Chapter 17
Plagen was schier aan de orde van den dag. Als het jongste meisje, dat van lieve peit, begon te schreien, kon je er zeker van wezen, dat het heele koor een ontzettend gebulk aanhief, om die schreistem te smoren. Dan dreunde de kamer van de erbarmelijkste kreten. Vader werd in zulke gevallen woedend, maar kon de bende eigenlijk niet baas. Moeder drong driftig-angstig aan: »Hou jelui dan toch je mond", wat alleen tot gevolg had, dat men riep: »Laat die meid dan d'r smoel houden." Alleen Christientje, de oudste van allen en de zachtste, had dan vaak den slag, om den storm te bezweren. Als er een kleine pauze was ingetreden, begon zij een liedje te zingen, een geliefd wijsje. Dat kalmeerde de gemoederen. En het duurde niet lang, of de buren konden zich vergasten aan een veelstemmig: »Plechtig zwijgen, zoete vrede ruischt er nog om 's Heilands graf", of »Rust in vree, o gij, van ramp ontheven. Nu reeds slapende in uw enge kluis", welk laatste lied eigenlijk »bij het graf eens medeleerlings" gezongen moest worden, doch ook onder andere omstandigheden niet onstichtelijk klonk.
Uit dat voorbeeld van Christientje kan men zien, hoe je opgewonden gemoederen niet met opgewondenheid moet willen verwinnen. Met storm slaat men geen storm ter neer. Doe een zachte koelte aanruischen en de opgestoken winden verspreiden zich.
Heerlijk-helder vulden de jongensstemmen met de frissche sopraan van Christientje er boven uit dan de huiskamer. En eenmaal aan 't zingen, bleef de troep aan 't zingen. Vader voorop. Diens woedende drift sloeg in een moment om. Moeders angstige trek was gauw door een glimlach vervangen, en de buren luisterden met aandacht, ja, de bovenbuurtjes sloten zich wel eens bij den zang aan, hetgeen hieruit blijken kon, dat ze soms een paar maten achter, de laatste lettergrepen nog uitgalmden als wij reeds gereed waren. Dan steeg er bij ons een luid gejuich op, dat van boven vroolijk beantwoord werd. We zetten een nieuw lied in of namen er eentje van boven over en ondanks de scheidende zoldering vormden twee gezinnen een uur of langer één zangkoor.
Het is wel aardig en leerzaam, hoe spoedig de ruwe bende door een lied gevangen was. Wat zouden wij er van denken, als we op school, instee van met een stok op het tafelblad stilte te ranselen, eens zachtjes begonnen te zingen van b.v. _'t Zonnetje gaat van ons scheiden?_ Ik wed, dat de zoete rust kwam, nog eer het klonk: _Zoete rust mogen wij beiden._
* * * * *
Eén buurmeisje herinner ik me ook nog levendig, ofschoon ik haar nooit gesproken heb. Ze woonde niet in de Leliestraat, maar op de daarop volgende en nettere Bloemgracht. De tuinen van de Bloemgracht grensden echter aan die van de Leliestraat en zoo lag haar tuin vlak tegen ons tuintje. Ik zeg: haar _tuin_, want die was stellig wel acht maal zoo groot als ons plekje. Bij ons was er geen plaats voor hooge boomen, nauwelijks kon er een gouden regen of een sering staan. Maar in haar tuin verrezen hooge en zware kastanjes en eschdoorns. Daardoor lag haar huis--ze bewoonde een heel huis--in donkeren schaduw en gaf de tuin mij een gewaarwording van iets ouds en deftigs, zoo iets als een bejaarden kloostertuin.
Wanneer ik bij het eene raam van onze huiskamer mijn schoolwerk zat te maken, keek ik naar buiten en zag haar wandelen onder 't groen. Arm meisje! Ze was ongeveer dertien jaar, lang, mager, bleek. Ze droeg een netje over een geheel kaal hoofd. Haar schedeltje was bedekt met een korst van »klieren". En nu stond het zoo griezelig, dat netje, strak getrokken over het achterhoofd, en van voren, boven de oogen, een donkere lijn teekenend over het voorhoofd. Arm meisje!
