.
--"Morgen vroeg."
--"Ha!... morgen vroeg."
Beide verzonken in gepeinzen. De moor zong nu ook, die op de stoofbuis stond.
* * * * *
Na een nacht vol ijselijke droomen, rees Johan Doxa uit zijn bed. Het was een grijze dag. Achter het kleine vensterken nevelde een miezelregen. Terwijl Johan zich aankleedde en precies op het oogenblik dat hij zijn hoofd voor de eerste maal in de waschkom gestoken had, begon waarlijk zijn druppende neus in de lucht om te snuffelen. Er ging ongetwijfeld door de kamer een smakelijke geur van spek en eierkoek.
--"Dat is raar," dacht Johan Doxa. Hij was gauw gereed en kwam de trap af. De keuken dampte van weelde.
--"Moeder," zei hij, "gij zijt al te goed."
Maar moeder was bezig aan een groot pannengedruisch en knikte hem lachend tegen. Daar stond feestelijk op tafel het prinselijk gerecht.
--"Moeder, ik zal het nooit vergeten...."
--"Gij dwaze jongen," zei de moeder, "zwijg maar liever en eet."
Hij at tot zijn ronde kin ging glanzen en toen hij gegeten had en, rechtstaande, hem het aardige gevoel der spannende broekgesp omdeed, nam hij zwijgend zijn hoed aan den kapstok. Moeder Doxa stond te midden van den vloer en glimlachte.
--"Allee, beste Jan," sprak ze, "ga nu--ik heb Onze-Lieven-Heer voor u gebeden."
Hij kuste haar en ze stopte hem rap een vijffrankstuk in de hand. Hare vingeren beefden.
--"Neen, neen," stotterde Johan terwijl zijn hart in tweeën brak.
--"Ssjt! mijn jongen ... ik kan ze nu beter missen ... dan gij."
Ze vergezelde hem tot op den drempel van het winkeltje. De dag aaide langs het speelgoed om haar. Johan kuste haar nogmaals en zei:
--"Goedendag, lieve moeder, tot weerziens."
Ze knikte aldoor met heel kleine oogjes, en, plots, wendde zich af, naar binnen.
* * * * *
En door het mottige weer begon Johan zijn boetvaardige reis. Hij stapte op langs kleine steegjes en zou gauw de Miniemenstraat bereiken. Reeds was hij het Vossenplein voorbij en zag, boven een lagere brokkeling van daken, het fijn uitgesneden klokketorentje der Kloosterkapel. Hij bleef staan, als om zich te bedenken. Hij bedacht zich en bleef gedachtenloos. Kleine verschrikkingen schoten als electrische schokjes door zijn lichaam, en toen kwam een licht bedaren in zijn hoofd dat zei:
--"Ge hebt nog een beetje tijd, Johan, waarom moet dat alles zoo vlug gaan?"
Ook voelde hij nu het vijffrankstuk op de palm van zijne hand plakken en hij trof dadelijk eene prachtige uitkomst.
--"Ik heb daarbinnen," beweerde hij, "geen geld noodig--geld is duivels goed, en moederken kan ik gelukkig maken met 't een en ander, dat ik haar opsturen wil."
Het klokketorentje verdween uit zijne oogen en hij stapte links om, naar de Steenpoort en de Groote Markt.
Op den Steenpoortweg stonden er karretjes met mosselen, met citroenen, met oranjeappelen en met groenten. Hij keek er niet naar om. Hij ging voor de peperkoekwinkels staan en begon met kinderlijk welbehagen te kiezen. Hij koos een peperkoek dat in den vorm van een mooi hart was uitgesneden en op de randen geheel met lekkere fruitschellen omlegd. Hij besloot binnen te gaan, maar wilde vooreerst uitkijken naar een loopjongen, die het geschenk aan moeder brengen zou.
Er liepen daar vele jongens rond. Johan Doxa beproefde om op hunne gezichtjes te lezen hoe eerlijk ze waren, en hij bevond dat hij behoefde daaromtrent waarlijk zeer ongerust te zijn. Eene gelukkige ingeving dreef hem naar een kleine kroeg, waar hij een druppelken brandewijn dronk. En luttele beslissingen wisselden malkander ondertusschen af in zijn geest. De kroegbaas zei:
--"'t En zal vandaag niet ophouden met regenen, kameraad."
--"Dat zou ik ook gelooven," antwoordde Johan Doxa.
Een vochtig gevoel kwam over hem, en hij bestelde een tweede glaasje, en naderhand een derde. Dan, terwijl hij betaalde, zag hij moeder's zilverstuk plots op den toog liggen. Gedurende één oogenblik haatte hij het wisselgeld dat hij ervoor terug kreeg.
