Chapter 18
Moeder kon in Emmerik niet blijven. Gelukkig kreeg Vader nu iets in Amsterdam. Hij moest vooruit reizen. »Toen moest ik voor de verhuizing zorgen, alles inpakken en verzenden. En eindelijk ging ik zelf met drie kinderen, een spiegel en een schilderij. Dat was een heel gesjouw. Maar ik rekende altijd op de goeie menschen. Die hielpen je wel."
Daar zat ze in de trein, natuurlijk derde klas, met drie kinderen, een spiegel en een schilderij, blij, dat ze Duitschland den rug kon toekeeren. »De menschen waren er wel vriendelijk--overal heb je goeie menschen--, maar ze begrepen me niet altijd. En in Amsterdam was ik natuurlijk dichter bij de familie. Ofschoon een mensch het in zijn armoede toch niet van de familie hebben moet. In 't begin is er wel veel medelijden, maar och, aan alles raak je gewoon. De familie was wel heel goed voor me, hoor----je oom Willem, die was student in Utrecht, en als hij dan een dag of wat overkwam, zei hij: Nans, hier is het geld voor het hotel, stop mij maar ergens in een hoekje. En dan ging hij niet naar een hotel, maar sliep heel armelijk bij ons. Dát was toch zoo'n lieve jongen. Daarom is hij zeker vroeg gestorven--nog als student--aan de tering. Hij was een engel van een jongen. Maar anders, het meeste lief heb ik van de buren gehad. Die zijn ook zoo iederen dag om je heen."
En nu kwamen er verhalen van goeie buren.
* * * * *
»Wat ik van die menschen een hartelijkheid heb ondervonden--dat kan ik onmogelijk allemaal vertellen. Als je arm bent, moet je onder arme menschen gaan wonen, dan heb je het nog het beste. En het was aardig, zooals ze me altijd met zekeren eerbied behandelden. Ze zagen natuurlijk wel, dat wij van betere afkomst waren en betrokken ons nooit in hun standsgewoonten. »Dat kan de juffrouw niet doen," zeiden ze dan. »Dat is de juffrouw niet gewoon. Dat zullen wij wel even voor u doen."--En ze wilden nooit iets aannemen. »Wel nee, lieve mensch, je kan het zelf te best gebruiken." Van hun eigen armoede deelden ze me meermalen mee.
Eén man zal ik altijd heel dankbaar herdenken. Dat was bakker Aalders. We woonden toen ergens op een kamer drie-hoog, en hij had beneden in 't huis zijn bakkerij. Iederen morgen bracht hij ons brood en in 't begin betaalde ik dat ook geregeld. Als je Vader Zaterdags zijn weekgeld thuis bracht, rekende ik 's Maandags altijd af met den bakker en den groentenman en den huisbaas en den bode van het begrafenisfonds. Maar toen je Vader weer een toeval gekregen had en hij zijn betrekking kwijt was, hield natuurlijk dadelijk ook het geld op. Bakker Aalders zag dat wel, zulke menschen weten direkt alles van je omstandigheden. Toch ging hij voort, iederen morgen brood te brengen, en nu zonder ooit om geld te vragen. Dat duurde weken en maanden achtereen. En altijd bracht de vriendelijke man zelf het brood boven, maakte even een praatje, vroeg niets en zinspeelde ook op niets. Eindelijk werd ik er zelf verlegen mee en ik zei, dat ik hem onmogelijk betalen kon, dat hij maar geen brood meer moest brengen. En wat zei de man? »Juffrouw, zoolang ik brood heb, zal u 't ook hebben. Dat geld komt wel terecht." En toen je Vader weer wat verdiende, wou Aalders het achterstallige geld niet hebben. En hij heeft het nooit willen hebben. Ja, ik heb wat goeie menschen in de wereld ontmoet! Maar Aalders was toch wel heel bizonder."
Terwijl Moeder vertelde, zag ik Aalders, een eenvoudig man, het petje op, met een brood in de hand de oude trap oploopen, aan de kamerdeur kloppen, het brood op tafel leggen, even een praatje maken, en weer verdwijnen. En als pendant daarvan dien deftigen meneer in Emmerik, in de prachtige kamer, aan zijn bureau, met het stapeltje geld, en Moeder staande op het dikke tapijt. En mijn gemoed wisselde als een voorjaarshemel bij veranderlijk weer. Nu eens was het helderblauwe lucht met zonneschijn--bakker Aalders met zijn brood in de geopende kamerdeur--dan weer donkere bewolking met angstig-dreigend grauw: de prachtige kamer.