De andere buurmeisjes, die van twee-hoog en die van naast ons, hadden allemaal zulke mooie haren. Lange vlechten hingen op den rug, met aan het einde een fijn rood zijden strikje, of goudblonde krullen omgolfden het hoofd, in haar dartelheid bedwongen door een bleekblauw lint. En die haren maakten zelfs een alledaagsch gezichtje mooi. Vraag eens, hoeveel jongens verliefd zijn geworden op bruine of blonde haren. »Het haar," zei mijn vader, »is het sieraad der vrouw." En als Vader dat zoo voornaam zei, met dat deftige woord sieraad en dien deftigen genitief, beaamde onze jongenservaring dat al van ganscher harte.
Arm meisje! Ze speelde niet met andere kinderen. Naar school kon ze natuurlijk niet. Alleen in den tuin had ze ontspanning. En daar liep ze dan in haar eentje rond, maar zoo'n beetje kijkend. Angstvallig scheen ze de lage schutting te mijden. Wellicht schaamde ze zich gezien te worden. Als we in den tuin speelden, bleef ze weg. Alleen als ze onderstelde, dat we haar niet zagen, verscheen ze. Maar dan zagen we haar wel. En dan keken we naar haar, de oogen wat vochtig van medelijden.
Wat was ik graag naar haar toe gegaan! Wat had ik me graag aangeboden, om wat met haar te spelen. Ik was niet afkeerig van haar. Ik zou graag alles voor haar gedaan hebben. Maar ik durfde niet. Waarom niet? Waarom durven de menschen soms niet lief te zijn?
Ik liep langs de Bloemgracht, om haar huis aan te zien. Ik bleef er stil staan.
Ik wilde aanbellen.
Waarom deed ik het niet?
Men zou mij vreemd gevonden hebben. Men zou mij hebben teruggewezen.
Ik had geen vertrouwen genoeg op de menschen.
Maar ik weet zeker, dat ik het meisje zou hebben verkwikt, het arme eenzame kind.
Ze is gestorven, nog terwijl we daar woonden.
Maar ik heb altijd berouw gehad, dat ik aan de opwelling van mededoogen geen gevolg heb gegeven. O, het zou haar zeker goed gedaan hebben, dat een ander kind met haar wilde spelen, nog liever met haar dan met mooie meisjes.
Het heeft niet zoo mogen zijn.
* * * * *
En nu moet ik nog vertellen van mijn straatbaldadigheid ook in deze nette buurt.
Doch waartoe zal ik u opnieuw de straten doorslepen?
Ge kunt er onder mijn leiding toch niets dan kwaads leeren. Ik neem u b.v. op Zaterdagavond mee naar de kruidenierswinkels, die dan vol koopsters staan. De burgervrouwtjes en de dienstmeisjes, dicht opeengedrongen, wachten met het mandje in de hand haar beurt af. Ze praten wat onder elkaar, terwijl de winkelier en zijn knecht, stijve figuren in brandheldere buisjes, rustig voortgaan met afwegen, inpakken, afrekenen. Nu sluipen we gebogen naderbij. Op handen en voeten kruipen we den winkel binnen. We strekken een arm uit, zoeken de beenen van een geen onraad vermoedend dienstmeisje, knijpen haar plotseling in de kuiten en stooten daarbij een woedend geblaf uit.
