Johan Doxa: Vier herinneringen aan een Brabantschen Gothieker
Chapter 2
Moeder Doxa was niet weinig gelukkig, als ze nu, in zijn zolderkamertje, haar zoon Johan hoorde zingen van den morgen tot den avond. Hij wilde haar echter niets van de heerlijke gevallen zijner liefde bekennen. Hij had aan Julia een langen brief geschreven, waarin hij haar vergeleek met de hemelsche melkbaan, want haar huid was blank en zilverig, en er vloeide daaronder eene room zoete klaarte, welk met den gloed van het roze bloed aan het stralen ging. Hij zond haar, in een keurig pakje, de kostbare pijp, als een teeken van de verduldige passie, waarmede hij haar sinds maanden aanbeden en verbijd had. Haar naam praalde op den steel in een kunstig gewirrel van bonte ringetjes en punten en droppelkens goud.
Zoo vervloog de gevleugelde tijd. Johan Doxa zat neuriënd onder het ledige muitje. Het loodrechte licht viel uit het vierkante dakraam op het vlakke schilderdoek en de glanzende lokken die, langs Johan's slapen, al bellend erover hingen. Hij penseelde vlijtig en traag. Het struische gelaat van Julia kwam, ietwat magerder, op den bruinen verfgrond te voorschijn. Hij schilderde haar uit het hoofd, legde parelen om heure haren en licht gebloei daarlangs. Een doorzichtig keurslijf lag losjes open op haar boezem, en ze hield een dubbele dahlia in hare rechter hand. Voor haar, op de tafel waar ze statig aanzat, was het of ze zoetekens over een mandje met allerlei bloemen vingerde. Bloemen waren overal rond haar,--tulpen en leeljen in waaiervormigen tuil opgroeiend uit een groote zilveren vaas, rozenranken langs het raam van 't venster, en een karmijnen koningskroon in een blauwen, familiairen tabakspot.... Aan den eenen kant zat de ijverige eekhoorn, aan den anderen de dubbende ekster; maar het sijsje was er niet. Het gansche portret was een eigenaardige menging van levend licht en doode herinneringen, tegare gewisseld in een gladde verve van subtielen toon. Johan Doxa borstelde aandachtig erlangs en eromme, slierde met haarfijne nauwkeurigheid rond den bleeken dons van het vlezige aangezicht en tooverde traag een vollen dag in de starende strakheid der glimlachende oogen. Hij was bovenmatelijk in zijn schik. Het eekhoorntje draaide binnen den zacht-ronkenden traliemolen. Maar aan Lieven Lazare zei hij niets van dat alles. Hij hield in dien tijd niet veel van Lieven en vluchtte zijne strenge redeneeringen. Er bleef van dat acute gepreek bij Johan Doxa iets over, dat onduidelijk op wroeging leek en naar een geducht berouw leiden moest. Het docht hem halvelings dat hij, met de gebaren van zijne vreemde liefde, aldoor zondigde tegen de behagelijke wetten van God. Lieven Lazare benaderde in slaande bewoordiging deze zedelijke zwakheid en raadde precies de ongemakkelijke stemming, waar, binst zulke oogenblikken, zijn vriend Johan gekluisterd zat. Hij liet niet na hem hierover met goddelijke wreedheid te berispen.
--"Gij zijt, mijn jongen", sprak hij, "overvallen door de mistige monsters der tempteering. Ik zie u spartelen tegen de satanische belegering en uw hart schijnt me toe als een poppelend schuchterheidje, een angstig asemtje, een gesmoorde kreet.... Zijt ge onkuisch mijn vriend?"
Johan Doxa verklaarde haastig dat hij zuiver en gezond was gebleven. Hij vreesde de sterke waarschuwingen, welke hij in den naam van God en langs God's eigen woord ontving, en zoo kwam het, dat hij het gloeiend geheim van zijne blijde gedachten voor zich zelf bewaarde, verborgen en eenzaam op het lage zolderkamertje, tusschen het vlakke portret, de blauwe tabakspot, de peinzende ekster en het triptrappende eekhoorntje.
