Chapter 3
Van het geld kochten we eerst een grooten zak krenten, die voor pruimtabak moesten dienen. We verdeelden ze onder elkaar en hadden dan elk voor zich een afleiding en hartversterking. Telkens namen we een handje krenten, wierpen die in onzen mond, verborgen ze achter de kiezen, en hielden ze daar gezellig opgehoopt. Ik voel zeer goed, wat zoo'n tabakspruim voor een werkman beteekent. Het is niet de lekkernij, die hem bekoort, maar de gezelligheid. Zoo'n handjevol tabak, steeds op dezelfde plaats bewaard en bewerkt, is voor hem een soort kameraad, een vertrouwelijk vriend, met wien hij heel eigen is. Hij voelt zich niet meer eenzaam en verlaten, niet meer unheimisch, als hij dezen gezel op zijn vaste plaatsje meedraagt. Zooals meisjes een pop behoeven, om een leegte aan te vullen, jongens een stok moeten dragen, om niet zoo alleen te zijn, vele volwassenen een kat in de kamer of een hond op de wandeling moeten hebben, om het gevoel van verlatenheid te breken, zoo heeft de stugge werker op het veld of achter de heistelling in zijn tabakspruim een stuk gezelligheid in zijn eentonig leven. Een soldaat op post is met dezen vriend niet meer eenzaam in het nachtelijk uur. Als wij een verre boodschap moesten doen, vooral 's avonds, namen we een hard stukje kaaskorst in den mond, en kauwden en knauwden dat, niet om het op te eten, maar om van zijn nabijheid te genieten. Misschien hebben de psychologen voor deze gehechtheid aan de tabakspruim een veel betere verklaring, zoodra ze experimenten genomen hebben met heiers mét en zónder pruim, wellicht komt het dan alles neer op prikkeling van bepaalde zenuwen en overheersching van bepaalde bewustzijnstoestanden, maar ik, die alleen eigen ervaring raadplegen kan, te dom voor experimenten en te lui voor statistieken, voel die gehechtheid alleen als een gemoedsverschijnsel. Een afleiding, zegt het volk. Juist, een afleiding van zijn enkelheid. Een afleiding, die Adam zelfs in het Paradijs noodig had, toen hij, te midden der onbeperktste weelde, zich toch eenzaam voelde, en Eva kreeg. Als een tabakspruim? Lieve menschen, ik wou, dat men alle aesthetische gevoelens een oogenblik het zwijgen kon opleggen. Eva was een wonderschoone verschijning--lees maar in Vondels verzen--om wie de Engelen mensch zouden willen zijn. En een tabakspruim--nu, ik wil de voorstelling niet verlevendigen. Maar die tabak was ook eenmaal een frischgroene plant, en Eva zal ook eenmaal verrotting zijn. We moeten over de grenzen van het heden heenzien, dan ontwaren we meer gelijkheid, dan iemand ooit vermoedde. En--om te besluiten--wellicht heeft menige Adam meer te danken aan zijn willige, zich altijd schikkende tabak, aan dezen nooit eischenden vriend, dan aan zijn Eva.
Wij, dit wilde ik slechts zeggen, bootsten met onze krentenpruimerij de groote menschen na, maar _zouden dit nooit gedaan hebben, als in ons niet dezelfde gemoedseigenschappen aanwezig waren als in die groote menschen_. Ook in ons was die behoefte aan dat intieme verkeer, en te sterker, bij een niet volkomen rustig geweten.
Voor het overige geld kochten we een reusachtigen vlieger en een heelen hoop strengen touw. En hiermee trokken we naar het Vondelpark. In de morgenuren was het daar nog al rustig. Je kon daar zoo lekker stil rondscharrelen, zonder dat je ieder oogenblik gevaar liep, een kennis tegen te komen. 't Was vrij ver uit de Jordaanbuurt en werkmenschen of winkeliers, gelijk onze ouders waren, hadden in de week geen tijd om overdag in het Vondelpark te wandelen, terwijl hun arbeid hen daar nooit heen voerde. Daar kwam nog iets bij. Je had achter 't Vondelpark mooie weilanden, om den vlieger op te laten, en in het park zelf dichte boschjes, om er hem te verstoppen. We hadden al gauw een verstolen hoekje gevonden, waar hij telkens met touw en al werd weggeborgen, als wij naar huis moesten, en waar we hem ook weer trouw terugvonden, als wij naar dit zalig oord terugkeerden.
