Chapter 2
Nu was er in de Eglantiersdwarsstraat, vlak naast ons huis, een galanteriewinkel. Daar woonde Juffrouw van Streelen, bij ons gevierd wegens haar mooi voordragen van lange verzen. Ik herinner me uit later jaren, dat ze nooit sprak over De Génestet, maar altijd over De Genéstet, en dat zit me nu nog in den weg. Maar haar grootste bekoring voor mij was de uitstalling van haar winkel en de buitengewone vriendelijkheid jegens ook haar kleinste koopers. Die vriendelijkheid was bijna lieftalligheid. Men kocht iets, en kreeg, behalve het verlangde voorwerp, ook nog een heele massa bekoorlijkheid.
Al dagen achtereen had ik de uitstalling van Juffrouw van Streelen doorvorscht, en daar eindelijk een beeldig klein vaasje ontdekt, met bloemen op het buikje en gouden bochten langs den oorrand en het gekartelde voetje. Een bééldig vaasje. En het kostte maar drie cent, de prijs stond er bij. Ik kende toen blijkbaar de cijfers, anders had ik dit nooit kunnen weten. Maar al was die prijs tamelijk laag, voor mij vertegenwoordigde hij toch een kapitaal: drie cent was inderdaad voor mijn kinderhandje een ongekende schat. Ik wist het geld evenwel van mijn moeder los te bedelen, en eer ik naar het groote verjaarfeest van Juffrouw Fietje ging, waar je den heelen morgen spelen mocht en getrakteerd werd, kocht ik het beeldige vaasje en stapte er uiterst gelukkig mee naar school, heel voorzichtig het in de hand houdend, dat het toch vooral niet breken mocht, en onderwijl de roode rozen en de groene blaadjes bewonderend op het ovale buikje.
Maar toen ik met mijn cadeau de steenen stoep was beklommen en een portaaltje was doorgestapt tot dicht bij Juffrouw Fietje, toen schaamde ik me plotseling. Daar stonden andere kinderen met groote pakken in de hand, en daar blonken en schitterden mij reeds uitgepakte geschenken tegen. Een verlakte theestoof! Een glimmende waterketel! Een kristallen olie- en azijnstel! Wat een groote en prachtige stukken! Daarbij zonk mijn vaasje heelemaal in 't niet. Al zijn schoone bekoorlijkheid had het voor mij verloren. En met het schaamrood op de wangen--ik voel het nog--overhandigde ik het schamel eerbewijs aan de jarige. Deze nam het aan, bedankte, en zette het neer. Ik zie nog alles, álles. Maar mijn geluk en fierheid smolten weg. En--niemand had me iets gezegd of aangedaan, maar ik ging niet naar de feestzaal, doch liep het portaaltje door, de trap af, en rende naar huis. Nóg drie centen, nóg zoo'n vaasje! Mijn eer stond op het spel. Ik ging _niet_ naar het feest, als ik niet eerst nog zoo'n vaasje kon aanbieden, om althans eenigermate in evenwicht te komen met de theestoof en den waterketel.
Mijn moeder kon geen weerstand bieden aan mijn dwang. Ik liet haar niet los. Weet men wel, wat geweldige gemoedsmachten daar soms achter zitten, als de kinderen heeten te »dwingen"? En spoedig holde ik met mijn afgeperste drie centen naar Juffrouw van Streelen, had nu geen tijd om van haar lieftalligheid te genieten, en holde haar winkel uit, den hoek om, de gracht, de stoep op, naar Juffrouw Fietje.
Die had me in de drukte van het ontvangen en uitpakken niet gemist. Hijgend duwde ik haar het tweede kleinood in de hand en zag haar aan, of het zoo nou niet goed was. En toen zei ze: »Had dat vod maar gehouden." En ze zette het minachtend neer.
Dat was bijna zoo erg als het schandpapier op mijn rug. Ik voelde een diepe krenking en verloor alle veerkracht uit mijn heele lijfje. Beschaamd slenterde ik naar de feestzaal. Van de pret herinner ik me absoluut niets meer. Ik weet ook niet, of ik pret heb gehad. Bij dien ontzettenden neerslag staan mijn herinneringen stil.