* * * * *
Op een avond gebeurde echter een ongemeen geval. Johan Doxa wandelde om de platte kaaien van de breede vaart. Het was een najaarstijd. Een druppelende nevel hing over het water en de gele lanteernlichten vlekten wijdopen op de dichte damplagen. De avond was dik en rot. Rappe menschen schoven voorbij of een eenzame wagen waggelde gelijk een ruchtbare schaduw door de grijze massale duisternis. Op de ijzeren brug die naar de dokken leidt, bleef Johan stille staan. Hij staarde naar de klotsende vaart waar het roode licht van een signaalbord roerend brokkelde. Een stille zwarte boot gleed binnen de misten. Men hoorde het verre geronk en de belrinkeling van een zoevende elektriektram. Johan Doxa dacht, naar gewoonte, aan zijne heldere toekomst, want hij placht gaarne het beeld van zijne liefde te verplaatsen in de zonnigheid van een komende welvaart. Hij zag zeer duidelijk het huisje met de oranje luiken, den wilden wingerd boven de deur, het zomerlicht op den drempel. Hij zag den haard met de zoete warmte en den zoeteren vrede. Hij zag Julia. Een stille boot voer, zwart en water-roerend, onder de brug, en het roode signaallicht kronkelde langs de schokkende golfjes. Het sloeg negen uren op den ouden Kathelijne-toren.... Hij kuierde de dokken voorbij, keerde om naar de Vischmarkt en sloeg een smal steegje in, dat op den hoek van het Zaterdagsplein uitzicht gaf. Hij had zijne handen in zijne broekzakken gestoken en ging al fluitend. Op het Zaterdagsplein stond een driearmige gaslanteern en, juist onder de gele klaarte, een onbeweeglijke politie-agent. Johan Doxa zag hem pas als hij heel dicht bij hem genaderd was, want de nevel dikte nu tallenkant zoo zwaar, dat de straten op vierkante holten leken, waar verwijlde een vette smoor. Johan blikte even naar den politie-agent op, dewelke, paalrecht onder zijn opgestoken kapeline, rustig te rooken stond....
Maar ineens begon Johan Doxa te loopen, te loopen alsof hem een schielijk gevaar op de hielen zat. Hij hield niet op vóór hij de Zes-penningenstraat bereikte. Hij struikelde hijgend tegen het groene hekje en sukkelde wild-blazend de trap op. De leuning piepte en de trapberden kraakten. Hij stak op het zolderkamertje eene kaars aan, die hij op den kant van de tafel plantte en zakte toen op zijne knieën, geheel dooreen, als een halm door de zeis getroffen.
De ekster zat niet op haar rustige plaats. Ze vleugelde angstig over de geel-bruine bedsargie en hare gloeiende oogjes blikkerden buitengewoon. Ze trachtte met wippende sprongskens en klein gekrijt de aandacht van haar bedrukten meester naar het spectakel van een leelijke gebeurtenis te lokken. Johan evenwel lag op het plankier ineengedrongen en drukte in zwijgende wanhoop zijne ellebogen op zijne knieën, en keek halsstarig voor zich uit. In den geluidloozen tralietrommel hing het eekhoorntje, dat dood was gegaan.
* * * * *
"Anatole", zei Johan Doxa, terwijl zijn bleeke vriend op den rand van de ijzeren koets zijne nagels schoon maakte en, daarnaast, de witte gezichten van Biebuyck en Donkerwolck boven de gele heupen van de viool en cyther opgeschoten, "ik zeg het u, zoo lange dagen en dagen heb ik over dat ding te zwoegen gezeten. Hebt ge de lieve madeliefjes gezien, die ik langs een wiegend thema van blaadjes en knopjes op den steel geschilderd heb? Gij waart vaak de verwonderde getuige van mijne verduldigheid. Het groene sijsje zong perelend onder ginds vierkante zonnelicht. Het eekhoorntje draaide. Ja, mijn vriend, ik heb dat werk versierd met een warm stuk van mijn innigste gedachtenleven. In den dikken nevel almeteens pletste het brutale mannengezicht open, gelijk een vieze vloek. Het was op het Zaterdagplein onder den driearmigen lantaarn. Hij rookte dus uit mijnen pijp. Vraag mij nooit iets meer daaromtrent Anatole. Ik heb u immers alles verteld...."
Anatole vroeg evenwel nog hoelang ze met den politie-agent getrouwd was, maar Johan wilde geen woord meer reppen. Hij stond leunend tegen het kleine tafeltje. Zijn blonde krullen hingen verward over zijne ooren en hij staarde op de vloer, waar de ekster een hoop witte kruimels uiteen bekte. Anatole zong het liedje van de _Drie Gezellen_, en daarna een ander nog, van het _Euverzwijn_. De dag was grijs en triestig en de schaduwsluierde stille langs de muren.
