Jeugdherinneringen

Chapter 15

Chapter 153,861 wordsPublic domain

Zoo kan je ook zoo leelijk een vereeniging, een partij binnenzwemmen. Ben je er eenmaal in, dan kun je geen hand uitsteken, of je slaat tegen een muur van het programma. Akelig benauwd. Je dacht je tusschen die wanden recht behagelijk en thuis te voelen? Niets er van. 't Zijn dwangbuizen voor je geest. Je willen en je denken, je neigingen en je inzichten botsen voortdurend tegen de geformuleerde overtuigingen en je dankt den hemel, als je er goed en wel uit bent, zij het ook, dat ze je door het inkruipgat er principiëel hebben uitgesmeten.

Dan ben je weer heerlijk in de vrijheid.

Het nieuwe huis had gelukkig een achteruitje.

Wanneer je had aangebeld, kwam je in de gang. Een zijdeur gaf toegang tot de »zijkamer". Als kind heb ik bij dezen naam nooit aan de eigenlijke beteekenis gedacht. Die zijkamer was de mooie kamer, daar stonden de beste meubelen, daar zat je alleen zondags, daar ontving je visite. Er was dus iets fijns aan dien naam verbonden, en dit hoorde ik in den naam. Ik dácht er niet bij aan zijde en satijn, maar ik kwam er bij in een stemming van die stoffen. De zijkamer behandelde je met een zekere reverentie, gelijk een zijden japon. Dat was geen stuk gemeenzaamheid. En als je tegen een bezoeker zei: »Ga u maar even in de zijkamer," dan kwam er, en niet alleen door de beleefdheid, iets zijigs in je stem.

Ziedaar het effect der klanken. Fijne, mooie, beschaafde klanken kunnen beschavend werken door het intoneeren van fijne stemmingen.

Aan 't eind van de gang kwam je door een andere deur in de huiskamer. Hier was het, dat we in schemeravond onze liederen zongen, op stoelen en op den grond om de kachel gegroept. Vulkachels waren er toen gelukkig nog niet. Je moest nog telkens »een schepje op de kachel" doen, je zag den pot gloeien, je zag bij 't poken de vonken vallen, ja zag zoo'n heerlijk warmgeel licht uit het pookgat schijnen, altemaal genietingen, waarvan de gemakzucht, de techniek, de hygiëne en andere ongerechtigheden ons hebben beroofd. Vader stak den pook in de kachel, om met de punt zijn pijp aan te steken; een stukje roodvlammend leven midden in de duisternis. Onze kinderoogen genoten van alles. Met volle teugen dronken we de poëzie van dit huiskamerleven in. De zijkamer had iets stijfs en kils. Maar de huiskamer--ze mocht dan laag en donker zijn met dat eene raam op den tuin, ze mocht vol rook hangen van Vaders pijp, ze mocht door gloeiende kachel, bedstede en nog zoo een en ander een benauwde atmosfeer hebben, ze was toch een gezegend oord. Er zweefden gezelligheid, vertrouwelijkheid, hartelijkheid. Je voelde je er warm en veilig.

* * * * *

Ga nu eens mee voor dat eene raam zitten. Dan zie je tuintjes. Hier vlak voor je is ons eigen tuintje. Eerst een plaatsje en daarachter een tuintje, beide maar klein. Het plaatsje van groote vierkante tegels, het tuintje niet anders dan een lapje zwarte grond. In drie of vier stapjes heb je beide doorloopen. Maar toch een tuintje. Een lage, donkere schutting scheidt het, rechts, van buurmans tuintje. Daar kun je ook in kijken. En dan ligt er weer een, en nog een, en nog een, een heele rij. Links staat een vrij hoog houten loodsje van twee verdiepingen, dat daar het terrein en alle uitzicht afsluit. Maar achter ons tuintje en dat van de buren zie je weer de tuintjes van de achterburen. Die zijn grooter dan de onze, want daar wonen rijkere menschen. In hun tuinen staan heele boomen, waar de musschen in sjilpen.

Is dat niet een heerlijk bezit? Ruimte, lucht, groen, vogels.

Toen we bij 't verhuizen onze eerste stappen in de nieuwe woning zetten en ik door dit eene raam keek, wist ik niet wat ik zag. Echte boomen. Aanstonds ging ik uit de huiskamer de keuken in, opende een glazen deur, liep een trapje af, en stond buiten. Ik keek rond als Columbus. Een nieuw werelddeel. En alles even verrukkelijk. Daar was een waterput. Als je er op ging staan, kon je over de schuttingen kijken. Ik deed het. Wát een ruimte! En hoor die vogels! Misschien kon je ze lokken en kwamen ze ook hier in den tuin. Dan was je heelemaal buiten.

