Chapter 4
Het was ernst. We voelden ons in oorlog. Den heelen dag spraken we er over. We wisten van den vijand alleen kwaad. Ze waren »schooiers" of »kalen", al naardat ze tot een armere of een rijkere school behoorden. We bluften op onze heldendaden, we smaalden op hun lafheid. En we dachten aan niets dan aan den krijg. Hoe de oorlog was aangekomen, wisten de meesten niet. Er ging alleen een gerucht rond van een of andere »gemeene streek" of verregaande aanmatiging. Dat was voor de massa genoeg. Die vroeg niet naar een casus belli. Het feit alleen, dat er oorlog was, joeg ze al te hoop. Ze vond het heerlijk, in groepen rond te zwerven, stokken of riemen te zwaaien, en den vijand na te rennen.
En toch was het komedie. We pasten wel op, dat we geen jongen gevaarlijk raakten. Ja, met een stok of riem tegen de beenen, hoogstens tegen den romp slaan. Maar nooit tegen zijn hoofd. En ook nooit een trap tegen zijn buik of een stomp in zijn hartstreek. Wie zoo iets deed, stond eigenlijk bij ons in minachting, ook al behoorde hij tot de onzen. Er was een ongeschreven jongenswet, waarin onridderlijke daden verboden waren. Ik denk, dat we dit niet aan de school dankten, maar aan de grootmoedigheid van onze boekenhelden.
Volwassenen maakten zich soms ernstig bezorgd over ons vechten. Totaal overbodig. Want het was bijna uitsluitend parade en bluf. Grootdoenerij. Een gelegenheid om te hollen, te schreeuwen, te zwaaien, te smijten. En de oorlog stierf zijn eigen dood. Ik weet van geen enkelen oorlog, die met een verklaring begon en met een vrede besloot. Hij ontstond en verdween, als de stormen in de atmosfeer.
Maar dan was er nog een tweede ding, dat ik nu, uit de verte, heel duidelijk zie. Al waren er ook veertig, vijftig, en meer jongens bij betrokken, eigenlijk draaide de heele beweging om een paar. Als zij voorgingen, volgden de anderen. Als zij verslapten, dropen allen af. Niet alleen onder de schapen heb je de belhamels. Die schijn je bij alle »gezellig levende dieren" te hebben. En de mensch is zoo'n gezellig levend dier. Let op de belhamels. In hen heb je de kudde!
* * * * *
Erger dan het vechten was onze baldadigheid. Eén voorval herinner ik me nog heel levendig.
Misschien weten de meeste volwassenen niet eens, dat je in de raamposten gaatjes hebt--of hadt--aan elken kant een. Die dienden, geloof ik--we kregen toen nog geen zaakonderwijs--om er pennen door te steken, die 's nachts de buitenblinden moesten vasthouden.
Nu was er in de Westerstraat een porcelein- en glaswinkel, waar we zulke gaatjes ontdekt hadden. Als je door het gaatje een dun stokje stak, kwam dit aan de binnenzij te voorschijn en dan kon je er iets in de uitstalling mee omduwen, een glaasje, een kopje, een vaasje of een ander niet te zwaar voorwerp.
Dat deden we. Heel onschuldig bewonderden we de uitgestalde waar, maar staken inmiddels de stokjes door de gaten en duwden. Tuimelde er een ding rinkelend om, dan holden we hard weg.
Eens stonden we weer voor het raam, werkten met stokjes, en loerden onderdehand of de baas in de achterkamer bleef.
Plotseling gaat de kamerdeur open, en zien we den man in zijn overhemdsmouwen driftig den winkel in vliegen.
Wij op den loop. Een kerel in overhemdsmouwen en blootshoofds, die je zoo maar op straat naholt, dat is voor jongens nog erger dan een politieagent. Zoo'n kerel ontziet niets en kan hard loopen.
Wij vlogen dan ook over den weg. Hier was het nu bijna letterlijk waar, dat de angst ons de voeten bevleugelde. Hij was ons natuurlijk vrij dicht op de hielen, een winkellengte, en we konden hem alleen door een razende vaart ontsnappen.
Ha, dát was loopen. Als een hinde voor de honden. Zulke vergelijkingen begrepen we best, veel beter dan de meester. Wij hadden den angst _in_ ons gehad.