* * * * *
Johan Doxa was nu een zeer onrustig mensch geworden. Des nachts sliep hij niet en over dag liep hij het huis op en af, of drilde gichtig de Lage Stad omme. Moeder Doxa merkte alweer dadelijk het vreemde verschil en zij wist geen raad om haar pover kind tot een betere stemming te brengen. De moedelooze toestand van Johan brak uit in zonderlinge uitslagen. Hij werd gefolterd door pijnlijke verlangens en zijn verbeelding was vol met duizelige tafereelen. Terwijl hij slapeloos op zijn sponde lag, recht uitgestrekt, kwamen de mistige vormen van zijne gedachten door de lauwte van het kamertje varen. Ze wiegelden in de lucht zooals wuivende sluiers en ze hadden de kleur van de roomblanke huid, waaronder zacht-roze vloeit het gloeiende bloed. Ze naderden zijne heete lippen en hij hijgde ongelijk en de nacht rok zich uit, alsof nooit de vrije dag zou klaren.
Anatole vertelde hem van het lichte leven en van de jolige jeugd. Hij zag, bij elk woord dat zijn listige vriend fijn uitteekende met zijn naakten mond, het gebaar en de weelde van die ongekende pleizieren, waaronder vlamt en wappert het dansende vuur van rappe passie. Hij werd nieuwsgierig, trachtte met oolijke wendingen de verscholen bijzonderheden te kennen en zijn geest was altijd op zoek, een versch beeld beloerend dat uit een ongezond toeval van detailleering kon ontstaan. Hij vluchtte al meer en meer de bezoeken van Lieven Lazare, die, met orakels en profetieën, zijn opgejaagde hersens in de war hielp, maar des te gretiger liep hij het bleeke gezelschap van Anatole na.
* * * * *
Op een dag werd besloten dat Johan Doxa naar de _Old Curiosity Shop_ de kameraden Donkerwolck en Biebuyck vergezellen zou. Er was dien avond een klein concert in de bovenzaal en Johan moest den triangel slaan. Zoo kon hij alles eens goed aflonken en er zich een eigen oordeel over maken. Ze gingen met hun drieën. Ze bereikten de bovenzaal langs een klein diensttrapje en dit was gelukkig, want er zat veel ruchtig volk in de grootere consommatiekamer en Johan zou nooit de krasse uitroepingen te boven gekomen zijn, waarmede men daar zijn drollig-vet voorkomen en zijn zeldzaam aangezicht hadde gegroet. Hij werd tusschen Biebuyck en het klavier geplaatst en hij keek beteuterd rond. De zaal was zeer helder verlicht. Groote elektrische klokken hingen tallenkant, gelijk ongemeene bloemen, te stralen. De wanden waren behangen met een scharlaken brokaat, dat tegen de zoldering langs gouden festoenen en kleine empirekransen fronste. Spiegels hingen links en rechts in zilveren lijsten te klateren. Drie kleine tafels stonden op het karmozijne tapijt en groote krysanten pronkten er tenden den glimmenden hals van hooge porseleinen vazen. Een lakei in groene livrei liep in drukte rond, schikte de satijnen zetels en de sofa's waar rustten, als vlekken zon, ronde hard-gele kussens. Het was erg warm. Men hoorde, in de benedenkamer, het geraas van het drinkende volk. Een klein uur vervloog....
Toen werd het teeken gegeven dat de muziek spelen moest. Ze klonk ongezellig binnen deze ledige kamer en Johan Doxa voelde in zich eene holle ellende, gelijk een kelder vol triestigheid. Maar de dubbele deur werd opengeduwd en eenige bejaarde heeren traden binnen. Ze babbelden ondereen en waren hier thuis. Ze zetten zich in de mooie zetels en de lakei bracht kaarsen en sigaren en ze begonnen te rooken. Koffie werd opgediend. Enkele dronken gulden cognac uit fijne hooge glaasjes. Dan kwamen de dames.
Ze kwamen langzaam en glimlachend. Hunne stemmen zilverden boven de muziek heen en hunne blikken blonken dwaas door de geweldige verlichting. Ze waren in lichte bonte dracht, bespikkeld met de glanzen van duizenden gesteenten, en hunne armen, hunne amberen schouders, hunne ronde halzen waren bloot. Hun boezem was beschaduwd door de mauve doezeling van een rankje bloemen of met een teere sluier gekleurd. Ze groetten en knikten en de heeren slurpten aandachtig aan de witte randden van de nauwe kopjes koffie, die krullend opdampte langs hun roode gezichten.
De lakei stond kaarsrecht, bij de dubbel deur, in heerlijk Veronèse- groen.