Nu moet ik eerlijk zijn en zeggen, dat ik niet weet, of ik de woorden van Juffrouw Fietje precies heb teruggegeven. Misschien heeft ze 't niet zoo kras gezegd. Niet die heel harde _woorden_ gebruikt. Maar voor de zaak sta ik in. Haar geringschatting was ongeveinsd. Die heb ik te pijnlijk gevoeld. En dat gevoel is me onuitwischbaar bijgebleven.
Van dit oogenblik af heb ik een hekel aan gelegenheidscadeaux gehad. Ik heb ze nooit kunnen ontvangen. En waar ik ze aanbieden moest, betaalde ik liefst de dubbele waarde.
DE EERSTE LAGERE SCHOOL.
Geen flauwe notie heb ik er van, dat ik op zekeren dag niet meer naar de bewaarschool, maar voor 't eerst naar de Groote School ben gegaan.
Toch moet dat eenmaal gebeurd zijn.
En in die Groote School moet ik me bekwaamd hebben in lezen en schrijven en al de andere vakken der wet.
Ik weet er niets van.
En in die school moet ik vele klassen doorloopen hebben, examens en verhoogingen meegemaakt, onderwijzers leeren kennen, zegenen of verwenschen.
't Is alles weg.
Is het er wel ooit geweest?
Maar dat moet toch wel. Ik heb toch ruim vier, misschien zelfs vijf jaar daar schoolgegaan, dag aan dag. Dat is toch geen kleinigheid. En ik moet er toch al mijn eerste bekwaamheden hebben verworven. En met de meesters hebben verkeerd.
Wonderlijk, dat ik nu uit de bijverschijnselen en uit de gevolgen afleiden moet, dat ik van mijn zesde tot mijn tiende of elfde jaar het schoolleven heb meegemaakt, maar dat ik het anders niet weten zou. En zelfs niet gelooven als anderen 't mij bezwoeren.
Zoo is dat leven buiten mij omgegaan. De heele schoolperiode ligt als een donker ledig achter me. Ze heeft me niets te zeggen.
Dat bewijst voor mij twee dingen. Dat _ik_ eigenlijk leefde buiten die leerwereld. En dat _de school_ eigenlijk leefde buiten mij.
Mijn hart lag buiten de klas, buiten de leerboeken, buiten den lesrooster. En het hart der school lag buiten de kinderziel.
Die twee zochten malkaar niet op. Het waren wildvreemden voor elkaar.
Slechts enkele dingen herinner ik me, maar die gelden niet het onderwijs, waarvoor ik toch eigenlijk de school bezocht. En die dateeren dan nog pas uit de hoogste klas en betreffen maar twee personen, een meester, dien ik niet noemen wil, ofschoon ik zijn naam nog heel goed weet, en meneer Kuyper, den bovenmeester, wiens naam ik nog steeds zegenend gedenk, niet--men moet voorzichtig zijn--omdat hij de bovenmeester was, maar omdat hij een mensch was, een zachtaardig mensch.
Meneer Kuyper zie ik als een teere figuur, een man van middelbare groote, in 't zwart gekleed, een zijden petje op. Zijn gelaat was zacht, bleek. Zijn oogen lichtblauw. Zijn gang opmerkzaam en rustig. Ik voelde iets teers voor hem, of ik voor hem wilde vechten. Dat gevoel ging geheel uit van zijn verschijning, want ik herinner mij niet, dat hij mij ooit persoonlijk goed deed. Ik had geen reden, om bepaald hem voor iets in 't bizonder dankbaar te zijn. Maar zijn heele wezen vervulde me met teerheid en dankbaarheid.
Elken morgen bad hij. De school bestond uit drie groote lokalen, twee naast elkaar, een ter zijde, aldus: +-------+ | |× | | | | +-------+ | | | | +---+ Ze waren gescheiden door glazen schotten met schuiframen. Dan gingen de schuiframen omhoog en zaten alle kinderen eerbiedig. Hij stond, bij een der geopende ramen, achter een orgel met geel geverfde kast, nam de pet van 't hoofd, en bad met zachte stem voor de heele school. Er zweefde dan iets lieflijks over al die kinderhoofdjes. Er daalde iets verkwikkends in al die kinderhartjes, iets als een heel zachte voorjaarsregen. Ik herinner me geen enkel woord. Maar ik herinner me stille ontroering. En ook een enkele traan van berouw, die daarna als een goed voornemen mijn wang bevochtigde. Te snel verdampt.