Daar bereikten we de eerste dwarsstraat. We vlogen den hoek om, en kwamen midden in een hoop blaffende en vechtende honden terecht. Die vergaten natuurlijk aanstonds hun geschillen, om op de hollende jongensbeenen af te stuiven. Maar die renden er, behalve één paar, allen tusschen door, de honden trappende, zoodat ze jankend wegstoven. Alle, behalve één paar. En die waren van mij.
Ik was bang voor honden. En toen ik daar zoo plotseling door zes of zeven blaffende honden besprongen werd, stond ik dadelijk stil. Ik durfde niet door die woedende bekken heenbreken.
Maar achter me kwam de kerel in zijn overhemdsmouwen en zijn bloote hoofd.
Toen stond ik ineens voor de uitstalkast van een koek- en banketwinkel. Dat was tegenwoordigheid van geest. En ik bewonderde de uitstalling met zoo ongeveinsde belangstelling, dat ik den man aan het twijfelen bracht.
Daar was een kunststuk van suikerbakkerij. Een tandarts had een boer een kies getrokken. Hij stond met de kies nog in de tang. Maar de boer hield beide handen aan 't pijnlijk vertrokken gezicht. En in witte suikerletters stond er bij te lezen:
_Je hebt de verkeerde getrokken. Ik trek je ze allemaal voor hetzelfde geld._
Het geheele kunstwerk was in een glazen kastje geborgen.
Van dezen humor stond ik bevend te genieten, toen ik een stem achter me hoorde: »Jij was er ook bij, bliksemsche smeerlap!"
»Waarbij, meneer?"
»Ja, sta me nou maar niet te bedondere. Ik heb je heel goed gezien."
»Ik weet nergens van, meneer!"
»Heb jij niet met je vuile poote aan dat winkelraam gezete?"
»Nee meneer, heusch, ik weet nergens van."
Dat woord »heusch" was een woord, dat we alleen bij zulke gelegenheden gebruikten.
De meneer in zijn hemdsmouwen scheen zich door mijn schijnheilig gezicht toch te laten »bedondere". Hij was niet zeker van zijn zaak. Grommend en scheldend trok hij af, terug naar zijn winkel.
Toen liep ook ik verder. Neen, ik wandelde verder. Wat genoot ik van mijn triomf! De andere waren naar huis gehold, de dwarsstraat uit, den hoek om, en zoo verder. Ik wandelde op mijn dooie gemak, als een rentenier, als iemand, die zijn tijd aan zich heeft en zijn omgeving volkomen beheerscht.
Daar kwam nog iets bij. De vent had zich nog eens kunnen bezinnen en me toch in mijn nek willen nemen. Daarom mocht hij geen oogenblik denken, dat ik haast had, om weg te komen. Zonder om te kijken slenterde ik de dwarsstraat door als een volmaakt onschuldige. Ik bleef in mijn rol.
»Wie niet sterk is, moet slim zijn." Juist. Wie niet sterk is, _dient_ slim te zijn. Of hij gaat ten onder.
Wie niet sterk is, _is_ slim. Dat is zijn instinkt tot zelfbehoud.
Ik was niet beredeneerd slim. Ik had dat mooie redmiddeltje niet uitgedacht. Ik was instinktmatig slim, zooals een drenkeling instinktmatig de armen uitslaat. De slimheid was er, ineens, onbedacht. Ze was mezelf een verrassing. De slimheid--ge moogt ook zeggen: de huichelarij--was door den nood voortgebracht. Ze was een noodprodukt, gelijk zekere vieze lucht bij den bunzing.
Toen ik in onze straat en bij ons huis kwam, zaten de anderen reeds rustig op de stoep, zoo maar op de koude, hardsteenen stoep.
Een luid gejuich ging op, toen ze me zagen. Geen oogenblik hadden ze gevreesd, dat ik »in die kerel z'n poote" was gekomen. (Jongens gebruiken bij voorkeur ruwe woorden en sterke uitdrukkingen, evenals het plebs, niet uit plebeïschen zin, maar, en alweer evenals het plebs, uit onrijpheid: Kleine kinderen maken vuile luiers). Ze waren dus geen zier ongerust omtrent mij. Ik zou me wel gered hebben op een of andere manier. Wij waren niet kleinzeerig of gauw bekommerd ten opzichte van elkaar.