Het spreekt vanzelf, dat we niet dag aan dag gingen vliegeren. Waarmee we dan de andere dagen doorbrachten, weet ik niet. Alleen herinner ik me, dat we ook vaak naar eenige landpaden gingen, buiten de Zaagpoort, en daar speelden op de balken en de boomstammen, die in het slootwater bij de houtzaagmolens lagen.
Dat was een van mijn heerlijkste genietingen. We trokken dan de schoenen en kousen uit, stroopten de broek zoo hoog mogelijk op, en speelden Bataviertje, waaruit ik nu alweer kan afleiden, dat ik op school van de Batavieren geleerd had. Wij waren Batavieren, die op vlotten den Rijn kwamen afdrijven. Daarbij liepen we op bloote voeten over de balken even rustig, vlug en gemakkelijk als op het land. Het was verwonderlijk, hoe vertrouwd we met onze vlotten waren. Terwijl we van balk op balk stapten, doken deze, soms dunne stammen, vaak diep onder water, maar daar bekommerden we ons in 't geheel niet om, integendeel, we vonden 't heerlijk. We waren thuis op onzen balkenvloer, we waren thuis in de slooten. Om natte pootjes gaven we absoluut niet. Hoe meer het water golfde en klotste en spatte, hoe liever 't ons was. De eenige voor wien we eenige vrees koesterden, dat was de molenaar. En eigenlijk waren we ook voor hem niet bang, we konden hem gauw genoeg ontvluchten. We waren voor niemand bang. Maar de mogelijkheid bestond, dat we bij een overhaaste vlucht onze kousen en schoenen op 't weiland moesten achterlaten, en dan zou natuurlijk alles uitkomen.
Toch werd deze sloot ons onheil. Op zekeren dag ging een der jongens gehurkt op een balk zitten. Een ander vond dat al te verleidelijk en gaf een trap tegen den balk, waardoor nummer een achterover in het water tuimelde. Dat was nu op zichzelf zoo erg niet, de sloot was niet zoo diep, en met het water waren we vertrouwd. De drenkeling was dan ook weer gauw aan land. Maar zoo kletsnat kon hij niet blijven rondloopen, zich uitkleeden en zijn goed te drogen leggen was te veel gewaagd met het oog op den molenaar. Die kon van onzen nood wel eens misbruik hebben gemaakt, door den jongen spiernaakt den weg op te jagen. Daarom deden we, wat we in zulke gevallen altijd deden, we gingen op een draf naar de gasfabriek, den natten kameraad, die in zijn zware, plakkende, druipende kleeren niet zoo hard loopen kon, tusschen twee flinke loopers in, hand aan hand met hem voorthollend, de anderen er achter.
In de gasfabriek, aan de buitenzij der stad gelegen, waren de mannen altijd welwillend. Ze vloekten er wel bij, maar dat hinderde niet. Hoe harder ze je uitscholden, hoe meer je van ze gedaan kreeg. »Baas, magge we d'r in, hij hèt in 't water gelege."--»Zoo, dondersche schooiers, het jelui weer met je mieter in 't water gelege. Wil je wel gauw opdondere."--»Och baas, hij is zoo nat, en dan krijgt ie van zijn vader."--De baas keek naar den klappertandenden schooier en liet ons binnen. »Vooruit dan maar, maar heb het hart in je lichaam, dat je 't me weer flikkert."--»Dank u wel, baas!" en we holden naar binnen. De natte kameraad kleedde zich uit als in 't zwembad en liep een beetje naakt rond te scharrelen en zich te warmen, terwijl wij zijn natte kleeren te drogen hielden bij de heete retorten. De werklieden lieten ons stil begaan, we waren jongens die zichzelf konden redden. Alleen nam deze of gene den kans waar, om den naakten sprinkhaan een kletsenden klap te geven, waarom de naakte sprinkhaan dan ook altijd zorgde, dat hij uit de voeten kwam als er een man naderde.
De kleeren waren gauw genoeg droog, maar ze hebben ons verraden. Hoe, dat herinner ik me niet meer, maar 't was na dit voorval gauw uit met de pret. Op een middag kwamen we thuis, met een onschuldig gezicht, of er niets gebeurd was, toen Moeder ons ontving met de ongewone vraag, waar we vandaan kwamen. Die vraag schokte ons hevig, maar we logen natuurlijk: Van school. En er was een boodschap gekomen, dat we al in geen drie weken op school waren geweest, en een jongen z'n moeder was in den winkel geweest en had verteld, dat ze aan zijn kleeren gezien had, dat hij in 't water had gelegen, en dat hij toen alles bekend had. Het viel niet meer te loochenen en ook wij moesten door de mand vallen.