De meid gilt het uit van schrik. Ze springt op en de heele klandisie komt in tumult. Zelfs vloeken er sommigen. De stijve winkelier raakt een oogenblik zijn kalmte kwijt. De schalen schokken in zijn hand. De vrouwen denken niet anders, of de meid is door een dollen hond gebeten, en ontsteld onderzoeken ze haar paarse japon. Geen scheur? De onderrokken. Nog geen scheur? De witte kousen. Ook die heel? Maar ze voelde het toch wel degelijk. »Och, die bliksemsche jongens zullen het wel weer gedaan hebben." En de winkelier gaat even van achter zijn toonbank tusschen de vrouwtjes door naar de deur en kijkt daar naar links en rechts de halfdonkere straat in. Wij hebben uit een verborgen hoekje alles gezien en schreeuwen hem nu een triomfgehuil toe. Dan hollen we weg. We moesten de volwassenen niet alleen hinderen, maar ze moesten ook _weten_, dat ze dat aan ons te danken hadden, opdat ze, scheldende, en eeuwig wegjagende nijdigaards, goed mochten beseffen, dat we machtig waren ons te wreken.
Dat gehuil gaf zeker een heele geruststelling aan die arme dienstmeid, maar ik ben er niet zeker van, of ze 's avonds, vóór 't in bed stappen, toch nog niet eventjes haar kuit opmerkzaam heeft bekeken. Het mócht eens een hondje zijn geweest.
Zullen we nu nog verder rondtrekken? Kom, ge hebt al van streken genoeg gehoord. Meer dan u lief is. Of--hoort ge ze wel graag, mits anderen er de dupe van zijn? Dan is het inderdaad raadzaam, om te eindigen. Er schijnt ook in u, eerzaam volwassene, iets van den wilde te zijn overgebleven. Laten we het niet wakker roepen en voeden. Gij hebt tot plicht eerzaam te blijven, ook in uw diepste binnenste.
Laten we liever eens nagaan, hoe het kwam, dat onder de jongens van deze buurt veel minder neiging tot straatschenderij en plagerij bestond, dan onder de vroegere kornuiten, en hoe ook bij ons, die het kwaad hier trachtten over te planten, de lust langzamerhand wegstierf. Dat is leerzaam voor de autoriteiten, die, niet uit demokratische politiek, maar uit oprechte belangstelling zich om 't heil der jeugd bekommeren. Die kunnen er uit leeren, hoe men in groote steden het kwaad bestrijden kan door groei-ruimte te geven aan het goede.
Op de Eglantiersgracht hadden we geen plaatsje of tuintje, we móésten dus wel de straat op. En hier in de Leliestraat konden we een deel van ons genot vinden in de stilte en de vrijheid van ons achteruitje. Het is waar, we konden er niet hollen, niet met de bal of den hoepel spelen, geen vlieger oplaten en nauwelijks tollen, maar we konden er ongestoord kleuren en plakken en knippen en oorlogen, we konden er knutselen en planten, we konden er ons verliezen in »stil spel". Er ging van ons rustig plekje, dat zoo heerlijk gelegenheid bood onszelf te zijn, stemming uit. De verkeerde invloeden van ruwe makkers hadden er minder macht.
In 't buitenland, en helaas ook in ons land, openbaart zich een streven om prachtige schoolgebouwen te stichten, ware schoolpaleizen. Bouwkunst, schilderkunst, beeldhouwkunst moeten samenwerken, om de leerende jeugd al vroegtijdig onder de opvoedende kracht der schoonheid te brengen. Doch men kan den invloed dier schoonheid erkennen en toch meenen, dat er een verkeerde weg gevolgd wordt. Voor mij is er een schreeuwende disharmonie tusschen die monumentale gebouwen met hun ruime hallen, breede trappen, lange gangen, en die simpele kinderen. Het doet mij vreemd aan, die witte gezichtjes, schrale figuurtjes, armelijke kleertjes te zien dwalen door zoo'n rijkdom van ruimte en materiaal. Het is, of men een sjofel katje op de zijden kussens van een vergulden auto door de stad reed. Het is de arme knaap op den troon van Frankrijk.
