Jeugdherinneringen

Chapter 13

Chapter 133,871 wordsPublic domain

Meesters, die dit leest, denkt er aan, als je dagtaak je soms eens zwaar valt, als je er soms eens moedeloos bij wordt. Mogelijk zit er één jongen in je klas, die je later voor je arbeid danken zal, zooals ik het nu nog mijn meester doe.

* * * * *

Aan die buitensporige vlijtvlaag is nog een herinnering verbonden. De kinderen konden elke maand een kaartje »voor vlijt en goed gedrag" krijgen. Wie er zoo twaalf per jaar had ontvangen, ontving op het jaarlijksch examen een prijs. Dat was voor mij het eerste jaar een onmogelijkheid, want in den loop van den kursus op school gekomen, had ik het op 't examen maar tot acht kaartjes kunnen brengen. Toch ging ik met plezier naar 't examen en zag aan 't einde daarvan zonder eenige jaloezie, dat mijn medeleerlingen mooie boekwerken en getuigschriften ontvingen, terwijl ik verstoken zou blijven. Als je zoo iets maar vooruit weet, is 't niet zoo erg. De smart zit minder in het gemis dan wel in de teleurstelling. Daarom hebben sommigen er een handje van, je teleurstellingen aan te doen, opdat je het toch maar goed vóélen zult.

Toen alle prijzen waren uitgedeeld, was er een oogenblik stilte in de school. En toen hoorde ik mijn naam noemen, langzaam, plechtig: Gerard--Jan--Ligthart.

Ik trilde--zag alles in een nevel--geloofde 't niet--bleef bevende zitten.

De meneer van 't examen zag de klasse rond, en riep toen nog eens met deftige stem: Gerard--Jan--Ligthart.

Alle kinderen keken naar mij.

»Kom jongen, jij bent het," zei de meester.

Ik stond op en liep naar voren, gauw, zenuwachtig.

Daar stond ik tegenover den deftigen meneer. Ik klein, hij groot. Ik ontroerd, hij rustig.

En hij glimlachte mij kalm tegen.

Hij had een boekje in de hand en las luid: »Loon naar werk, door E. Gerdes."

Ik hoor het nog.

En toen sprak hij: »Jongen, je bent nog te kort op deze school, om reeds het vereischte aantal kaartjes voor een prijs te bezitten. Toch wilden je onderwijzers je een prijs geven voor je buitengewonen ijver. En die prijs heet: Loon naar werk. Hij _is_ dan ook loon naar werk. Ziehier."

Ik nam het boekje aan.

Heerlijk, héérlijk oogenblik.

En toen stil naar mijn plaats.

Of ik onder het dankgebed geluisterd heb?

Daarvoor trilde het daarbinnen te veel. Maar ook dat was danken. En onze lieve Heer weet dat wel. Die heeft een fijn oor.

Gezegende school! Zij leerde mij werken. Zij leerde mij school en meesters liefhebben. Zij leerde mij danken in gemoedsontroering. Het echte.

Toch maar een »afgescheidene".

* * *

En nu wil ik meteen vertellen, hoe het met mijn prijs verging.

Daar was een jongen en die heette Kees. Zijn vader was timmermansbaas, en hij woonde daar en daar.

Kees las zoo graag en daarom kreeg hij eens mijn prijs ter leen.

Maar Kees gaf hem nooit terug.

Telkens als ik vroeg, ontving ik een ontwijkend antwoord.

Eindelijk vermande ik me en ging naar Kees zijn huis. Ik wou zijn vader spreken. Ik moest toch mijn prijs hebben, mijn _prijs_. Een prijs is toch niet een gewoon boek.

Ik sprak Kees zijn vader. Hij wist er niets van. Maar wacht r's. »Zoo'n boekje, zoo wat zoo groot?"--Ja, meneer.--»Dat zal je niet meer terugzien. Kees bracht altijd boeken mee, en ik wou dat vervloekte gelees niet meer hebben, en toen heb ik gezegd: als je weer een boek meebrengt, smijt ik het in de kachel. Dat heb ik ook gedaan, en dat is dan zeker jouw prijs geweest."