Wanneer ik nú ons tuintje zag en daar mijn buitengenietingen moest maken, zou ik me zeker erg mistroostig voelen. Ik ben nu, helaas, zooveel beter gewoon. Maar toen? 't Was voor 't eerst van mijn leven, dat we de weelde van zoo'n tuin hadden. En dan is ieder plekje grond een verrukking. Vader nam natuurlijk den aanleg van 't geheel voor zijn rekening. Die goede man genoot niet minder dan wij. Als een kind was hij in zijn schik. De winkel met al zijn zorgen lag achter hem. Doodarm had hij dien verlaten. Hij had een soort betrekking gekregen aan »'t Heeren Logement", een inrichting waar allerlei inboedels verkocht werden, een venduhuis. Hij verdiende er luttel. Maar de kwellende angsten van den verloopenden winkel was hij kwijt, en nu genoot hij inderdaad als een kind.

»Tegen die schutting zullen we lathyrus zetten." Ik hoor het hem nog zeggen. Het pijpje in den mond, het onmisbare »krommertje", scharrelde hij nu over het plaatsje, in 't schuurtje, door den tuin. Een spa en een hark had hij al weten machtig te worden. En daar spitte en harkte hij al zijn zorgen mee weg, in misschien twaalf vierkanten meter zwarten grond. Ik zie hem nog alle steenen en vuil opruimen, een perkje aanleggen, een paadje plat trappen. En ik mag hem helpen. Ik ga met hem mee naar de Bloemmarkt, op den Singel bij de Munt, wat planten koopen en zaad. De namen »geranium" en »lathyrus" met de spelling er bij heb ik toen geleerd. Vaders liefhebberijen wekten en bevredigden mijn leergierigheid.

Een nieuw huis, een nieuwe omgeving, een nieuw leven. Uiterst bescheiden in zijn behoeften, was Vader gauw voldaan en gelukkig. Als die ellendige geldzorgen maar niet drukten. Daarvoor alleen was hij bang. Hij was absoluut geen man, om zelfstandig zaken te drijven. Hij was een model van trouwe gehoorzaamheid, een uitstekend dienaar. En zoo was hij dan nu, bevrijd van zijn bezit, ontheven van zijn verantwoordelijkheid, onttroond als chef, den koning te rijk. Menigeen krijgt het beter door een vermindering. Waarom zoeken de menschen toch zoo vaak hun ongeluk in een levenspositie, te groot voor hun aanleg?

* * * * *

We woonden in de Nieuwe Leliestraat. Vader had een gering inkomen. Waar leefden we dan van? Christine, de oudste, ging in een betrekking, voor nacht en dag, als winkeljuffrouw. Dan had ze tenminste goede huisvesting, goeden kost, en wat geld voor haar kleeding. Maar dat geld ging meer naar Moeder dan naar de kleederwinkels. Het lieve meisje kon het niet voor haarzelf besteden, als ze wist dat Moeder »zonder een cent zat". En dan worden zulke meisjes wel eens beschimpt, omdat ze er zoo kaal uitzien.

Daarbij begon de oudste zoon al wat te verdienen en waren er twee kostjongens. Op die manier scharrelden we er doorheen.

Hoewel ik toen pas 10 jaar was, wist ik toch precies en weet ik nu nog, hoeveel er elke week inkwam. Ik weet zelfs, hoeveel kostgeld er voor die twee jongens werd betaald. In de armoede leven de kinderen veel meer met het gezin en zijn nooden mee, dan in de welvaart. Hoeveel kinderen in den gegoeden stand van 10, neen 20 jaar, hebben een flauw besef van wat Vader verdienen moet, om het gezin te onderhouden, zijn jongens te laten studeeren? Daar leven de kinderen zoo zeer in de onbezorgdheid, dat het wel eens in de zorgeloosheid wordt. Zij spelen student, maken naaistersrekeningen, zonder ooit »te rekenen". Dat geld komt er wel, daar bekommeren ze zich niet om. Zoo leeren ze niet waardeeren de inspanning der ouders, niet kennen de waarde van 't geld, en verstaan niet tijdig de kunst evenwicht te bewaren tusschen inkomsten en uitgaven. Armoede is een opvoedster voor 't leven, kan het althans zijn.