Dit oogenblik herinner ik me nog heel levendig. We stonden in de huiskamer. Daar was een kastdeur met behangselpapier beplakt. Er was geen kruk in, wel een sleutel. Ik zie den zwartgeroesten sleutel nog uit het sleutelgat steken, donkere figuur in een omgeving van lichtgrijs papier. Op dit plekje, vlak bij de kast, moesten we ons kwaad openlijk erkennen. En toen stond het plotseling als een vreeselijk misdrijf voor me. Ineens voelde ik de zwaarte van 't vergrijp op mijn schouders drukken. Ik voelde mijn beenen trillen, greep den sleutel vast, zonk ineen, en begon hartstochtelijk te snikken. Wonderlijk toch, al die drie weken had ik genoten, was wel eens onrustig geweest, maar was er toch iederen dag op nieuw uit getrokken. Mijn geweten had zich laten sussen. 'k Had goed gegeten, goed geslapen. Maar nu het kwaad was uitgekomen, was aanstonds al mijn kracht gebroken en zakte ik, wanhopig en radeloos, in elkaar. Dat is de overweldigende macht der openbaarheid.
Tot straf mocht ik dien avond niet naar het verjaarpartijtje van een vriendje. Aanstonds uitkleeden en zonder eten naar bed. Dat was een groote straf voor me, want van dat partijtje had ik me heel veel voorgesteld. Niemand zal echter die straf te zwaar achten. Drie weken spijbelen, drie weken je ouders bedriegen, dat is voorwaar geen kleinigheid. Daarvoor is het onthouden van zoo'n genoegen eigenlijk nog een veel te geringe straf, ook al is voor een kind een kinderpartijtje een buitengewoon genot.
Maar wilt ge nu mijn Moeder eens leeren kennen? Toen ik tot acht uur of half negen of negen uur--ik weet het niet precies meer--stil in mijn bed had gelegen, telkens schreiend van diep berouw, maar wellicht nog meer uit medelijden met mijn arme zelf in mijn bitter treurigen toestand, kwam mijn Moeder bij mijn bed. Ik nam haar hand en kuste die, zooals een geslagen hond naar zijn meester kruipt en diens hand likt. Ik kon geen scheiding tusschen haar en mij hebben. En zij liet haar hand nemen en die kussen. Heete tranen vulden mijn oogen en vloeiden over mijn wangen. Was ik toch maar niet zoo'n slecht kind geweest.
Ze bukte zich over mij heen. Haar nabijheid was voor mij altijd rust en veiligheid en vrede. Maar nu bovenal. En ik sloeg mijn armen om haar hals. »Heb je er erge spijt van?"--O ja, en ik begon weer diep bedroefd te schreien. »Zal je 't nooit weer doen?"--Neen, zeker nooit weer, en mijn geschokt gemoed kwam tot kalmte. Dat stille schreien, tegen haar aan, 't was zoo'n verkwikking, bijna een zaligheid. Wat is het toch een wonder-gelukkig bezit voor een kind, een Moeder. Het is de oplossing van _al_ zijn ellende. En toen zei ze: »Zou je nog graag een uurtje naar Piet gaan?"
Ik kon mijn ooren niet gelooven. Toch naar het partijtje? »Graag!" zei ik. En zij: »Kom dan maar." Aanstonds was ik uit bed, wiesch me, trok mijn Zondagsche kleeren aan, die Moeder inmiddels haalde, kreeg een schoon boordje om, kuste haar, een, twee, drie maal, en vloog het huis uit, de reeds donkere gracht op, naar den verbeurden en reeds gesloten kinderhemel, die nu weer voor me geopend werd.