Ik heb mijn tranen weerhouden,--o, natuurlijk, natúúrlijk--maar toen ik weer buiten was en op straat liep, was ik gebroken.

Mijn prijs....

Weg....

Onherroepelijk....

De man heeft er niet aan gedacht, welk een bitter leed hij mij had berokkend, heeft er niet aan gedacht, mij mijn prijs terug te koopen.

»Dan had ik hem maar niet moeten uitleenen."

Zoo'n ellendeling!

* * * * *

Laat ik hem vergeten en aan lieflijker dingen denken.

Van de vrouwen is altijd een bizondere bekoring voor mij uitgegaan. Men weet, dat begon al op de bewaarschool, waar ik schriftelijk verzocht, of ik van zeker vijfjarig Betje de vrijer mocht wezen. Ik was toen ook nog geen zes. En dat hield zelfs niet op, wanneer het pere-hietvrouwtje of Mietje de porster mij in haar toch zoo ongecultiveerde stemmen omstrikten.

Wat is het toch, die bekoring van »das ewig Weibliche".

Ik weet het niet.

Het is een der mysteries bij de talloos vele andere. Maar het bestaat en oefent zijn invloed reeds vroeg. De aanwezigheid van meisjes in de school verzachtte heel wat leerellende. Als je onder het doodelijk stilzitten, een uur achtereen, steeds met je handen gevouwen aan den rand, naar het overhooren van een droge les moest schijnen te luisteren, was het een heerlijkheid, in alle stilte te genieten van een mooie, blonde vlecht, of ál meer intiem te worden met een rood lintje om een zwart kopje. De jurkjes, de schortjes, de kantjes, de beentjes der meisjes, waarmee ze zoo aardig stappen konden, de stemmetjes en de fraaibelijnde gestalten, ze gaven aan de dorre woestijn iets liefelijks. En zonder meisjes had ik het in mijn eerste school zeker absoluut niet uitgehouden.

Wat ik voor haar voelde, was onmogelijk te zeggen. Geen enkele onvoegzaamheid, dat weet ik echter zeker. 't Was een vage stemming van adoratie; zij omhulden mij als in rozige morgennevels. Een zelfde stemming kreeg je buiten, als je niets dan groen en lucht zag en een enkele boerenwoning. Het alledaagsche ging weg en je was in een andere sfeer.

Geheel in strijd met deze vage stemming scheen onze liefhebberij om bij 't uitgaan der school de meisjes na te rennen.

Dan holden zij hard weg, zwaaiend met de schooltasschen, en wij vlogen ze na. Hadden we ze ingehaald en gegrepen, dan deden we nog niets. Eigenlijk waren we dan verlegen met onzen buit, schudden--schijnbaar ruw, maar eigenlijk teer--de Sabijnsche wat door elkaar, spraken wat vreeselijke dreigementen, en, als 't héél erg werd, gaven we ze een zoen ergens op een vindbaar plekje van het weggestopt gezicht en anders maar op de haren. Die zoen beteekende evenwel niets anders dan een triomf. Daarna mochten ze gaan.

Nog op den huidigen oogenblik weet ik niet, wie met dit spelletje begon, de jongens of de meisjes. Of wij haar opjoegen, dan wel zij ons oplokten. Eén ding is zeker: meisjes die niet wegliepen deden we niets. En zoo geloof ik, dat die vluchtende hinden niet zoo onnoozel en zoo bang waren, als ik toen wel dacht. Maar ik durf toch niet stellig zeggen, of ook deze verzoeking eigenlijk van Eva uitging, en dus zal ik dit vraagstuk maar laten oplossen door de eerlijke jeugdherinneringen van een vrouw, die in haar schooljaren dupe of bewerkster van die jacht is geweest.