Het was omtrent dien tijd dat ook de ekster stierf op een morgen van dien grijzen winter. Johan Doxa lag op zijn bed en zag in de rijzende ochtendklaarte hoe zij al meteens te vleugelen begon. Ze klampte zich ongedurig vast aan de gladde randen van den blauwen tabakspot, zakte plots ineen, stortte voorover en rolde op haar rug. Nog bibberden hare pootjes. Ze rok een laatste maal hare keel uit, over het berd van de tafel, en roerde daarna niet meer.
Johan stond in zijn hemd bij de tafel. De ekster bekeek hem met hare scherpe oogen en het was of ze, in haar uiterste vuur, zeggen wou: "Kerel! Kerel! wat ga-je nu doen zonder mij?" Ze stierf.
Het zolderkamertje werd hem sindsdien een duisterheid zonder genade. Hij kon er niet meer zitten, zooals eertijds, want, al had hij ze ook weggegooid, daar hingen altijd het vogelmuitje en de tralietrommel en daar zat, op zijn blauwen buik, de glanzende tabakspot. Hij sprak hierover met de goede moeder Doxa, achter de toog van het vunzige poppenwinkeltje, en, de volgende week, verhuisde hij. Hij betrok een kleine kamer onder het dak, in het oude huis van de Papenveste en schikte er zijn ijzeren bed en zijn verschilligen schildersboedel.
* * * * *
Het was daar een raar leventje. Straatvloers woonde de herbergier, op de eerste verdieping huisde Julia met haren nieuwen echtgenoot, op de tweede lawaaide de weduwe Sikkel, met hare negen kinderen, en hooger op, onder de pannen, nestte Johan Doxa, geheel alleen. Deze verandering van midden was hem zeer voordeelig. Hij werd rustiger, stilde in zijn hersens de ziekelijke opgejaagdheid, die er eene monsterachtige verbeelding voedde, en hernam zijn ronde palet. Allengerhand begon hij klaar te zien in de troebele gronden van zijn hart en hij geraakte tot een helder zicht van zijne liefde. Hij legde dit uit in een kort gesprek met Anatole:
--"Alles om mij", zei hij, "bezakt en bedaart. Begrijp goed, mijn vriend, dat ik een ben, die de geschoren stoppelhaartjes van een baard te tellen pleeg. Hoe heeft me die spijtige gebeurtenis beroerd en gekoterd, ach! Stel u dat onweder voor. Nu is de roes gezonken. Ik kan weer schilderen. Ik bemin Julia meer dan ooit, maar nu weet ik precies hoe vurig en hoe lang. Ik ben nu ook veel gelukkiger. Wel ja! wat glimlacht ge? Ik ga langzaam de trap op en af, en soms hoort ze mij, en ze trekt haar deurtje open en ze knikt liefelijk of zegt met onuitsprekelijke innigheid: "Hoe vaart ge, mijnheer Doxa?" Andermaal ontmoet ik haar beneden, in den gang vóór de herbergzaal. Ze loopt me nooit onbeleefd voorbij, zooals zij wel het recht zou hebben te doen, zal u toch dunken. Zij komt ook aleens op mijn kamertje en zij wil mijne schilderijen goed vinden. Ik werk veel om haar wat te kunnen toonen; maar ik verkoop ongaarne, wat zij met hare lieve oogen heeft opgemerkt. Zij zet mij nochtans tot verkoop aan, en ik kan haar niets weigeren. Zij is, sinds haar huwelijk, zeer arm. Ik ben blij dat ik haar soms een beetje helpen kan al is zij ook daarom uitermate verlegen. Zoo leven wij, mijn beste jongen. Och ja! En de man, de politieagent, die is insgelijks vrij aardig. Wij zijn goede kennissen en gaan reeds op een vriendschappelijken voet om met mekaar. Wij drinken bij gelegenheid een half-en-half bij den herbergier beneden.