Van de feestpret wil ik hier niet vertellen, die is nu niet aan de orde, maar ik moet toch even een woord zeggen ter verdediging van--mijn Moeder, tegenover--de officieele paedagogiek. Die paedagogiek wou me later doen gelooven, dat een opvoeder konsekwent moet zijn. Hij mag niet gauw straffen, zoo dekreteerde ze, maar _als_ hij eenmaal straft, dan moet hij ook doorzetten; _als_ een kind eenmaal een uur nablijven moet, dan _moet_ het ook een uurtje nablijven. Want anders, zoo gaf ze reden van haar dekreet, werkt de straf als een ijdele bedreiging en stoort het kind zich in 't vervolg er niet meer aan. Zoo heeft de Paedagogiek mij steeds geleerd. En ook nu weer hoor en zie ik haar met ernstige stem en verontwaardigd gebaar de handelwijze mijner Moeder afkeuren. Maar wil ik Haar--ik bedoel de Paedagogiek, de Alwijze--nu eens iets zeggen? Mijn eigen ervaring slaat dit voorschrift vlak in 't aangezicht. Met haar generaliseeren bederft ze al haar wijsheid. Mijn Moeder was _niet_ konsekwent, in een buitengewoon ernstig geval had ze een zeer lichte straf opgelegd, en van die straf onthief ze ons voor een groot, voor het grootste deel. En dat deed ze uit pure zwakheid, omdat ze 't niet hebben kon, dat haar ondeugende jongen verstoken bleef van een in zijn oogen zeer groot genot. Ze kon niet konsekwent zijn. En ze liet uit enkel weekhartigheid, genade voor recht gelden. En wat was het gevolg? Dat ik nog nu in gedachten de hand kus, die mij vrijwillig uit mijn banden losmaakte. Dat ik reeds toen en mijn heele leven lang voor niets zoo bang was, als om Moeder verdriet te doen--al deed ik het natuurlijk ook vaak. Dat ik voor Moeder later alles over had en haar als een heilige mee door 't leven droeg. Dat was het gevolg van haar inkonsekwenties.
Maar de Paedagogiek vergeet ook altijd één ding. Ze vergeet de Stille Kracht. Den wonderbaren invloed van de persoonlijkheid, de overweldigende macht des Harten. De Paedagogiek werkt met maatregelen. Ze geeft altijd antwoord op de vraag van wanhopige opvoeders: »Wat moet ik _doen_?" En ze moet antwoorden op de vraag: »Hoe moet ik _zijn_?"
Doen? Doen? Geef een ongeschikte de voortreffelijkste middelen, en hij bereikt er averechtsche gevolgen mee. Hij maait geen graan met zijn zeisen, hij maait er zijn bloemhof mee kaal.
Wéés iets. En van uw Zijn gaat opvoeding uit. Dan moogt ge zieken genezen op den Sabbath. Dan kúnt ge zieken genezen op den Sabbath. En dan stoort ge u niet aan de Farizeesche Schriftmatigheid.
Ik was een kleine groote zondaar. Ik was gebroken door berouw. Maar ik werd opgericht--door Genade.
TUSSCHEN SCHOOL EN HUIS.
»De weg van school naar huis was voor vermoeide, overprikkelde jongens vol verleidingen."
Die verleidingen waren van een gansch andere soort dan die ons bekoorden als wij van huis naar school gingen. Op den heenweg naar het gehate gebouw lokte ons elke boom naar buiten. 't Was of iedere vogel ons riep: »Je gaat den verkeerden kant uit. Je moet niet naar dat muffe hok. Je moet naar de paden, naar de slooten, naar de velden. Je moet de ruimte in." Het was wel moeilijk, aan die roepstemmen geen gehoor te geven. En dat bleef zelfs een strijd voor me, toen ik al lang onderwijzer was. Naar school of daar buiten? O, dat buiten trok zoo. Het zoog je letterlijk den verkeerden kant op. En je moest je wel erg schrap zetten, om door die zuiging niet te worden meegevoerd. Ik kan me dan ook best een landlooper begrijpen. Een _land_looper, niet een straatslijper. Zoo eentje, die 't veld in trekt. En eigenlijk geloof ik, dat er een landlooper aan me verloren is gegaan. Daarom ben ik maar ambulante bovenmeester geworden. Dat leek er nog een beetje op. Niet waar?