Zou men denken, dat wij, luisterende kinderen, door zulke verhalen niet werden opgevoed? Moeder vertelde ze niet met die bedoelingen, ze vertelde ze alleen om haar hart uit te storten in heel vertrouwelijk samenzijn met haar kinderen. Maar ik voelde hun krachtige werking in mijn gemoed, ik voelde bewondering en afgrijzen, liefde en weerzin, dankbaarheid en verfoeiing. Ons hart werd tot in zijn diepste lagen bewogen en geen weloverdachte zedelijke opvoeding kon bewerken, wat hier, zonder opzettelijkheid en met door de paedagogiek misschien afgekeurde middelen, werd bereikt. Moeders leven, de ervaringen van een volwassene, de onkinderlijke verhoudingen en woorden, 't lijkt veroordeelenswaardig opvoedingsmateriaal voor jongens van elf en twaalf jaar. Doch niettemin--wij wérden er door opgevoed. En ik weet wel, waardoor dat komt. Dat komt, omdat daarin het echte, waarachtige, ons naderde, met bedoelingen van enkel liefde. Hoe geweldig werkt de waarachtigheid der natuur, ook van het zich onbevangen gevende Moederhart, tegenover het kunstmatige eener in elkaar gezette techniek. Moeder _maakte_ niet wat voor ons, ze _uitte_ zich, en in die uitingen stroomde ons het voedende leven toe. Dat is ook de kracht van den Bijbel en van alle zuivere springbronnen van leven.
* * * * *
De nood rees soms wel hoog, maar toch altijd kwam de redding. Vreeselijk was de toestand, toen één kind gestorven in zijn bedje lag, een ander ieder oogenblik geboren kon worden, en Vader met een toeval werd thuis gebracht. En dat midden in de armoede. Men kan zich zoo'n ellende niet indenken. En als Moeder 't ons vertelde, zei ze ook altijd: »Hoe komt een mensch het door!" Maar ze had een onwankelbaar vertrouwen, dat God haar wel helpen zou.
»Eens op een avond zat ik in mijn eentje in een arm bovenkamertje. Ik had alles netjes opgeruimd, want in de grootste armoede had ik er toch altijd plezier in den boel netjes te hebben. De kinderen lagen in theekisten, want wiegjes of ledikantjes had ik niet. Maar ze waren met heldere lakentjes toegedekt. En toen werd er geklopt en een paar dames kwamen binnen. Ze gingen zitten en praatten wat met me. Een van haar had een versje voor me uitgeschreven. Dat heb ik altijd bewaard. Ze las het me voor. En ze maakte me haar compliment, dat alles zoo netjes was. En toen ze heen waren, vond ik onder een bordje vijftig gulden, twee briefjes van vijfentwintig. Mijn gemoed schoot vol."
Ook onze oogen sprongen vol tranen, als Moeder dat vertelde.
En als ze dan uit een oude doos het blaadje postpapier haalde, het geelgeworden blaadje, en ons het vers voorlas, hoorden wij met stille vroomheid toe. 't Was een vers van Godsvertrouwen. Waarom zou ik den naam der beide dames niet noemen? 't Waren twee zusters Salm--nu al lang gestorven. En nu noem ik dien naam niet als een bewijsstuk voor de echtheid der geschiedenis of als een eeresaluut nog boven het graf, maar alleen om mezelf het genot te gunnen, dien naam eens hardop uit te spreken, midden in den kring van wie naar me luisteren, zooals Moeder 't deed in het kringetje van haar kinderen.
Daar is nog een naam van een gestorvene, die in mijn hart leven blijft. Mijnheer Sanders was rijk en woonde in een groot huis op de Heeren- of Keizersgracht. Wanneer Moeder radeloos was, ging ze naar hem toe en kwam nooit ongetroost terug. Er waren bepaalde uren, dat de gang daar vol armen stond. Die man had zulk een mededoogend hart, dat hij soms met sterken aandrang een poos naar buiten moest worden gedreven. Hij kon »zijn" armen niet achterlaten en leed zoo zeer onder hun kommer, dat hij alleen gelukkig was, als hij geven en helpen mocht. Ik voelde toen al, dat de rijkdom voor dit gevoelige hart misschien nog zorgvoller was dan de armoede voor Moeder. De verantwoordelijkheid van zijn rentmeesterschap drukte hem als lood. Bij zooveel ellende kon hij met zijn geld niet gelukkig zijn. En al gaf hij al zijn geld weg, dan was de ellende toch niet merkbaar verminderd. Wanneer Moeder ons van hem en zijn milddadigheid vertelde, was het altijd met dankbaarheid en medelijden. Wel eigenaardig, dat de armoede medelijden had met den rijkdom.