En toen begon het opsnijen. Ik hoor een der jongens nog vertellen, dat hij midden in dat hondengeraas op een grooten hond was gesprongen, dien bij zijn ooren had gepakt om hem te mennen, en zich zoo naar huis had laten rijden. En wij schenen dat te gelooven. Ik herinner me tenminste niet, dat het verhaal als onmogelijk verworpen werd. Het behoorde tot de heldenfeiten, die we verrichten of verzonnen, maar in ieder geval bewonderden.
Mijn daad werd ook bewonderd. Ik had dien kerel mooi (tegenwoordig zeggen de jongens: fijn) te pakken gehad. En niet een van ons dacht aan de schade, die we den man berokkend hadden.
Niet een begreep zijn woede over onze pure en brutale baldadigheid. We kwámen niet in zijn geval.
»Hè, wat bliksemde dat glas lekker naar beneje! En wat holde die kerel met zijn bloote kop! Jammer dat die honden hem niet in zijn poote gebeten hebbe!"
Dat was ons medelijden.
* * * * *
Nog twee herinneringen zijn me bijgebleven aan de school op de Lindengracht. Ze staan beide in verband met het huis van den bovenmeester.
Ik moet op een keer eens iets heel erg kwaads gedaan hebben. Wat, dat weet ik niet meer. Maar het nablijven in de gewone school was blijkbaar niet erg genoeg. Ik moest met meneer Kuyper mee, eenige portalen door, naar zijn woning, naast de school en daarmee verbonden.
Wij gingen een trap op, ik voor, hij achter. Wat was dat indrukwekkend. 't Was er zoo stil. En dan alleen met den bovenmeester. In zijn eigen huis!
Wij kwamen boven in een gang met witgestukadoorde muren. Er lag een looper.
Toen moest ik daar in den hoek staan. Meneer Kuyper ging naar binnen, in een kamer.
Ik stond er, doodstil.
Wat was het hier rustig.
Wat was het hier vredig.
En zoo netjes.
Er zweefde iets lieflijks in de atmosfeer.
Ik voelde me heerlijk. Volmaakt gelukkig.
En dat onder die allerstrengste straf.
Maar het zou veranderen. Meneer Kuyper had een hondje. Ik hoorde het blaffen. Weg was mijn rust. Voor iederen hond was ik bang. Nu stond ik doodsangsten uit, dat het dier in de gang zou komen.
Daar had je de ellende al. Een deur ging open. Blaffend kwam het keffertje er uit en rende natuurlijk aanstonds naar mijn beenen.
Ik drong me, in angst, tegen den muur aan, en begon luid te schreeuwen. Ik wrong me buiten het bereik van het gebit. Maar dat tuig is altijd zoo, dat ze juist bange jongens het ergst aanblaffen. 't Is onedel gedierte, bijna zoo onedel als een straatjongen.
Gelukkig klonk daar een lieve vrouwenstem. Die riep het hondje weg. Het was de nog jonge vrouw van den bovenmeester. Ze kwam in de gang. Ze zag mijn beschreide oogen, en zei enkele zachte woorden. Ze vroeg, of ik zoo erg ondeugend was geweest. Ik keek haar aan. Er was zeker iets smeekends in mijn blik. Ze legde haar hand op mijn hoofden streelde me. Toen ging ze even naar binnen, en bracht me een boterham.
Lieve schoolmeesters in Nederland, die dit leest. En ook gij, huisvaders. Luistert nu eens goed. Ik weet absoluut niets meer van het kwaad, dat me deze buitengewone straf op den hals heeft gehaald. Ik weet niets meer van den geduchten uitbrander, dien ik zeker gekregen moet hebben. Van die geheele geschiedenis weet ik niets meer.
Maar ik weet nog wel van die gang, en van dat hondje, en van die lieve vrouwenstem, en van die zachte vrouwenhand, en van die boterham.
Ik voel nog de verademing, de ontroering, de dankbaarheid bij _haar_ verschijning. Die stem, die hand, die boterham, dat was nu opvoeding, dat was christelijke opvoeding.
Daar boven, in het hoekje tegen den muur, daar ben ik christelijk opgevoed. Zoo maar zonder catechismus. En in enkele oogenblikken.
Toe, geloof me nu eens. We beseften ons eigen kwaad zoo weinig, dat we er in roemden. We gaven niets om straffen, en als ze wat bijzonder waren, hadden we zelfs gevoel voor het aantrekkelijke er in. Maar ons harde hart brak bij een zacht woord. En we voelden ons gezegend en geheiligd door een teere hand.