Wel mag het schoolgebouw niet zoo'n foeileelijken fabrieksgevel hebben, rijen eenvormige vensters boven elkaar; wel mag het van binnen, door grauwe, donkere nauwte, niet de naargeestigheid zelve zijn; wel moet het door schoonheid de jeugd verkwikken; maar die schoonheid moet wezen naar kinderlijken trant en in overeenstemming met de geheele omgeving. Liever dan schoolpaleizen te zetten in armelijke buurten, moeten de arbeiderswoningen verbeterd worden, waarin de kinderen--én hun ouders--hun levensgeluk moeten vinden.
Ieder gezin in een eigen huisje met een tuintje er bij. Overal veel ruimte, licht, lucht en groen. Ruimte voor de kinderen, opdat ze kunnen hoepelen en vliegeren naar hartelust. Ruimte ook achter de woningen, opdat ze daar in rustige stilte genieten. En dan hier en daar een eenvoudige, vriendelijke school, met niet meer dan zeven lokalen en een open speelplaats, waar de kinderen der wijk, ook buiten de schooluren, veilig en vrij zijn--hún speelplaats. En aan de school verbonden een paar ruime lokalen, vereenigingszalen voor de rijpere jeugd en de volwassenen, waar deze in aanraking blijven met de beschaving, gelijk die zich in wetenschap en kunst openbaart.
Dat zou heerlijk zijn! En daardoor zou de baldadigheid binnen de perken worden gehouden!
Zullen we 't nog eens beleven?
Ik vrees. Maar al weet ik helaas te goed, dat de zedelijkheid niet afhangt van de omstandigheden, ik heb in mijn jeugd ervaren, dat heel wat baldadigheid wegsterft--in een nette buurt.
MOEDER VERTELT.
We zouden met Vader een dag uit visschen gaan.
's Avonds te voren hadden we alles in gereedheid gebracht, de snoeren en hengels, het aas, en ook de flesschen bessensap en boterhammen met worst.
Toen zijn we vroeg in bed gestopt, opdat we niet te veel van onze nachtrust zouden missen. En nu, na een onrustigen slaap, scharrelen we door de huiskamer.
't Is vier uur in den morgen. We voelen ons kil en huiverig. Het daglicht is nog niet aangebroken. In de kamer is het schemerig, buiten grauw.
Moeder heeft het petroleumstel aangestoken en theewater opgezet. Zij was natuurlijk het eerst op, een half uur vóór ons. Uit vrees dat we ons mochten verslapen, heeft ze den heelen nacht als in een bommeltrein gereisd. Telkens was ze wakker om even op het horloge te kijken bij 't nachtlichtje. Vooral na tweeën was bijna ieder kwartier een nieuw stationnetje, waar de trein stopte.
Nu loopt ze op haar kousen rond, heel zachtjes, om vooral de buren niet te wekken. Ik laat een schoen vallen. Dat klinkt hard in de morgenstilte. Sssst, zegt Moeder. Ze spreekt niet, ze fluistert. En zoo doen we allen. Die schoen--mijn hart stond er bij stil. We glijden als schaduwen voorbij mekaar, spreken met schaduwstemmen. 't Lijkt wel een schimmenspel in den valen ochtendschemer.
Moeder giet het theewater op. Wolken waterdamp krinkelen boven den trekpot. Alleen het gezicht reeds verwarmt je. Opwekkende theegeur vult de kamer. Heerlijk. Nog een paar minuutjes en we krijgen een kopje thee. Lekker warm. Met twee handen er omheen, drinken we het langzaam op.
Het is alles zoo vriendelijk, zoo vredig, zoo geheimzinnig, zoo rustig. Buiten sjilpen de musschen en dringt langzaam het licht door. 't Is gelukkig goed weer. Geen regen, alleen een beetje nevel. 't Zal een mooie dag worden. Ik kijk door 't venster. De schutting is nog nat, ook het deksel van den put en de steenen van 't plaatsje. Maar dat is niets, 't is maar dauw.