De Paedologie zal ongetwijfeld ook deze naren- en afzoenerij eens tot onderwerp van haar wetenschappelijk onderzoek maken. Dan vernemen we, hoe in dit kinderspel zich handhaaft een vrouwenroof uit den oertijd, of anders hoe--spel is toch levensvoorbereiding--het jonge volk zich bij dat onbehoorlijk gevlieg praepareert op 't geen later komen moet. Een zij en een hij moeten elkaar vinden, daartoe moet zij lokkend wegfladderen, hij haar volgen: »Errötend folgt er ihren Spuren", en als hij haar gevonden, veroverd heeft, sluiten zij zich innig aaneen. Dat moet in de schooljaren door wijze Moeder Natuur worden voorbereid. Vandaar die, alleen door onwetenschappelijke kortzichtigheid tegengewerkte, naren- en afzoenerij, die de opvoeders als een mooi, redelijk, noodzakelijk en dus wenschenswaard verschijnsel moesten begroeten, en eer behoorden aan te moedigen, dan als onfatsoenlijk te bestrijden.

Zien echter alle ouders en onderwijzers het onder dat licht?

* * * * *

Op mijn afgescheiden school waren gelukkig ook meisjes, en zoo had ik den Hemel opnieuw te danken, die mij niet uit Roomsche ouders had doen geboren worden en tusschen enkel donkere jongenskielen doen opgroeien.

De meisjes zaten vooraan, in de eerste rijen, de jongens daarachter. Ik denk, dat in deze plaatsing, die men op alle gemengde scholen en ook in de kerken aantreft, waar de mannen de vrouwen als een heiligenkrans omringen--geen krans van heiligen--, ik denk dat in deze rangschikking zich hetzelfde wegloop- en narenelement openbaar. Men noemt dat met allerlei mooie namen: hoffelijkheid, beleefdheid, eerbied voor het zoogenoemd zwakkere geslacht, maar die namen zijn niet anders dan kleurige sluiers, die het wezen der zaak aan ons oog onttrekken. Die stil en devoot luisterende vrouwen--natuurlijk weten ze het niet--ze loopen weg, en die eerbiedig doende mannen, ze rennen na. Die hele zwijgende, stilzittende schare is in haar rangschikking een door de eeuwen vastgelegde beweging. Het is lokken en volgen, jagen en vlieden, maar nu vastgegroeid tot een maatschappelijk gebruik. Alleen ziet men nu en dan, zelfs in de kerk, het oude spel herleven, als een achttienjarig meisje minder getrokken wordt door de godsdienstoefening, omdat ze zelf te sterk trekt iemand die daar in de verte achter haar zit. Al is die gedachte niet aangenaam voor den preekenden voorganger, hij worde er toch niet boos om, wetende dat het verlies van aandacht nu, hem later rijkelijk vergoed wordt door een mooien huwelijksdienst en wie weet hoeveel doopbeurten. Pierre de Coulevain, de auteur van Sur la branche, heeft de verliefdheid van 't meisje terecht genoemd: moederliefde in knop.

Ik had het geluk, een tijdlang in de eerste jongensrij te zitten, vlak achter de meisjes. Dit verhinderde mij niet, hard te werken. Integendeel. Het spoorde mijn werkdrift aan. Ik deed mijn best in haar oog een mooi figuur te maken. Een pluimpje van den meester wapperde veel sierlijker onder het welgevallig en bewonderend oog der meisjes. Zij behoefden mijnentwege niet goed te kunnen rekenen en ontleden. Als ze maar haar lieftallige en gratievolle bewondering aan ónze overwinningen konden schenken. Iedere moeilijke som, door ons als een machtig vijand verslagen, riep haar streelenden eerbied op, en wij sloegen er op los om dien eerbied te verwerven. »Wat kan _jij_ goed rekenen!" of: »Hoe _kun_ je dat toch!" of: »Ik begrijp er niks van!" of: »Toe, help je me nog even!"--het waren omwademingen van bloemgeurige zefirs, zwanger van lenteweelde. Ha, wat voelden we ons gelukkig, als we zulk een hulde ontvingen of zulk een hulp mochten verleenen!

