Chapter 16
Lieve Sien, neem me niet kwalijk, dat ik jou daar zoo ineens midden tusschen mijn huzaren haal. Maar toen ik daar zoo stil aan 't uitknippen was, en al mijn aandacht wijdde aan de teugels der paarden, zoodat die als sierlijke lijnen mooi bij den bek neerhingen, en toen ik ál mijn geestelijke energie in vingerbeheersching concentreerde, om, alleen uit eigen volkomenheidszucht, geen knipje te veel te doen, toen dacht ik plotseling aan jou. Toen was ik weer dien zondagmiddag bij je ten eten, en toen zag ik weer je driejarig kereltje--driejarig!--de borden--de mooie borden!--een voor een uit de kast halen, er mee door de kamer waggelen, ze netjes op de tafel zetten. »Hij hielp zijn moeder." Wat heb ik toen genoten. Wat een lieve, lieve spanning in dat gezichtje, in die armpjes, in die beentjes, in die heele houding! En hoe zongen de zuchten een jubel van kindertriomf, telkens als er een reisje van de kast naar de tafel was volbracht. Sientjelief, dat was nu paedagogiek, waar ik de heele wereld wel op had willen trakteeren, tot de paedagogenwereld toe. En als je jarig bent, krijg je van mij de Paedagogische Encyclopedie van Prof. Rein cadeau. Niet om er in te lezen--de hemel beware me!--maar om er je lieve Henkie mee te laten sjouwen, van de kast naar de tafel, en van de tafel naar de kast. Wat zal dat een lekker speelgoed zijn, al die dikke deelen! En dan haalt Henkie er nog meer paedagogiek uit dan zijn vader!
Hoeveel moeders durven hun kinderen zoo op te voeden? Met zulk een vertrouwen in de kinderlijke eigenschappen? Met zulk een absoluut hooger schatten van een kind boven een bord? Wie 't probeeren wil, moet zelf rustig, kalm, geduldig zijn, stil met zijn kind meeleven, niets aan 't kind opdringen, vooral niet wat het kind uit eigen beweging al wil en doet, en niet boos wezen, _als_ er door een ongelukje eens iets mocht breken.
* * * * *
En nu aan 't oorlogen!
Doch waar zou de veldslag geleverd worden? Waar was het terrein, uitgestrekt genoeg om deze talrijke troepen in twee partijen op te stellen en te doen strijden? De kamervloer? Maar daar liep iedereen. De aanrechtbank in de keuken? Daar moest telkens gewerkt worden. Hebt ge wel eens gezien, hoe zulke jongetjes met hun schatten alle ruimten rondscharrelen, om ergens een goed speelhoekje te vinden? De volwassenen kijken hen meestal voorbij, grauwen ze weg, zijn te vol van eigen belangen om oog voor de kinderen te hebben. Maar Vaders kooplust had mij mijn strijdveld bezorgd. Dat tuintafelblad was--nu in mijn herinnering--van reusachtige afmetingen. Er kon een heel Waterloo worden afgespeeld.
Naast ons woonde een heel net en rustig gezin met veel meisjes en één jongen. Die jongen keek eerst, klom toen over het lage schuttinkje, en we waren twee veldheeren, die onze troepen tegen elkaar aanvoerden. Er werden toen ter tijd kleine kanonnetjes verkocht, waarmee je echt schieten kon. We bedelden en spaarden net zoo lang, totdat we er een paar machtig waren, laadden ze met kleine groene erwten en vuurden ze op den vijand af. Elke held, die omkantelde, was voorloopig dood.
Maar die kanonnetjes schoten niet krachtig genoeg.
Daarom verschaften we ons koperen en glazen buizen--erwtenblazers--en joegen daardoor met de kracht van onzen eigen adem de groene projectielen tegen de papieren heldhaftigheid. Nu ging het beter. We zagen hooge ruiters wankelen, vallen en in hun val anderen meeslepen. Dat was een heerlijk gezicht. Van het aantal gesneuvelden hing het af, aan welke zijde tenslotte de zege verbleef. En we bliezen met een hartstocht en een volharding, alleen geëvenaard door de toewijding en het geduld, waarmee we eerst al die benden hadden gekleurd en geknipt.