Ik zet mijn pet vast op en probeer hoe ik het gemakkelijkst de boterhammen kan dragen. De hengels leg ik schuin tegen den rechterschouder. Nog vijf minuutjes, en we gaan. Vader drinkt staande zijn laatste kopje thee....
Opeens, daar dringt een vreeselijke gil ons door merg en been. Een doffe plof volgt.
O God, daar is het weer. Die gil, zoo langgerekt en doodsbenauwd, we kennen ze.
Vader heeft een toeval gekregen.
Ik sta, verstijfd van schrik, met de hengels in mijn hand.
Moeder laat den trekpot haast vallen.
»Ach God!" zegt ze. En in die twee woorden breekt al de diepte van haar smart uit. Dan haalt ze gauw een kussen van bed en legt het den armen man onder 't hoofd. Ze maakt zijn goed los en wascht zachtjes wat schuim van de blauwe lippen.
Christien komt in nachtgewaad binnen geloopen, de oogen wijd starend. Ze was nog wat blijven liggen, eer ze om half zeven naar haar betrekking moest. Maar de angstkreet is tot haar diepen slaap doorgedrongen. Bevend staat ze met ons bij Vader, die bewusteloos ligt te schokken en stuiptrekken op den grond.
Ik zet de hengelstokken in een hoek, haal de boterhammen uit mijn kiel en leg ze op de tafel, naast het theeblad....
* * * * *
Arme, arme Vader.
Neen, we denken geen oogenblik aan het verlies van onzen heerlijken dag buiten. We zijn vervuld met innig medelijden. Arme Vader!
Moeder verzamelt ons in de keuken. Ze haalt het theeblad uit de huiskamer en zet het op de rechtbank. De een gaat op een keukenstoel zitten, de ander op een krukje, weer een ander op den vuilnisbak of op een treetje.
Telkens gaat ze even naar binnen, om te zien, of Vader al bijgekomen is. Eindelijk hooren we een diepen, kreunenden zucht. Nu is hij bij.
Moeder en Christien tillen hem voorzichtig op, dragen hem naar de bedstede. Met zachte hand trekt Moeder hem de overkleeren uit, legt hem dan te bed, dekt hem toe.
We weten, wat er nu volgen zal. Den heelen dag zal Vader daar doodstil blijven liggen met barstende hoofdpijn. Hij zal niets eten, alleen nu en dan een teugje drinken. Wij loopen onhoorbaar door 't huis, spreken heel zacht, ontbijten, koffiedrinken, eten in de keuken. Wanneer Moeder naar binnen is geweest, zullen we met smeekende verwachting in de oogen vragen, hoe 't er mee is, telkens weer. En dan zal Moeder zeggen: »Vader ligt doodstil. Erge hoofdpijn."
Eerst tegen den avond zullen we even bij 't bed mogen komen, om Vader een hand te geven. Dan zal hij ons met zijn zachte blauwe oogen vriendelijk aanzien, alsof hij ons vergiffenis vroeg, dat hij ons zoo had teleurgesteld. En dan zullen we onze oogen vochtig voelen worden. En dan zal hij zeggen: »Nacht kind!" En we zijn blij, dat we zijn stem weer hooren. Rustig gaan we naar bed, en we danken Onze lieve Heer, dat Hij Vader toch weer beter heeft gemaakt.
Zoo zal de dag voorbijgaan. We weten het al vooruit. Want zoo is er al menige dag voorbijgegaan. Om de drie weken kreeg Vader een toeval. Soms wel twee in een week. Soms duurde het ook een paar maanden. Dan hoopten we al, dat het weg mocht blijven. Tot opeens, daar had je 't weer, die hartdoorsnijdende gil.
Zelf sprak Vader er nooit over. Ook niet als hij pas een toeval had gehad. Dan was hij meestal een paar dagen moe en suf van hoofd, ging stil zijn weg. Maar nooit roerde hij het onderwerp aan.