Bij deze twee namen zal ik het laten. Namen noemen van goedgeefsche rijken--het is benden van dringende vragers op hen afsturen. Doch geen armen zullen een bedevaart naar deze graven doen. Hoe echter het namennoemen misbruikt kan worden, heeft Vader eens op een wonderlijke manier ondervonden.
Er was een man met wien hij sprak over zijn nooden en toen liet Vader zich ontvallen, dat hij van deftige familie was. Meneer X. was een neef van hem, Mevrouw IJ. een tante. Maar die familie wist van Vaders bestaan niet af. Vader was niet trotsch of hooghartig, maar hij _kon_ niet bedelen. Hij stierf liever met zijn heele gezin van honger, dan ook maar een penning te vragen. Het was hem onmogelijk. Hierin was Moeder een beetje gemakkelijker. Welke rechtgeaarde Moeder waagt ook niet alles voor haar kinderen!
Die man dan hoorde Vader aan, informeerde naar de adressen, noemde Vader een gek, dat hij niet van dien rijkdom profiteerde, hij zou 't hem wel anders, leveren, en zoo voort en zoo voort. Vader liet zich niet opwinden, wilde geen misbruik maken van den naam zijner moeder, om daardoor geld los te krijgen, berustte liever in zijn armoede.
Twee of drie weken later kreeg Vader gansch onverwacht een brief, of hij zich op een bepaald uur wilde vervoegen aan het kantoor van Mr. X. Wat zou dat beteekenen? Hij, Moeder, allen waren even nieuwsgierig. Natuurlijk ging hij, en in spanning wachtten de anderen zijn terugkomst af. Wat was 't geval. Mr. X. vroeg aanstonds: »Bent u meneer Ligthart? Bent u het zelf?" En toen informeerde hij naar Vaders geschiedenis en omstandigheden. Er was een man geweest, die zich voor Ligthart had uitgegeven en schandelijk had opgespeeld--hij wou bij hoog en laag geld hebben, en als hij dat niet kreeg, zouden ze wel anders zien--hij verkoos niet te verrekken van honger, als hij zulke rijke familie had, en al zou hij er de heele wereld bij te pas brengen, hij wou geld hebben.
Mr. X. was zeker blij verrast, toen hij in den bescheiden en beschaafden man, die nu voor hem stond, den echten Ligthart zag. Beiden doorzagen de oplichterij gauw genoeg, toen Vader vertelde, hoe die man hem had uitgehoord. Mr. X. bedankte Vader voor zijn komst en Vader zou wel iets naders van hem hooren.
Spoedig kwam er bericht, dat Vader een levenslange toelage kreeg van vijf gulden in de week. Elken Maandagmorgen kon dat bedrag gehaald worden bij Ds. v. d. Goot, onzen Doopsgezinden predikant. Niemand hoefde er voor bedankt te worden, het was een familietoelage, op voorstel van Mr. X. De gevers bleven onbekend.
Meermalen heb ik zelf die vijf gulden bij Ds. v. d. G. gehaald. Die was dan altijd heel vriendelijk en behandelde je volstrekt niet als een bedeelde.
Maar is dit weer niet een zonderlinge geschiedenis? Zeg geen namen van goedgeefsche rijken, want oplichters maken er misbruik van. En zie, deze oplichter maakte het pad effen voor levenslange hulp.
* * * * *
Zoo vertelde Moeder ons de eene geschiedenis na de andere, terwijl Vader in bed lag. Slechts eenmaal was het haar _te_ benauwd geweest. Toen had ze op het punt gestaan in 't water te springen. Maar de gedachte aan de kinderen had haar weerhouden. Nooit hebben we Moeder hooren klagen over haar lot. Al vertelde ze ons de droevigste ervaringen, het was nooit in den klaagtoon. En als ze over Vader sprak, was het met liefdevolle aanvaarding: »Ik heb altijd het gevoel gehad, dat God mij tot taak had gegeven, dezen man door het leven te brengen." Hij was haar oudste kind. Vriend noch vreemd--en aan pogingen heeft het zeker niet ontbroken--heeft haar ooit kunnen bewegen, haar post ontrouw te worden. Ze heeft haar levenstaak met algeheele zelfverloochening volbracht.