Na het gebed zette de fijne figuur zich achter het orgel. We zagen hem niet meer, doch hoorden hem zingen in orgeltoonen. Eerst een kort voorspel, en dan volgde het godsdienstig lied, waarbij de heele school meezong.
Dat waren heerlijke oogenblikken. Doch nu volgde niet een voortzetting van dat gebed en gezang, nu volgde niet de uitwerking er van in het praktische schoolleven, nu volgde niet--o, het is verschrikkelijk om het te zeggen--de doorwerking van den afgesmeekten Heiligen Geest, de werkdadige kracht van den afgebeden zegen Gods, nu volgde een stuk afgrijselijke kinderellende.
Onze meester was, ik zeg niet streng of stipt of veeleischend, hij was hard. En nog niet eens hard als staal of steen, want dan hadden er nog vonken kunnen uitspringen, maar hard als een verdroogd stuk leer. Het is geen toevalligheid, dat hij zijn horloge niet aan een metalen ketting of een fijn zijden koord droeg, zooals krachtige of teere persoonlijkheden gewoon zijn. Een man verraadt zijn ijdelheid en zijn gemoed in zijn horlogeband, en de zijne bestond uit een dooreenvlechting van drie smalle leeren riempjes, een kabeltje van leer, hard en droog en taai. Vooral ook taai. Staal en steen kunnen niet alleen vonken schieten, ze kunnen ook stukspringen. Ze wagen in den strijd hun eigen bestaan. Maar hardheid, die tevens taai is.... het is de slavenzweep van Legree uit De Negerhut. Alleen de liefde heeft het recht om taai te zijn.
Meester Leer--zoo zal ik hem maar noemen--was harteloos. In onze klas zat een jongen, wiens vader een grutterzaak dreef en C. C. C. M. heette, gelijk ieder op het naambordje lezen kon. Wanneer de kleine M. nu iets misdreven had en daarom voor de klasse moest komen, greep meester Leer hem bij het aardige kuifje, dat zoo hups zijn jongensschedel aanmeldde, en schudde den kleinen kop op en neer, een soort schedelrammeling, onder het knerpend gekraak van: »Zeg jij, C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. M., zal jij...." enz. Bij ieder C. werd de kleine kop gerammeld.
Wij, anderen, zaten dat met stillen haat aan te zien. O, hoe haatten en vervloekten wij dien kerel, dien gemeenen kinderbeul. Als we maar gekund hadden, we hadden hem tot modder getrapt. Maar daar stond hij, onaantastbaar, in zijn macht als meester. En wij zaten, stom, strak, de handjes gevouwen op den tafelrand, den rug rechtop, een doodstille klas, machteloos overgeleverd aan een slavendrijver zonder hart of geweten.
Zoo werd het gebed verhoord.
Zoo daalde Gods afgebeden zegen in onze ontvankelijke kinderhartjes.
Eens op een keer vond hij zijn man. In de klasse zaten twee broertjes. Een van de twee moest voor de klas komen, bij de landkaart, om daar wat stippen aan te wijzen, waarover geen van ons zich een grein bekommerde. De jongen wist ze niet, maakte althans fouten--hetgeen ik nu, uit de verte, uit de gevolgen afleid--en kreeg daarvoor geweldige klappen om zijn kop. Wij waren dat gewoon, zaten het wezenloos of met verbeten woede aan te kijken, wachtten tot de hagelslag voorbij was, beefden al tegen dat onze beurt aanbrak....
Maar daar plotseling hooren we een woesten schreeuw, als den kreet van een wild dier. Een jongen vliegt achter uit de klas tusschen de banken door, en onder het krijschen van onverstaanbare geluiden beukt hij op den meester los. 't Is het oudere broertje van het gekastijde kind.
Ha, hoe genoten we bij deze uitbarsting van woede. We rezen uit de banken op, vergaten wat de gevolgen konden wezen, en juichten van instemming.
Razend van drift sloeg de jongen, waar hij den meester maar raken kon, en rukte toen zijn broertje uit de klauwen van zijn kastijder.
Een oogenblik van doodsche stilte, toen hevige, snikkende verwijtschreeuwen van den oudste, en toen....
Meer weet ik niet.