Doch stond ooit de vernielzucht op het oorlogsveld stil? Er was ook bij ons climax in de wapenen. De proppenschieter kwam in 't vuur. Dat was een geweldenaar. Die richtte heele tooneelen van verwoesting aan. Wanneer de kurk uit het nauwkeurig gerichte kanon werd afgeschoten, deed hij zelfs een heel vijandelijk kanon omtuimelen. En als de strijd te lang onbeslist bleef, konden alleen de bommen der proppenschieters hem beslechten. Die moesten dan ook aan 't werk, en de doffe tikken van kurk tegen karton donderden onafgebroken door de vijandelijke gelederen.
Dikwijls bracht de duisternis pas een einde aan den strijd. Dan werden mannen en paarden en kanonnen in hun onderscheidene doozen gelegd. Gesneuvelden en overlevenden, winners en verliezers, lagen daar plat en vredig op elkaar, zoo, dat de blokjes der voeten netjes tegen elkaar aansloten. En dan gingen de veldheeren naar binnen en slapen. De eene klom over het lage schuttinkje, terug naar zijn eigen heim. De ander sleepte de doozen mee. »Adjuus!"--»Adjuus!"--»Kom je morgen weer vroeg?"--»Ja, als ik kan."--Twee keukendeuren klapten toe, en het groene slagveld lag in den donkeren nacht, leeg en verlaten.
Had die groote tuintafel ooit beter plaatsje kunnen krijgen dan hier, waar ze veel te groot was voor de kleine ruimte? Ze bracht duizendvoude rente op in een heirleger van gewonden en gesneuvelden. En »Meneer zelf" mocht er voldoening van hebben, dat hij »dat bakbeest"--met welken naam Moeder het eerst begroet had--van de »verkoopening" naar de Leliestraat had gestuurd. Hij heeft er twee jongensharten mee verrukt.
* * * * *
Verrukt?
Zeg liever bedorven.
Jongens mogen niet soldaatje-spelen, want dan groeit de moordlust in hen aan, raken ze vertrouwd met doodslag en bloed, en, en, en....
Zoo fantaseert het principe.
Maar die eene jongen is nu al lang een braaf dokter in de hoofdstad des rijks, die dag aan dag zich inspant om zieken te genezen, levens te redden. En die andere heeft later, toen hij zoo wat twintig jaar was, gedichten tegen den oorlog geschreven, waar alle kanonnen door overstemd hadden behooren te worden, als kanonnen niet de onbescheidenste bulderaars van de wereld waren.
Men moet niet zoo vertrouwen op het _fantaseeren der principes_, al noemt men dit ook, met veel aplomb, _logisch redeneeren_. Je ziet het immers in de politiek? En in den strijd der vakvereenigingen? En in de paedagogiek? »Logisch redeneerende", uitgaande van een »zuiver beginsel", zet men de heele maatschappij recht, dwingt men alle verhoudingen, voedt men de kinderen tot engelen op; doch enkele simpele feitjes, door het verheven principe hooghartig voorbijgezien, zijn sterker dan het geweldigst principe, en maken ten slotte het schijn-succes tot een nederlaag.
Zulke ervaringen deden het voorgeslacht al uitroepen: De mensch wikt, God beschikt.
Volgens de zuiverste logica moest die overbodige tuintafel een oorzaak van groote narigheid zijn, en zie, ze werd ons de oplossing van het probleem, hoe de beschikbare legers, tusschen de ongeriefelijkheden van onze omgeving, een slagveld konden vinden. Als je eenmaal legers hebt, dienen ze dan toch te vechten. En hoe vecht je zonder terrein?
En volgens dezelfde logica had die kooplust mijn vader in de gevangenis moeten brengen, en zie, ze bracht ons in aanraking met het christendom.
Dat ging zoo.
Bezwijkende voor de dagelijksche verzoeking, had Vader, gelijk ik reeds vertelde, menig stuk gekocht met de bedoeling het straks bij gunstiger markt, weer te verkoopen, en zoo was hij op zijn manier aan 't speculeeren en natuurlijk in de schuld geraakt. Die schuld was gaandeweg gestegen tot een bedrag van misschien een paar honderd gulden, en vroeg, gelijk schulden dat zoo plegen te doen, op haar tijd om aflossing. Maar de eerzame schuldenaar kon zijn schuldeischer, den makelaar der verkooping, niet anders aanbieden dan de opgestapelde schatten die hij zelf gekocht had en die nu vruchteloos naar een nieuwen kooper uitzagen. Hiervan was de makelaar niet gediend: die goederen waren eenmaal gekocht en geleverd, het geld moest er zijn, zaken zijn zaken. En Vader zat in de ellende. O, wat was de goede man prikkelbaar in zulke tijden. Ik weet dat nog zoo best. En hoe zenuwachtig stond Moeders gezicht. Wij kinderen voelden mee de hopeloosheid van 't geval: een som geld op te brengen, die eenvoudig niet te krijgen was. En dan de dagelijks aandringende persing van een gevoelloos schuldeischer op de leege beurs van een dood-eerlijk, pijnlijk-conscientieus, maar alleen wat onnadenkend, eigenlijk ondóórdenkend man.