Dikwijls als ze over goede menschen sprak, kwam het zoo uit de volheid van haar hart: »Die hebben den hemel aan me verdiend." De uitdrukking was wat Roomsch, Moedertje, voor een predikantsdochter--wij doen niet aan werkheiligheid. Maar wat hebt Gij dan wel verdiend aan man en kinderen?
Moeder heeft een stukje van den hemel al op aarde gekregen. 't Kwam wel laat, maar daarom mocht ze zeker wat langer blijven. Toen ze, in haar drie-en-zeventigste, heenging, had ze al meer dan twaalf jaren een betrekkelijk, althans geldelijk, onbekommerd leven genoten. Dat was ongetwijfeld haar loon voor een leven van toewijding.
»O, als ik jelui alles vertelde, dan kon je er wel een boek over schrijven," zei Moeder vaak.
Maar Moeder, dat moet U me nu eens niet kwalijk nemen, maar dat doen we tegenwoordig niet. We schrijven geen boeken over helden en heldinnen, die op 't leven zegevieren. We schrijven alleen boeken over slappelingen, die in 't leven ondergaan. Stel je voor, dat ik eens een boek over U schreef. Ze zouden zeggen: dat is maar een bedacht vertelseltje. Zoo is het leven niet.
Neen hoor, geen boek over Uw levensboek. Alleen heb ik mij in dit hoofdstukje veroorloofd, eenige bladzijden daaruit over te drukken. En dat heb ik gedaan met opvoedkundige bedoelingen. Want, lieve Moeder, ik ben--dank zij U--en ondanks de paedagogiek--zoo'n soort paedagoog geworden.
Dank zij U.
Uw leven doortrilt mijn leven.
Van U heb ik geleerd, neen als levensmelk ingezogen, onder alle, alle omstandigheden niet te versagen, trouw te volharden, te aanvaarden den plicht die ons wordt opgelegd, niet onszelf te zoeken, maar onszelf toe te wijden.
Of ik dat gekund heb?
Ik wou, dat het waar was. Maar mijn falen is niet uw schuld. Dat was meestal 't gevolg van te veel voorspoed. Gelukkig kwam de tegenspoed me dan eens flink door elkaar rammelen, om me tot bezinning te brengen en terug te voeren tot trouw.
Gij hebt, door Uw leven, de les gepredikt: We moeten geen heide ontvluchten en parken zoeken, maar heide ontginnen en parken maken.
Er is, heel sterk in onzen tijd, een jacht naar beter. Niet dat men zichzelf en zijn arbeid wil verbeteren--als gevolg waarvan vanzelf betere omstandigheden zouden ontstaan--maar een zoeken van en dingen naar altijd hooger, voordeeliger, voornamer positie. Daartoe verlaten honderden schoenmakers hun leest.
Gij hebt ons geleerd: Doe wat God je als levenstaak heeft gegeven, en doe dat met heel je hart. Blijf trouw.
En Uw succes heeft er de belofte aan toegevoegd: En je zult slagen, boven bidden en denken.
Heerlijk, Moeder, dat ik deze les, Uw wijsheid, als het summum mijner paedagogiek nu onder vele oogen mag brengen, hopen dat zij vele harten mag binnentrekken.
Blijf trouw! En vertrouw! En de kroon des levens is voor U weggelegd!
Is het niet eigenlijk--christendom?
IK WORD KWEEKELING.
We hechten aan het werkwoord worden in sommige gevallen een heel actieve beteekenis. Wanneer een jongen ons met een blijd voornemen in de oogen en de stem vertelt: »Meester, ik word zeeman!"--, dan is het, of we hem met volle zeilen op zijn doel zien afstevenen.
Zoo ging het bij mij niet. Kweekeling-worden, ik had er nooit aan gedacht. Naar den kansel was mijn blik en hartewensch wel eens heengegaan, die behoorde om zoo te zeggen ook tot de familie, maar zoo ver heugenis en overlevering reikten, had Vaders noch Moeders geslacht ooit de wereld met een schoolmeester verrijkt. Grootvader en twee ooms waren predikant, een derde oom studeerde er voor, geen wonder als er wat domineesbloed door mijn aderen vloeide.