"Hij houdt veel van duiven, en hij doet mee aan prijskampen. Ik heb hem dees gedeelte van mijne kamer afgestaan en, zie maar, hij heeft er een groot duivenkot opgetimmerd dat met een witten kijker uitzicht geeft op het dak. Wat kan het mij schelen? Ik doe dien mensch pleizier. 's Morgens, al heel vroeg, terwijl ik nog te bed lig, komt hij de duiven eten brengen. Ik laat mijn deur maar open en hij kan gemakkelijk binnen. Hij kruipt op een stoel, ontgrendelt het kot en spreekt zachtaardig de zoete beesten aan. Gaarne hoor ik de maïskorrels dansen op de houten berden en de duiven aroetekoeën van genot. Daarna kan ik somwijlen weer wat inslapen. Alleen de reuk hindert me.... Ja, inderdaad, mijn waarde vriend, dat is hinderlijk. Het komt bij wijlen met vieze walmen omlaag. Kijk! dan zet ik het venster open en loop een uurtje langs de dokken, en 'k zie nog het snoezig lachje van Julia in het deurgat, gelijk een vol gestreel van de zomerzon. Haar man heet Firmien. Ik ben nu aan een doek bezig dat ik voor hem bestem: het verbeeldt, in een krans van voorjaarsbloemen, het liefdegedoe van twee aschblauwe rasduiven. Ik moet zijne twee bestvliegers uitschilderen, zegt hij. Dat zal ik doen. Hij wil het schilderij laten in een kostelijken lijst ophangen boven zijn bed, en daar past het waarlijk voor. En zoo, Anatole jongen, komt de trage vriendschap de onstuimigheid van tijdelijk misbaar vereffenen, zoo loopt, al spelend, het zangerige beekwater de ruige keien glad. Des Zaterdaags ga ik met Firmien in de Halve Maan een paar uren kaarten. Ik ben hem dankbaar. Hij doet het voor mij, zegt hij, want hij zelf heeft altijd het noodige geld niet op zak om de verloren pinten te betalen. Men tapt in de Halve Maan een uitmuntend bier. Vooral de geuze is lekker, maar ge moet hem aan de ton bestellen en hem stille drinken. Hij perelt gelijk een julimorgen en hij vloeit zooals het licht van de maan, wanneer het, bij diep-blauwen najaarsnacht, lui en weelderig uit de violetten hemelvaten neerspoelt,--lui, en weelderig, en geluideloos."
* * * * *
Johan Doxa zou het nooit over zijn hart krijgen om kinderen onzacht te behandelen. Hij leefde in groote kameraadschap met de negen kinderen van mevrouw Sikkel. Mevrouw Sikkel zond hem de lieve bende--met uitzondering van de drie oudsten die school gingen--telkens als ze buiten huis op boodschap moest uitloopen. Dit had ze ook nu, binst dezen mooien Lentenanoen, gedaan en, om de gewone dienstwilligheid van Johan niet te misbruiken of te belasten, had ze het kleinste bengeltje medegenomen.
De kinderen lawaaiden binnen het gekalkte kamertje en ze werden wilder naarmate ze merkten dat Johan vrede ermee had. Ze zetten de stoelen opeen, klauterden op de tafel, verfden mannekens op den muur en speelden paardje op de buis van den kachel. En paar hadden voorgenomen om in het duivenkot te kruipen, maar dit werd streng verboden. Ze hadden de kast opengetrokken en kleedden zich aan met hemden en vesten. Ze maakten een heerlijke pret en Johan Doxa glimlachte genoeglijk bij die leute van het rumoerig volkje. Hij liet de heimelijke pagadders, alsof hij 't niet merkte, aan zijne broekpijpen snokken. Hij speelde eindelijk zelf mee, zat, op zijne knieën naar de kleinen te grabbelen en lengde zich soms plat uit op zijn buik. De snoezige lievertjes sprongen op zijn rug, knepen in zijne billen, trokken met zijn haar, vielen hem al tegelijk aan en begonnen te stampen en te vuisten. Hij richtte zich moe en zweetend op ten halve en wreef, dwaaslachend, over de roode vlekken, welke in zijn gelaat waren geschart. Een jongetje liet een verfpot omvallen en streek de roode kleur met een kleerborstel open. Een ander knipte met een beroeste schaar in een fluweelen borstdoek, en had zich, om tot dit aandachtig bedrijf gemakkelijk te zitten, op het hoofdkussen van het bed gezet. De zon stortte door het dubbele dakvenster en de duiven, achter de riekende berden, troetelden vertrouwelijk. Toen werd de deur ruw opengestoken en Julia stoof rokwaaiend binnen, zoodat het luttel kindergepeupel versteend bleef in vreezachtige roerloosheid en Johan, als verslagen, daar onbeweeglijk zich te schamen lag. Hij sprong dan recht en Julia viel schreiend in zijne armen.--"O Johan! mijn lieve Johan!"
Het was een roerend schouwspel en Johan, die alle bewustzijn verloor, streelde met zijne bevende vingeren over haar hoofd en op hare schouders. Pas na een dikke stonde begreep hij uit de stootende woorden van de hopelooze Julia dat de politieagent schielijk op straat aan beroerte gestorven was. Hij begon stille te weenen en zijn hart was zeer aangedaan.
