Chapter 19
Het kweekeling-spelen bestond hoofdzakelijk uit kommandeeren en verbieden. Dit schijnen de eerste uitspruitsels te zijn van meerderheid. Je kunt dat bij alle kinderen zien. Wanneer ze schooltje spelen, of moedertje, of soldaatje, zijn ze aanstonds zich aan 't oefenen in vrijheidsbelemmeren. En je kunt dat ook bij jonge moeders en vaders zien. Ook bij jonge onderwijzers en bij bovenmeesters. Beheerscht door een geheime angst, dat het gezag hun ontglipt, niet vertrouwd met het jonge leven, en er ook niet op vertrouwend, knellen ze het zoo gauw en zoo vast mogelijk in banden. Dan blijven ze het meester, en kunnen er mee jongleeren als met een ingespeld bakerkind. Zelfs de politiek, en treuriger nog, de godsdienst vatten aldus hun opvoedingstaak aan. Ze schrijven programma's voor, leggen systemen op, dwingen binnen organisatie's, die evenwel meer lijken op dooie vlechtwerken dan op levensuitgroeiingen, volgen het militairisme als hun model, en zoeken eenvormigheid als hun ideaal. Organiseeren beteekent bij hen: recruteeren, reglementeeren, disciplineeren, regimenten-, bataillons-, legermachten vormen. En opvoeden is: den baas spelen.
Zoo begon ik als kweekeling. Menigeen brengt het nooit verder. Die sterft als korporaal, als is het onder den naam van legerkommandant. Hij blijft de man van bevel en dwang. Daarvoor heeft mij bewaard en zal mij immer beschermen--ge zoudt het nooit raden, als ik 't niet zei--de straatjongen. Doch niet de straatjongen buiten me, maar die _in_ me. Hij, de vrijbuitende, zwerfgrage schavuit, hij leeft nog in me. Hij, de altijd langs en over gevaarlijke kantjes gaande, de vrijheidminner en vrijheidgunner, hij behoedt me voor gezaggerij. Zoodra ik, verantwoordelijk, braaf, ernstig paedagoog, dreig te ontaarden in versteening, komt hij te voorschijn, drijft den spot met gewichtighedens, en zegt me met de brutaalste oprechtheid, dat al die deftigheid maar larie is, dat ik er niets van meen, en dat alle anderen in 't diepst van hun ziel er ook niets van meenen. En zoo zorgt hij--meester-opvoeder--dat de paedagoog niet in baasspelerij ten onder gaat.
Wat een kweekeling later worden zal, kun je onmiddellijk afleiden uit zijn eerste keus. Blijft hij met zijn oud-kameraden stoeien en ravotten, ondanks zijn lange broek; of sluit hij zich voor goed bij den nasleep van de volwassenen aan. In 't laatste geval wordt hij een gezagsman, gevoelig voor strepen op de mouw en sterretjes op den kraag. In 't eerste geval een vriend van de kinderen. In 't laatste geval wordt hij een officieele paedagoog--in 't eerste geval blijft hij een jongen.
* * * * *
De theoretische opleiding, die ik gratis ontving, was heel eenvoudig. Ik kocht bij Ten Brink en De Vries in de Hartenstraat voor vijf cent een »Beknopt Overzicht van de Vaderlandsche Geschiedenis door A. A. Holst", voor tien cent een »Kort Overzicht van de Algemeene Geschiedenis" van denzelfden schrijver, voor nog eens vijf cent de beknopte »Bijbelsche Geschiedenis" en zoo ook een beknopte Rekenkunde, Taalkunde, Aardrijkskunde. 't Waren dunne boekjes van 32-48 bladzijden, in een dun geel of anders gekleurd omslag--ieder overzicht had, meen ik, zijn vaste kleur--en bestaande uit een reeks lesjes.