Zullen we nu zeggen: we moeten de armoede zoeken, opdat we in haar een goede opvoedster voor onze kinderen hebben? Dat nooit, daartoe gaat ze met te veel bittere ellende gepaard: ziekte, angst, vernedering. Maar wel acht ik een sobere levenswijze zeer gewenscht, en daarbij zulk een samenleven van oud en jong, dat de jongeren geleidelijk en als vanzelf in de levenspraktijk komen. De kinderen mogen gerust weten wat dit en dat kost, en dat er maar zóóveel beschikbaar is, en dat we ons deze of gene zelfs kleine weelde moeten ontzeggen. Vele ouders houden zich echter liever groot voor hun kinderen; andere bewaren een zekere geheimzinnigheid: »zulke dingen gaan den kinderen niet aan", nog andere kunnen hun kinderen niet gelukkig maken zonder ze te overladen. Met zorg? Kun je denken. Met heerlijkheden.

Nood leert bidden _en werken_. Zorg leert zorgen. En het kan voor een kind niet anders dan goed zijn, als het intieme gezinsleven, rekening houdend met kinderkrachten, het kind actief betrekt in zijn moeilijkheden. Dat is ook een »leeren door doen."

* * * * *

Ik zie, nu al bijna dertig jaar, hoe zeer vele ouders mijner leerlingen, menschen die er geldelijk volstrekt niet slechter bij staan dan ind'rtijd mijn ouders, hun jongens zoo gauw mogelijk uit geldverdienen sturen en er niet aan denken die kinderen een vak te doen leeren. Jongens, die goed het zesde leerjaar hebben doorloopen, worden eenvoudig loopjongen in een winkel. Bij uitzondering gaat er een naar de ambachtsschool, en al hun kennis van taal, rekenen, geschiedenis, aardrijkskunde zijn ze binnen eenige maanden verloopen in hun nieuwe wereld van belangen. Die laten ze graag slippen bij al hun gesjouw door de stad.

Hoe kwam het nu, dat mijn ouders, onder alles door, zoo trouw zorgden voor goede scholen en twee hunner jongens de heele ambachtsschool lieten doorloopen, terwijl de derde voor onderwijzer mocht leeren, d. w. z. vóór zijn achttiende jaar bijna niets thuis bracht?

Ik meen hier een leerzaam verschijnsel te ontdekken. Vader en Moeder hadden het wel heel zorgvol, maar niet door eigen lakschheid, niet door eigen geestelijk of zedelijk onvermogen. Beiden waren van goede afkomst, beider familiën behoorden tot dat deel van den burgerstand, waaruit dokters, notarissen, predikanten, handelaars voortkomen, beiden hadden een ontwikkelde opvoeding genoten. Maar Vader leed aan toevallen en al zijn bekwaamheid en braafheid konden hem niet in een betrekking handhaven. Daar zat de hoofdoorzaak van den achteruitgang. Voor winkeldrijven had de goede man niet de noodige talenten--men is koopman of men is het niet--en iederen anderen werkkring bekleedde hij slechts zoo lang, tot hij in zijn arbeid een toeval had gekregen. Daar waren de menschen bang voor, patroons zoowel als mede-ondergeschikten, en Vader werd ontslagen. Later hoop ik van deze bittere ellende voor die twee zoo goed kunnende en zoo goed willende menschen iets meer te vertellen, maar nu moest ik reeds het feit mededeelen. De _oorzaak_ der armoede is van overgroot belang voor de opvoeding en de toekomst der kinderen. Moreele en geestelijke verslapping laten de kinderen los, in wie vaak reeds dezelfde lakschheid en lamlendigheid huizen. Maar mijn ouders behielden onder allen tegenspoed hun energie, lieten zich niet wegzinken, trachtten zich aldoor op te houden en op te werken, kampten alleen tegen een overmachtigen vijand, doch hielden den strijd vol tot hun kinderen volwassenen waren; ze offerden die kinderen niet op, maar zochten er van te maken wat onder de gegeven omstandigheden maar eenigszins mogelijk was, ja, beproefden in hun kinderen de verloren maatschappelijke positie te herwinnen.