Of de jongen straf gekregen heeft, weggejaagd is, excuus heeft moeten vragen, ik weet het niet. Al het andere is verdwenen. Maar levend is gebleven dat eene moment van uitgebroken broederliefde, die eene uitbarsting vóór de klasse. Mijn geest heeft het opgenomen als een momentopname van een ontploffing. En levend is ook gebleven, het grootsche gevoel van bewondering. Nu nog is het me, of ik toen getuige ben geweest van iets zeldzaams in de menschenwereld: de zichzelf en alles vergetende reddingsdrift. Een brandweerman, die in den vuurpoel springt om een kind te redden. Die jongen was een held. Hij heeft ons in één woeste daad.... opgevoed. Op-ge-voed.
Waarschijnlijk dacht de meester er anders over. En als die meester en ik samen in een paedologische vereeniging zaten, zou hij allicht een anderen karakteristiek van dien jongen geven dan ik.
* * * * *
Geen wonder, dat we bij zoo'n meester dikwijls strafwerk kregen. Bij hem heb ik geleerd, eenige honderden strafregels met drie griftjes tegelijk te schrijven. We waren er heel handig in, die drie griftjes onder elkaar, amphitheatersgewijze, vast te houden, en dan er mee over de lei te vliegen. Die handigheid hadden we dan toch maar aan meester Leer te danken, en daarom zeggen sommigen, dat je het de kinderen niet te gemakkelijk moet maken. Verdruk ze maar, opdat ze te beter tegen de verdrukking ingroeien. 't Is ook een opvatting, en die groei tegen de verdrukking in, ja, dat was waarheid. We groeiden o. a. ook heel sterk in list en bedriegerij.
Een der straffen was schoolblijven, en daarbij dan maar doodstil zitten. Een uur of langer stilzitten, de handen gevouwen aan den tafelrand, de oogen strak naar boven, onbewegelijk, daar de geringste beweging gestraft werd met een kwartier of een halfuur langer.
Ik denk, dat ik iederen dag heb moeten schoolblijven, want ik herinner me telkens terugkeerende standjes over te laat thuiskomen. Maar dat kon ook door andere oorzaken gekomen zijn, want de weg van school naar huis was voor vermoeide, overprikkelde jongens vol verleidingen.
Natuurlijk wendden we allerlei pogingen aan, om van dat schoolblijven verlost te worden, »weg te spatten" gelijk we dat noemden. Wanneer de meester maar even in een ander lokaal was, renden wij met bliksemsnelheid naar de deur, en vlogen, het portaal door, naar buiten. Wee echter, als de buitendeur op slot bleek. Dan stond je daar eenige oogenblikken in razende wanhoop. Niet omdat hij je dan weer bij je kladden kon krijgen, want den volgenden schooltijd had hij je toch weer in zijn macht en zou je natuurlijk dat wegspatten wel inpeperen, dat was het minste, maar omdat je hem nu aanstonds voor je zou zien met zijn duivelsche grijns van voldoening; omdat je zijn sarrende stem zou hooren, dat je dat nu eens lekkertjes niet gelukt was, zijn stem vol nijdigen kinderhaat. Wanhoop, omdat hij je met listigheid in de val had laten loopen en daar straks demonisch van zou genieten.
Maar eenmaal ben ik hem toch te slim af geweest. Weer zat ik lang, heel lang na te blijven, terwijl buiten de zon zoo heerlijk scheen. Toen verzon ik, dat ik »naar achteren" moest. Neen, het mocht niet. Het werd echter zoo erg, dat ik den vinger aanhoudend opstak en daarbij in de bank zat te zwaaien als een dreigende onweersbui. Mocht ik dan niet--'t leek wel, of mijn heele houding dit wilde zeggen--dan kwam de verantwoording voor den meester, als ik ten slotte den vloer verontreinigde. Die verantwoording durfde hij zeker niet op zich te laden, ik kreeg tenminste verlof. Maar de knarsstem gromde me toe: »Geef eerst je pet hier."