Hij bedacht nu dat er in de Boterstraat meer fijne winkels waren en daalde langs de Steenpoort naar de middenstad. Een zwaarbeladen koolwagen rolde hem vóór. Bij elk geschok der trage wielen rolden stukjes glinsterend kool over de zwarte berden. Er viel ook een groote brok en Johan raapte haar op en bracht haar bij den voerman. De voerman had een ruigen rosten baard en stak zijne breede hand uit, bespannen als met een bruin-lederen vel. Toen struikelde het paard en stortte voorover op de steen en. De kar dook met hare lompe tremen die ze met een doften slag sloeg tegen den grond.
--"Nondidju!" vloekte de voerman.
Er was seffens een groote toeloop van menschen. Een man ging met zijn knie op den kop van het paard zitten. De riemen werden haastig ontgespt. Stemmen klonken dooreen. Een politieagent dreef het aanzwellende volk achteruit. Johan Doxa stond met het groote stuk kool in zijne armen. De politieagent riep in zijn verschrikt gelaat:
--"Wilt ge, potverdomme, de kolen laten liggen, gauwdief!"
Johan werd de prooi van eene geweldige aandoening; zijn last rolde over zijn buiksken aan zijn voeten en hij wilde vluchten. Hij week door de menigte heen. Hij voelde van allen kant oogen op hem gestoken en kinderen schreeuwden hem achterna. Hij kwam in een klein ledig straatje, gelijk een drenkeling een oever bereikt. Hij zat nu in een herberg zijn eigen te betasten en met langzame proefnemingen de zekerheid op te doen dat hij nog armen had en beenen en een hoofd. Zonderling grijnzend lachte hij de waardin tegen die, gelijk een afschuwelijk gevaarte, naar hem toe stapte.
--"Dat zijn dingen, hee?" stamelde hij onnoozel.
En daar de waardin, zonder begrijpen maar met zachte gedienstigheid, medelachte bestelde hij eene flesch geuze-lambik, en vroeg bang:
--"Wilt ge ook meedrinken, als 't u belieft?"
Ze wilde wel. Ze kreeg een kokette blos, die haar goed stond, en ze dronken samen. De waardin bekeek haar eigen in den spiegel, die recht over den toog hing, en schikte vluggelings de krulhaartjes op hare slapen. Ze had dikke armen.
--"Ik geloof," zei Johan vriendelijk, "dat die regen van den heelen dag niet meer ophoudt."
--"'t Zou wel kunnen," zei de waardin, "de barometer zakt."
--"Ja, 't is ook 't seizoen," hernam Johan.
De waardin reikte hem den tooghanddoek over en meesmuilde:
--"Ge zijt een beetje vuil over uw voorhoofd."
--"Ikke?"
Hij was zoo vuil als iemand zijn kan, die voortdurig met twee koolzwarte handen in zijn beregend aangezicht heeft gewreven. Uit schaamte vroeg hij een tweede flesch geus. En ze dronken. En ze praatten over kleine, ledige zaken.
Johan Doxa vertrok bij noenstond. Toen hij te midden van de Groote Markt stond, vroeg hij zich af wat hij hier kwam doen. Hij keek wonderlijk op naar de gulden gildehuizen. Den top van den stadhuistoren zag hij niet, die onder de natte miezeling in eendere grijze kleur verging. Hij duwde zijn hoed tot tegen zijne ooren en stelde vast dat hij honger had. In de nauwe Peper-en-Zoutstraat trof hij eene bescheiden gelegenheid en hij at er substantieel genoeg, schoon zonder gulzigheid, gelijk het hem docht dat aan een zondaar in pelgrimstocht betaamt.
--"Thans," mijmerde hij binst de koffie, "bezit ik nog twee en twintig en een halve cent, en ik weet waarlijk niet wat ik ermee zal doen."
En, voor hij naar het Klooster der Miniemenstraat toog, dronk hij ermee een grooten druppel cognac, want zijn moederken had hij, ik weet niet hoe, geheel en al vergeten.
* * * * *
Hij vatte beslist de koperen schelknop. De luide bel weerklonk meer in het hart van Johan Doxa, dan in de wijdgalmende vestibule. De pater-poortier die eerst het spioenraampje had opengeschoven, opende nu ook de zware deur. Het Klooster gaapte in het aanschijn van Johan Doxa.
--"Kan ik," vroeg hij met bleeke stem, "den eerwaarden pater Hilarius spreken? Ik zou gaarne eene retraite doen."
De pater-poortier was, buiten Johan's verwachting, zoo minzaam als men zich denken kan dat ooit ter wereld een kloosterpoortier mag zijn. Hij had eene uiterst discreete houding en, ware 't niet dat zijn gelaat hoog-gezond opbloeide boven den zwarten baard, scheen uit loutere welgemanierdheid weg te schemeren in de schaduw van de poort. Het bloeiende gelaat echter glimlachte en twee fijne muis-oogjes daarin wenkten vriendelijk: "welkom ... welkom...."