Het eerste lesje ving steeds aan met een beschrijving en indeeling van de wetenschap, waartoe het de deur opende: »Geschiedenis of historie is het aaneengeschakeld verhaal der lotgevallen van een volk, met inachtneming van tijden, plaatsen en personen. Men verdeelt de geschiedenis in Algemeene, Vaderlandsche en Bijbelsche geschiedenis."
Ik weet niet of dit citaat woordelijk getrouw is, maar 'k geloof het wel. Ver van de waarheid zal het in ieder geval niet zijn.
Dan volgde de opsomming der tijdvakken met de daarbij behoorende jaartallen. De Algemeene Geschiedenis kreeg haar Oudheid, Middeleeuwen en Nieuwe Geschiedenis, de Vaderlandsche haar vijf tijdperken. Zoo begon de Aardrijkskunde na de onmisbare definitie met de opnoeming der Werelddeelen. Vervolgens kreeg ieder tijdvak, ieder land zijn afzonderlijke behandeling overeenkomstig een vast schema.
Er is, gelijk men ziet, wel eenig onderscheid met de tegenwoordige opleiding aan een kweekschool. Een der voordeelen was, dat de boekjes goedkoop waren, zoodat men voor 50 cent, zijn heele bibliotheek van leerboeken had aangeschaft. Een tweede voordeel, dat ze dun waren, zoodat men ze zonder al te veel moeite kon doorkomen. Een derde, dat ze de volledige wetenschap bevatten, zoodat men ineens alles wist.
De studiemethode bestond hierin, dat men de lesjes woordelijk uit het hoofd leerde en ze daarna opzei voor den lesmeester. »Men kende dan al of niet zijn les." Daarmee was 't uit. Leeren was memoriseeren. Zijn les opzeggen: een boek oplezen, zonder het boek.
Tegenwoordig moet dat nog hier en daar in de mode zijn, zelfs op gymnasia en hoogere burgerscholen. 't Verschil met vroeger zou dan wezen, dat nu de boeken talrijker en dikker zijn, en daarmee in overeenstemming de ellende ook veel grooter. In plaats van de heele aardrijkskunde in misschien 48 bladzijden, krijgen de leerlingen nu afzonderlijke boeken voor Nederland, Indië, Europa, de Werelddeelen, met een of meer atlassen. En dan maar leeren.
Ik denk er niet aan, mijn hoofdonderwijzer, die zelf een overgroot deel onzer opleiding voor zijn rekening nam, hard te vallen over het karakter dier opleiding. Eer bewonder ik het, dat hij 's avonds op de avondschool nog tijd kon vinden, om onze lessen te overhooren. Maar ik moet wel erkennen, dat ik voor mijn geestelijke ontwikkeling, zoo goed als niets aan dat lessengeleer te danken heb gehad. En ik acht het dringend noodig, dat heel luid uit te spreken, omdat je tegenwoordig waarlijk nog menschen hebt en zelfs weer krijgt, die dat memoriseeren aanbevelen, ook op wetenschappelijke gronden. Ik heb een opleiding gehad bijna uitsluitend van geheugenvulling en ik acht het verloren tijd en misbruikte energie, goed voor idioten, omdat die stakkerds niet beter kunnen.
Wij moeten elkaar echter goed begrijpen. Ik ben er niet tegen, dat men zijn kennis vastlegt en zorgt ze te onderhouden. We studeeren waarlijk niet, om weer te vergeten. Er is ook geen bezwaar tegen, enkele feiten, of rijtjes woorden of getallen, er machinaal in te stampen. Maar dit is iets anders, dan de geheele opleiding in dien toon te zetten. Hóófdzaak bij iedere geestelijke ontwikkeling is: _belangstelling wekken_. En met de memoriseer-cultuur wordt de belangstelling vermoord. Bij mij althans heeft het lang geduurd, eer--dank zij het lessenleeren--ik me voor den _inhoud_ dier lessen ging interesseeren. En toen ik daarmee begon, zaten me nog die lessen in den weg.