Waarschuwende verschijnselen, dat er een toeval op handen was, deden zich niet voor. Geheel onverwacht en op de meest ongelegen oogenblikken kwamen ze. Zoo praatte Vader nog met je, en zoo plofte hij neer. Alleen had Moeder meenen op te merken, dat er vaak dagen van groote prikkelbaarheid aan vooraf gingen. Wanneer Vader zoo ongemotiveerd driftig kon opstuiven--ach, aanstonds was hij weer bedaard--beefde Moeder al inwendig. »Er zit zeker weer een toeval," zei ze met bekommerde, verontschuldigende stem. En dan zat er ook meermalen een toeval, als een donkere, dreigende onweersbui. Soms was het voor allen en ook voor Vader zelf een verademing, als de bui was losgebroken. Dan kwam er weer ontspanning.
Zoo is er ook nu, op dezen morgen, na den eersten hevigen schrik, ontspanning gekomen. We zitten rustig in de keuken. 't Is nog pas half zes. Wat zullen we doen? Weer naar bed gaan? Lezen? Spelen? Dat is onmogelijk. We scholen om Moeder heen, in het kleine keukentje. En Moeder praat zachtjes. Ze vertelt van haar leven.
't Is wel een vreemd verteluurtje. De morgenzon kleurt den hemel. Door 't keukenraam zien we boomtoppen verlicht. En 't is ook een zonderling plekje, in de keuken tusschen de glazenkast en de aanrechtbank. Ook het verhaal is ongewoon, een verhaal van levensleed. Zoo iets vertelt men gewoonlijk niet aan kinderen. Kinderen moeten immers sprookjes en grappen hooren? Maar dit alles wordt verklaard door de donkere bedstede daar in de huiskamer, door dien lijdenden man.
* * * * *
»Ach," zegt Moeder, »zoo is het mijn heele leven gegaan."
Ze zit stil, met ingekeerde oogen, alsof de oogen ver, ver in het verleden teruggingen. Dan gaat ze voort, zachtjes vertellend van wat die oogen daar zagen.
»Ik was nog maar pas getrouwd, toen je Vader een toeval kreeg. Je hoeft niet te vragen, of ik schrok, want ik had er niets van geweten. En ik had zoo iets nooit bijgewoond. Maar toen je Vader bijkwam, had ik zoo innig met hem te doen. Hij was zoo ellendig, en daarbij was hij zoo verlegen voor mij. Hij had er mij niets van verteld. Vóór ons huwelijk had hij ook al een paar maal een toeval gehad, maar zijn vrienden hadden gezegd, dat het in zijn trouwen wel zou overgaan. Daar had hij het maar op gewaagd.
We woonden toen in een grooten kruidenierswinkel. Daar hadden zijn voogden hem in gezet. Want je Vader was al vroeg een wees. Maar hij had geen verstand van zaken. En binnen tien maanden was de zaak failliet.
Toen moesten we verhuizen. Op een kouden avond in Januari brachten ze mij in een toe-slee over. Dien avond zal ik niet licht vergeten. Het vroor hard. 't Was bitter koud. Daarom hadden ze me goed toegestopt. Ik was hoogst zwanger. Iederen dag kon Christientje geboren worden. Toen ik aan de nieuwe woning kwam, moest ik een ongelukkige trap op, twee hoog, en daar vond ik een paar zoo goed als leege kamers. Er stond een tafel, een paar stoelen, maar geen kachel. Aanstonds brachten ze me naar bed. Toen voelde ik me toch zoo bitter ellendig. Geen brand, geen voedsel, niet eens een warm kop koffie, de kasten leeg en geen cent in huis. En daar werd den 25sten Januari Christientje geboren.
Zoo is mijn huwelijksleven begonnen. En nog geen jaar te voren zat ik in die heerlijke pastorie.