En dat is hun gelukt Dat hebben ze nog mogen beleven. In hun maatschappelijken strijd ging het eerst al maar naar beneden: er werd kind op kind geboren, tot zeven toe, en betrekking na betrekking verloren. Daarna bleef het jarenlang worstelen in de diepte. Maar toen ging het geleidelijk omhoog: de kinderen werden grooter, en--wonderbaar--de toevallen bleven na het 50ste jaar weg. Zoo hebben Vader en Moeder het in de laatste periode van hun leven nog heel goed gehad, beter dan ooit in hun huwlijksjaren--hoofdzakelijk ten gevolge van de in hen wonende onuitroeibare energie, die zich zoo heel duidelijk openbaarde in dit eene feit, dat ze hun jongens, te midden van groote geldzorgen, niet opofferden aan het heden, maar deden opleiden voor de toekomst.

* * * * *

Het verschil tusschen den wijze en den dwaas, zei iemand mij eens, bestaat hierin, dat de eerste een betrekkelijk klein genot van het oogenblik weet prijs te geven voor een betrekkelijk groot genot in de toekomst. Dwaas was Ezau, die zijn eerstgeboorterecht verkocht voor een schotel linzensoep. En de hoogste wijsheid sprak uit het woord, dat wie zijn leven om Christus' wille durfde verliezen, het leven eerst recht winnen zou.

Ik houd niet van de woorden wijs en dwaas in dit verband. Ze zijn me te berekenend. Jacob, rustig overleggende bij Ezau's honger, zelf in stilte hongerend naar diens eerstgeboorterecht, en heel verstandig gebruik makende van de gelegenheid, is mij hierin meer antipathiek dan zijn kortzichtige broeder. Ezau zag, slaaf van het lagere, op dit oogenblik het hoogere niet. Jacob zag dit zoo goed, dat zijn wijsheid niet terugdeinsde voor iets eigenlijk veel lagers: het uitbuiten van de zwakheid zijns broeders.

En toch is het waar, dat men voor het heden de toekomst moet koopen. Maar dat moet niet geschieden in welwijze berekening, wier egoïsme zelfs geen oog heeft voor de belangen der naasten en deze baatzuchtig opzuigt, maar in krachtsontplooiing, die--uitwerking van innerlijke spanning--alle moeilijkheden van het oogenblik trotseert en zelfs zoekt. Het mag niet heeten: dáár is mijn _doel_ en daarom _zal_ ik in vredesnaam deze plichten maar vervullen. Doch het moet wezen: in die _richting_ leidt mijn leven en nu _kan_ ik niet anders dan worstelend voortgaan, zij het, dat ik worstel tot den einde toe, zij het ook, dat ik worstelend bezwijk.

Omdat in het leven mijner ouders waardevolle krachten werkten, konden zij jarenlang zoo vele en schier onoverwinbare tegenspoeden doorworstelen, gelijk de wortels van gezonde planten steenen doordringen en ten slotte zelfs rotsen doen splijten. En omdat die krachten zoo menigmaal ontbreken, zinken anderen in steeds dieper armoede en ellende weg. Dat is natuurlijk voor niemand een reden tot verhoovaardiging en al evenmin tot hulpweigering. Maar dat dringt ons bij iederen ernstigen bijstand, die niet helpende afschuift maar helpende aantrekt, te onderzoeken naar de oorzaken der heerschende ellende en dienovereenkomstig middelen aan te wenden. Het voornaamste middel zal dan wel steeds blijken: gelegenheid bieden tot krachtsontwikkeling, al zijn de aanwezige krachten ook nog zoo miniem.

En hieruit volgt voor onze opvoeding, dat we, in huis en in school, toch voornamelijk moeten zorgen voor het _groeien_ der kinderen, zoodat er krachten in hen uitwassen. Geen groei zonder arbeid, die de krachten aan 't werk zet. En daarom: laat ze werken, werken.

En hieruit volgt voor onze philantropie, dat we--tenzij aan afgeleefden en zieken--nooit slechter kunnen helpen dan door te geven.

Het vraagstuk van het pauperisme is een ontzettend moeilijk probleem. Maar de oplossing kan nooit gevonden worden in het verstrekken van »brood en spelen". Daarmee gaat het volk ten gronde. Er is maar één middel om aan de aarde het brood te ontworstelen: De hand aan den ploeg. Alleen werkende zegeviert de arme op de armoede.

VAN EEN VLOEK EEN ZEGEN.

Och, mijn goede vader! Van die koopziekte was hij nog niet genezen. Hij had het in de krenten en de rozijnen nu toch zoo volmaakt afgelegd. De onopengesneden afleveringen van »De Aarde en hare Volken" en het »Bijbelsch Magazijn" waren als stomme aanklagers mee verhuisd. En toch bezweek hij weer. Neen, dat kwam niet, omdat hij het zocht. De goede man ging nooit op koopen uit. En hij had wel een portemonnaie op zak, maar er zat nooit geld in. Van schulden maken had hij bovendien een afkeer. Maar het zocht hem.