Nu gebeurde het in dien tijd, dat zeker iemand, die ook in zijn zaken achteruit gegaan was, ook een winkel had moeten verlaten, en verhuisd was naar een veel bescheidener woning, een deel zijner zeer goed onderhouden meubelen wilde verkoopen, om daarmee wat overbodige stukken in te ruilen voor zeer noodig geld. Die zeker iemand had een vrouw en ik meen vijf of zes nog jonge kinderen, een talrijk gezin, dat alleen van zijn verdiensten moest leven. Wij kenden het gezin, en daarom kreeg Vader verlof, de meubelen op eigen naam te verkoopen, opdat hij de provisie zou hebben, die hieraan verbonden was. Zulke extraatjes van een paar gulden waren altijd bizonder welkom. Vader, Moeder, en ook wij--meelevende kinderen--waren dan ook erg blij met de opdracht.
Maar hoe droevig en vernederend liep dit uit. Op zekeren dag kwam Vader thuis, gebroken. De meubelen waren verkocht, maar de verkoopgelden waren Vader niet uitbetaald. De makelaar had ze ingehouden ter afbetaling van de schuld, die Vader bij hem had. Dat kon hij doen, omdat Vader de meubelen op zijn eigen naam had doen verkoopen.
Daar zaten we. Die meneer, die zeker iemand, had Vader alles toevertrouwd, hij zag verlangend naar het geld uit, en zou er geen penning van ontvangen. Zijn oude, degelijke meubelen verkocht, misschien wel opgeofferd als geliefde familiestukken, en niets er voor terug.
In zulke omstandigheden was Vader zoo machteloos. Hij durfde den man niet onder de oogen komen--en die man woonde vlak tegenover ons. Ook wij gingen gebukt onder de dreigende schande. In plaats van heel vertrouwelijk en hartelijk te groeten, namen we wat schuw onze petjes af en ontliepen al de leden van het gezin. Hoe verachtten we dien gemeenen makelaar, die heel goed wist, dat de meubelen niet van Vader waren, maar hier zijn kans schoon zag, om het hem toekomende geld te krijgen. Als hij zijn geld maar had, kon 't hem niet schelen, of Vader daarmee een onschuldige te kort deed, misschien beschuldigd zou worden van oneerlijkheid, van oplichterij.
Oplichterij. Het woord ging als een koude rilling door ons gezin, en van dag tot dag stelden we het uit, het noodlottig bericht aan de overburen mee te deelen. Doch eindelijk, het moest. En, gelijk steeds in zulke gevallen, Moeder ging er op af. O, vrouwen zijn zoo vaak duizendmaal moediger dan mannen.
Wij wachtten thuis met angst. Hoe zou 't afloopen? Het ergste zou zijn, dat Vader werd aangeklaagd wegens oplichterij en naar de gevangenis ging. Het minste, dat de benadeelde familie er in berustte, maar wij gebukt zouden gaan onder haar verachting. In ieder geval, er zou een koele scheiding komen. We zouden de vriendschap van onze goede overburen verliezen. Moeder kwam terug. Ademloos hoorden we haar aan.
»Meneer--had alles begrepen, en hij had erg met Vader te doen."
»En waren ze niet boos?"
»Neen, ze schrokken natuurlijk wel erg, en Mevrouw werd wit. Ach, ze konden het geld ook zoo best gebruiken. Maar Meneer zei: Uw man heeft geen schuld. Het is zeker Gods wil geweest."
We waren duizend pond lichter. De houding der getroffenen tegenover ons veranderde in niets. Ze spraken nooit meer over 't geval, bleven vriendelijk--maar die man.... ik heb hem als een heilige mee door 't leven gedragen. Hij was zoo rustig-vroom, zoo eenvoudig-christelijk. Zijn blik, zijn gelaat, zijn stem, zijn heele gedrag was zonder eenig vertoon. Ik wou, dat ik zijn naam mocht noemen. Niemand kent hèm. Hij was geen schrijver, geen schilder, geen geleerde, geen staatsman. Alleen een kantoorheer--boekhouder op een wijnkooperskantoor--maar.... een christen. In hem heb ik het christendom ontmoet. En dat ik het zoo zuiver heb mogen aanschouwen, het was te danken aan Vaders argelooze koopneiging.