Er zal later nog gelegenheid te over zijn, op dit onderwerp terug te komen, wanneer ik ook over mijn jongelingsjaren zal mogen verhalen. Dan hoop ik, mede ter leering van hen die naar het oude terug willen, het zij al dan niet onder wetenschappelijke, of would be wetenschappelijke vlag, eens heel precies te vertellen, wat lijdens- en verstompingskuur men ons deed doormaken. Nu, met die boekjes-van-Holst-ontwikkeling, zijn we nog pas aan 't begin van de ellende, en daar ik spoedig deze school en daarmee deze opleiding verliet, is het nu niet het juiste moment, die verderfelijke cultuur met haar heidensche woordenkramerij in al haar onvruchtbaarheid en bedriegelijken schijn ten toon te stellen. Dat komt later, als God mij het leven en de krachten gunt. Alleen moest ik nu, heel even, maar heel ernstig, waarschuwen voor een neiging tot terugkeer naar het verkeerde van vroeger. Nieuwe dwaasheden rechtvaardigen geen oude.
En nu ik aan die verplichting heb voldaan, volgen de laatste herinneringen aan deze school en aan mijn kinderjaren.
* * * * *
Ik mag tot mijn geluk zeggen, dat ik als twaalfjarig onderwijzer een vriendje bleef van mijn oude schoolmakkers en geen collega werd van de heeren. Met de jongens ging ik trouwer om dan met de verschillende overzichten van Holst, en boven het leeren koos ik het spelen. Dat waren voor mijn toekomst geen ongunstige teekenen. Een kind van 12 jaar, dat graag zijn lessen leert, is geen echt kind en wordt dus ook nooit een echt man. Ik wilde wel, dat de ouders in dit opzicht wat meer vertrouwen hadden in hun leerafkeerige kinderen. Het is toch ook een goed verschijnsel, als de kindermond geen smaak heeft in notedoppen en oesterschelpen en de maag die onverteerd afvoert of teruggeeft. Hoe zuiverder een kind _kind_ is, hoe meer zijn geest zich verzetten zal tegen een zoogenoemd geestelijk voedsel, dat niets anders is dan geestelijke cellulose. En kinderen die zulk een krachtige kindernatuur bezitten, dat ze, niet brutaal onwillig, maar instinctief onverwinbaar, zich verzetten tegen de verkrachting dier natuur, beloven veel voor de toekomst. Dat zijn de gezonden, die eenmaal, als de tijd daar is, ook krachtige mannen en vrouwen zullen zijn. In dit opzicht heeft de wetenschappelijke paedologie schoon gelijk, waar ze beweert dat elke leeftijd zijn speciale belangstellingen en belangen heeft, en wordt de wetenschappelijkheid van onze grootmoeders recht gedaan, die al verklaarden: Mettertijd komt Harmen in 't wammes en Krelis in de broek. Met-ter-tijd. Een speelgraag kind heeft groote kans een leer- en werkgraag man te worden. Vroege catechismus--late vroomheid.
Wie niet onbekend is met de boekjes van Tuttie[1], herinnert zich wellicht, dat daarin een verhaal voorkomt: _De meter van den meester._ Dit verhaal is in hoofdzaak waar gebeurd. Het dateert uit deze periode.
[1] De vier deeltjes van _Blond en Bruin_, 2e serie »De Wereld in!"
Aan de overzijde van de Bloemgracht, maar een eind verder, was een Stadsarmenschool. Daar gingen de »schooiers", met wie we vaak oorlog voerden. Er waren geen deftiger scholen in de buurt, die in haar meerdere voornaamheid, een voldoende casus belli konden schenken, dus moest de »klompenschool" ons maar het krijgsgenot bezorgen. Klompen en een stadsschool, het waren inderdaad redenen genoeg, daar behoefde maar een geringe aanleiding bij te komen, om het oorlogsvuur te doen ontbranden.