* * * * *
We gaan nog eens naar het huis van den bovenmeester. Maar nu blijven we buiten staan.
't Is tusschen half negen en negen uur. De schooldeur is open. De kinderen komen de Lindegracht op. Maar allen kijken even naar de deur van het woonhuis. Daar is een briefje op aangebracht: »De zieke heeft een onrustigen nacht gehad. Toestand hetzelfde." Dan loopen ze zacht door en gaan stil naar binnen.
Meneer Kuyper is ziek. 't Is ernstig, heel ernstig. Elken morgen wordt de toestand meegedeeld. Er mag niet gebeld worden.
Er ligt een donkere schaduw over de school. We denken niet aan ondeugendheid. Met den meester hebben we een wapenstilstand gesloten. Dit briefje stemt ons tot gehoorzaamheid, hem tot redelijkheid. Hij is een poos geen barbaar.
De zieke daarboven beheerscht de school. Alleen door zijn ziekte. Weet hij nog wel iets van wat er beneden gebeurt? Waarschijnlijk niet. Maar wij weten wel, wat daarboven gebeurt. Daar ligt hij ziek. Hij, die teere, bleeke figuur. Nu ligt hij te bed, nog bleeker dan ooit.
We weten wel zooveel, dat zulke briefjes op de deur een veeg teeken zijn. Dat doet men alleen bij heel, heel erge zieken. We loopen zacht het huis voorbij. Er is geen geschreeuw op de gracht. Hij is ziek. Hij.
De berichten op de deur worden steeds ernstiger. Eindelijk lezen we: »Hedennacht overleden." De gordijnen zijn gezakt. Er is geen school. We gaan naar huis. Niets, niets blij met de vakantie.
Ik denk aan dien zachten man, biddende met zijn zachte stem. Ik hoor hem weer aan 't orgel.
Ik denk aan zijn lieve vrouw. Die zal nu wel erg bedroefd zijn.
Ik denk aan 't hondje.
En nu, veertig jaren later, denk ik:
Ik wou, dat die lieve vrouw nog leefde. En dat ze dan dit las. Dan zou ze hooren, wat ze zeker nooit geweten heeft, hoe dat ondeugende jongetje, daar boven in de gang--ze herinnert zich geen jongetje?--hoe dat jongetje haar en haar lieven man in gezegend aandenken heeft gehouden. Zijn leven lang.
* * *
Toen meneer Kuyper de school aan de Lindegracht verlaten had, ging ook ik weg. Ik heb een flauw vermoeden, dat het om achterstallig schoolgeld was, maar zeker weet ik het niet.
Maar ik was blij, dat ik wegging.
IN HUIS.
Wat weet ik nog van mijn huis? Ik ken er nog de heele geografie van, hoewel ik die nooit heb gememoriseerd. Hier is een stukje landkaart van den winkel.
______ +-======-------======-------------------+ | ¯¯¯¯¯¯ | +------- -----------------------+ | +-----| toonbank | | | | | | |stoep| winkel | | | | | | | | deur | | | +-======-----+------+-----------+-------+ | | |===== trap naar den| | hardsteenen | bank |===== kelder onder| | stoep | |===== den winkel | +------------------+------+-------------------+
Je ging met een stapje de blauwe hardsteenen stoep op. Rechts stond een groengeverfde houten bank. Die hadden toentertijd alle menschen terzij van hun huisdeur. De Potgieterkenners onder mijn lezers herinneren zich wel de prachtige strofe: »Oud Amsterdam was 't kijkje waard," waarin onze dichter verklapt: »Ter sluik werd op die bank gekust." Dat nu deden wij nog niet.
De stoep was voor ons wat de plankjes of het plat bij een duiventil zijn. We streken er op neer, als we van onze verre vluchten vermoeid thuis kwamen, ze was het buitenstuk van ons heim. Eenmaal op de stoep, waren we op ons erf. We zaten er, bij mooi weer, uren achtereen, terwijl de volwassenen op de bank van de avondlucht genoten. Vader zijn pijp rookend, een Goudsch krommertje. En dan bikkelden we er met de meisjes mee of deden malkaar verhalen, als 't wat donker werd, hoe griezeliger, hoe liever. Of we van die koude zitplaats buikpijn konden krijgen, daar dachten we niet aan, en in ieder geval bekommerden we er ons niet om, evenmin of de verbeelding verontrust of de slaap verstoord werd door die geschiedenissen.