Ik bracht de pet, innerlijk genietend van zijn onnoozelheid, alsof ik me door een pet zou laten weerhouden. Die pet kon stikken, en hij er bij. En nu naar achteren. Doch nauwelijks was ik daar, of ik klom omhoog, wrong mij door een raampje, liet me vallen, en stond op een terrein, waarschijnlijk de speelplaats, waarvan ik me echter niet herinner dat er ooit gespeeld werd. Nu aanstonds naar de houten schutting. Een sprong, de handen om den rand, het lijf opgetrokken, rechterbeen er over, nu de romp, het linkerbeen, hangen, loslaten, en daar was ik op een houtwerf naast de school. Gauw naar voren, het hek door, en ik stond blootshoofds op de Lindengracht. Zonder pet, maar vrij. Vrij! en ik holde naar huis. Om de gevolgen bekommerde ik me voor 't oogenblik niet. Het was met den meester toch altijd een strijd op leven en dood, en ieder uurtje gestolen vrijheid was winst. Wat zullen mijn kameraden, medeschoolblijvers hebben opgezien, toen ik niet terugkwam. En wat zal de meester met lieflijkheid mijn pet hebben gekoesterd.
Het lijkt me, nu ik dit schrijf meer dan veertig jaar later, het lijkt me, of ik alles lieg. Is het mogelijk een fantasie? Heb ik in mijn jongensjaren--kinderen hebben zoo'n levendige verbeelding--dat heele verhaal misschien bedacht, en het als een heldenfeit zoo vaak aan mijn makkers verteld, dat ik het eindelijk zelf geloofde? Maar neen, dat kan toch niet. Mijn heele leven heb ik het als zuivere jeugdherinnering meegedragen. Zou ik me dan zóó vergist hebben? Doch wie bewijst, dat ik waarheid zeg. Neen, ik bedoel niet, wie bewijst het aan een rechtvaardig oordeelende rechtbank, maar wie bewijst het aan mij persoonlijk, die het ervaren meen te hebben en nu twijfel aan mijn eigen ervaringen. Ik wou, dat een oud-schoolkameraad dit las en, plotseling het verleden er in herleefd ziende, overtuigd uitriep: »Juist zoo, zoo is het gebeurd." Dan had ik, door een vreemde, gewisheid van mijn daden. Nu moet ik maar gelooven in mijn herinneringen. 't Is toch vreemd, dat men zijn eigen verleden, zijn toch zelf doorleefd verleden, niet kan bezitten zonder geloof. En dan bezit men het nog maar in het licht van zijn toenmalige zelfverblinding.
Maar ik denk toch wel, dat die klauterpartij zonder pet werkelijkheid is geweest. Ik zie ze zoo levendig voor me, ik zie zoo precies den weg, dien ik daarbij gegaan ben, en ik verbeeld me nog eenige populieren te zien, die op de speelplaats langs den blinden gevel van het daarachter gelegen huis stonden.
En dan ook, de feiten passen zoo geheel in het kader van dit schoolleven. Van Geschiedenis, Aardrijkskunde, Rekenen, Taal, Lezen en Schrijven herinner ik me absoluut niets meer. Doch de hoofdmomenten uit _den schoolstrijd_--een véél ernstiger en gewichtiger en langduriger worsteling dan »de" Schoolstrijd--spreken nog luid in me, met beeld en stemming. Ik zie alles nog voor me, en mijn hart klopt heftiger bij de herinnering.
* * * * *
Het spreekt vanzelf dat we niet alleen het nablijven ontvluchtten, maar ook aan de kwelling van de school zelf trachtten te ontkomen. Daartoe waren maar twee middelen: ziekte voorwenden en bommelen, spijbelen, stukjesdraaien of hoe dit genot meer heeten mocht.
Het voorwenden van ziekte had het ontstaan gegeven aan een eigen woord. »Je bent schoolziek," zei mijn vader, als we dreinden om thuis te blijven vanwege die toch zoo erge hoofdpijn. En de man had gelijk, want als hij bezweek voor ons smeeken, was binnen een halfuur de erge hoofdpijn gezakt en zaten we, zoo ongeveer om halftien in den voormiddag, een beetje te spelen, of drentelden door 't huis, door den winkel, als 't kon de straat op. Het was niet in mijn nadeel, dat ik nogal wit zag en teer was van gestel. Daardoor kon ik dikwijls hoofdpijn hebben, die haar crisis had onder 't ontbijt. Maar nooit vond ik mijn ouders onbarmhartiger, dan wanneer ze geen medelijden met me toonden en zelfs aan mijn hoofdpijn geen geloof sloegen. »Ga jij maar naar school, hoor! 't Is schoolziekte." Diep neerslachtig en met slenterende beenen sleepte ik me naar school. Dan droop er een dreinende motregen in mijn kindergemoed.