Das ewig weibliche. Wondervolle macht in een knapenziel.

Neen, gij die meent dat onreine gedachten als zwarte wolken langs dezen blauwen voorjaarshemel moeten drijven, gij weet het niet. Er ging een reinigende bekoring uit van de tegenwoordigheid der meisjes. Zij riepen ridderlijke gevoelens in ons wakker, huldigende driften, artistieke gaven. Mijn oudste broer teekende mooi en leerde mij in de huiskamer landschapjes teekenen en watergezichtjes. Een boerenwoning, half verborgen onder 't loover, een hooiberg daarbij, slingerend landweggetje, en in de lucht wat vogels--of een schip, opbruisend tegen de watervlakte, het zeil omhoog, den wimpel wapperend, het roeischuitje er achter--ik wierp ze met handige potloodstrepen op het papier, trok er een strakke lijn om, zette in een benedenhoek een beetje schuin mijn naam--ach, mijn jongens op school kunnen dat laatste ook zoo artistiek: kinderen blijven kinderen--en bood ze de jonkvrouwen mijner vereering aan. Hoe heerlijk, als ze het mooi vonden en zuinig bewaarden. En als ze 't niet begrijpen konden, hoe een jongen, die al zoo goed sommen kon maken, ook nog mooi kon teekenen. En als ze dan een eigengemaakten boekenlegger of inktlap als tegengave schonken. Precies als de koningen der aarde, en ook precies als de primitieve volkeren. Lezer, vriend, zijt ge wel eens jaren achtereen gelukkig geweest met een simpel potloodje, dat ge dag aan dag bij u droeg, nooit gebruikte uit vrees dat het slijten zou, en telkens weer met teederheid tusschen uw vingertoppen nam? In dat potloodje--'t heette een herinnering aan háár--bewaardet ge al de reine teederheid van uw eigen jongensziel, gewekt door »das ewig Weibliche".

GOEDE SCHOOL.

Elke schooltijd begon natuurlijk met gebed en psalmgezang. Daarna volgde 's voormiddags een vol uur »Bijbelsche Geschiedenis". Dat was dus zes uur in de week de historie van het oude Israël en het verhaal der Evangeliën.

In overeenstemming daarmee kreeg de Kaart van Palestina meer beurten dan die van Nederland. Zoo kwam eigen land en volk wel wat in de verdrukking door de buitengewone belangstelling aan Kanaän gewijd. Perea, het Over-Jordaansche, lag mij nader dan Gelderland, op de Palestijnsche bergen was ik meer thuis dan op de Limburgsche heuvelen, het meer van Genezareth mij vertrouwder dan het Slotermeer, en langs de Jordaanoevers wandelde ik vrediger dan langs de Rijnboorden.

Over de keuze van dit belangstellingsgebied voor de lagere school kan men verschil van meening hebben, maar ieder beseft, hoe dit samengaan van geschiedenis en aardrijkskunde beide ten goede kwam. De vlakten en de hoogten, de meren en de stroomen, de steden en de vlekken van Kanaän kregen beteekenis, doordat ze leefden in de Joodsche geschiedenis en literatuur. We hoorden ze uit den mond der psalmdichters en profeten, zagen ze als terrein van arbeid en strijd, bezochten ze rondwandelend met den leerenden Heiland.