Een van mijn vriendjes, Jan S., hoorde thuis prachtige vertellingen. Zijn vader las Zondagsavonds voor uit een boek: »Christemeijer. Verhalen uit de lijfstraffelijke regtspleging." Hoe is het mogelijk, dat ik dien titel nog weet, met die onkinderlijke woorden van »lijfstraffelijke regtspleging." Dat komt doordat ik soms bij dat voorlezen tegenwoordig mocht wezen, dan naar dat boek zat te kijken en ook het titelblad heb mogen zien. Wat een kind toch al leeren kan, als men hem het zien niet verbiedt!
Die verhalen waren echter voor ons te ingewikkeld. Wij vertelden elkaar van »Het huis met de hoofden." Dat stond op de Keizersgracht, een groot heerenhuis met zeven manskoppen in den voorgevel. Eens was de familie van dat huis uit en een meid alleen thuis. Die hoorde 's avonds laat gerucht bij een klein venstertje in de onderverdieping. Zij ging er heen, begreep al gauw dat daar roovers waren, en kreeg geen flauwte, of vluchtte niet in een kast, maar zette zich, gewapend met een vlijmscherp broodmes, op post aan de binnenzij van 't kleine raampje. Daar kroop een kerel naar binnen. Zijn ruige kop was zichtbaar, gemeene kop, met ruwen baard. Hij werkte er zich doorheen. Maar nu helpt zij hem een handje, snijdt hem in één haal den kop af--we hoorden dien vallen--en trekt dan den kerel naar binnen. »Kom maar," riep ze daarna met een gedempte mannenstem. Nummer twee kwam, doch werd net ontvangen als nummer een. En dat welkom werd het deel van alle zeven. Toen meneer en mevrouw thuis kwamen, kon de meid hun toonen, hoe wakker ze meneers bezittingen verdedigd had. Te harer eere werden er nu zeven koppen in den gevel aangebracht, en dikwijls maakten wij, jongens, een tocht naar dat huis, om de gemeene tronies aan te kijken, maar vooral om te tellen, of er wel echt zeven waren.
De paedagogiek kan uit deze eigenaardige bedevaarten leeren, welke beteekenis het _woord_ heeft voor de zaakkennis, het belangstelling en onderzoekingslust wekkende woord. Maar dat woord moet dan interessant zijn, inslaan in de kinderziel, als het verhaal van »Het huis met de zeven hoofden".
Een andere vertelling was van een kind, dat zijn beentje was afgezet, zonder dat beentje gestorven en begraven was, en nu elken nacht rondspookte, om zijn beentje te zoeken. Met een donkere grafstem liet de verteller het dwalende kind roepen: »Mijn beentje, mijn beentje! Wie heeft er mijn beentje?" Ademloos zaten we te luisteren naar den grafgewelfgalm in de klanken van dat _beentje_, de donkere _ee_, gevolgd door den galmend rekkenden neusklank. Beproef het eens, zeg het eens overluid met een zoekende, donkere, dreigende stem, en ge zult de werking van die beenderklanken hooren: »Wie h_ee_ft er mijn _beentje_?" De _ee_ van _heeft_ werkt eerbiedig mee, stille bijtoon bij de donkere grafgalmen. En als dan de verteller ons geheel in de stemming had gebracht, wij het spokende kind zagen en de smartelijke stem hoorden, dan sprong hij ineens op, greep een der toehoorders bij de schouders, en riep met woedend uitvallende stem: »Jij hebt mijn beentje!"
We wisten vooruit, dat dit komen moest, alleen wisten we niet wien het treffen zou, maar telken keer als het verhaal dien plotselingen keer nam, sprongen we verschrikt op, sidderend van ontsteltenis. Hè, dat was heerlijk geweest, zoo griezelig heerlijk.