Zulke beschuldigingen en mistroostigheden mogen wel veroorzaakt hebben, dat ik mijn heil zocht in het stukjesdraaien. Als je niet naar school _wilt_, en niet thuisblijven _moogt_, dan schiet er ten slotte niets over, dan dat je op den weg tusschen huis en school blijft omdolen. Waar zou je anders heen? En dan neem je dien weg wat ruim, omdat het zoo vervelend is in dezelfde straten maar steeds heen en weer te trekken, en je daar ook gezien en aldus verraden kon worden. Dan loop je rond, tot de huisdeur zich weer voor je openen wil, dat is zoo ongeveer een kwartier na het eindigen van den schooltijd.
Ik heb mijn toevlucht ook tot dat redmiddel moeten nemen, en dank daaraan drie der allerheerlijkste weken uit mijn schoolleven. We noemden ze later de bommelweken, en nu nog is dat onwelluidende woord voor mij synoniem met oase, paradijs, vrijheid, en al zulke vertegenwoordigers van iets zonnigs en lieflijks te midden van de grijze ellende.
Elken morgen gingen we op den gewonen tijd de deur uit, maar sloegen bij een bepaald punt linksom in plaats van rechtsom. 't Scheelde maar een kleinigheid, maar 't werd een reusachtig verschil. Rechtsom trokken we naar school, naar den gehaten plicht, linksom naar buiten, naar de begeerde zonde. Waarom had men de plichtsvervulling ons dan ook zoo hatelijk gemaakt? In iederen arbeid steekt genot, in den schoolarbeid zelfs een heel groot genot voor bijna alle kinderen. Maar men verbittert er het lekkerste brood, vergalt er de zoetste melk. En zoo maakt men de kinderen het eten en drinken onmogelijk, hoe graag ze het van nature ook doen.
We waren met ons vieren, mijn broer en ik, en dan nog twee klasgenooten, Willem en nog een ander. Willem had een eigenaardige bron van inkomsten. Zijn vader was bode en aanspreker. Iedere week moest Willem voor hem de klanten rond, om de kontributie voor een begrafenisfonds op te halen, kleine bedragen, maar die door verscheiden niet geregeld betaald werden en daardoor tot vrij groote sommen opliepen. Wanneer Willem nu wat geld wou hebben, ging hij naar de achterstalligen en maakte daar een standje. »Kompliment van vader, en of er nu eindelijk eens betaald werd. 't Was een schande, zooals ze hem iederen keer voor gek lieten loopen, en als er nu niet betaald werd, zouden ze andere maatregelen moeten nemen." Willem schreeuwde zijn boodschap op een luiden brutalen toon, zoodat de buren het even goed konden hooren als de betrokkenen. Dit had ten gevolge, dat de schuldige vrouwtjes hem gauw in de kamer riepen, daar paaiden met mooie beloften, en hem persoonlijk vijf cent of een dubbeltje toestaken, om hem tot meegaandheid te stemmen. Sommigen van haar waren blijkbaar zoo bang voor de nieuwsgierigheid der buren, dat ze Willem reeds te gemoet kwamen eer hij zich nog had aangemeld, en zijn onbarmhartige jongensstem bij voorbaat met een dubbeltje omkochten.
Er was voor mij in deze geheele ophaalderij iets geheimzinnigs. Ofschoon ik precies wist, hoe de vork in den steel zat, en bij iederen klant met nieuwsgierigheid vroeg, »hoeveel hij van dat wijf weer had losgekregen," besefte ik toch heel wel, dat die vraag met die ruwe woorden maar grootdoenerij was, en we eigenlijk bij ieder geval meespeelden in een droevige tragedie van armoede, zorg, schaamte, afzetterij. Ik gevoelde, dat we iets heel gemeens deden, en juichte toch bij iedere vermeerdering van ons schandkapitaaltje. Willem ging, zonder eenig mededoogen, zijn bedachte boodschappen doen, en wij wachtten op een afstand de gevolgen, springend van vroolijk verlangen en tegelijk innerlijk huiverend van schuldgevoel. Dit laatste was de stem van het geweten. Dat wist ik toen reeds heel goed. Maar ik wist die stem ook onder schijnbare onbezorgdheid te verzwakken.