IN EEN NETTE BUURT.
De Jordaan was net een weefsel van straten: een schering van lengtestraten, met daardoor heen een inslag van dwarsstraten. De Lijnbaangracht en de Prinsengracht vormden aan twee zijden den zelfkant van het weefsel, dat in zijn geheel den indruk maakte van grof, grauw linnen. Het was een vunze buurt. Eigenaardig was echter, dat sommige lengtestraten en grachten als kleurige, glanzige zijden draden door dit weefsel waren getrokken en men dus uit de onbeschaafde armoede plotseling kon overgaan in den netten burgerstand. De Bloemgracht en de Rozengracht bij voorbeeld waren niet te min voor handelaars en dokters; daar zag je keurig onderhouden huizen met blinkend geverfde deuren; heldere dienstmeisjes bespoten iederen Zaterdagmorgen de onderpui uit een blinkend koperen glazenspuit; alles blonk er, tot de belknop en de roode wangen der dienstmeisjes toe. En geen drie minuten verder had je een armelijke Eglantiersstraat of Laurierstraat, met vuile houten trappen, donkere portalen en slobberige vrouwen. Wie den Jordaan doorkruiste, enkel maar doorsneed, kwam afwisselend in aanraking met het proletariaat, de kleine burgerklasse, en den gegoeden burgerstand.
De Nieuwe Leliestraat, waar wij nu huisden, was de straat van het financieel zwakke fatsoen. Heel nette menschen met kleine traktementjes bewoonden er een huis of een eerste of tweede bovenhuis. Er was geen vertrouwelijkheid in de buurt. Ieder bewaakte er angstvallig zijn stand achter lage gordijnen en gesloten deuren. Je kwam niet bij malkaar over huis. Op straat sprak je ook niet met mekaar. Je groette de buren beleefd met een nijging of een deftig hoedafnemen, maar verder kwam het niet. Zoo'n beetje gezellig op den stoep zitten, een luchtje scheppen op de groengeverfde houten bank, een buurpraatje maken over het weer, gelijk we dat op de Eglantiersgracht gekend hadden, geen kwestie van! Daarvoor was men hier te netjes. Ieder hield voor den ander zoo'n beetje schrale voornaamheid op. En zelfs achter het huis, in de tuintjes, had je dezelfde stijfheid. Nooit of uiterst zelden knoopten volwassen buren daar een gesprek met elkaar aan. Een afgemeten groet was het hartelijkste waartoe men komen kon. Ik had het gevoel, en herinner me dat nog heel wel, of ieder een stukje fatsoenlijke armoede te verbergen had en voor zijn naaste buren niet weten wou, hoeveel pijnlijke zorg en opofferingen het kostte, dagelijks knap voor den dag te komen. Al de meisjes uit de buurt hadden nette hoedjes en nette manteltjes, nette jurkjes en nette pijpenbroekjes, nette kousjes en nette schoentjes. Je had ze zoo in de uitstalkast van een poppenwinkel kunnen zetten. Onvertogen woorden hoorde je niet, ook niet van de jongens. Zelfs de honden waren hier fatsoenlijker dan een straat verder: ze blaften niet zoo onbehouwen. Maar er was ook geen leven, geen frisch, natuurlijk, spontaan leven. De heele Leliestraat was een zoet zijden draadje door 't grove zaklinnen. En wij jongens, vrijbuiters uit de vroegere buurt, werden er een heelen hoop braver. Dat we echter maar niet zoo onmiddellijk verlelied waren en nog lang iets van onze oude natuur behielden, moet ik, helaas, belijden, en zal de lezer vóór 't eind van dit hoofdstuk vernemen.