Weer een ander verhaal was van den jongen edelman, die zijn vader vermoord had, om de vrije beschikking te kunnen krijgen over diens rijkdommen. Eenzaam zat de ontaarde zoon in zijn kasteel. Maar te midden van al zijn schatten voelde hij zich niet rustig. 't Was herfst. Buiten gierde de wind door 't gebladerte. En binnen was hij, luisterend naar alle gillen en loeien van den wind om 't hooge huis. Hoor, daar treft een vreemd geluid zijn oor. 't Is of er iemand de steenen trap oploopt. »Slof, slof, slof, slof!" Zoo sleepte zijn oude vader zich altijd naar boven. De zoon beeft van angst en onrust. Maar hij vermant zich, en gaat kijken. Daar ziet hij, langzaam de trap opzuchtend, een witte gestalte, in wijden mantel, en met langen, grijzen baard. Het is zijn vader. Ontzet snelt de vadermoordenaar naar binnen, werpt de deur in 't slot, en verbergt zich daarachter met zijn schuldig hart. Maar deuren en sloten mochten niet baten. Elken avond, op een vast uur, hoort hij dat zachte, maar doordringende: »Slof, slof, slof, slof." Hij stopt zijn ooren toe, maar 't helpt niet. Dikke gordijnen hangt hij voor de deur, maar ze konden het geluid niet smoren. Klokke tien kondigde het eentonige, zuchtende gesleep op de trap het bezoek van den vermoorde aan, avond aan avond, totdat eindelijk de zoon krankzinnig werd van angst en niemand het groote kasteel meer durfde naderen.
Die uurtjes van vertellen waren zalig. De volwassenen zaten op de bank of op wat stoelen, die men er bij gezet had. Wij schoolden, terzij van 't huis, op de stoep samen, kropen dicht bijeen, en huiverden van genot. »Wat zijn de jongens stil," zei Moeder dan, gewoon aan ons altijddurend hollen en schreeuwen en stoeien. Geen wonder. Wie zou een kik gegeven of beweging gemaakt hebben, bij het somber rondgaande: »Wie heeft er mijn beentje," of het huiveringwekkende: »Slof, slof!" Die vertellingen met zoo'n telkens weer opdoemende vraag of herhaald geluid waren ons nog het liefste, want dan hoorde je het spookachtige telkens dichterbij komen. Je hart kromp er bij ineen. Dát was genieten. En dan ging je straks stil in huis en naar bed.
* * * * *
Van de stoep kwam je in den winkel. Wat beteekende die winkel voor ons, kinderen? Een last en een lust.
De last was het boodschappen-loopen. Pas was je uit school, of je hoorde: »Loop eens gauw naar die of die en breng daar de koffie." Die of die woonde natuurlijk niet in de buurt, anders was de boodschap niet noodig geweest. En dan moest je, in plaats van lekker op straat te spelen, een half uur ver, met moede beenen slenteren door vervelende straten of langs lange grachten. Die beenen zouden niets moe zijn geweest, als ze hadden mogen hollen bij het krijgertje-spelen. En hier moet de paedalogie bij haar vermoeidheidsproeven eens goed nota van nemen. Ik bedoel, of de vermoeidheid dikwijls niet meer in de gedrukte gemoedsstemming zit, dan in het werk; of tegenzin en teleurstelling niet meer verlammen dan physieke en geestelijke inspanning, al hebben deze--natuurlijk!--haar grenzen.
Vooral de Zaterdagnamiddag was voor mijn twee jaar ouderen broer en mij een ellende. Dan moesten we geregeld »klantenloopen". Met zware manden sjokten we dan eerst het eene eind van de stad in, en dan het andere.
Gelukkig hadden we onze bepaalde menschen, waar je altijd een paar centen kreeg. Dat waren dan meestal goedige dienstboden, en dat kan ik nu, uit de verte, best begrijpen: die wisten bij ervaring, hoe aangenaam zoo'n kleine verrassing is. Men ijvert vaak tegen de fooien. Zeker, er zit een kwaad aan vast. Maar toch ook, zoo'n enorme massa levensgeluk wordt in die kleine schenkingen dagelijks onder de menschen verspreid. Ik geef ze graag, omdat ik ze altijd zoo graag ontvangen heb. Een paar centen, en een lange, zware terugweg werd verkort en verlicht. En dat zou nooit bereikt zijn door een vast loon, al wil de redeneerzieke mechanicus dit ook beweren. Een gulden meer weekloon is _niet_ hetzelfde als een gulden fooien. Zoo iets meent en verdedigt alleen de kortzichtige in-mekaar-zetter van 't leven. Die verhooging van weekloon wordt al gauw een stuk gewoonte, niet meer gevoeld, niet meer gewaardeerd; niet meer een levensvreugde. En die langzaam bijeen gekregen fooien, opklimmend tot bij, tot aan den gulden, maken de heele week goed, dag aan dag, geven telkens een geluksemotie.