Laat ieder eens eerlijk zijn eigen leven nagaan. Dan zal hij zien, hoe hij door dat leven een of ook eenige gebreken meedraagt, inwonende neigingen, die als erfhonden rustig in hun hok blijven liggen zoolang er niemand vreemds op 't erf komt, maar aanstonds opschrikken en opspringen als ze naderende voetstappen hooren. Geen goed beginsel is zoo waaksch als deze booze begeerten. En nauwelijks zijn ze gewekt, of ze beheerschen ons.

We zijn niet zoo bedorven, dat we het kwaad zoeken. Maar we zijn slecht en zwak genoeg, om ons door 't kwaad te laten vinden als 't ons zoekt. En dat doet het. Op allerlei onverwachte oogenblikken loopt het ons erf op. En als de lusten dan wakker worden, het is niet om als een trouwe hond den verleider aan te vallen en te verjagen, maar om door hem te worden gestreeld. Het is ook zoo heerlijk, zich zachtjes te laten gaan onder de zoet-behagelijke bevrediging onzer sluimerende verlangens. Adam en Eva gaan er niet op uit, gedreven door slechte driften. Ze zijn volkomen gelukkig en denken niet eens aan kwaad. Argeloos dwalen ze door den hof, rustig genietende van de balsemende atmosfeer, de harmonieuse omgeving, en den stillen vrede des gemoeds. Maar dan komt de verleider tot hen en hij vindt ze niet, als later Jozef, met een onwankelbaar: »Zou ik zulk groot kwaad doen en zondigen tegen God?" Hij vindt ze niet, als later Jezus, met een onwrikbaar: »Ga weg van mij, Satan!" Maar hij vindt ze bereid tot redeneeren. En wie eenmaal met den verzoeker aan 't redeneeren gaat, verliest het, onverbiddelijk. Hij is een fijn redeneerder en ons, door lusten beneveld verstand, veel te slim af. Luister niet naar hem. Luisteren is vallen.

* * *

Waarom moest mijn vader nu juist een betrekkinkje krijgen aan dat venduhuis? Daar woonde hij dag aan dag de verkoopingen bij, en daar zag hij, hoe waardevolle dingen voor luttele bedragen van de hand gingen. Dat kon hij niet laten passeeren, dan waagde hij ook een bod, en dan kreeg mijn moeder allerlei overbodige meubelen thuis. Zoo raakte de brave man wezenlijk aan 't speculeeren, want hij kocht voorwerpen tegen lagen prijs, met de stellige verwachting die eenige dagen later tegen hooger prijs weer te verkoopen--'t was zonde, zulke koopjes te laten gaan--en daarmee raakte hij in de schuld.

* * * * *

Men begrijpt natuurlijk dat ik dit niet vertel, om mijn braven vader jaren na zijn dood te bekladden. Wanneer de lezers van hem een anderen indruk krijgen dan dien van een groot, naïef kind, dan heb ik hem niet goed geteekend. Hij was de rechtschapenheid zelf en behalve een paar driftvlaagjes was zijn grootste fout: een beetje te veel goed vertrouwen in zijn geslepen en hardvochtigen medemensch. Die kooplust was voor een groot deel averechtsch handelsgenie. Hij dacht daarbij erg slim te werk te gaan, maar werd steeds zelf het slachtoffer van berekenender naturen, die er hun voordeel bij hadden, hem in zijn ongeluk te laten loopen, of daarin te brengen. Hij was uiterst fijn van geweten, en werd de dupe van gewetenlooze harteloosheid. Eerlijk tot op een spijkerkop, was hij een gezochte buit voor dat heirleger maatschappelijke parasieten, dat ook uit de armste organismen nog levenssappen weet weg te zuigen. Doch, wat nu het wonderbaarlijke is, waar dit hem natuurlijk vaak in geldelijke moeilijkheden bracht--juist hem, den fijngevoelige, den argelooze, den ridderlijke--daar groeiden uit die moeilijkheden bijna altijd mooie levenservaringen. Ik geloof vast, dat de kapitalen, in kroegen en bordeelen verdiend, moreele ellende in de familiën brengen, en een mijner schoonste jeugdherinneringen dank ik aan de verliezen dier onpractische natuur, die zich onvoorzichtiglijk op het gladde ijs der zakenwereld waagde, en wiens zelfoverschatting--voorzeker een fout--zoo aandoenlijk werd goedgemaakt door de kinderlijke deugden van een onbedorven gemoed. Eer ik echter mijzelf nog eens verkwikken wil in die schoone heugenis, moet ik een ander deel kinderzaligheid voor u uitspreiden op onze tuintafel.