We waren weer eens aan 't vechten, en ik was al kweekeling. Inplaats van mijn positie hoog, en mijn fatsoen òp te houden, maakte ik van de vrijheden, mij als kweekeling toegekend, misbruik. Ik mocht vroeger in school--of móést vroeger in school, om voor een en ander te zorgen--en haalde de jongens naar binnen, nu wel niet in 't gebouw, maar toch in de lange overbouwde gang, die van de Bloemgracht naar 't gebouw leidde en die onder gewone omstandigheden was afgesloten door een zware deur.
't Was nog vóór schooltijd, misschien acht uur, maar overal zwierven al troepen jongens van beide partijen. De onzen verzamelden zich om de schoolpoort, de vijanden een eind verder op de gracht. De laatsten hadden blijkbaar een aanval in den zin en rukten hiertoe langzaam, maar zeker, naar onze vesting op.
Wonderlijk. Geen van de twee partijen wou vechten, en toch wilden ze het allebei. Niemand zocht de aanraking, en toch zochten we die wederzijds. Ieder hoedde zich voor de verantwoordelijkheid van den eersten klap, en toch liet hij zich prikkelen en verleiden tot die verantwoordelijkheid. Ik weet dit heel, héél goed, en begreep daardoor later zoo gauw het wederzijds prikkelen en beschuldigen der vlootvoogden, als ik in mijn geschiedenisboeken las, hoe deze niet het eerste schot willen lossen, en er toch van verlangen naar brandden. Waarlijk, er is niet zulk een reuzenverschil tusschen de veertien- en de veertigjarige jongens. Ze zijn van één geslacht.
Er hoopte zich een soort van gemoedselectriciteit op, bij den eenen hoop positieve en bij den anderen negatieve, daardoor ontstond er een geweldige spanning en moest er een ontlading volgen. Zonder deze waren we gebarsten. Het moest bliksemen en donderen, anders kon er onmogelijk een neutrale atmosfeer terugkeeren. Dat vechten was een natuurverschijnsel in de physisch-ethische wereld. Belangen waren er niet mee gemoeid, absoluut niet. Grieven bestonden er alleen in de verbeelding en de overlevering. 't Was om de ontlading te doen, en nergens anders om. We werden onder onbekende invloeden electrisch en máákten ons grieven, die voor het verstand als motieven konden gelden.
Zou het ook mogelijk kunnen zijn, dat de oorlogen tusschen de volkeren alleen om belangen _heeten_ te gaan, en dat de belangen slechts worden opgeworpen, omdat er oorlogskrachten in de lucht werken? Is het een reusachtige zelfverblinding van geheele natiën en spelen geheime, geweldige natuurmachten hun spel met de kinderen der menschen?
't Is slechts een vraag.
Hoe 't zij, wij werden gedrongen tot vechten. Daartoe naderde de vijand meer en meer, ieder oogenblik aangroeiend met nieuwe mannen; daartoe trokken wij, ook voortdurend versterkt, ons terug in de gang.
Eindelijk was het zoover, dat we de dikke deur moesten sluiten en grendelen, en daar brak onmiddellijk de opgehoopte electriciteit los in trappen, steenworpen en schreeuwen. De vijand waagde er de hakken van zijn schoenen en de klinkers uit de straat aan, al wist hij heel goed, dat daarvoor de deur niet bezwijken zou. Zulk een succes zou hij waarschijnlijk ook niet begeerd hebben, want wat zou hem de toegang hebben gebaat tot een gang, die hij toch niet zou durven binnendringen? Daar in die donkere engte, in dat diepe hol, zou hij zich nooit wagen, maar niettemin moest hij de deur bombardeeren, louter om den woesten wellust van het bombardement, de zaligheid der uitbarsting! Geen berg kan met heeter drift zijn gloeiende steenen uitspuwen, als dit jeugdig menschdom zijn woede!