* * * * *
Boven ons woonden allerliefste jonggehuwden. Hij was den heelen dag op kantoor en haar hoorden we haast onafgebroken zingen en met het kindje praten. Wanneer het bij ons stil was, klonk het van boven met een lieve, heldere vrouwenstem: »Dág Pa! Dág lieve Pa!" of de jonge moeder haar nog niet eenjarig kindje leeren wou, hoe het zijn vader begroeten moest. »Dág Pa! Dág schattige Pa!" Het klonk als vogelmuziek, zoo frisch, zoo zuiver, zoo natuurlijk, zoo zangerig. »Dag lieve Paatje!" En dan nam Moeder het dingetje op, hield het in de hoogte, en we hoorden het jonge stemmetje kraaien. Nu werd het een beurtzang van moeder en kind. »Dag lieve schat! Dag Pa!"--»A-a-a-a!"--»Dag snoesje! Komt Paatje gauw thuis? Zeg dan maar: Dág Pa! Dág lieve Pa!"--»A-a-a-a-a!"
Wanneer Pa thuis kwam, hoorden we 't vroolijk gejubel van het kleine gezinnetje. Dan mengde zich zijn sonore mannenstem in het lieve gesjilp en gekweel van die twee anderen, en een innige geluksstemming zweefde in dat natuurlijke klankenspel. 's Avonds, vóór 't kleintje naar bed ging, droeg Pa het een poos rond, onder 't zingen van allerlei liederen, en dan hoorden we Moeder in stille bedrijvigheid rondtrippelen. We maakten aan de tafel ons huiswerk of kleurden en knipten onze legers, maar onderdehand dronken onze ooren de symphonie van huiselijk geluk in en genoot onze nog onontwikkelde verbeelding de idylle van het eenvoudige, vredige, blijmoedige gezinnetje.
We weten vaak niet, vanwaar sommige stemmingen en sympathieën in ons zijn gekomen. Maar wanneer later De Genestet's »Jong Hollandsch binnenhuisje" me bekoorde en ik genoot van dien jongen vader, die met zijn twee springende gedichtjes de kamer rondreed, hij op den vloer, zij op en over hem heen klauterend, dan dacht ik meermalen aan onze bovenbuurtjes, hoorde ik zijn warme mannenstem, het gekraai van 't kleintje, en haar: »Dág Pa, dág lieve Pa!" zoo helder, zoo blij, zoo onbezorgd.
Onlangs vernam ik, dat zij gestorven was, aan tuberculose.
Zoo werd haar idylle vernietigd.
Ik heb haar maar weinig gezien. Na betrekkelijk korten tijd verhuisden we naar een woning, die heelemaal aan 't andere einde der stad lag, een uur ver. Toen hebben we nooit meer iets van hem of haar vernomen. Ze behoorden dus met hun kleintje tot een voor ons geheel afgesloten verleden. Nooit hebben we met elkaar omgang gehad. En toch, toen ik vernam, veertig jaar later, dat de bliksem was geslagen is dit lieve nestje van huwelijksgeluk, toen ontroerde me dit smartelijk. Het was of een zingend vogeltje opeens de gorgel was dichtgeknepen.
Leeft _hij_ nog? Leeft het _kindje_ nog, het blijde kraaistemmetje.
Het is voorbij, alles voorbij.
En toch leeft het nog. Ik hoor voetgeschuifel boven mijn hoofd, ik hoor een kamerdeur opengaan, ik hoor een hartelijken welkomstkus, en dan die innig-blije stem: »Dág Pa! Dág lieve Pa!"
Ik hoor kindergekraai. Ik zie een man over de wieg buigen, een kindje kussen. Een knevel prikkelt het donzen wangetje. Een zwaar geluid trilt in 't zachte oortje. En dan: »A-a-a-a!"
Dat is 't kleintje.
Ze leven nog.
Wat zegen kan er neerdalen in kindergemoederen, als er lieve bovenburen zijn!
* * * * *
Tweehoog woonde een gezin, waarvan we niets gewaar werden, dan dat er veel meisjes waren, en allemaal keurig nette meisjes. Eenige van haar zijn later onderwijzeres geworden. Er is dus kans, dat ze deze regels lezen. Dan zullen ze zich het lieve gekweel herinneren van de jonge moeder en het piepjonge kindje, dat natuurlijk even goed omhoog steeg.
Beneden ons, in het onderhuis of den kelder, hadden we ook nog buren. Daar zakte ik vaak naar toe. Ze waren vriendelijk en gastvrij. Ik mocht er steeds binnenloopen. Maar omdat er geen kinderen van mijn leeftijd waren, had ik er niet veel. Kinderen willen kinderen, al zeiden de menschen vroeger terecht: Van malkaar meugen ze niet, en bij malkaar deugen ze niet.