Dat was iets anders dan rijtjes namen, die maar rijtjes namen bleven. Het innige verband tusschen het Joodsche land en het Joodsche volk, dat nog thans in zoo vele Joodsche en ook Christen-harten gevoeld wordt, maakte de aardrijkskunde van Palestina tot terreinlessen der historie. Alles leefde daar. Men was als in de schouwburg der menschheid en zag volksdrama's afspelen op het tooneel der velden, met begroeide bergen tot coulissen. Nog, als ik den naam hoor van het meer van Genezareth, zie ik visschers hun netten uitwerpen, Jezus wandelen op de wateren, Petrus wegzinken in kleingeloof. Aan gene zijde der Jordaan staat Mozes op den berg Nebo, ziende naar het Heilige Land, dat hij niet mag binnentreden. Hoe lieflijk is ons dat Bethlehem met zijn overvolle herberg en de kribbe in den beestenstal. Geen plaatsnaam, of hij roept personen op, toestanden, gebeurtenissen. De landkaart gaf aan de geschiedenis een gebied, gelijk deze aan de kaart leven schonk.

Of de school dit prachtige en eigenlijk ook onmisbare samengaan met volle bewustheid in de hand werkte, om de waarheid te zeggen, ik geloof het niet. Het staat mij zoo voor, alsof de geschiedenisles alleen luisterde naar de stem van den meester en nooit keek naar de kaart, alsof de aardrijkskundeles alleen aanwees en opzei, maar nooit bevolkte, en of het samenvloeien van feiten en terreinen aan het toeval en de kinderlijke voorstellingsbehoefte werd overgelaten. Maar indien dit zoo was, dan zal het nu in de christelijke scholen toch wel anders zijn. Men zal daar nu toch die mooie kans niet ongebruikt laten. Wellicht gaat men er nog een stapje verder en durft een les in natuurlijke historie gebruiken, om het landschap met zijn planten en dieren uit te beelden. »Kent gij het land?" vraagt Pfarrer Schneller op het titelblad van zijn voortreffelijk werkje. »Wij kennen alleen stippen en strepen en namen," zeggen de kinderen. En dit zeggen zelfs de volwassenen. Ook de volwassenen, die op de lagere school of op de zondagsschool Bijbelsche Geschiedenis onderwijzen?

* * * * *

Wanneer deze jeugdherinneringen onderwijskundige bijbedoelingen hadden, zou ik graag van Palestina naar ons eigen land overgaan en zelfs de vraag willen stellen en beantwoorden, of de aardrijkskunde der geheele wereld niet een beetje intiemer kon worden met het leven der volkeren. Maar nu moeten we verder.

Daar zit een klasse kinderen te rekenen. 't Is de hoogste. Ook ik zit daar zoo wat midden in de klasse, vlak achter de meisjes. Gevaarlijk plaatsje?

Dat denkt ge maar.

't Zou gevaarlijk geweest zijn wellicht als de meester onzen geest had gekneveld in banden van verveling, als hij ons gedoemd had tot stilzitten en kijken en handen vouwen.

Maar op mijn bank ligt een lei, daarnaast een dik boekje in een donkerblauw omslag, en tusschen mijn vingers leeft een griffel, hunkerend naar 't uitvloeien en uitstroomen van cijfers. 't Is of die arme griffel 't benauwd heeft, in barensweeën verkeert. Ze moet schrijven, schrijven, cijfers uitgooien, een lei vol, twee kanten, vol, nóg een lei. Eer komt ze niet tot rust.

En al die arbeid maakt, dat ik niet eens meisjes zie. Die griffel wint het van haar bekoorlijkheid. Het instrument, waardoor de van werkdrift trillende geest een uitweg vindt in de grijswitte figuurtjes op de blauwzwarte lei.

Werken. Laat je jongens werken. De kleinen en de grooten. En ook de heel grooten.

Maar zorg dan, dat ze werken met lust, en daardoor met volle kracht.

De beste rekenaars hadden ieder hun eigen rekenboek. Ik moet daar ook onder behoord hebben. Ik herinner me den hartstocht, om een boekje _uit_ te hebben.