Echter, er kon geen sprake zijn van een academische opleiding, daartoe ontbrak het ten eenenmale aan middelen, en zoo lag het in het duister, wat ik worden zou. Timmerman, gelijk de twee oudere broers, daar was ik te zwak voor. Maar wat dan? Misschien was ik behanger geworden--daar hoefde je niet zoo sterk voor te zijn--toen de armoede het vraagstuk heel practisch oploste.
Al weken achtereen had ik mijn schoolgeld niet betaald. Weten de onderwijzers, die den kinderen harde standjes geven als deze hun schoolgeld hebben »vergeten", wat dat voor een kind is? Ze kunnen er zeker van zijn, dat er thuis al heftige tooneelen zijn afgespeeld. Het kind wilde niet naar school zonder schoolgeld, en Moeder had het niet. Het kind draalde, drong, schreide, werd brutaal, bleef tegen den muur hangen, en Moeder kon het geld toch niet van haar rug snijden. Eindelijk zei Moeder: »Zeg dan maar, dat je 't vergeten hebt," maar het kind wist wel, dat noch meester noch de kinderen dat gelooven zouden. Ten slotte, vijf minuten voor negenen, is het maar de deur uit geslenterd, met roodbeschreide oogen, zeurend naar school. En als het daar kleurend van schaamte en gekrenkte trots, de boodschap van Moeder verlegen naliegt, terwijl de omringende leerlingen zich in de welgegoedheid hunner ouders veilig voelen en wat vreemd en ongeloovig kijken, krijgt het van zijn meester nog een uitbrander. Hoe is het mogelijk!
Als een der voordeelen van een armelijke jeugd, vol vernederingen, heb ik het altijd gevoeld, dat ik, in beter omstandigheden gekomen, zulke arme kinderen begrijpen en wat ontzien kon.
Nu is het heerlijk, van mijn bovenmeester te mogen getuigen, dat hij tegenover mij teer- en fijngevoelige kieschheid betrachtte. Hij vernederde mij niet midden in de klas, maar riep me in zijn kamertje. Daar drukte hij me ernstig op 't hart, dat het achterstallige schoolgeld al veel te hoog was opgeloopen, en dat het zoo niet langer ging. Ik moest mijn ouders zeggen dat ik het schoolgeld moest meebrengen, en hij anders verplicht was mij van de school te verwijderen. (Is het, tusschen twee haakjes, ondanks de waarlijk goede bedoeling en den vriendelijken toon van den hoofdonderwijzer, toch niet al te erg, dat zulke geldelijke aangelegenheden, die toch eigenlijk alleen de volwassenen betreffen, worden afgehandeld met een twaalfjarig kind?) Echter, behalve betalen en verwijderen, was er nog een derde kans. En ik weet nog, hoe mijn hart opsprong van blijde verlichting, toen de bovenmeester me dit uitzicht opende: Ik kon kweekeling worden. Dan kostte ik niets en zou zelfs wat verdienen: gratis opleiding en vijf gulden in de drie maanden!
* * * * *
Kweekeling worden. Heerlijk! Nu het me daar zoo onverwacht werd voorgesteld, werd ik plotseling gewaar, dat er toch, volkomen onbewust, een groote liefde voor het onderwijzerswerk in mij gegroeid was. En dat had ik te danken aan den onderwijzer, die ons dagelijks les gaf en die, althans in mijn oog, van zijn taak en zelfs van zijn heele verblijf in de school, zoo iets behagelijks wist te maken. 't Was de man, die reeds den eersten morgen van onze aankomst verrukt was over de mooie namen en die met zulk een gezellige ingenomenheid nieuwe rekenboekjes uit de kast opdook, wanneer we al weer een rekenboekje uit hadden. Met zoo'n beloonende en aansporende blijdschap keek hij de twee volle kanten van je lei na, met zoo'n leuke gratie zwierde hij G's door je sommen ten teeken dat ze goed waren. Het leek wel voor hemzelf een feest te zijn, als hij, de griffel sierlijk in de hand, som na som met zijn zegelmerk voorzag, terwijl wij hem met spannende oogjes aankeken, innerlijk juichend bij elken gracieusen trek, even inzinkend bij iedere--maar toch mooie--streep door een foutieve oplossing.