Wij, in de donkere gang, beefden van gekrenktheid, haat, strijdlust. Soms stonden we doodstil, luisterend naar het tieren der wilde bende, dan weer dwaalden we onrustig rond, zinnend op wraak. Zeker, we waren veilig, maar veiligheid is voor een edel krijgsmanshart niet genoeg. »Kom er uit, als je durft!" jouwden ze daar buiten. En die tergende uitdagingen joegen ons het bloed naar de wangen. Veiligheid is mooi voor vrouwen en kinderen maar wij dorstten naar de triomf! Triomfeeren moesten we op dien tierenden troep! Nooit zouden we den smaad kunnen dragen, dat we uit lafheid ons hadden schuil gehouden! Liever het leven gewaagd, dan veilig in de vernedering! Liever met eere te sneven, dan in schande te leven!
We zochten een middel om de verloren positie te herwinnen, en beraamden een uitval. Plotseling zouden we de deur openen, schreeuwend naar buiten rennen en onvervaard op den vijand losstormen. Maar dan moesten we een wapen hebben, een flinken stok, om er op in te houwen. Nu wist ik raad, ik, de kweekeling. Ik ging naar binnen, haalde een meter, een vierkanten, die bij 't onderwijs dienst moest doen, en hield dien als een slagzwaard in de vuist.
Nog steeds beukte de vijand op de onbeweegbare deur. Hadden ze een mast bezeten, ongetwijfeld hadden ze de Watergeuzen nagevolgd en de poort van Den Briel gerammeid. We stonden, saamgedrongen, vlak bij de deur. Voorzichtig schoof ik den grendel weg, bang dat men het buiten hooren mocht. Toen trok ik het slot terug en draaide met een ruk de deur wijd open.
De vijand schrok. Hij deinsde. Van dat oogenblik maakten we gebruik. Zwaaiend met den meter rende ik er op in, aanstonds gevolgd door de heele bezetting. Schreeuwend en gillend waagden we ons midden in de massa: een handjevol dapperen tegen de overmacht. En we zouden ze wel verjaagd hebben, vooral omdat daarginds bijstand voor ons opdaagde en de vijand dan tusschen twee vuren zat, als maar niet een noodlottig ongeval ons met één slag beroofd had van ons wapen, ons élan en onze waardigheid.
Ik sloeg met blinde woede in 't rond en raakte zoo niet een vijand, maar de houten paal van een hek. Door dien slag brak de meter in tweeën, het eene eind hield ik in de hand, en het andere vloog de lucht in.
Een ontzettend gejouw ging onder de vijanden op, een van hen wist spoedig het weggevlogen stuk te bemachtigen, en nu renden ze weer op ons toe.
Grooter ongeluk had ons niet kunnen treffen. Verlamd van schrik trokken we ons snel terug en hadden nog juist tijd de deur te sluiten. Toen stonden we daar, vernederd, machteloos, in de donkere gang, zonder eenige hoop op herwinning van het terrein, en met het overblijfsel van den meter in de hand. 't Was bitter treurig.
Eerst toen de onderwijzers kwamen, trok de vijand langzamerhand af.
Het stuk meter legde ik op de plaats, waar ik den heelen vandaan had gehaald. Maar daarmee was de zaak natuurlijk niet afgeloopen. In den loop van den morgen werd ik in 't kamertje geroepen, moest daar alles opbiechten, en meneer de kweekeling kreeg, behalve een duchtig standje, den last voor een nieuwen meter te zorgen, met welken last hij--waar moest hij er anders mee heen?--zijn lieve moeder bezwaarde.
Gelukkig verdiende ik geld. Toen ik na beëindiging van het eerste kwartaal twee rijksdaalders kreeg--ik weet nog, dat ik ze ontving--holde ik naar huis en was zalig, dat ik mijn lieve moeder ook met dien last bezwaren mocht.
* * * * *
En nu komt er tot slot iets veel ergers dan het breken van den meter.