De Boesers had ik al.... opgevreten. De »eerste verzameling". De »tweede verzameling". Toen had de meester er niet meer. Die »verzamelingen" kwamen na en boven de gewone serie. Een soort bekroning. »Gemengde vraagstukken". Voor de goeie rekenaars, die geen geleidelijke leiding meer noodig hadden. Die konden aanpakken, telkens wat nieuws.

Maar ik had ze uit.

Toen zei de meester: »Ja, wat zal ik je _nu_ geven!" En hij snuffelde in zijn kast. Daar had hij zoo'n stapeltje van allerlei. »Hier, probeer dit maar eens."

't Was--heb ik het goed onthouden?--»Koopmansrekenen" van Adam van Lintz, het--vierde?--stukje. 't Was dat dikke boekje in donkerblauw omslag. En Adam van Lintz boeide mijn oogen en mijn handen en mijn gedachten en mijn neigingen.

Ik zag geen meisjes, ik zag sommen.

Heerlijke werkuren. Ze deden me al vroeg ervaren, waar een stuk reine levensvreugde te vinden is. Bijstand tegen verzoekingen. Troost in smart.

Nooit in mijn verder leven heb ik Adam van Lintz teruggezien, terwijl ik toch onafgebroken tusschen de schoolboekjes heb gezeten. Waarschijnlijk was hij dus toen al aan 't verdwijnen. Versluys en Wisselink kwamen de Boesers verdringen. Toch onthouden, met uiterlijk en titel. Bewijst dat niet--wat ik reeds vroeger opmerkte--dat het geheugen in 't hart zit? En dat het werk in de school het kinder_hart_ moet weten te pakken?

* * * * *

Men zou uit deze rekendrift willen afleiden, dat ik later een rekenmeester had moeten worden. Doch dan zou men verkeerd afleiden. Mijn aanleg en mijn lust hebben nooit de cijfers gezocht. Verzen opzeggen, lezen met een mooie stem, de muziek der taal genieten--dat was mijn eigenlijke voorkeur. Mijn aanleg was, om het met een groot woord te zeggen: literair. Als ik in mijn eentje liep, zei ik in mezelf verzen op, vaak psalm- en gezangverzen. En dan had ik een gevoel, of mijn stem de mooie klanken moest liefkoozen en de golvende regels in zangerig rythme moest laten vloeien. Een meester, die mooi voorlas, had me gauw te pakken, en onwillekeurig bootste ik de bekoorlijke eigenaardigheden van zijn voordracht na.

Toch herinner ik me van mijn leesboekjes niets meer. Welke waren het? Ik weet het niet. Belletristische? Leerende? Verhalende? Ik weet het niet. Verzen of proza? Ik weet het niet. Geen inhoud, geen titel, geen uiterlijk--ik weet er niets meer van. Waren ze wellicht te droog? Ik weet het niet. Te vroom? Te braaf? Te onkinderlijk? Ik weet het niet. Wonderlijk toch, de rekenboeken zie ik nog, ken ik nog, hoewel ik geen rekenman ben, en de leesboeken zijn totaal weggezonken in vergetelheid, hoewel de toekomst bewezen heeft, dat ik voor 't leesboek toch wel iets voelde. Vanwaar dit onderscheid? Het moet wel hieraan zijn toe te schrijven, dat--door 't _werken_--in de rekenboeken mijn hart is gaan zitten, en dat de leesboeken dit hart niet hebben gelokt en vastgehouden. Dat hart wou wel. Maar 't boek wou niet. Of misschien wou het arme ding wel, maar kon het niet. Het zal onze harten _te opzettelijk_ hebben willen vangen. En dat is altijd mis.