Zoodra er gebeld werd en een beladen handkar voor de deur stond, wist Moeder al hoe laat het was. »Juffrouw, dit komt van de verkoopening, van Meneer zelf," zei de bezorger, en Moeder had weer iets, vaak iets heel onpractisch, aan te nemen en op te bergen. Zoo verscheen er op zekeren dag een reusachtige tuintafel: een groot, groen, vierkant houten blad op een ijzeren onderstel met cirkels en krullen en vier gekrulde pootjes. Het ding kwam zeker uit een grooten tuin, maar Vader had het prachtig gevonden voor ons plaatsje en het daarom gekocht en per handwagen naar de Leliestraat gestuurd. Moeder was eigenlijk recht boos met deze zending van de »verkoopening" en ze wou dat »Meneer zelf" maar wat minder koopgauw was. Doch ze kon de tafel toch niet terugsturen en liet haar dus naar het plaatsje brengen, waarvan ze een al te groot deel in beslag nam.

Maar wat heb ik op die tuintafel genoten!

Het was nog in den tijd, dat de handenarbeid zich beperkte tot het spel en nog niet de scholen was binnengedrongen om zich daar te laten fatsoeneeren. Ze leefde nog vrij, als een heidensch natuurkind, liep, dartelde, sprong, precies zooals ze wou. Zelfs was ze nog niet gedoopt, en geen sterveling dacht er aan, dat ze eenmaal dien uitheemschen naam Slöjd zou ontvangen met daarnaast den deftigen van Handenarbeid. Ze heette.... ja, ze heette eigenlijk heelemaal niet. Ze was innig opgenomen in allerlei hulp aan Vader en Moeder, en in allerlei spel op straat en in de huiskamer. Uit die natuurlijke verbinding was ze nog niet als zelfstandig element naar buiten gekomen om onder de verzorging der deskundigen als een apart wezentje in een eigen zondagsch pakje netjes de wereld te worden ingestuurd. Ze was nog zoo zonder pretentie, zonder opdringerige braafheid, ze was nog zoo anspruchslos en aantrekkelijk.

Wanneer we voor onze zondagscent geen drop of zoethout kochten, was het omdat de Pruisische Uhlanen ons te machtig waren. Die hingen in heele rijen op prenten voor de winkelruiten. En daarnaast de huzaren op dravende paarden. En ook de vliegende trein, kanonnen en kruitwagens, door zes paarden getrokken. De geheele Duitsche armee boeide onze oogen dermate, dat de snoepgoedwinkel het aflegde: het lager zinnelijk begeeren werd overwonnen door hooger lust--een stuk moreele opvoedingstheorie, dat je zoo maar zonder universiteit, professor en lijvig boekdeel ontving, dat de simpelste ervaring aan een eenvoudig menschenkind gratis thuis stuurde, zelfs in een achterbuurt. Je had het als 't ware maar van de straat op te rapen. Voor onze zondagscenten kochten we legermachten, liefst ongekleurde, en verfden die. Een bescheiden verfdoosje--als we 't niet op onzen verjaardag kregen--brachten we ook zelf met centen en halvecenten bijeen. Je kon losse verfjes koopen van allen prijs en in alle kleur, en evenzoo penseelen. Ik zie ons nog in den winkel uitzoeken: karmijnrood, marineblauw, geliefde kleuren, waarvan de naam ons reeds zoet in de ooren klonk. En al lieten die goedkoope penseeltjes ook vaak een haar los, al »haarden" ze, we deden het er toch mee, we kleurden er te voorzichtiger om. O weelde der wijsheid bij schraalheid der centen!

Als de uniformen dan gekleurd waren, plakten we mannen en paarden en wagens op dun bordpapier--er waren altijd wel oude doozen en Moeder kookte graag wat stijfsel voor ons. Daarna werden ze netjes uitgeknipt: voorzichtig, uiterst voorzichtig, met die natuurlijke voorzichtigheid, die ieder kind aangeboren is--niet waar, lieve Sien?--eer ouderlijke angst en meesterlijke bemoeizucht ze heeft verlamd met waarschuwing, bedreiging en verbod, en dan gingen er houten blokjes achter, zoodat ze staan konden.