Maar 's middags op den terugweg naar huis, dan lokte ons geen boom, of 't moest zijn om er in te klimmen, dan riep ons geen vogel, of 't moest zijn om hem met steenen te smijten. 's Middags was er niets in ons van de natuurzieke zwervers. Alle gevoeligheid en groenliefde was dik geworden als stroop in den winter. Ze konden niet meer vloeien. Ze lagen als onbewegelijke massa's in ons gemoed. 's Middags, dan was de strijdlust in ons wakker. Dan was iedere jongen van een andere school een brutale uittarting, alleen reeds door zijn verschijning. Dan was iedere winkeluitstalling een booze geest, die helsche vernielplannen in ons wakker riep. Dan daagde iedere dienstmeid ons uit met emmers water, die zij 't hart had op haar eigen stoep te zetten, of met huistrapjes, waarop zij de vrijpostigheid nam naar boven te klimmen voor 't glazenlappen, of zelfs met boodschappenmandjes, die ze zoo schaamteloos met den elleboog vasthield of aan de hand liet neerhangen. Dan was iedere onbeheerde handwagen een voorwerp, om een eind meegesleept te worden, ieder appelvrouwtje bestemd om te worden bestolen--niet uit steelzucht, maar uit loutere baldadigheid--, dan was iedere belknop een magneet voor jongenshanden, verstijfd door 't samenvouwen op den rand der schoolbank, dan was iedere deur het opentrappen waard, vooral de winkeldeuren met een rinkelende bel; dan was iedere gebochelde, iedere kreupele een model voor klassikale nabootsing, dan was zelfs iedere politieagent een mikpunt voor stukjes stopverf of voor hatelijke schimpscheuten. 's Middags, dan was de duivel in ons wakker, dank zij vijf uren van onderwijs overeenkomstig den geest der wet, die sprak van »opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden".
De heeren politici in vergaderzaal en krant hebben over die »christelijke en maatschappelijke deugden" heel wat geredeneerd. En de schoolmeesters in navolging van hen. Wat waren het toch, die »christelijke en maatschappelijke deugden", waarin bestond toch het verschil tusschen beide. Men dreef er den spot mee. Men speelde er een dialektisch spel mee. Men maakte er politieke kaatsballen van, zooals zelfs van nog veel heiliger dingen. En intusschen liet men de jeugd verdrogen, verschrompelen. Intusschen werden de kinderen vernield. Het ware te wenschen geweest, dat men van die »christelijke en maatschappelijke deugden" ernst had gemaakt, waarachtigen ernst. Mijnentwege hadden de onderwijzers het fijne onderscheid tusschen beide deugdrubrieken mogen voorbijzien, als ze die deugden maar hadden aangekweekt, door ze te beoefenen. Een beetje christelijkheid, ook in de christelijke school, zou voor ons zoo goed zijn geweest. Al was 't maar een klein beetje. De christelijkheid van »Laat de kinderen tot Mij komen En verhinder ze niet". Maar wij--werden verhinderd.
Zij hadden ons met _woorden_ wel gedreven, Maar hebben ons verhinderd met hun _leven_.
* * * * *
Vechten was onze hoofddeugd, op school met den meester en op straat met de heele geordende maatschappij. En dan in 't bizonder met de jongens van andere scholen. De Noordermarkt was ons slagveld.
Eerst moet ik echter iets vertellen van een onzer acrobatenkunsten daar, een kunst, die ik maar zelden, of eigenlijk nooit meer in beoefening heb zien brengen. Op dit marktplein stonden paaltjes en wel twee soorten: steenen met koppen als halve bollen en houten met koppen als halve liggende cilinders. Nu was het de kunst, op zoo'n paaltje te klimmen, zonder door een kameraad te worden geholpen, daarna er op te staan, eindelijk van het eene op het andere te stappen, en ten slotte de heele rij af te loopen. Men moet daar niet min over denken. Het eischte met elkaar uren en uren van geduldig oefenen, en dat onder de bedreiging van altijd vijandige agenten of marktmenschen. »Wil je bliksemsgauw opdonderen", lag in ons gehoor bestorven. Maar wij »donderden op", net als de musschen voor een paard en rijtuig om dadelijk weer »neer te donderen" als de bedreiging voorbij was. En onder dat »op- en neer donderen" oefenden we ons, geduldig, taai, volhardend. Met twee handen hield je den kop van 't paaltje vast. Dan trok je je op, legde heel voorzichtig je rechterknie er op, dan je linker, beide knieën tusschen je handen. Nu de handen loslaten, den romp strekken, en zoo op je knieën liggen. Ik beloof je, dat het een toer was. Maar het ging. Zelfs maakten we in die houding allerlei grimassen, zwaaiden met de armen als vliegende vogels, wierpen de marktvrouwen kushandjes toe. Doch nu verder. Weer de rechterknie opgetrokken, op de linker gebalanceerd, den rechtervoet naast de rechterknie gezet--romp rechtop, even rusten--en het heele rechterbeen gestrekt, daarmee vanzelf het linkerbeen opgetrokken, en op het rechterbeen gestaan, rechtop terwijl het linkerbeen wat bewegingen maakte, om het lichaam in evenwicht te houden.