Het is toch eigenlijk sterk, dat ik niet meer weet, uit welke schoolboeken ik als twaalf- en dertienjarige jongen gelezen heb. Maar voor 't feit sta ik in. Wellicht wordt het een beetje nader verklaard door mijn overgang, als kweekeling, naar de openbare school. Daar kwam ik in zoo'n heel andere boekjeswereld. Maar dat rekenboek dan? en het zingen? Want dát herinner ik me heel wel. Ik zie het schoolbord vol muziek staan, driestemmige liederen in notenschrift. En ik ken nog die liederen die we leerden. Eén lied is te kenmerkend en te vereerend voor de school, dan dat ik het hier niet zou vermelden. De Fransch-Duitsche oorlog was uitgebroken, 1870. Ik was elf jaar. Overal hoorde je »Die Wacht am Rhein", tot op draaiorgels toe. Toen leerde de meester ons de woorden en de muziek, de woorden in 't Duitsch, ofschoon we in die taal geen les kregen. En we zongen uit volle borst meerstemmig:

Est braust ein Ruf wie Donnerhall, Wie Schwertgeklirr und Wogenprall: Zum Rhein, zum Rhein, zum Deutschen Rhein! Wer will des Stromes Hüter sein? Lieb Vaterland magst ruhig sein: Fest steht und treu die Wacht am Rhein.

Ik noemde dat kenmerkend en vereerend voor de school. Immers, het was een bewijs, dat men in de school _leefde_. Het lied van den dag, ondanks de vreemde taal, in de zangles gebracht--dat was toch wel waarlijk: school en leven.

En die school was een--»afgescheidene", van veertig jaren her.

* * * * *

Het is wel begrijpelijk, dat deze schoolliederen me zijn bijgebleven. Vooreerst hadden ze dezelfde veroveringsmethode als de sommen. Ze zetten ons aan 't werk. Zingen moest je wel, of je wou of niet. Je kon er niet bij suffen of afdwalen. Daar had je nu je zuivere zelfwerkzaamheid. Maar dan ook, de liedjes werden thuis vrijwillig gerepeteerd. Niet, gelijk dat in gegoeder kringen geschiedt, op bepaalde uren bij een piano, maar op alle tijden van den dag en in alle hoekjes van het huis. Vader zong, Moeder zong, Christien zong, de jongens zongen, ik zong, we zongen allemaal. Zingende leerden we mekaar de liedjes, en als er een moeilijke val was, werd die soms in de keuken onder 't werken door ingestudeerd. Christien sneed de andijvie of de rooie kool, ik stond bij haar aan de rechtbank, en daar had je een formeele zangles.

Niemand was verlegen om den mond open te doen, niemand schaamde zich zijn stem. Het huis weergalmde van lied. Je zong in de keuken bij 't schoenenpoetsen, je zong in de gang, je zong in alle kamers, in de huiskamer, de slaapkamer, de bestekamer. Leege oogenblikken werden gevuld met lied. En dat was nooit een zacht geneurie, maar een luid gejuich, vol uit de borst. Ook de bovenburen zongen en de benedenburen. En 't waren allemaal schoolliederen van »Zie de leliën op het veld" of »Als de zwaluw ons verlaat" of »Eere zij God". De Zangvogeltjes, die lieve uit de boekjes van C. Regeer, fladderden door onze woning, en jubelden hun heerlijkste liedjes.

Dat had en heeft een burgergezin voor op de deftigheid. Er wordt gezongen in huis. De kinderen behoeven geen zangles te krijgen. De liederen leven er, gelijk buiten in veld en bosch, en--evenals daar--piepen de jongen naar 't zingen der ouden.

Wat kon Vader mooi zingen! En met welk een liefde en toewijding zong hij! Dan kon hij zoo'n uur achter elkaar heen en weer loopen, geen jas aan, de handen op den rug, van de huiskamer door de gang en omgekeerd, en aldoor maar zingen. Hij haalde de liederen op uit zijn verleden, veel Fransche. Van »La Brigantine, Qui va tourner." Wat vonden we 't mooi! En als Vader dan met ingehouden stem bad: »O, Vierge Marie! Pour moi priez Dieu!" dan werden onze oogen wel eens vochtig van ontroering en viel er een traan tusschen de sommen of de Fransche thema's. Dat waren heerlijke oogenblikken.