* * * * *
De dagen, die hierop volgden, slierden langs een grijze reke voorbij en Johan Doxa herkende zijn eigen niet. Hij zat op zijn kamertje te dubben en zijn ongemak bleef duren. Hij at niet, telde de morgens en de avonden niet en de nachten vervulden zijn geest met beelden van onredelijke verschrikking. Lieven Lazare kwam hem opzoeken, sprak hem van de goddelijke inzichten, die hem hadden tot een vod van schande gemaakt.
--"God heeft mij den weg gewezen naar uw sponde, Johan" zei hij. "Ik heb gevoeld dat ik u vinden zou in onzeggelijke vertwijfeling en daar ligt ge nu--een wrak van zielloos vleesch op de baren van uw opgebiechte zinnelijkheid. O mensch, ik herhaal en ik herhaal het u: eene kwaal van helschen oorsprong bijt u, gelijk een kanker, aan het hart. Raad ik het niet? Maar neen, de ingevingen van den Eersten Persoon, welke mij op dit oogenblik bezielen zijn onbedrieglijk en gij moogt niet langer weigeren uwe zonden te biechten. Red u, als er nog tijd toe is."
Het bleek genoeg uit de koppige stilzwijgendheid van Johan, dat hij alle poging tot redding opgegeven had. Op een schoonen dag van het voorjaar werd het huwelijk van Johan en Julia in de kleine Kathelijnekerk door een korten priester gezegend. Ze kwamen op het zolderkamertje inwonen en sleten er een gemengd leven van geluk en trage treurigheid. Johan ging alle nanoenen slenteren langs de hooge stad, gejaagd drillend door de straten van de Kappellewijk of opkruipend naar de steile gangen van het massale Gerechtshof. Zijn haar wippelde haast ongekamd over zijne ooren en zijne broek slodderde op zijne kuiten. Hij luisterde naar de piepende muziek der draaiorgels en tuurde naar de doening van kinderen en honden en citroenwijven. Hij had willen een schilderij maken vol met engels en heiligen en hij peinsde dikwijls op de rijke borduursels welke hij met goud en edelsteenen zinnens was heel ommendom de bonte fluweelen mantels te versieren. Maar hij nam zijne ronde palet niet meer op. Hij liep de Hooge Stad rond en daalde daarna naar de Priemstraat. Zoo volgde hij de zware bierwagens, die er op en neer daverden, en hij deed, voor de welriekende herbergen, de ledige tonnen klinken, aandachtig het uiterste bier opvangend in een rood-bekleurd tomatendoosje, hetwelk hij op al zijne wandelingen binnen zijn diepen vestzak mededroeg.
* * * * *
II
JOHAN DOXA
LICHTMIS
Het leven van Johan Doxa was zeer ellendig geworden, maar hij beleed het met prijzenswaardige langmoedigheid en kinderlijken eenvoud. Julia zijne vrouw, welke hij eerst zoo verduldig had liefgekregen, begon hij stilaan te eerbiedigen. Het ontzaglijke karakter van Julia was daaraan niet vreemd. Zij handhaafde hare autoriteit met een vreeselijk geweld en haar mond was telkens vol schrikkelijke woorden. Nooit kwam oproerlust in het langzame hart van Johan Doxa zwellen. Hij herkende de oppermacht van zijne vrouw en verdroeg zoetekens hare aanvallen. Zoo verdraagt het goede riet de ruzie van den stormenden wind....
Maar alopeens--in 't putje van den winter--werd Julia ziek. Zij had, na den zomer, een korte valling opgedaan en de vele drankmiddeltjes, geleerde pillen en geheimzinnige baaibaden, die zij te gelijk of overhand gebruikte, brachten haar geen beternis. Met Februari moest ze te bed blijven liggen en het uitzicht van de kamer veranderde meteen.
Het deed Johan Doxa zeer aan, hoewel zijne vrouw door hare ziekte in geen deele belet werd lucht te geven aan haar krakeelzuchtig gemoed. Integendeel, zij was daarbij heviger en scherper dan vroeger, en Johan, haar dikke man, zat dikwijls haar aan te kijken, zonder luisteren, idioot van dubben of zeggend in zijn benauwd binnenste:--Zij is krank. Zij moet doorgaan. Zij kan 't niet gebeteren.... En misschien heb ik ongelijk ook?!..