Natuurlijk kwam Grootvader gauw over. Die goeie man wist niet, wat hij zag. Hij schreide, toen hij voor mijn bed zat. En toen de broers, jullie ooms, het hoorden, waren ze woedend. Ze zeiden, dat je Vader me bedrogen had en wilden, dat ik weer naar de Klundert zou komen. Maar daar was ik niet toe te bewegen. Je Vader was zoo goed en hij leed er zelf zoo bitter onder. Hij hád me ook niet bedrogen, daar zou hij nooit toe in staat zijn geweest. Maar de man was veel te goed van vertrouwen. En dat is hij zijn leven lang gebleven. Dat is hij eigenlijk nog. Daarbij was hij niet goed opgevoed. Zijn ouders waren deftig en bemiddeld. Maar die stierven al vroeg. Toen ging hij met zijn broertje ergens in huis. Ze kregen goed onderwijs, je Vader is altijd knap geweest. Maar er werd niet gezorgd voor een bepaalde opleiding, en toen je Vader mondig was, werd er eenvoudig een zaak voor hem gekocht, of hij er geschikt voor was of niet. Hij dacht, dat alles best zou gaan. De man had van zijn eigen zaken nooit iets afgeweten.
Grootvader zorgde, dat ik het noodigste kreeg. Maar hij had zelf een groot gezin en kon er niet nog een gezin bij onderhouden. Toen hij weer weg was, bleven we met ons drieën achter. Je Vader kreeg een betrekkinkje en zoo konden we tenminste leven. Maar vraag niet hoe."
* * * * *
Moeder in die slee, Moeder in die armelijke bedstede op een leeg bovenhuis, Grootvader, die waardige man, met beschreide oogen bij het gebroken leven van zijn dochter--het zijn tooneeltjes die ik zou kunnen uitschilderen. Moeder vertelde zoo, dat we alles voor ons zagen. En ik weet nog heel goed, dat ze zonder eenige aarzeling uitdrukkingen als »hoogst zwanger" gebruikte. Armoede en smart brengen de volwassenen zoo dicht bij de kinderen, maken de kinderen in zeker opzicht gauw groot. Moeder had geen tijd en geen stemming, om er een afzonderlijk taaltje voor kinderen op na te houden. Met wie moest ze alles bepraten en overleggen dan met haar kroost, en daarbij sprak ze de gewone taal der volwassenen. Wij vonden zulke woorden ook heel gewoon, al begrepen we er niet precies het rechte van. Maar zoo is het immers met haast ieder woord? We moeten het aanvankelijk met enkele vage notities stellen.
Zoo is het ook gegaan met het woord »verleiden", in den specialen zin, zooals we het uit de geschiedenis van Jozef en Potifar's vrouw kennen. Moeder was al eenige jaren getrouwd, en woonde in Emmerik. Daar had Vader een betrekking aan het spoor gekregen. Wat, dat weet ik niet, we waren tevreden met het woord »betrekking"--naar bizonderheden informeerden we niet. »En toen"--vertelde Moeder--»werd ik eens op het kantoor ontboden bij een deftigen meneer. Ik kwam in een prachtige kamer. Die meneer was heel vriendelijk. Eerst begreep ik hem niet. Maar toen zei hij: Een mooie jonge vrouw als u hoeft toch geen armoe te lijden. En hij wees op een stapel geld, dat op zijn bureau stond, alsof hij zeggen wou: Neem het maar. Toen was het, of ik een ingeving kreeg. O God, dat nooit! En ik liep aanstonds naar den hoek van de kamer en trok aan het schellekoord: »Meneer, ik verzoek, dat u me onmiddellijk uitlaat." Toen de knecht kwam, zei hij: »Laat jij de juffrouw eens uit" Hij moest wel. Maar toen ik thuis kwam, viel ik stijf van mezelve."
Bijna woordelijk herinner ik me dit verhaal. Met dezelfde soberheid vertelde Moeder het. Ik zag de kamer, het bureau, het geld, het schellekoord, den knecht. En ik begreep, dat die man Moeder had willen verleiden tot iets kwaads, al begreep ik niet wat. Ik bracht het echter wel in verband met de geschiedenis van Jozef.