Honderd- en duizendmaal zijn we er zeker afgevallen, afgegleden, afgesprongen, eer we eindelijk stonden, maar we hielden vol. Dát was gymnastiek, ja wat beter dan om de vijf minuten een zwaaitje aan de ringen. We zagen rood van inspanning, maar rustten niet eer het doel bereikt was. Nog voel ik in mijn armen en beenen _den wil om te winnen_, die toen aan 't werk was. Geen eerzucht, geen ijdelheid, al kwam er later natuurlijk wat pralerij bij, maar _zegezucht_. Geheel in ons eentje, ongezien, oefenden we ons op ieder paaltje, hoe lastiger hoe liever. En dat deden we niet om een bewust doel, als een soort plicht, maar omdat we 't niet laten konden. We verloren ons er in--zooals een dichter in zijn verzen, een schilder in zijn verven. Wij maakten ons jongenskunstwerk, met onvermoeibare zelfovergegevenheid. En zoo presteerden we ten slotte het onmogelijke: we liepen over de koppen van paaltjes, ongeveer een kleinen meter van den grond, en bijna een meter van elkaar. En daar liepen we met een zekerheid en een gratie--want in zulke kunsten zit een natuurlijke gratie, anders zijn ze onmogelijk--die in ons de lenigheid en de schoonheid ontwikkelden, de zelfbesturing en het zelfvertrouwen, _maar die door de volwassenen niet begrepen werden_.
De houten paaltjes met rolronde koppen waren de moeilijkste. De bolronde van de steenen hadden aan alle zijden een aanpakvlak voor den naderenden voet, maar die andere--men stelt het zich toch, hoop ik, wel voor?--konden maar van één zijde benaderd worden. 't Was dan ook de hoogste triomf, als je over de houten voortstapte, en dat werd nog mooier als er tusschen die paaltjes ijzeren stangen liepen of ijzeren kettingen hingen, kettingen met ijzeren punten. Dan liep je ieder oogenblik gevaar, een breuk te vallen of je op andere wijze aan dat ijzer te kneuzen. Maar dat maakte het genot nog grooter.
Denkt de verbiedzieke volwassene er wel eens aan, dat iedere nieuwe belemmering nieuwe aanvalsdriften oproept?
* * * * *
Welken medescholier herinner ik me nog met naam en toenaam?
Het is Hendrik Busman.
En waarom is hij het? Omdat hij zoo goed leeren kon?
Maar denkt iemand nu heusch, dat we ons dáárom bekommerden?
Hendrik Busman werd vereeuwigd om dezelfde reden als De Ruyter, Tromp, Piet Hein. Omdat hij zoo goed vechten kon.
Ik zie hem nog staan, boven op een hooiwagen. 't Was op dezelfde Noordermarkt. Daar leverden we onze veldslagen, gelijk de mogendheden eertijds in de Zuidelijke Nederlanden.
Hendrik Busman stond op een hooiwagen, boven op de lading hooi. We bleven beneden op de straat en wierpen hem steenen toe. Dat waren de projectielen, waarmede hij, van zijn hoog standpunt, den vijand bestookte. Die bleef op een eerbiedigen afstand.
We droegen houten sabels, met punten er aan. Die staken we op zij, door een riem. Echte officieren. Soms maakten we een charge. Met getrokken sabel renden we dan op den vijand los. Die sloeg op de vlucht, niet bestand tegen ons élan. Enkele dapperen konden echter zoo'n schandelijke vlucht niet verdragen. Ze bleven staan, het zwaard in hun vuist. Blindweg sloegen ze in 't rond. Dan kwamen hun verjaagde makkers weer terug. De moed van enkelen--niet waar?--_de moed van enkelen_ is _de kracht van allen_. En als ze dan, in hun heldhaftigheid, van het verweer tot den aanval durfden overgaan, dan holden wij weer weg, tenminste de groote hoop van ons, dan keerden de kansen, totdat ook _onze_ helden hun leven waagden.
Twee dingen weet ik van die vechtpartijen met volkomen zekerheid.
Vooreerst, dat het vechten heilige ernst was en te gelijk de prachtigste komedie.