Een vriend van ons huis was gymnastiek-onderwijzer aan een stadsschool. Hij vertelde dat het »aan de stad" zooveel beter was dan op een bizondere school en spoorde mijn ouders aan, mij op een stadsschool te doen; dan verdiende ik meer, ontving beter opleiding, en had mooier toekomst.
Hij deed dat met de beste bedoelingen. Mijn ouders gaven gevolg aan zijn raad en ik kwam op een stadsschool. Zij meenden ook er goed aan te doen. En toch.... altijd is mij een gevoel bijgebleven, dat we ondankbaar hebben gehandeld tegenover de school op de Bloemgracht. De meester had ons het achterstallige schoolgeld kwijtgescholden, mij tot kweekeling gepromoveerd voor de klas, en aan 't geldverdienen gezet, en nu werd die vriendelijkheid aldus beantwoord.
Mijn heele leven, telkens als ik daaraan dacht, voelde ik dit als trouwbreuk, en ook nu nog, terwijl ik het feit vertel, schaam ik mij. Dat had de meester niet verdiend.
Het breken van den meter heeft me nooit gehinderd, wel het breken met de school. En toch heette het eerste een verregaand brutale daad en was het laatste in ieders oog niet slechts geoorloofd, maar zelfs heel verstandig. Men mag zijn belang toch wel behartigen?
Ik kon mijn ouders niet hard vallen over hun handelwijze. Zij worstelden zoo om het hoofd boven water te houden, dat iedere jaarwedde-verhooging hun reeds welkom was. En dan de toekomst van hun jongen! Maar voor mijzelf heb ik steeds het gevoel gehad, dat ik iets tegenover die school had goed te maken.
Wat is dat voor een gevoel? Vanwaar komt het? En waarom hindert het een mensch?
Zoo is het einde mijner jeugdherinneringen een zelfverwijt....
Maar dit mag mijn laatste woord niet wezen, gelijk ik hoop, dat het ook ons laatste levenswoord niet zij.
SCHOONSTE VRUCHT.
_Aan mijn ouders._
Mijn laatste woord, een woord van dankende herdenken Voor Ouderzorg zoo teer en trouw, in leed zoo groot. Een jeugd van armoe, ziekte en worstlen--zaalge nood!-- Zij kon mij in Uw min slechts rijker zegen schenken.
Ik ben niet jong meer. Langzaam nadert reeds de Dood. Ik zie zijn vinger al van verre vriendlijk wenken. Mijn kindren trouwen--straks speelt er aan Grootvaêrs schoot Een kleinkind--ai, wat dát een achtbaarheid zal schenken!
En toch, ik voel me nog Uw kind, Uw dankbaar kind, Gezegende Ouders, eens met heel mijn hart bemind, En trots Uw sterven immer om en met mij levend.
Uw kind, al grijst mijn haar en trilt mijn hand. Dat is Uw werk: Gij hebt die liefde in 't hart geplant, Thans rijpste, schoonste vrucht in dankbre liefde gevend.
_Naar 't oud te-huis._
Aan mijn broeder en zuster.
_Ons oud te-huis, 't lag overgroeit van dicht gebladert, Verborgen in het bosch van 't stil verleden. Toen zijn wij samen eerbiedvol genaderd, En zijn heel zacht zijn kamers ingetreden._
_'t Was alles nog als vroeger.... Maar wat deden Die vele vreemden, daar met ons vergaderd? Waartoe had ik hen op bezoek gebeden, 't Intieme plekje met nieuwsgierigheid dooraderd?_
_»Komt allen binnen!" noodde een vriendelijke mond, »De kinderen en ook zij die niet mijn kindren heeten." Dat was wel Moeders toon en Moeders geest._
_Zij leefde nog. Eén woord--'k herkende haar terstond, Zij die van onderscheid nooit kon of wilde weten, Voor vreemd en eigen bei, steeds Moeder is geweest._
NASCHRIFT BIJ DEN TWEEDEN DRUK.