De zware deur, die achter Johan met een eiken klop dicht kwam, sloot meer dan het somber gebouw: het docht hem dat de gansche wereld nu voor altijd was gesloten. De pater-poortier ging voor en leidde Johan Doxa in eene kleine spreekkamer, die ineens vol blauwig licht was. Er stonden een paar nederige stoelen en aan een witgekalkten wand hing een groote Kruislieven-Heer. Daar liet men hem alleen, ruim drie kwartier-uurs. Hij draaide zijn natten hoed stille in zijne handen. Hij stond in een ring van regendroppen, die gelijk donkere starretjes rond hem waren gespreid. Er walmde een muffe salpetergeur.
Pater Hilarius had een streng, doch niet weerbarstig uitzicht. Een grijze ronde baard, wat stoppelig, omkleurde een mat gelaat waar grauw-groene oogen als dood lagen en dat alleen--dan heel sterk--bezield werd door den vorm- en schaduw-rijkdom van een geweldigen arendneus.
--"God zij met u," sprak pater Hilarius, "zijt gij Johan Doxa? Ik ben Hilarius."
Johan keek onwillekeurig om. De stem scheen uit de muren te vallen. Hij zou er in elk geval een eed op gedaan hebben dat ze uit den roerloozen mond van pater Hilarius niet viel. Toen echter deze pater voortging met eene lange rede waarin de naam van Lieven Lazare, van Jesus, van den heiligen Franciscus beurtelings voorkwamen, heroverde Johan van lieverlede de kluts die hij kwijtgeraakt was. Hij besloot maar te berusten in het onvermijdelijke, liet zich gewillig bepreeken, knikte moedig de les toe waaruit hij geen ander nut zou trekken dan dat hij zich bereid voelde zelfs tot den dood.
Pater Hilarius, nadat hij uitgesproken had, zei:
--"Gij zijt dweilnat, dunkt me. Ge moet eten en u verwarmen. Volg me."
Het was minder een gevoel van eerlijkheid dan de vrees voor wat hij hier te eten zou krijgen, die er Johan toebracht ineens den pater bij de harde mouw te pakken.
--"Nee," deed hij angstig, "ik bid u, geen eten. Gij zijt al te goed."
Hij kwam in eene ruime zaal. Er was een breede schouw met een lekker vuur.
--"Zet u, en warm u," zei de pater. Johan zette zich en bleef daar weer nagenoeg drie kwartier-uurs alleen zitten. Hij werd heerlijk warm en zijne bolle kaken gloeiden. Het werd zoetekens avond en Johan zag een prachtigen zonsondergang in de laaie karbonkels van den open haard. Hij werd eindelijk zoo rustig als een onschuldig mensch.
--"Pater Hilarius is vreeslijk mager," dacht hij op slot van rekening, "maar de pater-poortier is zoo vet als een das."
Hij kon bijgevolg nogeens zijn eigen buikje zonder voorbarige benauwdheid in oogenschouw nemen en wachtte gelaten de gebeurtenissen af.
* * * * *
De klok uit het torentje begon te kleppen. Pater Hilarius verscheen en noodigde Johan Doxa uit om mede in de Kapel lof te hooren. Johan heeft zich daar overdadig vermaakt.
Niets ooit in zijn leven had hij gezien dat zoo mooi was als het kleine kerkje. Het kerkje was geheel omdaan met eene fluweelen donkerheid, waarin de bevende glanzing van fraaigeregelde kaarsenreken speelde en aarzelde en langs gouden diepten zwevend verging. Maar stilaan zag Johan in de zwaarpurperen schemering de dikke pilaars opklaren en ginder hooge wattige gewelven dragen. De muren begonnen zacht te glimmen. De outer werd zichtbaar en heerlijk. En alles, al wat hij zag, was met wondere polychromiën versierd. Het werd hem, hoe meer hij toekeek, zoo rijk en koninklijk dat zijn hart er week en gulzig bij aan het dansen ging.
Dan, al rondom hem, herkende hij de ronde bruine ruggen van de capucienen. De orgel zette aan. De Kapel kwam vol met vleugeltjes van vogels.
--"O God," bad Johan Doxa gevoelig, "ik zou willen een pater zijn!"
Hij verachtte zijn baardelooze kin.
Maar na den dienst werd hij, langs duistere gangen, in eene nauwe cel gebracht. Men hing een damping kaarslantaarntje aan zijne hand, en wanneer hij alleen was, voelde hij eene bittere triestigheid zijn gansche wezen overvallen. Waarom moest dat nu zoo gaan? Waarom moest hij verlaten wezen? Waarom hadden die menschen zulke kleine hokjes gemaakt?
Hij ging op het ijzeren beddeken zitten en blies de kaarslantaren uit.
* * * * *
Johan Doxa, neerliggend in den donkeren avond, volgde met luien geest een varenden snoer van gedachten.