Wat kon hij 's winters gezellig bij de kachel staan! Dan liep hij eerst rustig om de klas heen, wreef zich de koude handen, opende de kacheldeur, keek naar 't vuur met dezelfde belangstelling als naar onze sommen, greep den pook niet minder sierlijk dan de griffel, en pookte zonder ruwe rammelende geluiden, pookte gelijk hij op 't bord schreef, netjes en rustig, zoodat zelfs het randje van zijn hagelwitte manchet er plezier in had en zich nieuwsgierig verbreedde. Daarna hing hij den pook op zijn vaste plaats, draaide zich met den rug naar de kachel, sloeg de handen in elkaar op de achterpanden van zijn jas, en koesterde ze te gelijk met al de achterdeelen van zijn kleeding en wat daar onder zat. Onderwijzer-zijn, je zag het den man aan, was een dagelijksch genoegen. Maar ik denk nu, dat hij met hetzelfde genoegen winkelier was geweest. Alleen had de natuurlijke gave om zijn heele omgeving gezellig te maken hem dan wat meer geld opgebracht. Hij was gansch geen type van een verdroogden schoolmeester, nog al rijzig, gezet, kleurig en met springende haren. Zijn gezetheid bracht zeker mee, dat hij zomers nog al dorstig was. Dan kon hij zoo smakelijk een glas water leegdrinken. Eerst hield hij het tegen 't licht, en verkwikte zich met den aanblik van het kristalheldere vocht. Daarna dronk hij het met langzame teugen op, genietend van iedere aanraking. Zette hij 't glas weer netjes in de kast, dan kon je zeker zijn, dat hij nog even, heel even, met het puntje der tong langs de lippen streek, navoelend de zachte verkoeling.
Was het wonder, dat het opgroeien onder den stillen invloed van zulk een gemoedelijk-vriendelijk onderwijzersleven, bij ons onmerkbaar liefde voor dat leven deed ontkiemen? Zóó op 't bord schrijven, zóó de griffel hanteeren, zóó je koesteren bij de kachel, zóó een glas water savoureeren--je vond het een benijdbaar voorrecht, en thuis deed je met welbewuste pogingen dit aanlokkelijk voorbeeld na. Je schoof zelfs een afgedankte manchet van je grooten broer onder de mouw van je jongenskiel, om te kijken, hoe dat stond, en of die manchet ook zoo te voorschijn kwam, als je mouw optrok....
Mijn ouders armoede en het even vriendelijke als wijze voorstel van den bovenmeester, deden mij kweekeling worden, maar Uw onbedoeld voorbeeld, o Meester, was oorzaak, dat deze overgang mij onmiddellijk als een groote verrukking tegen schitterde. Het was de plotseling wakker wordende en glorende liefde van een meisje, wanneer »hij" haar gevraagd heeft. Zoo'n leventje te hebben! Ook zonder manchetten was het al zalig, de griffel, de pook, de kast, de kachel, het glas water, het vredig wandelen om de klas--het werd alles mijn deel. En innerlijk juichend holde ik dien morgen naar huis.
* * * * *
Vraag niet, of mijn moeder blij was. Zij zag ineens weer een nieuw verschiet. Staande voor een muur van geldelijke verplichting, niet wetend waarheen, loste die muur zich als door een toovermiddel op, de harde massieve steenmassa vervluchtigde, en daar lag, vóór haar, een open weg, ruim, zonnig, onafzienbaar. En nu was haar eerste werk, te zorgen, dat de nieuwe kweekeling er, overeenkomstig zijn positie, netjes uitzag, eer hij dien weg opwandelde.
De kweekeling was ruim twaalf jaar. Dit nam niet weg, dat hij toch aan 't onderwijzen toog. Flauw herinner ik me, dat ik tusschen kleine kinderen doorscharrelde en ze lezen leerde. Bizonderheden staan me niet meer voor den geest. Alleen weet ik de _plaats_, waar ik mijn eerste kommando's uitdeelde. 't Was in het ver-afgelegen achtergedeelte van de groote bovenschool. Zoo zijn ook allerlei andere herinneringen uit mijn jeugd nauw verbonden aan _terreinen_, en daaruit waag ik het af te leiden,--stoute sprong!--dat de landkaart een veel grooter rol moet spelen bij ons geschiedenisonderwijs. 't Is mij net, of al de herinneringen mijner jeugd, als stofjes door elkaar zouden dansen, wanneer ik ze niet gehecht zag aan een stukje aardbodem.