»In mijn jeugd heb ik veel hooren spreken over Oom Kuyper, die toen reeds overleden was, maar wiens nagedachtenis in onze familie in hoog aanzien werd gehouden als van een oprecht christen. Hij was hoofd van een school op de Lindegracht. Zijn weduwe, de jongste zuster van mijn vader, overleed in 1895 te Utrecht.
Naar alle waarschijnlijkheid zijn dat de personen over wie u schrijft op pag. 20, 55 en 56. Zelfs het hondje komt uit. Ik herinner mij, dat mijn moeder met afkeer sprak over »Jenny" van tante Lena, die zoo afschuwelijk kefte.
Ik ben in het bezit van een portret van beiden, en gerekend naar de vriendelijke wijze waarop u over hen schrijft, vermoed ik dat u er prijs op zult stellen die portretten eens te zien."
* * *
Dezen brief ontving ik 23 Januari 1914.
De portretten waren bij den brief ingesloten en ik mocht ze een maand lang behouden. Ze hebben die maand, dag aan dag bij me gestaan. Herhaaldelijk heb ik ze met liefde en groote aandacht beschouwd, mij daarbij geheel verliezend in het verleden. Maar ofschoon het portret, met die zachte, vriendelijke oogen en gelaatstrekken, zeker sprekende gelijkenis toonde, ik herinnerde mij geen enkele uiterlijkheid, en herkende mijn meester niet. Wel begreep ik, dat de uitdrukking van zijn gelaat zoo had moeten zijn, maar verder kon ik het niet brengen.
Dit is een ervaring, waarmee de opvoeding haar voordeel kan doen. Als kind van 7, 8, 9, 10 jaar heb ik dien meester dagelijks gezien en mijn geest heeft geen duurzaam beeld van zijn uiterlijk opgenomen. Ik heb echter met hem verkeerd en mijn gemoed heeft een zeer juist beeld van zijn innerlijk gevormd en bewaard. Immers: Ik voelde in hem een waar christen, en thans, jaren later, komt een neef mij bevestigen, dat die indruk volkomen zuiver was.
_Kinderen voelen ons innerlijk._
Ziedaar de waarheid, die uit dit feit tot ons spreekt. En daarom: bedrieg u niet. Speel geen komedie met de jeugd, verwacht niet dat de kinderen uw innerlijke gezindheid niet zullen opmerken, omdat ze maar kinderen zijn. Zij photografeeren in de camera obscura van hun hart uw gemoed veel helderder en nauwkeuriger, dan hun oog uw uiterlijk ziet, en in dat hart bewaren ze het voornaamste deel van uw persoonlijkheid, niet het steeds veranderend uiterlijk, maar het zichzelf gelijk blijvend innerlijk.
* * *
Treffend wordt deze opmerking bevestigd door een tweeden brief, dien ik 21.2.1914 ontving:
»Toen onze nieuwe pastorie hier werd gebouwd, moesten we 'n tijd in pension te D. en woonden toen naast 'n emeritus-predikant Beekman. Deze vertelde mij in dien tijd van z'n jeugd en ziedaar, nu had u van zijn vader, den koekbakker, nog onderwijs gehad. Toen ik uw boek had gelezen, heb ik hem dadelijk geschreven, dat hij het portret van zijn vader moest koopen. En 'n paar weken geleden, er een bezoek makende, vertelde mij z'n dochter, ook zich haar grootvader nog zeer goed te herinneren en diens liefde voor kinderen."
Die liefde voor kinderen had ik dus als kind weer zuiver gevoeld.
Nog vele en zeer hartelijke brieven hebben mijn »Jeugdherinneringen" me bezorgd, van oude vrienden en buurmeisjes, die alles bijna geheel onderschreven, en van vreemden, die in mijn verleden, hun eigen verleden herleefd zagen. Hoe velen hebben mij verteld, dat hun vader dezelfde zwakheden en beminnelijkheden had als de mijne!