Kinderen waren er in het huis naast ons, een schaar lieve meisjes en één jongen. Men weet nog, dat meisjes iets bizonder bekoorlijks voor me hadden. Nu, deze ook. Ik ken de voornamen nog, en één voornaam klonk me als muziek in de ooren: Rena. Die _e_ werd zoo mooi ingeleid door de _r_, en de _a_ had zoo'n zacht-voornaam klankje. Je kon dien naam zoo mooi-deftig zeggen. Net zoo iets als »zijkamer".
Maar de meisjes leerde ik bijna niet kennen. Ik geloof eigenlijk, dat ons gezin, wat verarmd, en met vijf belhamels van jongens, te ruw was voor de meeste buren. Alleen met den jongen speelde ik wel eens. Echter niet op straat, alleen nu en dan op het plaatsje. Hij ging ook op een nettere school dan ik. Hij is later dokter geworden, ik ternauwernood schoolmeester.
Dat zegt alles.
Is het niet eigenaardig, dat ik heel goed een zekere minderwaardigheid voelde tegenover de omgeving? En dat ik mij daarnaar gedroeg? Hunkerend naar speelmakkertjes, was ik toch te fier om me op dringen. Dan speelde ik maar liever in mijn eentje, bij Moeder in de kamer. Bij Moeder was 't altijd goed. Heerlijk, dat veilige, vredige plekje bij Moeder. Standsverschil, zelfs reeds op deze schaal, deed mij een kring trekken, waarbinnen ik met mijn armoede rustig kon leven. Maar dat leven was toch genieten, als Moeders oog maar, stralend zonnetje, den kring verlichtte.
Toen Potgieter op zijn sterfbed lag, en men hem het portret liet zien, dat de uitgave zijner werken zou verrijken, was zijn opmerking: »'t Is toch maar een burgerman." Iets dergelijks heb ik mijn heele leven gevoeld. Omstandigheden hebben me in menige vriendschappelijke, vertrouwelijke, hartelijke betrekking gebracht tot menschen van stand, rijkdom en positie. Maar immer voelde ik: »Je bent toch maar een burgerjongen."
Men meene niet, dat ik hier iets vernederends of iets pijnlijks in vond. Precies het tegendeel. Nog altijd voel ik me het meest eigen onder de eenvoudige benedenburen in den kelder. Grootheid trekt me niet en streelt me niet. Maar ik zeg het alleen, om te doen uitkomen, hoe het karakter der jeugd voor goed een stempel in het leven drukt.
Eén jongen uit de buurt, ook uit eenvoudiger kring, werd mijn vriendje: Piet v. R. Zelfs werd hij het vriendje van mijn jongere zus, gelijk bleek uit een briefje, dat ze hem schreef (niet zond): _liefe peit hoe gaat het met u en hoe gaat het met Naje[1] nu liefe peit het is dijt dat ik uitseit dag peit_.
[1] Naatje, het zusje van peit.
De andere jongens van het gezin zagen het kind dit briefje schrijven en hebben er haar lang mee geplaagd. En als ze, de Jeugdherinneringen lezend, meenen mochten, dat deze nu al lang genoeg voortgezet waren, zouden ze, citeerend het episteltje, me zeker toevoegen: _nu lieve peit het is dijt dat je uitseid dag peit_. En dan zou ik er de pen bij neerleggen. Zoo ontstaan uitdrukkingen in familiën en in volkeren.
* * * * *
We maakten het er wel naar, dat de buren met een zekere behoedzame teruggetrokkenheid intiemeren omgang trachtten te voorkomen. Vijf drukke jongens tusschen 10 en 18 jaar waren wel in staat kalme, eerzame gezinnen af te schrikken. Het moet zeker druk genoeg bij ons zijn toegegaan, en van die levendigheid, niet altijd van vreedzamen aard, moet wel iets doorgedrongen zijn naar de stille hoven rondom. Levendigheid--met dit woord is het zeer zacht uitgedrukt. Vijf jongens, zoo dicht opeengepakt, stooten malkaar herhaaldelijk, en zijn dan aanstonds klaar met ruwe woorden, luid uitgeschreeuwd, of handtastelijkheden. Ik hoor Moeder nog roepen met ingehouden stem: _Denk toch om de buren_, waarop die buren uit een driftigen jongensmond konden vernemen: _De buren kunnen naar den bliksem loopen_ of een andere hartgrondige verwensching. Dat meenden die jongens zoo erg niet, het was maar ruwheid, doch 't was voor die buren toch niet bepaald aanmoedigend.